Hemel en aarde

In het begin schiep God de hemelen en de aarde.

Zo lezen we in Genesis 1:1. Al het zichtbare en (voor ons) onzichtbare werd door God gemaakt. Daar begint de Bijbel mee. Aan het einde van de Bijbel zien we hemel en aarde weer terugkomen, maar nu in een andere context. Kijk maar eens hoe het daar gebruikt wordt (Openbaring 21:1):

En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. En de zee is niet meer.

Eigenlijk een vreemde uitspraak. Er staat niet 'de zee was niet meer', maar 'de zee is niet meer' (dat zijn de letterlijke woorden in het Grieks). Dit wordt gevolgd door:

En ik zag de heilige stad, Jeruzalem, uit de hemel neerkomen, van God, als een bruid, voorbereid en versierd voor haar man.

Een stad uit de hemel, als een bruid. Dit komt over als een allegorie en doet denken aan de tekst uit Hebreeën 12:22:

Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden afgezanten;

In Openbaring komt deze stad naar de aarde toe. Waarom wordt in Openbaring zo specifiek gezegd dat er geen zee meer is? De zee is in in de Bijbel vaak een beeld van de volken (de heidenen). Als de zee zinnebeeldig bedoeld is, misschien worden 'hemel en aarde' hier dan ook wel in figuurlijke zin gebruikt. Het ligt wel in de lijn der verwachting omdat de meeste beschrijvingen in Openbaring allegorisch en zinnebeeldig zijn. Als 'hemel en aarde' in één adem genoemd worden met 'zee' (volken), dan is het contrast 'nieuwe hemel en aarde, zonder zee' wellicht een verwijzing naar het hemelse Koninkrijk met de hemelse stad. De geestelijke stad van God die op aarde is neergedaald onder de mensen van God, waar de 'volken' (die leven zonder God) niet zijn.

Hoe moeten we nu 'het voorbijgaan van hemel en aarde' zien? Laten we eens naar enkele teksten kijken:

Jesaja 13:13:

Daarom zal Ik de hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van haar plaats, vanwege de verbolgenheid van de Heer van hemelse legers, en vanwege de dag van Zijn verhitte boosheid.

Het van haar plaats bewegen van hemel en aarde had in die context te maken met de vernietiging van Babylon door de Meden. Hemel en aarde zelf bleven gewoon zoals ze waren. Vergelijkbaar met onze uitdrukking “hemel en aarde bewegen” om iets voor elkaar te krijgen.

Jesaja 34:4:

En alle sterren van de hemelen zullen vergaan, en de hemelen zullen opgerold worden, als een boek, en alle sterren zullen vallen, zoals een blad van de wijnstok afvalt, en zoals een vijg afvalt van de vijgenboom.

Dit is een aankondiging dat Edom zal worden vernietigd door een leger. De sterren bleven waar ze waren, er gebeurde niets met de nachtelijke hemelkoepel.

Nahum 1:5:

De bergen beven voor Hem, en de heuvels versmelten; en de aarde richt zich op voor Zijn aangezicht, en de wereld, en allen, die daarin wonen.

Dit gaat over de stad Ninevé die zou worden vernietigd door een leger. De heuvels bleven echter gewoon in hun vaste toestand bestaan. Bergen bleven stilstaan en de aarde ging niet rechtop staan.

Het was in die tijd heel normaal om beeldspraak te gebruiken. Het zou ons als Nederlanders niet moeten verbazen met al onze spreekwoorden en gezegden.

Zo zien we dat 'hemel en aarde' soms ook de mensen en hemelse wezens lijken te vertegenwoordigen die erin en erop leven. Zoals in Jesaja 44:23:

Zing vrolijk, hemel, want Jahweh heeft het gedaan! Juich, diepten van de aarde! Breek uit, bergen, in gejuich, bossen en elke boom daarin! Want Jahweh heeft Jakob verlost en Zich verheerlijkt in Israël

Ook dat woordgebruik komen we op vele plaatsen in de Bijbel tegen. Vergelijk Jeremia 51:48, waar 'al wat daarin is' wordt toegevoegd, wanneer zij juichen over de ondergang van hun vijand:

Hemel en aarde en al wat daarin is, zullen juichen over Babel, want vanuit het noorden zullen de verwoesters eropaf komen, spreekt Jahweh.

Ook in de psalmen komen we hemel en aarde regelmatig in poëtische vorm tegen. Bijvoorbeeld in Psalm 96:10-11:

Zeg onder de heidenvolken: Jahweh regeert; ja, vast staat de wereld, ze zal niet wankelen; Hij zal over de volken rechtspreken. Laat de hemel zich verblijden en de aarde zich verheugen, laat de zee bulderen met al wat ze bevat.

Het is duidelijk dat het voor de mensen uit die tijd niet vreemd was om de term 'hemel en aarde' in een metaforische of dichterlijke context te begrijpen en te gebruiken. Hemel en aarde werden in profetische taal ook vaak gebruikt als beelden van machten en autoriteiten, mensen die boven anderen staan en land bezitten. Zoals in Jesaja 51:16:

Ik heb mijn woorden in uw mond gelegd en met de schaduw van mijn hand heb ik u bedekt, Ik die de hemel plant en de aarde grondvest en tot Sion zegt: U bent mijn volk.

Hier kun je de begrippen hemel en aarde verbonden zien met 'Sion, u bent mijn volk', geplant en gegrondvest. Hemel en aarde hebben hier te maken met het verbond dat God tussen hemel en aarde sloot; Hij was in de hemel, zijn volk op aarde. Of anders gezegd: er werd een link gelegd tussen hemel en aarde, ze werden met elkaar verbonden. In feite ook de manier waarop het volk van God autoriteit kon uitoefenen op aarde. Zoals Adam de opdracht gekregen had om te heersen over de aarde.

Mozes spreekt het verbondsvolk op dezelfde manier toe, wanneer hij zegt (Deuteronomium 32:1):

Neig uw oor, hemelen, dan wil ik spreken, en de aarde hore naar de woorden van mijn mond.

Jesaja zegt nagenoeg hetzelfde (Jesaja 1:2):

Hoort hemelen en aarde, neig uw oor, want de Here spreekt:…

Hemel en aarde worden ook op andere manieren zinnebeeldig gebruikt, zoals in Deuteronomium 30:19:

Ik roep heden de hemel en de aarde op tot getuige tegen u

Mozes heeft het daar niet over de letterlijke hemel en de zichtbare aarde (hoe zouden die moeten getuigen?) maar over de mensen die in de hemel en op de aarde leven. En kijk eens naar Job 20:26-27:

Een vuur dat niet is aangeblazen, verteert hem; wie is overgebleven in zijn tent, vergaat het slecht. De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde staat tegen hem op

Alsof hemel en aarde personen zijn die iets kunnen doen. Dit poëtische gebruik van 'hemel en aarde' die iets te zeggen hebben, komen we veel tegen in het Oude Testament.

Een interessant gegeven is dat de Joden uit die tijd hun tempel zagen als hemel, zee en aarde! Flavius Josephus schreef erover in 'De oude geschiedenis van de Joden', boek 1, hoofdstuk 7 en in boek 3 hoofdstuk 6 en 7. De objecten in de tempel representeerden naar zijn zeggen verschillende elementen van de schepping. Het wasvat stelde de zee voor, de twaalf stieren onder het wasvat stonden in groepjes van drie, kijkend in de vier windrichtingen, de zeven lichten van de menora stelden hemellichamen voor. Het Heilige der heiligen was de plaats waar God woonde en waar hemel en aarde elkaar ontmoetten (echter, in de tijd van Jezus was de Ark van het Verbond er niet meer - die was verdwenen na de Babylonische ballingschap - Gods aanwezigheid was op die speciale vergulde kist, die gezien werd als Gods troon). Het Heilige der heiligen was rondom versierd met hemelse voorstellingen. In het hemel-gedeelte (het Heilige der heiligen) mocht alleen de hogepriester komen, het aarde-gedeelte was alleen toegankelijk voor de priesters en het zee-gebied, met het wasvat was voor het volk. Daar werden de offers gebracht en reinigingsrituelen uitgevoerd. Als in het nieuwe Jeruzalem van Openbaring 21 die zee er niet meer is en er alleen nog maar een nieuwe hemel en aarde is, dan zijn er alleen nog maar priesters en een hogepriester.

Zou het ook zo kunnen zijn dat het vernietigen van de tempel voor de Joden voelde als het vernietigen van hun 'hemel en aarde'? En als Openbaring toewerkt naar de vernietiging van het oude, zou dan de nieuwe hemel en aarde gezien kunnen worden als het Koninkrijk dat nu onder de mensen leeft? Een Koninkrijk waar God in ons woont, met het onze lichamen samengevoegd als levende stenen in een geestelijke tempel? In de ware, geestelijke tempel van God is dan geen onderscheid tussen 'Jood en Griek', 'slaaf en vrij' of 'man en vrouw', want we zijn allen één in Jezus de Gezalfde (Galaten 3:28). Zonder de 'zee' is iedereen een priester op de nieuwe aarde en hebben we één Hogepriester in de nieuwe hemel; dat is Jezus. Zouden deze 'nieuwe hemel en aarde' een de 'nieuwe schepping' kunnen zijn, van een nieuw volk in een nieuw verbond, bestaande uit nieuwe mensen met een nieuw leven?

Vergelijk in dit verband 1 Korinthiërs 6:19:

Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is, Die u van God gekregen hebt, en dat u niet van uzelf bent?

Woorden kunnen op verschillende manieren gebruikt worden. We kunnen ze letterlijk gebruiken als in: “dit is een boek”, wijzend naar het object. We kunnen ze spreekwoordelijk gebruiken zoals: “hij is een open boek voor mij”. We kunnen een boek letterlijk laten spreken in een sprookje of allegorie. Een boek kan ook gebruikt worden als metafoor, zoals het boek dat Johannes moest opeten, net als de profeet Ezechiël. In dat geval kan het gezien worden als een letterlijk boek dat niet letterlijk opgegeten wordt, maar waarvan de informatie verwerkt wordt in het binnenste van de mens die het tot zich neemt. Wij zeggen ook wel: “Ik heb dat boek verslonden.” Zo kunnen we ook 'hemel en aarde' zien in de Bijbel. Soms worden ze letterlijk bedoeld, soms poëtisch of figuurlijk, soms worden ze gepersonifieerd en spreken ze. Tot slot worden ze gebruikt in de vorm van een allegorie of gelijkenis. Dan stellen ze iets voor, zoals 'de tempel'.

De vraag of we de Bijbel letterlijk moeten lezen of figuurlijk is mijns inziens geen goede vraag. Het gaat er meer om wat een bepaald woord of een bepaalde zin in een bepaalde context betekent. Ik zeg altijd maar: ik neem de Bijbel serieus en hoe, dat is afhankelijk van de stijl van de tekst die ik lees. Als Paulus zegt dat 'het lichaam een tempel is van de Heilige Geest', dan is het duidelijk dat hij niet een gebouw bedoelt, maar dat het is áls de tempel, met een binnenste 'Heilige der heiligen' waar God woont. Zo is een 'stad die uit de hemel neerdaalt, getooid als een bruid' geen letterlijke stad met een sluier, maar een geestelijke woonplaats voor veel mensen, een gemeenschap van mensen die een relatie hebben met de Vader in de hemel.

Nog een voorbeeld uit het Oude Testament (Haggai 2:7-8)

Want zo zegt Jahweh ... Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven. Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot de Wens van alle heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt Jahweh...

En vers 22 en 23:

Spreek tot Zerubbabel, de vorst van Juda, en zeg: Ik zal de hemelen en de aarde bewegen. En Ik zal de troon van de koninkrijken omkeren, en verdelgen de kracht van de koninkrijken van de heidenen; en Ik zal de wagen omkeren, en die daarop rijden; en de paarden, en die daarop rijden, zullen neerstorten, een ieder in het zwaard van de ander.

Profetische taal, waar hemelen en aarde worden bewogen, wanneer de vijandige heidense volken worden overwonnen. Daarbij zouden in hetzelfde stuk de wagen, de paarden en het zwaard wel weer letterlijk gelezen kunnen worden. Vergelijk die profetie eens met een gedeelte uit Hebreeën 12:26-29:

Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook de hemel. En dit woord: Nog eenmaal, duidt op de verandering van de bewegelijke dingen, die gemaakt zijn, opdat blijven zouden de dingen, die niet bewegelijk zijn. Daarom, als wij dan een standvastig Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, waardoor wij welbehaaglijk God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid. Want onze God is een verterend vuur.

Het bewegen van hemel en aarde wordt door de schrijver van Hebreeën dus gezien als het afschudden van de 'bewegelijke', zichtbare, aardse dingen (machthebbers en politieke structuren), waarbij het 'onbeweeglijke', standvastige Koninkrijk van genade en liefde blijft staan. Ik denk dat hij daarmee het voorbijgaan van de offerdiensten, de tempel en de bijbehorende rituelen bedoelde. Omdat de schrijver van Hebreeën regelmatig teksten uit het Oude Testament aanhaalt en de overeenkomsten hier zo sterk zijn, is het zelfs aannemelijk dat hij in dit gedeelte bewust de tekst uit Haggai aanhaalt.

Zo zijn er tientallen teksten in het Oude Testament die gaan over het schudden, bewegen, verplaatsen en verslijten van hemel en aarde. Afhankelijk van de vertaling komen we vergelijkbare woorden tegen, maar de strekking lijkt me duidelijk. We zien dat het steeds verband houdt met een goddelijk ingrijpen. God stuurt legers, ziektes of rampen om een oordeel te brengen. Hemel en aarde worden bewogen. Vaak gaat dat gepaard met een beschrijving van sterren die uit de lucht vallen, de zon en de maan die worden verduisterd en dergelijke. Het is dan ook niet vreemd om te veronderstellen dat 'hemel en aarde' in een profetisch boek als Openbaring ook op die manier moeten worden geïnterpreteerd. De schrijver was goed bekend met de profetische geschriften waaruit ik hierboven gedeelten heb aangehaald. Het zichtbare, stoffelijke, aardse, ongeestelijke zou worden geschud, zodat en totdat het onzichtbare, hemelse, geestelijke zou overblijven. Het enige dat overblijft is het eeuwige en onvergankelijke Koninkrijk van God.

Wat we lezen in Openbaring lijkt vaak op wat we al in de oude profetieën lazen. Kijk eens naar Ezechiël 32:7-8:

En als Ik u zal uitblussen, zal Ik de hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. Alle schijnende lichten aan de hemel zal Ik vanwege u zwart maken; en Ik zal een duisternis over uw land laten komen, spreekt de Heer Jahweh.

En vergelijk dat met Openbaring 8:12:

En de vierde afgezant blies op zijn bazuin, en een derde deel van de zon werd getroffen, en een derde deel van de maan, en een derde deel van de sterren; opdat een derde deel van hen verduisterd zou worden en dat een derde deel van de dag niet zou lichten; en van de nacht evenzo.

In Openbaring wordt iets onthuld; dat is wat het eerste Griekse woord van het boek ('apokalupsis') betekent. Het is de onthulling, de openbaring van Jezus de Gezalfde. Zo begint het boek en dat is ook de verdere strekking ervan. Het openbaart hoe Jezus zou komen, in oordeel over dat wat goddeloos was en tot verheerlijking en ontluiking van alles wat godvruchtig was.

Kijk maar eens naar Jeremia 4:22-23. Hier wordt een verband gelegd tussen de staat van hemel en aarde en de staat waarin het volk verkeert. Als er geen licht in de mensen is, als zij niet meer verlangen naar inzicht en als zij onverstandig leven, noemt God dat dwaas en vergelijkt Hij hun houding met een woest, leeg land en een hemel zonder licht:

Zeker, Mijn volk is dwaas, zij kennen Mij niet; het zijn zotte kinderen, en zij zijn niet verstandig; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar goed te doen weten zij niet. Ik zag het land aan, en zie, het was woest en leeg; ook naar de hemel, en zijn licht was er niet.

Zo zijn er wederom vele verzen in het Oude Testament die een verband leggen tussen 'hemel en aarde' en de stand van zaken met betrekking tot het volk. Ik wil de lezer aanmoedigen eens al die teksten op te zoeken en zelf te zien hoe vaak deze zegswijze in profetieën voorkomt. Vergelijk bijvoorbeeld Joël 2 waarin ook 'hemel en aarde' gebruikt wordt met Handelingen 2 en zie hoe Petrus de Israëlieten toesprak en uitlegde dat die profetie op het punt stond uit te komen, omdat de Heilige Geest was uitgestort over hem en zijn mede-discipelen. Diezelfde Petrus schreef later in één van zijn brieven het volgende (2 Petrus 3:1-2):

Deze tweede zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in beide [brieven] wek ik door vermaning uw oprecht gemoed op; Opdat u de woorden herinnert, die door de heilige profeten voorheen gesproken zijn, en het gebod van ons, die apostelen van de Heer en Zaligmaker zijn

Wat we na die aanhef lezen, lijkt erg veel op wat Jesaja schreef in hoofdstuk 66 (ik pak er een paar stukjes uit, anders wordt het te lang):

Zo zegt Jahweh: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank van Mijn voeten; waar zou dat huis zijn, dat u voor Mij zou bouwen, en waar is de plaats van Mijn rust?

Dit gaat over de tempel, zoals we door het hele hoofdstuk heen zien. Steeds gaat het over 'de stad', 'Jeruzalem' en 'de tempel'. Lees het maar eens helemaal door. Ik ga nu naar vers 15 en 16:

Want zie, Jahweh zal met vuur komen, en Zijn wagens als een wervelwind; om met grimmigheid Zijn toorn hiertoe te wenden, en Zijn bestraffing met vuurvlammen. Want met vuur, en met Zijn zwaard zal Jahweh in het recht treden met alle vlees; en de verslagenen van Jahweh zullen vermenigvuldigd zijn.

God komt met vuur over Zijn vijanden. En dan vers 22 t/m 24:

Want zoals die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt Jahweh, zo zal ook uw zaad en uw naam staan. En het zal geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van de ene sabbat tot de andere, alle vlees komen zal om te aanbidden voor Mijn aangezicht, zegt Jahweh. En zij zullen heengaan, en zij zullen de dode lichamen van de lieden zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen voor alle vlees een afschuw wezen.

Wat hier zo mooi in dat oude Nederlands staat, is dat God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde maakt (binnen de context van Jeruzalem en de tempel, Zijn troon en Zijn voetbank) en dat elk mens zal komen om Hem te aanbidden. De Goddelozen zullen met een onblusbaar vuur worden verbrand. Petrus had het over het herinneren wat de profeten hadden gezegd. Als we zijn volgende woorden nu eens in het licht van de profetie van Jesaja lezen (2 Petrus 3:5-13), nadat Petrus gezegd had dat er mensen zouden komen die met de komst van de Heer zouden spotten, omdat het zo lang duurde:

Want ze doen net alsof het hun onbekend is, dat door het woord van God de hemelen van oudsher geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestond;dat de wereld die toen was, met het water van de zondvloed bedekt zijnde, vergaan is. Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden voor het vuur bewaard tot de dag van het oordeel, en van de vernietiging van de goddeloze mensen...

Tot nu toe lijkt het aardig op Jesaja 66

...Maar deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij de Heer is als duizend jaar, en duizend jaar als een dag. De Heer vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is geduldig met ons, niet willende dat er iemand verloren gaat, maar dat zij allen tot bekering komen...

Voor sommigen leek het wel duizend jaar te duren, maar voor God is het als één dag. Hij wil niet dat er iemand verloren gaat.

...Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden...

Zie je de overeenkomst met wat Jezus zei over het komen als een dief, toen Hij het had over de vernietiging van de tempel? En bedenk wat ik eerder heb uitgelegd, dat met 'elementen' niet de scheikundige elementen worden bedoeld zoals wij ze nu kennen. Dit werd gezegd in verband met de vernietiging van Jeruzalem en de tempel, waar mensen met regels en rituelen probeerden God te behagen. Maar God wilde relatie, geen religieus gedrag (Amos 5:21-24). Hij zou komen met een oordeel, om een einde te maken aan die uiterlijkheden (zie Mattheüs 24). Dus in die context moeten we dit ook lezen.

...Als dan deze dingen alle vergaan, hoe behoort u te zijn in heilige wandel en godzaligheid! Verwachtende en haastende tot de komst van de dag van God, waarin de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten. Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont.

Geheel in de lijn van wat Jesaja zei, zien we hier het oude vergaan en het nieuwe komen. Het vergaan van de aardse tempel en de goddelozen, gaat direct gepaard met een herscheppen van 'hemel en aarde'. Het oude bestel, de oude tempel, de oude 'hemel en aarde' vergaat, om plaats te maken voor nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont. Nieuw leven in een nieuw Koninkrijk. Het Koninkrijk van de hemel, met de hemelse stad, waarin mensen wonen die leven naar de 'Wet van de Geest' (Zie ook Romeinen 8).

Petrus spreekt hier, geheel in overeenstemming met de oudtestamentische profetieën, niet over een letterlijk vergaan van hemel en aarde en net zo min over een fysieke herschepping van hemel en aarde. Natuurlijk is het wel zo dat de wetten van het Koninkrijk en de burgers van de nieuwe stad, het nieuwe, hemelse Jeruzalem, zichtbare en tastbare resultaten boeken op een fysieke aarde. In die zin worden hemel en aarde wel letterlijk vernieuwd, maar van binnenuit. Niet door eerst letterlijk met vuur verbrand te worden en dan opnieuw geschapen te worden door God. Ik zie dit als een misvatting die ik helaas nog regelmatig hoor en waar mensen soms heel bang of juist passief van worden, maar wat dus helemaal niet nodig is.

En waarom zou Petrus, met al zijn kennis van de Tenach, als rechtgeaarde Israëliet, in zijn brief ineens een andere betekenis geven aan deze woorden? Door tekst met tekst te vergelijken komen we tot de inzichten die nodig zijn om goed te begrijpen waar het over gaat. Denk als een Israëliet in de eerste eeuw, niet als een analytische Griek.

Vergelijk Jesaja 65:17:

Want zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Aan de vorige dingen zal niet meer gedacht worden, ze zullen niet meer opkomen in het hart.”

En Openbaring 21:1:

En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. En de zee is niet meer.

Misschien kun je deze teksten nu in een nieuw licht zien. Als er na het vernietigen van de tempel geen 'zee' meer is, dan wordt daar dus mee bedoeld dat er voor God geen heidenvolken meer zijn. Iedereen is welkom. Niet alleen het onderscheid tussen Joden en heidenen is weggenomen, maar ook de veroordeling van de wet is verdwenen. Dit was al zo toen de Heilige Geest uitgestort was (zie Romeinen 8: geen veroordeling meer voor hen die in de Gezalfde zijn en de Heilige Geest in zich hebben), maar Jezus zei het ook heel duidelijk (in Mattheus 5:17-18):

Denk niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen. Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er punt noch komma van de wet voorbijgaan, totdat het alles heeft plaatsgevonden.

En toen Jezus sprak over de vernietiging van de tempel, gebruikte hij het begrip 'hemel en aarde' net zo (Mattheüs 24:35):

De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.

Telkens zien we 'hemel en aarde' in verband staan met het voorbijgaande oude systeem van tempel, offers en wetten. In feite het voorbijgaan van het oude verbond. Dat er in Jesaja 65:17 staat dat er niet meer aan gedacht zal worden, heeft te maken met het niet meer 'gedenken' van het oude. Niet dat het daadwerkelijk vergeten wordt, maar dat het geen invloed meer heeft op hoe God met ons omgaat in de zin van het oude verbond met wetten en regels waar mensen zich aan moeten houden. Wat God aan en door Israël liet zien, geldt mijns inziens voor de hele mensheid. Hij wil geen straffen en offers op basis van wat mensen allemaal fout doen, maar een liefdevolle relatie met Hem als Vader, die ons geduldig opvoedt en onderwijst.

Het is overigens opmerkelijk dat Jezus in Mattheüs 24, wanneer Hij over de vernietiging van de tempel spreekt, exact dezelfde terminologie gebruikt als Petrus in zijn tweede brief. Er zijn zeker vier duidelijke overeenkomsten:

Het lijkt mij ondertussen duidelijk dat het voorbijgaan van hemel en aarde in 'Joodse/Bijbelse taal' op de vernietiging van de tempel en de macht van het oude wetssysteem slaat. Ik ben er in ieder geval van overtuigd dat Jezus in deze gedeelten daarover spreekt en dat samen met de tempel ook de wet (althans de veroordelende functie van de wet) verloren is gegaan. Alleen wanneer je terug verlangt naar dat oude systeem van 'kennis van goed en kwaad', kom je weer onder de wet terecht. Maar dan houd je jezelf voor de gek. Voor God is deze religieuze manier van leven verleden tijd. Ik meen ook dat Paulus dit op vele plaatsen in zijn brieven duidelijk maakt. Met name in de brieven aan de Galaten en aan de Romeinen. Toen hij die brieven schreef was de tempel er nog, maar door de Heilige Geest had men al een voorproefje van wat er komen zou, zoals ik eerder heb laten zien. De vernietiging van de tempel was de genadeslag voor de wet en de veroordeling. Dat was het laatste oordeel over de macht van de wet, de dood en het dodenrijk. De Heilige Geest schreef Gods volmaakte wet op de harten van de mensen, niet meer op stenen plaquettes of zelfs in woorden en zinnen, maar op het hart. Zijn volmaakte wil wordt gedaan vanuit een diepe relatie met Hem. Het oude is voorbijgegaan, alles is nieuw geworden. Daarover gaat het volgende hoofdstuk.

We zagen Petrus ook het beeld van de zondvloed gebruiken. Er ligt hier een interessante link naar Daniël 9:26:

En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem Zelf zijn; en het volk van de vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom vernietigen, en zijn einde zal zijn met een overstromende vloed, en tot het einde toe zal er oorlogvoering zijn, en vast besloten verwoestingen.

Daarmee hebben we nog een vijfde link met wat Jezus zei over de vernietiging van Jeruzalem en de tempel, toen hij de zondvloed gebruikte als metafoor (Matheüs 24:37-42):

En zoals de dagen van Noach waren, zo zal ook de komst van de Mensenzoon zijn (een beeld uit de profetieën van Daniël). Want zoals zij waren in de dagen voor de zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot de dag dat Noach de ark in ging; en erkenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; zo zal ook de komst van den Mensenzoon zijn. Dan zullen er twee op de akker zijn, de een zal weggenomen, en de ander zal achterlaten worden. Er zullen twee vrouwen malen in de molen, de ene zal weggenomen, en de andere zal achterlaten worden. Waakt dan; want u weet niet, in welk uur uw Heer komen zal.

Hij had het tegen de mensen die daar stonden, niet tegen ons in deze tijd. En in tegenstelling tot wat vaak gezegd wordt over dit stukje, denk ik dat het wegnemen zowel bij de zondvloed als bij de komst van de Mensenzoon géén verlossende 'opname' is, maar het wegvoeren van mensen ten tijde van de belegering en vernietiging van Jeruzalem, het onderwerp van dat hoofdstuk. Het was de ondergang van die oude, aardse tempel die weggevaagd werd in die 'overstromende vloed' waar Daniël over sprak. Het was altijd al Gods bedoeling om een nieuwe start te maken met een geestelijke, hemelse stad, op een hemelse berg met een hemelse tempel.

Een interessant gegeven is dat het Griekse woord dat hier met 'achtergelaten' is vertaald, op andere plaatsen ook met 'vergeven' wordt vertaald. Goede vertalingen zouden hier kunnen zijn dat zij werden 'afgelaten' of 'met rust gelaten'. Zij kwamen dus juist niet om en zij die weggenomen werden waren degenen die wel omkwamen of weggevoerd werden. Je kon dus maar beter achtergelaten worden. Zo zie je dat een juist begrip van de woorden een groot verschil kan maken in het vinden van de juiste vertaling.

Een ander aspect van de vergelijking met de zondvloed is dat veel mensen bij de 'wederkomst' of het 'einde der tijden' denken aan een totale vernietiging van de wereld. Teksten waar aarde, zon, maan en sterren lijken te vergaan worden daarbij letterlijk genomen; zoals 2 Petrus 3:5-7, waar het vergaan van de 'wereld' in de zondvloed wordt vergeleken met de 'dag van de Heer', waar Jezus over sprak. Maar na de zondvloed waren aarde, zon, maan en sterren helemaal niet verdwenen. Petrus gebruikte het Griekse woord 'kosmos' voor 'wereld', wat toen meer de betekenis had van 'orde', 'formatie', 'georganiseerd geheel' of 'samenstel van dingen'. Het moet zeker niet gelezen worden in de betekenis die wij vandaag aan 'de kosmos' geven. Jezus en Petrus hadden met deze bewoording veel meer de ineenstorting van het Joodse politieke en vooral religieuze systeem voor ogen.

218