12. Het einde van de tijd

Zo is er in onze tijd ook een betekenis gegeven aan 'het einde'. Er wordt zelfs gezegd dat 'het einde van de tijd' nadert. Maar in de Bijbel zien we die bewoordingen niet terugkomen. Wat er wel staat vinden we onder andere in 1 Petrus 1:19,20:

Maar door het dierbaar bloed van de Gezalfde, als van een ongeschonden en onbevlekt Lam; Dat al gekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar voor u geopenbaard is in deze laatste tijden.

En Hebreeën 1:1:

God, die voortijds vele malen en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken heeft door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon

Zie ook Handelingen 2:15-20, waar Petrus de mensen toespreekt, nadat ze net de Heilige Geest hadden ontvangen en onder inspiratie van die Geest begonnen te spreken in alle talen van de mensen die voor het pinksterfeest in Jeruzalem waren samengekomen:

...dit is het, waarvan gesproken is door den profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren. En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp. De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en opzienbarende dag van de Heer komt. En het zal zijn, dat een ieder, die de Naam van de Heer zal aanroepen, gered zal worden.

Wanneer was die 'grote opzienbarende dag van de Heer'? In de 'laatste dagen'. En wanneer waren die laatste dagen? Op het moment dat Petrus zei: “dit is het”. Dat was bijna tweeduizend jaar geleden. En wat zou er daarna gebeuren? Bloed en vuur, rook en duisternis, met een maan als bloed. We hebben al gezien dat dit soort symboliek in de oren van Joden van de eerste eeuw klonk als een komend oordeel over heersende autoriteiten en een corrupte heersende orde (Grieks: kosmos). Het ging voor hen niet om een einde van de tijd en vernietiging van de aarde zoals wij die kennen. Ze wisten heel goed waar dit over ging. Petrus kort de tekst van Joël (hoofdstuk 2) behoorlijk in. De profeet spreekt met symbolen en waarschuwingen het volk toe. Hij zegt ten slotte dat het volk ontkoming kan vinden op de berg van God (Sion). Petrus betrekt dat in zijn toespraak op Jezus. De schrijver van het boek Hebreeën doet later hetzelfde (in Hebreeën 12:22-24):

Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden afgezanten; Tot de algemene vergadering en de Gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en de geesten van de volmaakte rechtvaardigen; en tot de Middelaar van het nieuwe verbond, Jezus...

Hier zien we een directe verwijzing naar Joël; en we zien een thema dat terugkomt in het boek Openbaring: het nieuwe Jeruzalem. De geestelijke stad, waar God aanbeden kan worden in geest en in waarheid. Zoals Jezus zei (in Johannes 4:21-24):

Jezus zei tegen haar: Vrouw, geloof Mij, de tijd komt dat jullie noch op deze berg, noch te Jeruzalem, de Vader zullen aanbidden. Jullie aanbidden wat jullie niet kennen. Wij aanbidden wat wij kennen, want de redding is uit de Joden. Maar de tijd komt, en is er nu al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en in waarheid; want de Vader zoekt mensen die Hem zo aanbidden. God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en in waarheid.

In het Nieuwe Testament zien we telkens weer dat het Koninkrijk komt in de geest, in waarheid, onzichtbaar, niet 'van deze wereld', maar hemels en geestelijk. Hierover zal ik verderop meer zeggen, maar voor nu is het belangrijk om te zien dat er gesproken wordt over 'nu' en 'dit is het'. Dat was toen al, in de eerste eeuw. Dat had betrekking op het oordeel, maar ook op de redding en de komst van het Koninkrijk. Is het niet vreemd te noemen dat er vandaag nog steeds geloofd wordt dat we in 'de laatste dagen' leven? Als die 'laatste dagen' toen waren, is het dan logisch te geloven dat die dagen nog steeds doortellen?

Jezus zei het heel duidelijk in Lukas 21:22:

...want dit zijn de dagen van vergelding, waarin alles wat geschreven staat, in vervulling gaat.

En dan de hamvraag: wát ging er precies in vervulling? 'Alles wat geschreven staat', is heel breed. Het gaat daar om alles wat geschreven staat met betrekking tot hetgeen in die context besproken werd. Deze constructie vinden we wel vaker in het Grieks. Zo zegt Paulus in Filippensen 4:13:

Ik ben in staat alle dingen te doen door de Ene, Die mij kracht geeft.

Dat betekent niet dat hij zomaar alles kon doen, maar dat hij kracht kreeg om de dingen te doen die hij daarvoor noemde: in voorspoed én in gebrek leven.

Zo moeten we ook kijken naar Lukas 21:22. Alle dingen die geschreven zijn: dat de tempel zou worden afgebroken, dat er valse 'gezalfden' zouden komen, oorlogen, oproer, aardbevingen, hongersnoden, epidemieën, tekenen aan de hemel, vervolgingen, verdeeldheid, zelfs binnen gezinnen, de belegering van Jeruzalem en haar verwoesting. Alles wat Hij daarvoor genoemd heeft en waar de profeten over geschreven hadden. Dát zou in vervulling gaan. De geschiedenis van Israël kwam tot een einde.

De voorspelling van 'bloed, vuur, rook, verduistering van hemellichamen, wonderen en tekenen' waren zeer actueel tijdens de belegering en vernietiging van Jeruzalem en de tempel in de jaren 66 tot en met 70. Geschriften uit de eerste eeuwen, van Flavius Josephus, Gaius Tacitus, Eusebius van Caesarea en teksten die toegeschreven worden aan namen als 'Pseudo-Hegesippus' en 'Sepher Josippon' doen verslag van oorlogen, hongersnoden, ziekten, aardbevingen, zelfbenoemde profeten en opstandelingen. De latere schrijvers verwijzen voornamelijk naar Josephus en Tacitus, die daarmee de belangrijkste bronnen vormen. Er werden imposante verschijningen waargenomen in de lucht, boven Jeruzalem in die tijd. Er werd een grote indrukwekkende gestalte gezien, strijdwagens, soldaten in pantser met vurige wapens, de tempel die plotseling verlicht werd door een schijnsel uit de hemel en men zag een gezicht van een man in de wolken. Er werd ook nog een 'ster' waargenomen in de vorm van een zwaard (waarschijnlijk een komeet) die een jaar boven de tempel zichtbaar was. Kunnen deze waarnemingen de tekenen zijn geweest waar Jezus het over had? (Zie Mattheüs 24, Markus 13 en Lukas 21.) Ik weet het niet, oordeel zelf...

Enkele voorbeelden:

(Flavius Josephus, 'De Joodse oorlog', Boek 6, hoofdstuk 5, sectie 3:) “Op de eenentwintigste dag van de maand Artemisias, verscheen een wonderbaarlijk en indrukwekkend fenomeen, ik veronderstel dat de verslaggeving ervan een fabel zou lijken, ware het niet verteld door degenen die het zagen en waren de gebeurtenissen die daarop volgden niet van dusdanig aanzienlijke aard dat zij dergelijke berichtgeving verdienen; want voor zonsondergang werden wagens en troepen van soldaten in hun pantser gezien, die rondreden onder de wolken, en ze omsingelden de steden.”

(Gaius Tacitus, 'Geschiedenissen', Boek 5.13:) “Er werden legertroepen gezien die streden in de lucht, een vurig schijnsel van wapenen. En de tempel werd verlicht door een plots schijnsel vanuit de wolken.”

(Eusebius, 'Kerkgeschiedenis', Boek 3, hoofdstuk 8, Sectie 1-6:) "En na het feest, slechts enkele dagen later, verscheen een grote geest in de lucht en wat daarmee in verband stond, zou een sprookje lijken, ware het niet verteld door ooggetuigen, gepaard gaande met lijden dat deze tekenen waardig is. Want voor zonsondergang verschenen er in de lucht, over het hele land, wagens en gewapende troepen die door de wolken reden en alle steden omsingelden."

(Flavius Josephus, 'De Joodse oorlog', Boek 6, hoofdstuk 5, sectie 2 en 3:) “Een ster in de vorm van een zwaard, stond boven de stad, samen met een komeet die een jaar lang gezien werd ... Op de achtste dag van de maand Xanthicus en op het negende uur van de nacht, scheen er een dermate helder licht rond het altaar en de tempel, dat het leek alsof het klaarlichte dag was.”

De conclusie lijkt mij voor de hand liggen, maar ik wil je uitdagen om het zelf te onderzoeken. Voor de ijverige student: lees de boeken van bovenstaande schrijvers maar eens. Er zijn daarin duidelijke overeenkomsten met het Nieuwe Testament van de Bijbel te vinden.

De aankondiging in Lukas 21:22 dat alles wat geschreven stond in vervulling zou gaan, was voor de Joden die daar stonden geen goed nieuws, dat was het einde van alles wat hen zo dierbaar was. Hun geliefde hoofdstad, hun tempel en hun tradities, hun hele 'wereld' (kosmos). Het zou allemaal tot een einde komen. Het was hún wereld die zou vergaan, niet de hele aardbol, maar voor hen was het erg genoeg.

Wanneer we het woord 'einde' op zich nog iets nader gaan bekijken, komen we ook tot interessante inzichten. Net als in onze taal zijn er in het Grieks verschillende synoniemen voor 'einde'. Wij kennen de woorden 'stop', 'voltooiing', 'afronding', 'grens', 'uiteinde', 'laatste' en dergelijke. We weten ook wat ze betekenen in een bepaalde context. Zo kent het Grieks de woorden 'telos' (einde), 'sunteleia' (voltooiing), 'akron' (uiterste), 'peras' (grens, limiet), eschatos (laatste) en 'kairos' (gezette tijd). Elk van deze woorden wordt gebruikt in verband met 'het einde' waar we het hier over hebben. Meestal worden deze woorden in een bepaald verband gebruikt. Bijvoorbeeld 'eschaté hóra' (het laatste uur) of 'eschatón tón hemerón' (de laatste dagen).

Voor het woord 'kairos' is niet echt een Nederlands woord te geven. We zouden het kunnen vertalen met woorden als 'seizoen' of 'gelegenheid'. Het geeft een afgerond tijdperk aan. Wel belangrijk om te begrijpen, want het wordt 86 keer gebruikt in het nieuwe testament. Jezus wees Zijn toehoorders erop dat ze de 'tijden' moesten onderscheiden (Mattheüs 16:3, Markus 13:33 Lukas 12:56, 19:44). Paulus had het ook regelmatig over die 'gezette tijd'. Het was niet zomaar een tijd. Het was de voltooiing van een tijd, een specifieke tijd van genade (Romeinen 11:5):

Zo is er naar de uitverkiezing van genade dan ook in deze huidige tijd een deel overgebleven.

Dat woordje 'tijd' op die plaats was niet zomaar een periode. Het was de gezette tijd, de 'laatste tijd' waarin ze toen leefden. Het was de tijd waarover hij ook sprak in Romeinen 8:18:

Want ik ga ervan uit dat het lijden van de huidige tijd niet te vergelijken is met de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden.

Het was een tijd met een specifiek doel. Het was de vervulling van de hoop van Israël: de opstanding vanuit de doden, het herstel, de wedergeboorte. Het was de tijd waarover de afgezant van God met Daniël sprak (in Daniël 8:17):

...dit visioen zal zijn tot de tijd van het einde.

In een volgend hoofdstuk ga ik verder in op de visioenen van Daniël. Voor nu wil ik laten zien dat hij het vooral over die 'tijd van het einde' had. Het woord voor 'einde' is hier 'peras' en dat betekent 'grens', 'limiet', 'het verste' of 'uiterste einde'. Deze term 'tijd van het einde' (kairou peras) komt weer terug in 8:19, 11:27, 11:35, 11:40 en 12:9. Daniël gebruikt hem dus 6 keer. In Daniël 9:27 komt de combinatie 'sunteleias kairou' voor, de 'voltooiing van de (gezette) tijd'. De leerlingen vroegen Jezus naar deze voltooiing, maar gebruikten de combinatie 'sunteleias tou aiónos'. Het woord 'aiónos' is vergelijkbaar in die zin dat het ook een tijdperk aangeeft met een duidelijk begin en een einde. Jezus antwoordde met een uiteenzetting waarin Hij als belangrijkste teken van de tijd de profetieën van Daniël gebruikte. Zoals we later zullen zien, blijkt uit de profetieën van Daniël dat de voorbestemde of gezette tijd voor het einde was vastgesteld en dat het nog 490 jaar zou duren, na een bepaald moment – de opdracht tot herbouw van Jeruzalem. Dit kwam precies bij de tijd van Jezus uit. Als deze uiterste limiet voor Israël gold, dan is de tijd van Jezus het einde van het religieuze stelsel van Israël. Het is niet juist om het woord 'peras' op zich als een absolute grens te zien, maar wel een absolute afronding of een uiterste van iets in een bepaalde context. Zo wordt het woord ook gebruikt om aan te geven dat de koningin van het zuiden van 'de einden van de aarde' kwam om naar de wijsheid van Salomo te luisteren (Mattheüs 12:42). Het gaat ook niet om dat éne woordje, want het komt maar 4 keer voor in het hele nieuwe testament, terwijl Daniël het in één boek wel 10 keer gebruikt. Het gaat meer om de combinatie van woorden, waardoor de context duidelijk wordt. In het nieuwe testament komen we vaker de woorden eschatos, telos en sunteleias tegen waar het gaat om het einde en de laatste dingen.

Zo gebruikt Johannes 'eschatos' bij de 'laatste dag' in Johannes 6:39,40,44,54, 11:24, 12:48 en het 'laatste uur' in 1 Johannes 2:18. De brieven van Petrus, Judas en Jacobus spreken er ook over. Hebreeën 1:2 geeft aan dat die tijd de 'laatste dagen' waren.

Het woord 'telos' wordt het meest gebruikt om 'het einde' aan te duiden (Mattheüs 10:22, 24:6,13,14, Markus 13:7,13, Lukas 21:9, Romeinen 10:4, 1 Korinthiërs 1:8, 10:11, 15:24, 2 Korinthiërs 3:13, 11:15, Philippenzen 3:19, 1 Thessalonicenzen 2:16, Hebreeën 3:6,14, 6:8,11, 1 Petrus 4:7 en Openbaring 2:26).

Het woord 'sunteleias' wordt het meest gebruikt door Mattheüs (13:39,40,49, 24:3 en 20) in de zin van 'voltooiing van het tijdperk'. In het volgende hoofdstuk werk ik dat verder uit.

VOLGENDE >

NAAR INDEX

242