Gelijkenissen en het Koninkrijk

De gelijkenissen (vergelijkingen) van Jezus hebben vaak iets met oordeel en de daaropvolgende komst van het Koninkrijk te maken. Het is niet de bedoeling om alle gelijkenissen hier helemaal te behandelen, maar ik wil wel enkelen ervan nader toelichten, die ons meer vertellen over de komst van het Koninkrijk. We kunnen veel leren van vergelijkingen, maar we moeten niet vergeten dat ze in eerste instantie door Jezus verteld werden aan de Joden van Zijn tijd. Ze hadden de sterke profetische lading vooral voor hen.

Met andere woorden

De leerlingen vroegen waarom Jezus sprak in gelijkenissen en in Mattheüs 13:11 vinden we Zijn antwoord: Hij zei dat de kennis (het begrijpen) van de geheimenissen van het Koninkrijk aan hen gegeven was. De gelijkenissen hadden te maken met het begrijpen en doorgronden van het Koninkrijk. De mensen die geen moeite deden om te doorgronden wat Jezus zei, zouden de betekenis missen, omdat ze het toch niet wilden begrijpen. Gelijkenissen vertellen ons iets in andere woorden. De woorden zijn beeldend bedoeld, spreekwoordelijk, figuurlijk of, met een mooi woord: allegorisch. En we moeten er enige moeite voor doen om ze te vatten. Vaak moeten we ook iets weten over de tijd en context waarin ze verteld werden.

Gehoorzaamheid

Jezus vertelde een gelijkenis met een zaaier in de hoofdrol (Mattheüs 13:1-23). Het zaad is een beeld van de woorden die Jezus sprak, Hijzelf was de Zaaier en de akker waarop het zaad gezaaid werd, is een beeld van Israël. Israël werd door profeten op meerdere manieren voorgesteld, zoals een kudde schapen, een (ontrouwe) vrouw, een huis, dieren van het veld of een akker (Jeremia 12). Een akker en een zaaier waren een heel normaal 'straatbeeld' in die tijd. Tegenwoordig gebeurt in de landbouw alles met machines, en dat gaat allemaal heel precies en efficiënt, maar in die tijd ging er veel meer zaad verloren. In de gelijkenis viel er zaad op ondiepe, steenachtige bodem - een beeld van de mensen die Zijn woorden wel hoorden, maar het deed ze niets en ze lieten het wegpikken door 'vogels' (mensen die hen aan het twijfelen brachten). Er was ook zaad dat op rotsen viel - een beeld van mensen die keihard en onverschillig waren en de woorden gelijk weer vergaten. Het woord kon geen wortel schieten en ging verloren. Er viel zaad tussen het onkruid - een beeld van mensen die de woorden wel hoorden, maar zich lieten beïnvloeden door zorgen of rijkdommen. En dan was er zaad dat in goede bodem viel. Daar droeg het vrucht en kwam het tot zijn recht. Kortom, Jezus wist dat niet iedereen Zijn woorden echt ter harte zouden nemen.

In Mattheüs 13:24-30 vertelt Jezus dat het Koninkrijk lijkt op een man die goed zaad had ingezaaid, maar dat er een vijand kwam die onkruid tussen het goede zaad zaaide. De man die het goede zaad gezaaid had, besloot het samen met het onkruid te laten opgroeien en beide gewassen na de oogst te scheiden. Het onkruid zou worden verbrand en de tarwe zou worden bijeengebracht in zijn schuur. Dit thema van groeien en bijeenbrengen zien we vaker terugkomen. Het gaat over het einde van het tijdperk van de wet en het begin van het Koninkrijk van God, dat klein zou beginnen en heel groot zou worden totdat het alles zou vervullen, zoals we zien in de gelijkenissen van het mosterdzaadje dat uiteindelijk een grote boom werd en het zuurdesem dat het hele deeg verzuurde in de verzen 31-33.

We zien in veel vertalingen het begrip 'einde van de wereld' terugkomen. Zoals we reeds zagen is dit niet altijd de meest begrijpelijke of fortuinlijke vertaling. Dat zien we goed wanneer Jezus de gelijkenis van het goede zaad en het onkruid uitlegt in Mattheüs 13:37-43. De oogst noemt hij daar letterlijk uit het Grieks vertaald: “de voltooiing van het tijdperk” (het begrip 'sunteleias tou aionos', waar ik al eerder over schreef). De slechte mensen zouden in een 'vurige oven' terecht komen. Dit wordt enkele verzen later herhaald in de gelijkenis van het net. In dat net kwamen allerlei vissen terecht, goede en slechte. De slechte vissen werden weggegooid en in vers 50 zien we dat Jezus dit weer vergelijkt met de vurige oven waarin de onrechtvaardigen worden verbrand. Echter, het mooie is dat de 'rechtvaardigen zullen stralen als de zon', waarmee Jezus de woorden van Daniël 12:3 aanhaalt. Zo is er een direct verband te leggen tussen deze 'oogst' bij de voltooiing van het tijdperk en de 'opstanding van de doden'. Het laatste oordeel, de 3.5 jaar verdrukking worden vergeleken met een 'vurige oven' waarin de tegenstanders worden verbrand. Maar de rechtvaardigen zullen stralen als de zon in het nooit eindigende Koninkrijk van God, want volgens Daniël 2:44 zal het Koninkrijk van God in alle eeuwigheden bestaan. In Lukas 1:33 zegt de afgezant ook tegen Maria dat het Koninkrijk van haar Zoon geen einde zal kennen. En de welbekende profetie uit Jesaja 9:7 toont ons de 'wonderbare Raadgever', de 'machtige God', de 'eeuwige Vader' en de 'Vredevorst' die een eeuwigdurend Koninkrijk van recht en gerechtigheid zal vestigen. De profetische lading van de gelijkenissen wordt meteen duidelijk, wanneer we zien dat Jezus beelden gebruikte uit profetieën die zijn toehoorders goed kenden. Maar ze zouden het alleen begrijpen als ze goed wilden luisteren en de diepere betekenis wilden doorgronden. Een goede kennis van de context is dus belangrijk.

Een interessant gedeelte in dit verband is Lukas 20:27-38, waar we zien dat Joodse leiders bij Jezus komen. Het waren Sadduceeën. Zij geloofden niet in de opstanding en wilden zien of ze Jezus klem konden zetten door Hem te vragen wie er bij de opstanding met een zekere vrouw getrouwd zou zijn, als zij daarvoor achtereenvolgens met 7 broers getrouwd was geweest die één voor één overleden waren. Het was volgens de Joodse wet voor de mannen namelijk verplicht om met de vrouw van hun broer te trouwen, mocht hij overlijden. Zo werd ervoor gezorgd dat de vrouw niet kinderloos zou blijven en dat ze er niet alleen voor zou staan als ze al kinderen had. De broer van haar overleden man was daarvoor verantwoordelijk. Zo werd tevens het voortbestaan van de familienaam gewaarborgd en de erfenis van de kinderen veilig gesteld, maar vooral ook het voortbestaan van het volk, de kinderen van God. De Sadduceeën dachten Jezus beet te hebben, want ja, als iedereen uit de dood zou opstaan was die vrouw met 7 mannen getrouwd; en dat mocht natuurlijk niet.

In vers 34-38 geeft Jezus ze een treffend antwoord, waarbij Hij de kern van de zaak aanpakt:

...De kinderen van dit tijdperk trouwen, en worden ten huwelijk gegeven; maar zij die waardig zullen worden bevonden om het komende tijdperk te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden; want zij kunnen niet meer sterven, omdat zij aan de afgezanten gelijk zijn; en zij zijn kinderen van God, omdat zij kinderen van de opstanding zijn. En dat de doden opgewekt worden, gaf Mozes aan bij de doornstruik, toen hij de Heer de God van Abraham, Izaäk en Jakob noemde. God nu is niet een God van doden, maar van levenden; want voor Hem leven zij allen.

Wederom zien we Jezus bevestigen dat er een tijdperk zou komen waarin mensen niet dood zijn maar leven, zelfs al zijn ze lichamelijk gestorven. Ze zouden opstaan uit de doden en kinderen van God worden. Ze werden dus geen kinderen van God (en daarmee deel van het koninkrijk van God) door te trouwen met leden van het volk van God (of met de broer van een overleden man). Ze werden deel van het nieuwe tijdperk door de opstanding uit de dood. Ze waren net als de afgezanten (in dit geval engelen, dienende geesten), deel van de geestelijke wereld van het Koninkrijk van Jezus, samen met alle mensen die God levend zou maken door het volbrachte werk van Jezus.

Sommigen denken bij het lezen van dit gedeelte uit Lukas, dat we volgens Jezus in de hemel niet meer getrouwd zullen zijn, maar daar gaat het niet over. Deze tekst geeft op zich geen aanleiding om te geloven dat er in de hemel geen huwelijken meer zijn. Jezus heeft het hier namelijk niet over de hemel, maar over het geestelijke Koninkrijk dat komen zou. De Sadduceeën werden hiermee op hun nummer gezet, want zij veronderstelden dat het Koninkrijk zichtbaar gevestigd zou worden op aarde, met fysiek uit de dood opgewekte mensen. Jezus gaf ze een heel ander beeld van Zijn Koninkrijk. Mensen zouden worden als geestelijke wezens. Zelfs al zijn ze nog in een lichaam, ze zijn in de geest al bij God. Het lichaam kan sterven, maar de geest leeft en blijft voortbestaan.

Je zou kunnen samenvatten waardoor het Koninkrijk van God in ieder geval niet wordt bepaald:

Het Koninkrijk heeft innerlijke kenmerken zoals liefde, trouw, rechtvaardigheid, vrede en vreugde. Het is onzichtbaar en ontastbaar, maar kan wel ervaren worden waar mensen samenkomen. Het heeft God als Koning een hemelse stad en een geestelijke tempel. Er is geen geweld en geen rivaliteit. Niemand hoeft een plaats te verdienen, iedereen is welkom.

Verantwoordelijkheid

Jezus sprak in Mattheüs 21:33-43 over een wijngaard die verhuurd werd aan pachters. Dat was een beeld van Zijn volk Israël. God had het volk in handen van leiders gegeven. Hij stuurde dienstknechten om de rente in ontvangst te nemen, maar die werden één voor één slecht behandeld en weggestuurd. Dat waren de profeten waarover Jezus sprak toen Hij Jeruzalem beklaagde. Uiteindelijk zond de landeigenaar zijn zoon (een beeld van Jezus zelf), maar die werd door hen gedood. De gelijkenis kon haast niet duidelijker. Maar toch leek het of de omstanders het niet door hadden, want toen hen gevraagd werd wat de landeigenaar met die pachters zou doen, zeiden ze dat hij deze afschuwelijke mensen tot een afschuwelijk einde zou brengen. Jezus gaf hen daarop te kennen dat het Koninkrijk van hen zou worden afgenomen en gegeven zou worden aan een volk dat wél de vruchten ervan zou dragen. Hij vergeleek zichzelf (in vers 42) met een steen die door de bouwlieden was afgewezen, maar een hoeksteen werd (verwijzend naar Psalm 118:22). Petrus en Johannes hielden dit de Joodse raad nog eens voor (zie Handelingen 4:11) en in 1 Petrus 2:6 zien we dat dit om een profetie gaat die we vinden in Jesaja 28. Het is hoofdzakelijk een profetie met oordeel , maar een interessante zin is vers 5, waar staat dat God een glorieuze kroon zou zijn voor het restant van Zijn volk. Dat er een restant van Israël puur blijft, zien we ook weer terug in Openbaring hoofdstukken 7 en 14, in de vorm van een symbolische 12.000 uit elke stam van Israël (totaal 144.000), die wel trouw zijn gebleven. Dus ondanks de afwijzing zou er een restant van het volk overblijven; Israëlieten die de Steen wél zouden accepteren.

In Mattheüs 22:1-14 (vergelijkbaar met de gelijkenis in Lukas 14:15-24) vinden we een Koninkrijk-gelijkenis waarin een koning een bruiloftsfeest voor zijn zoon voorbereidde. Hij zond dienaren uit om de uitgenodigde mensen op te halen, maar ze wilden niet komen. Ze behandelden de dienaren slecht en sommigen van hen werden zelfs gedood. Het is duidelijk dat Jezus hiermee weer zijn volksgenoten bedoelde, die de profeten hadden mishandeld en gedood. Hij hield met name de leiders verantwoordelijk. En in vers 7 vinden we de opmerkelijke woorden:

Toen de koning dat hoorde, werd hij boos, zond zijn legers, vernietigde de moordenaars en stak hun stad in brand.

Is dat niet precies wat er gebeurde in het jaar 70?

Vervolgens werd de uitnodiging naar iedereen gestuurd, niet alleen de genodigden. Vanaf dat moment was iedereen welkom in het Koninkrijk! We kunnen hierdoor wederom met zekerheid vaststellen dat de Koning het Koninkrijk kwam vestigen in de tijd dat de stad van de moordenaars in brand gestoken werd, zoals Jezus voorspelde. En Hij zou een nieuwe stad bouwen, met een nieuwe tempel, waarvan Hij de hoeksteen zou zijn.

Onverschilligheid

De gelijkenis van de dwaze en de wijze maagden lijkt te zeggen dat je maar een beetje vergeetachtig hoeft te zijn en je bent al niet meer welkom. Die gelijkenis vinden we in Mattheüs 25:1-13. Tien bruidsmeisjes gingen de bruidegom tegemoet. Dat was een van de Joodse huwelijksrituelen. Het werd donker en de bruidegom bleef langer weg dan verwacht. Vijf van hen hadden genoeg olie voor hun lampen om de nacht door te komen, maar de andere vijf hadden niet genoeg. Toen de bruidegom rond middernacht werd aangekondigd, gingen de lampen van de vijf dwaze meisjes uit. Ze moesten alsnog olie gaan halen en kwamen daardoor te laat op het bruiloftsfeest, alwaar ze door de bruidegom geweerd werden met de woorden: “Ik ken jullie niet”.

Dat lijkt wel heel bruut, maar waar we altijd goed op moeten letten is dat Jezus deze dingen niet tegen óns zei. Hij sprak tegen de Joden die om hem heen stonden. Ten tweede maakt deze gelijkenis deel uit van een serie verhalen die Jezus vertelde naar aanleiding van de vraag van Zijn leerlingen: wanneer komt dat einde en waar moeten we op letten? Dit was één van de dingen: waakzaamheid! Ze moesten 'olie in hun lampen' hebben. Als ze niet zouden opletten, zou het moment van de komst van de bruidegom hen overvallen. De 'dwaze meisjes' (de niet-waakzame Joden) waren onverschillig en kenden de bruidegom niet, zo blijkt uit de laatste woorden van deze gelijkenis. Ze leefden in de duisternis en hadden geen behoefte om zich te vullen met het licht van inzicht en kennis en de waarheid van de Heilige Geest (de olie in hun lamp). Daardoor misten ze het cruciale moment. De oplettende en waakzame Joden konden wel naar binnen. Zij hadden wel goed opgelet en geluisterd naar de instructies. Olie is in de Bijbel vaker een beeld van de Heilige Geest van God. Jezus maakte elders heel duidelijk dat het afwijzen van die Heilige Geest een doodzonde was (Mattheüs 12:31). Want alleen Hij kon hen vervullen met het licht van God dat ze zo hard nodig hadden.

We zien hetzelfde thema van onverschilligheid weer terugkomen in de volgende gelijkenis, in Mattheüs 25:14-30. Drie werknemers kregen geld om iets mee te doen terwijl hun baas op reis was. Eén van de drie kreeg veel minder dan de andere twee en vond dat niet eerlijk. Afgunstig begroef hij het geld en deed er niets mee. Bij de terugkomst van zijn baas gaf hij het geld gewoon weer terug, met een paar schampere opmerkingen over het karakter van zijn baas. Dat was de houding van veel Joden die Jezus voor zich had en op deze manier wilde Hij ze laten nadenken. Degenen die het wilden horen, zouden het begrijpen. Natuurlijk kunnen wij er ook van leren en is de waarschuwing tegen onverschilligheid universeel. Dus we kunnen dit zeker ter harte nemen. Maar laten we niet vergeten dat Jezus in de eerste plaats het welzijn van zijn volksgenoten voor ogen had.

Als laatste in deze specifieke serie gebruikte Jezus het voorbeeld van het scheiden van de 'schapen en de bokken'. De zachtmoedige, gehoorzame, oplettende toehoorders en de bokkige, ongehoorzame, onverschillige mensen (Mattheüs 25:31-46). Het centrale thema was weer: onverschilligheid. Daar tegenover stonden zij die de woorden van Jezus wél serieus namen en Zijn komst en het Koninkrijk actief verwachtten. Die zouden de armen voeden en zieken en gevangenen bezoeken. Jezus zei dat alles wat ze voor 'de minsten' zouden doen, eigenlijk voor Hem deden. En als ze niet voor armen, asielzoekers, zieken en gevangenen zouden zorgen, Hij het zou zien alsof ze Hém negeerden.

Trouw en barmhartigheid, dat waren dingen die bij het Koninkrijk hoorden en uiteraard zijn dat dingen die er nog steeds bij horen. Ik krijg wanneer ik over deze dingen spreek namelijk wel eens de tegenwerping: “maar wat blijft er dan voor óns over, als alles al in de eerste eeuw gebeurd is?” Nou, wat er voor ons overblijft is geen overblijfsel, maar juist álles wat God altijd al wilde geven. En daarmee is Hij nog lang niet klaar. Dit zal ik later verder toelichten.

Nog een belangrijke gelijkenis die betrekking had op het komende Koninkrijk vinden we in Lukas 13:6-9. Het gaat om een vijgenboom die geen vrucht draagt. De vijgenboom was van oudsher een beeld van Israël, dus de toehoorders wisten waar het over ging. De boom had drie jaar geen vrucht gedragen en moest maar omgehakt worden, maar de tuinier vroeg om uitstel. Hij zou de boom nog een jaar goed verzorgen en als hij dan nog geen vrucht zou dragen zou de boom worden omgehakt. Hieruit blijkt dat God genadig is, maar we zien ook weer dat er een grens is. Het houdt een keer op. En het volk kreeg niet slechts één jaar, maar wel 40 jaar de tijd om zich te bekeren.

De terugkeer van de Koning

Naast het terugkerende thema van de onverschilligheid, zien we ook het thema van de heer, landeigenaar of koning die een poosje weggaat. Zo ook in Lukas 19:11-17. Hier zien we een man van hoge afkomst die naar een ver land trok om koninklijke waardigheid in ontvangst te nemen. Jezus vertelde deze gelijkenis, omdat de Joden verwachtten dat Hij op het punt stond Zijn Koninkrijk te vestigen. Maar om ze een teleurstelling te besparen, liet Hij regelmatig weten dat de komst van het Koninkrijk anders in vervulling zou gaan dan ze dachten. Een belangrijk aspect was dat ze waakzaam moesten zijn omdat Hij zou komen als 'een dief in de nacht' en 'plotseling'. Hij zei dat het in hun generatie zou zijn en dat sommigen die daar stonden niet zouden sterven voordat het zou gebeuren (dit heb ik al eerder behandeld). Maar ze moesten er ook rekening mee houden dat het wel eens langer zou kunnen duren dan ze dachten.

Het was in die tijd geen vreemde zaak dat een troonopvolger eerst naar Rome afreisde om de bevoegdheid te ontvangen van de keizer. Dat beeld gebruikte Jezus toen Hij sprak over het naar de hemel gaan en weer terugkomen als Koning in Zijn Koninkrijk. In de gelijkenis van de edelgeboren man (die erg veel lijkt op de gelijkenis in Mattheüs 25:14-30, waar drie werknemers het geld van hun meester mochten beheren) laat Hij tien dienaren achter die er vervolgens ook een potje van maken. Zij lieten zelfs duidelijk weten dat ze hun heer niet terug hoefden. Ze wilden niet dat hij koning over hen werd. De strekking van de gelijkenis is verder helemaal hetzelfde, maar de accenten liggen iets anders. Hier zien we de houding van de mensen die Jezus zou achterlaten. Sommigen zouden goed hun best doen en Hem oprecht terugverwachten, anderen zouden dat niet doen en zelfs openlijk te kennen geven dat ze Hem liever niet als Koning wilden zien terugkomen. Helaas liep het ook voor hen niet best af. Ze moesten het met de dood bekopen. Wederom een ernstige waarschuwing voor Zijn toehoorders. Jezus wist dat er velen zouden zijn die Hem niet zouden accepteren en een aantal verzen verderop (42-44) zien we dan ook dat Hij het volgende uitroept, wanneer Hij uitkijkt over Jeruzalem:

Ach, als u toch zou erkennen dat deze dag tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een barricade rondom u zullen opwerpen, ze zullen u omsingelen en u van alle zijden in het nauw drijven; ze zullen u met de grond gelijk maken, en uw kinderen in u; en zij zullen in u niet één steen op de anderen steen laten; omdat u de tijd van uw bezoeking niet erkend hebt.

Dat was een hoofdthema van veel gelijkenissen die Jezus vertelde. Ze erkenden Hem niet. Ze wilden Hem niet als Koning. Het gevolg zou zijn dat er vijanden zouden komen. Legers zouden Jeruzalem omsingelen en er zou niets overblijven van die glorieuze stad. Om Zijn woorden kracht bij te zetten, zo verhaalt Lukas verder, ging Hij de tempel in en begon de mensen die daar handel bedreven eruit te jagen, met een schreeuw uit het diepst van Zijn hart waarmee alle boosheid en teleurstelling in één emotionele uitbarsting naar boven kwam: “Dit is een huis van gebed! En jullie hebben er een rovershol van gemaakt!”

Een gelijkenis van eigenlijk maar 1 woord. De tempel was een 'rovershol' geworden. Maar daarmee was wel alles gezegd.

Jezus was zo gepassioneerd omdat Hij wist wat er zou gaan gebeuren. Hij moet hier ongetwijfeld gedacht hebben aan de tijd dat de tempel steen voor steen afgebroken zou worden en dat daarbij veel mensen zouden omkomen. (De gruwelijke details vinden we in de boeken van Flavius Josephus, De Joodse Oorlog, boek 5 en 6.)

De schalen en de martelaren

Je zou kunnen zeggen dat Openbaring 16 een uitwerking is van de aangekondigde wraak op die slechte en onverschillige onderdanen waar Jezus over sprak in Zijn gelijkenissen. Het wordt ook wel “De schalen van Gods toorn” genoemd. Het Griekse woord 'thumou' betekent woede, withete, briesende boosheid. Een soort woede die alleen bestaat wanneer het uiterste punt bereikt is, wanneer de maat vol is en je jezelf niet meer kunt inhouden. Er moet actie ondernomen worden. Zoals Jezus meerdere keren in de gelijkenissen laat zien dat het doden van apostelen (dat betekent letterlijk 'gezondenen'), profeten en uiteindelijk de Zoon een keer gewroken moest worden.

Het woord voor 'schaal' (Grieks: fialé) komt alleen in Openbaring voor. Het wordt 12 keer gebruikt, waarvan 8 keer in hoofdstuk 16. De schalen worden voor het eerst geïntroduceerd in Openbaring 5:8

En toen Het [Lam] dat boek genomen had, vielen de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten voor het Lam neer. Ze hadden harpen en gouden schalen, vol reukwerk. Dat zijn de gebeden van de heiligen.

Deze gebeden worden nogmaals genoemd in Openbaring 8:1-5, samen met het beeld van reukwerk dat ook direct te maken heeft met gebeden van de heiligen:

En toen Het [Lam] het zevende zegel geopend had, werd het stil in de hemel, ongeveer een half uur. En ik zag de zeven afgezanten, die voor God stonden; en hun werden zeven bazuinen gegeven. En er kwam een andere afgezant, die bij het altaar ging staan. Hij had een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerk gegeven, opdat hij het met de gebeden van alle heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon staat. En de rook van het reukwerk, met de gebeden van de heiligen, ging op van de hand van de afgezant voor God. En de afgezant nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur van het altaar, en wierp het op de aarde; en er kwamen geluiden, donderslagen, bliksems en een aardbeving.

De rest van dat hoofdstuk belicht de verschillende vormen van oordeel die over het land zouden komen als gevolg van die gebeden. Die 'gebeden van de heiligen' in combinatie met dat altaar, noemde Johannes al eerder in Openbaring 6:9, waar duidelijk wordt wie deze gebeden voor de troon brachten:

En toen Het [Lam] het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen van hen, die gedood waren om het Woord van God, en om het getuigenis dat zij hadden. En zij riepen met luide stem: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet bij hen die op de aarde wonen? En aan een ieder werd lange witte klederen gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een korte tijd rusten zouden, totdat ook het getal van hun mededienstknechten en hun broeders vol zou zijn, die gedood zouden worden, zoals zij.

Zie je de sterke overeenkomst met de wraak die Jezus aankondigde over hen die het bloed van de profeten en apostelen aan hun handen hadden? Wederom wordt gezegd dat het nog een korte tijd zou duren, totdat de maat helemaal vol zou zijn. De martelaren onder het altaar moesten nog een korte tijd wachten. We zien hier ook een overbekend spanningsveld. Wij denken vaak dat God maar snel moet reageren, want wij vinden het wel welletjes. Maar God is geduldig en genadig, totdat in Zijn ogen de slechte mensen genoeg gewaarschuwd zijn, ze genoeg de kans hebben gehad om zich te bekeren.

En dan, in Openbaring 16 is het zover: de gebeden worden verhoord. De schalen vol met reukwerk worden uitgegoten over het land. De slechte dienaren, de onverschillige, kwaadaardige en moordlustige landeigenaren worden gestraft. De Koning stuurt zijn legers en maakt een einde aan hun bewind.

Opmerkelijk is hier dat de schalen een sterke gelijkenis vertonen met de plagen die over Egypte kwamen! We lezen in Openbaring 11:8 over de grote stad, "die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook onze Heer gekruisigd is." Dat is Jeruzalem. Het is duidelijk dat Johannes hier schrijft over het oordeel over Jeruzalem, de stad die geestelijk gelijk is geworden aan Egypte en daarom ook de 'exodusplagen' van Egypte over zich heen krijgt.

Als we opmerkzaam lezen, zien we dat bij de voorafgaande bazuinen het oordeel slechts gedeeltelijk is. Bij de bazuinen wordt slechts een derde deel van het land getroffen, maar bij het uitgieten van de schalen is het oordeel volkomen. Het hele land wordt getroffen. Dat was het effect van het gebed van de heiligen onder het altaar.

Aan het einde van hoofdstuk 16 wordt nog eens door Jezus benadrukt dat Zijn mensen moeten opletten, want Hij komt 'als een dief in de nacht', waar Hij ook tijdens zijn bediening op aarde voor waarschuwde (o.a. Mattheüs 24:43). De legers worden genoemd, waarin we wederom de waarschuwing van Jezus terugzien dat ze moesten vluchten als ze de legers zouden zien aankomen (de gruwel die verwoesting brengt). En dan is het voorbij. We zien dat de grote stad, Jeruzalem, hier Babylon genoemd, in drie stukken uiteen viel en bekogeld werd met de eerder besproken hagelstenen van 1 talent; de stenen waarmee de Romeinen Jeruzalem bekogelden in het jaar 70. Kortom, in Openbaring 16 zien we de vervulling van de waarschuwing van Jezus: dat het moordlustige Jeruzalem op een gruwelijke wijze aan haar einde zou komen. En dat was in het jaar 70.

Maar, zul je zeggen, het lijkt in Openbaring 16 wel alsof de hele wereld eraan gaat. We zullen dat gevoel van grootschaligheid nog iets verder uitdiepen in het volgende hoofdstuk.

224