Alles wordt nieuw

Wie kent nog dat versje met het refrein: 'Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde'? Als ik mij niet vergis in het begrijpen van de Bijbel, hoeven we misschien helemaal niet 'stil te wachten', maar mogen we aan de slag in het Koninkrijk van Gods Zoon, dat reeds gekomen is. Het Koninkrijk dat als een klein steentje zou komen en zou groeien, tot het de hele aarde zou vervullen en alle andere koninkrijken zou verdringen, zoals we lazen in het tweede hoofdstuk van Daniël. Een gebeurtenis die zou beginnen wanneer er tien koningen waren die voortkwamen uit het vierde aardse koninkrijk (het Romeinse rijk). Het zou een Koninkrijk zijn, dat nooit zou eindigen. Het zou altijd maar door blijven groeien. In de laatste hoofdstukken van de Bijbel vinden we veel informatie over dit eeuwigdurende Koninkrijk. Ik wil het hier laten zien in het licht van het voorgaande en een parallel trekken met het zogenoemde 'vrederijk' uit het boek Jesaja.

Leven in het vrederijk

Jesaja zegt prachtige dingen over het Koninkrijk; bijvoorbeeld in Jesaja 65:18-19:

Maar wees vrolijk en verheug u tot in de eeuwigheid in hetgeen Ik schep; want zie, Ik schep Jeruzalem een verheuging, en haar volk een vrolijkheid. En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk; en in haar zal niet meer gehoord worden een stem van geween, noch een stem van geschreeuw.

Dit lijkt erg veel op Openbaring 21:2-4:

En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een luide stem uit de hemel zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen; zij zullen Zijn volk zijn en God Zelf zal bij hen zijn en hun God zijn. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen. En de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gejammer, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn voorbijgegaan.

Bedenk: als we al in dat hemelse Jeruzalem leven, zoals in Hebreeën staat, dan heeft de afwezigheid van dood, rouw en moeite misschien een andere betekenis dan het lijkt. De dood was al overwonnen toen Jezus gestorven was, zoals Paulus zegt in Galaten 2:20:

Ik ben met de Gezalfde gekruisigd; en toch leef ik, doch niet meer ik, maar de Gezalfde leeft in mij; en voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft.

Veel mensen denken bij het lezen van Jesaja 65 en Openbaring 21 aan een soort hemelse situatie op deze aarde, waarbij er niets meer is dat mensen ongelukkig maakt. Maar in de Heilige Geest waren deze dingen in de eerste eeuw al beschikbaar. De schrijvers van het Nieuwe Testament schreven over vrede met God, levend zijn in Hem en niet meer dood zijn in zonde en ongehoorzaamheid. Zo was de Geest gegeven als zegel en onderpand (zie 2 Korinthiërs 1:22 en Efeziërs 1:13-14). Zij die de Geest hadden ontvangen, hadden een voorproef, een eerste deel van de oogst ontvangen (zie Romeinen 8:23). Want 'de schepping' wachtte met smart op het openbaar worden van 'de zonen van God' (Romeinen 8:19). Zodat zij een verschil konden uitmaken in de wereld. Zoals Paulus zegt in Romeinen 14:17-19:

Want het Koninkrijk van God bestaat ... in ... rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest. Want wie de Gezalfde in deze dingen dient, is voor God welbehaaglijk en aangenaam voor mensen. Dus laat ons najagen hetgeen tot de vrede en hetgeen tot opbouw van elkaar dient.

Het Koninkrijk bestaat in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap. Dat zijn dus de eigenschappen van het Koninkrijk, de kenmerken die het draagt. Dat zijn dingen die van binnen gebeuren, zoals we eerder in dit boek hebben gezien. Jezus corrigeerde mensen toen ze te kennen gaven dat ze een fysieke manifestatie van het Koninkrijk verwachtten. Hij zei tegen zijn volgelingen dat Zijn Koninkrijk niet van deze wereld was (Johannes 18:36) en dat ze het niet konden zien, maar dat het in hun midden was (Lukas 17:20-21). Het zou geen fysiek, aards koninkrijk zijn, maar iets dat zij samen zouden beleven en uitleven.

Jesaja had enkele interessante dingen te zeggen over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, voortbordurend op vers 18-19 hierboven (Jesaja 65:20-22):

Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen, noch een oud man, die zijn dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden. En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten, en de vrucht ervan eten. Zij zullen niet bouwen, dat het een ander bewone; zij zullen niet planten, dat het een ander ete, want de dagen van Mijn volk zullen zijn als de dagen van een boom, en Mijn uitverkorenen zullen het werk van hun handen verslijten. Zij zullen niet tevergeefs arbeiden, noch baren ter verstoring; want zij zijn het zaad van de gezegenden van Jahweh, en hun nakomelingen met hen. En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen. De wolf en het lam zullen tezamen weiden, en de leeuw zal stro eten als een rund, en stof zal de spijze der slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderf aanrichten op heel Mijn heilige berg, zegt Jahweh.

Al deze dingen vinden plaats op die 'heilige berg' van God (Hebreeën 12:18-22 - de niet tastbare berg Sion, de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem), in die nieuwe hemelen en op die nieuwe aarde. Het volk is het volk van het nieuwe Koninkrijk, dat onzichtbaar is. Ik neem aan dat de dingen die Jesaja noemt uiteindelijk ook een waarneembare werkelijkheid zullen worden, maar in eerste instantie moeten we deze dingen mijns inziens in een geestelijk licht zien.

Merk op dat niet alles helemaal perfect is in die nieuwe wereld die ook wel 'het vrederijk' genoemd wordt. Er zal nog een 'zondaar' zijn. Mensen zullen heel oud worden, maar ze zullen nog wel sterven, er is nog arbeid nodig, maar alles is onder controle. Er is meer voorspoed, meer vrede, meer vreugde en minder pijn. Het leven onder de wet bracht zorgen, vloek en dood met zich mee, maar het leven in de Geest brengt leven, vrede, gerechtigheid en onbezorgdheid (lees Romeinen, de hoofdstukken 7 en 8 maar eens na elkaar).

En de 'wolf en het lam'? Jezus had het ook over wolven en schapen (Matt 7:15; 10:16; Luk 10:3 en Joh 10:12). Hij gebruikte wolven en schapen als typebeelden van goddeloze en godvrezende mensen. Zij zullen tezamen weiden in dat nieuwe rijk van vrede. Natuurlijk kan het ook zijn dat de dieren onder invloed van Gods groeiende Koninkrijk op aarde steeds tammer worden. We zien daar al veel voorbeelden van.

En waarom zou specifiek genoemd moeten worden dat een leeuw stro eet als een os? Zou deze profetie van Jesaja met deze twee dieren ook twee soorten mensen kunnen aangeven? Het zijn niet zomaar twee dieren die hier genoemd worden. Beiden zijn de voornaamsten van hun rijk. De os was de voornaamste van het vee en de leeuw was de koning van de wilde dieren. Hierin zou je heersers kunnen zien, die vrede sluiten met elkaar, terwijl ze daarvoor totaal niet met elkaar overweg konden. Ook hier kunnen we tevens een letterlijke vervulling zien in onze toekomst. Waar het om gaat is dat er vrede is op Gods heilige berg (het hemelse Jeruzalem, het volk van God, de gemeente) en dat dit effect heeft op de wereld om ons heen.

En de slang die stof eet? Dat is volgens mij overduidelijk een verwijzing naar de 'slang', de listige verleider van het paradijs, die de rest van zijn leven 'stof moest eten', omdat hij Adam en Eva had verleid tot het eten van de boom van kennis van goed en kwaad, zodat ze zélf konden bepalen hoe ze zouden leven, volgens hun eigen regels en wetten, niet in afhankelijkheid van hun Schepper. Jesaja werd niet voor niets geïnspireerd om deze dieren te noemen. Ze zijn een symbolische weergave van het leven in het Koninkrijk, de 'nieuwe hemelen en de nieuwe aarde', die God zou scheppen. Een 'plaats', een 'berg' waar mensen in vrede met elkaar zouden leven in afhankelijkheid van God, niet vanuit de wet. Niet vanuit een reeks (al dan niet zelf opgelegde) regels en wetten, maar vanuit een liefdevolle relatie met God als Vader en kinderen. Dezelfde dingen zou ik kunnen zeggen over Jesaja 11, waar we gelijksoortige beeldspraak zien.

Nogmaals, dit alles neemt niet weg dat er uiteindelijk een situatie kan ontstaan waar deze dingen ook letterlijk in vervulling gaan. Maar vooralsnog is de duidelijk symbolische waarde van de genoemde zaken iets dat mijns inziens meer duidt op een geestelijke vervulling. In Genesis 3 zien we ook symbolische taal. Het zaad (de nakomelingen) van de slang zou het zaad van de vrouw in de hiel bijten en dat zaad zou zijn kop vermorzelen. Dit is volgens velen een profetie over Jezus, die uiteindelijk de verleider, de aanklager, de kop in zou drukken. Jezus noemde de mensen die hem zouden laten kruisigen ook 'adderengebroed' en 'slangen' (Mattheüs 23:33). Maar uiteindelijk zouden zij hun verdiende loon krijgen (vers 34-38).

Jezus zou afrekenen met de aanklacht van de wet (de kennis van goed en kwaad), om plaats te maken voor een nieuw verbond van vrede, relatie en liefde. Daarom zien we in Openbaring 22 ook alleen nog maar de boom van leven, die genezing brengt. Er is in het koninkrijk van God geen plaats meer voor de boom van kennis van goed en kwaad. De wet is vernietigd. We mogen leven in vrijheid en een innige relatie met God. Als er regels en wetten zijn wordt ook bijgehouden wat je fout gedaan hebt, zodat er een gepaste straf kan volgen. De volmaakte liefde van God houdt geen lijst bij van dingen die we fout doen, zoals Paulus in 1 Korinthiërs 13 duidelijk onder woorden brengt. En hij benadrukt ook nog eens dat het komen van het volmaakte gelijk het einde betekent van specifieke bedieningen. God houdt er geen 'lievelingetjes' op na die Hij in vertrouwen neemt. Iedereen heeft na de openbaring van Jezus de Gezalfde het recht op een persoonlijke relatie met God, zonder afhankelijk te zijn van bijzondere apostelen of profeten.

1 Korinthiërs 13:8-9:

De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden. Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; Doch wanneer het volmaakte gekomen zal zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.

Er zou volgens Paulus een einde komen aan profetieën, talen en kennis, wanneer het volmaakte gekomen was. Ik denk dat hij het daar over de vestiging van het Koninkrijk heeft, waarin iedereen rechtstreeks contact heeft met God, omdat Hij bij ons woont in Koning Jezus en wij niet meer afhankelijk zijn van het 'ten dele' profeteren. Zijn liefde en waarheid zou bij het komen van het volmaakte volledig geopenbaard zijn.

Merk op dat hij in dit stukje niet zegt dat er een einde komt aan genezingen, wonderen, geloof, onderscheiding van geesten, waar hij in het hoofdstuk daarvoor over spreekt. Maar als het volmaakte gekomen is en Jezus nu inderdaad in ons midden woont, kan Hij ieder van ons individueel en direct dingen laten zien, zonder tussenkomst van 'erkende profeten' en mensen met 'speciale kennis'. Hij noemt drie dingen die voorbij gaan en dat zijn dingen die te maken hebben met de voorbereiding op de komst van Jezus. Nu Jezus gekomen is kan er volgens mij nog steeds geprofeteerd worden, maar niet meer over 'de komst'. Er kan nog steeds bovennatuurlijke kennis zijn, maar niet meer met betrekking tot het Koninkrijk dat nog moet komen, omdat 'het volmaakte', het Koninkrijk van Jezus er al is. En er kan nog steeds in talen gesproken worden, omdat het onszelf en de gemeente kan opbouwen, maar niet meer om mensen klaar te maken of te waarschuwen voor het komende oordeel over Jeruzalem. Dat was namelijk waar al die profetieën, kennis en talen voor dienden. Zoals ik het begrijp kan nu iedereen persoonlijk een ambassadeur van het Koninkrijk zijn en nog steeds gebruik maken van elke gave die God geeft. Wat zegt dit over de structuur van veel hedendaagse kerken? Kan het zijn dat er soms te veel aandacht wordt besteed aan de bediening van één persoon? Kun je het met mij eens zijn dat we ons nu allemaal, stuk voor stuk kunnen uitstrekken naar een gave van God, om de gemeenschap en de wereld waarin wij leven te dienen? Iets om over na te denken.

Offers en rituelen

Dan nu de duidelijke parallel met het boek Openbaring. Zou het kunnen zijn dat Johannes in Openbaring 21 hetzelfde zag en hetzelfde bedoelde, toen hij het over de nieuwe hemel en een nieuwe aarde had? Het ligt voor de hand om aan te nemen dat in Openbaring 21 Jesaja 65 wordt aangehaald. Voor Jesaja was het nog verre toekomst, maar Johannes werd geopenbaard dat deze dingen spoedig zouden gebeuren. Wanneer het oude vernietigd was, kon het nieuwe volledig tot zijn recht komen. God wilde onder de mensen wonen en in hun midden zijn, maar zolang mensen nog vasthielden aan een aards systeem van offers en rituelen, was daar geen ruimte voor. Het is niet voor niets dat God in frustratie uitroept (Amos 5:21-24):

Zal dan niet de dag van Jahweh duisternis zijn, en geen licht? En donkerheid, zodat er geen glans aan is? Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik wil uw samenkomsten niet ruiken. Want ofschoon u Mij brandoffers en spijsoffers offert, heb Ik er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten kan Ik niet aanzien. Doe het getier van uw liederen van Mij weg; ook wil Ik uw harpspel niet horen. Maar laat recht zich daarheen wenden als water, en gerechtigheid als een sterk stromende beek.

Zie ook Hebreeën 10:5, 6, 10 en 14, waar Psalm 40 wordt aangehaald, met ongeveer dezelfde strekking:

Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt U niet gewild (...Brandoffers en offer voor de zonde hebben U niet behaagd...), maar U hebt Mij het lichaam toebereid; In welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande van het lichaam van Jezus de Gezalfde, eenmaal geschied. Want met één offer heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.

Recht en gerechtigheid worden gevonden in dat éne offer van Jezus de Gezalfde. In Hem en door Hem is het oude afgebroken en het nieuwe gekomen. Na het brengen van het offer, kwam Hij ook nog eens terug om de oude offerplaats letterlijk en definitief af te breken, door middel van een heidens leger. Een methode die God wel vaker had gebruikt en waarvan we vele voorbeelden vinden in het Oude Testament. In Jezus is het oude voorbijgegaan en het nieuwe gekomen (2 Korinthiërs 5:17):

Zo is dan iemand die in de Gezalfde is een nieuw schepsel geworden; het oude is voorbijgegaan, kijk, alles is nieuw geworden.

Jezus maakte ook heel duidelijk dat er voor Hem geen tijd zou zijn voor vreugde en feest, totdat Hij Zijn Koninkrijk zou vestigen en het grote bruiloftsfeest gevierd kon worden. Het vooruitzicht van het oordeel over Jeruzalem woog zwaar op Zijn hart. Tijdens het laatste avondmaal dat Hij met Zijn leerlingen had, zei Hij het volgende (Mattheüs 26:29):

Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van mijn Vader.

Marcus zegt het ongeveer op dezelfde manier, maar Lukas verwoordt het iets anders (22:16-18):

Want Ik zeg u, dat Ik het voorzeker niet meer eten zal, voordat het vervuld is in het Koninkrijk van God. En Hij nam een beker op, sprak de dankzegging uit en zei: Neem deze en laat hem bij u rondgaan. Want Ik zeg u, Ik zal van nu aan zeker niet van de vrucht van de wijnstok drinken, voordat het Koninkrijk van God gekomen is.

We hebben gezien dat het Koninkrijk gekomen is in de tijd van de Romeinse overheersing en na het vernietigen van de tempel. Dus het mooie is dat we zelfs in de traditie van het avondmaal in de gemeente mogen denken aan de overwinning over het oude systeem van dood en offers, moeite, pijn en geween, omdat zonden scheiding maakten tussen de mens en God. Nu is er geen scheidingsmuur meer, de strafeis op de zonde is weggenomen. Er is feest, we kunnen die nieuwe wijn drinken met de Koning van alle koningen, de Heer van alle heren.

De bruid en de hoer

In Openbaring 19 wordt de bruiloft van het Lam wordt genoemd en Jezus vergelijkt de komst van het Koninkrijk met een koning die voor zijn zoon een bruiloft aanrichtte (Mattheüs 22). Daarin zie ik een aantal overeenkomsten. De mensen in de gelijkenis wilden niet naar de bruiloft komen, tot grote ontsteltenis van de koning. Maar er was een uitnodiging uitgegaan door het hele land om mensen te verzamelen die wel wilden komen, want de bruiloft moest doorgaan. We zien een ongehoorzaam en ernstig afgedwaald volk dat liever afgoden diende en niet inging op Gods uitnodiging voor de bruiloft van Zijn Zoon.

In Mattheüs 21 zien we dat Jezus in een verhaal over onrechtvaardige landeigenaren een vergelijking trekt met de Joodse leiders, die uiteindelijk zelfs de zoon van de koning doodden. Daarmee was de maat vol. God liet hen doden en stak hun stad in brand, wat ook daadwerkelijk gebeurde toen de Romeinen in het jaar 70 Jeruzalem vernietigden. Een zeer betreurenswaardige gebeurtenis.

In Openbaring 17, 18 en 19 zien we vergelijkbare taferelen, waarvan ik hier een globaal overzicht geef, om het totaalplaatje goed in beeld te krijgen en niet te verdwalen in de details:

Er wordt een vrouw beschreven. Ze wordt 'de grote hoer' genoemd; bekleed met purper en scharlaken, versierd met goud, edelstenen en parels. Is het overigens niet opmerkelijk dat deze sieraden ook gezien worden bij het nieuwe Jeruzalem? Maar déze vrouw is alleen van buiten mooi; het is schijn. Van binnen zit ze vol ongerechtigheid. Ze is dronken van het bloed van de heiligen en de getuigen van Jezus, waarover we het in een eerder hoofdstuk uitgebreid hebben gehad. Ze wordt ook 'het grote Babylon' en 'de grote stad' genoemd. De 'grote stad' die eerder, in Openbaring 11:8, geestelijk 'Sodom' en 'Egypte' wordt genoemd, waar ook de Heer (Jezus) gekruisigd is. Het oude, overspelige Jeruzalem. Er wordt een klaagzang over haar aangeheven. Maar de apostelen en profeten mogen blij zijn. Waarom? Omdat hun bloed gewroken wordt. Hun bloed dat vloeide in die stad, die zo vaak gehoereerd had met de heidense koningen. God wordt geprezen, omdat Hij een rechtvaardig oordeel over deze stad brengt en omdat Hij het bloed van Zijn dienaren van haar geëist heeft.

1000

En dan Openbaring 20... Dit is een lastig hoofdstuk, omdat we het begrip '1000 jaar heersen' nergens anders terugvinden en het daarom dus ook nergens mee kunnen vergelijken. Sommigen willen het vergelijken met het vrederijk van Jesaja en maken er 'duizendjarig vrederijk van de Gezalfde', of 'duizendjarig rijk' van, maar dat staat er niet en ik zie daarvoor ook geen aanleiding in Openbaring. Ik denk dat Johannes in dit hoofdstuk het hele tafereel van het oordeel over Jeruzalem nog eens vanuit het perspectief van de tegenstander te zien krijgt. De tegenstander, die een periode gebonden wordt en daarna weer losgelaten wordt, waarna er definitief met hem wordt afgerekend.

In Openbaring 12 zien we deze tegenstander ook een korte tijd in woede rondgaan, wetend dat hij weinig tijd heeft. Dat komt overeen met de korte tijd dat de tegenstander losgelaten wordt, aan het einde van die '1000 jaar'. In de periode dat de tegenstander gebonden is mogen de mensen die vanwege hun getuigenis van Jezus onthoofd zijn, met de Gezalfde heersen. Dat is ook wat Paulus schrijft in 2 Timotheüs 2:12: dat zij zouden heersen met de Gezalfde als ze zouden volharden. Na die periode zien we weer de opstanding van de doden en het oordeel (het scheiden van de goede en slechte mensen), wat we op andere plaatsen zagen gebeuren bij het tot stand komen van het Koninkrijk en wat samenviel met het oordeel over het oude Jeruzalem. Hierin zie ik meer een parallel dan een aparte gebeurtenis. Omdat Johannes het heeft over 1000 jaar, denken sommigen dat het over letterlijk 1000 jaar gaat. Anderen zien het symbolisch en laten die duizend jaar beginnen bij de bediening van Jezus, of in het jaar 70 en laten ze doorlopen tot in onze toekomst, weer anderen plaatsen het begin van 'het millennium' (een ander woord voor 1000 jaar) in een al dan niet nabije toekomst met een al dan niet letterlijke 1000 jaar. Sommigen tellen de leeftijden van Adam en Jezus bij elkaar op en zien daar die 1000 jaar in. Weer anderen laten de 1000 jaar beginnen bij Koning David, omdat God Jezus de troon van zijn voorvader David zou geven. Er zijn zelfs mensen die van 2 Petrus 3:8 (mijns inziens onterecht) een formule maken: 1 dag = 1000 jaar en 1000 jaar = 1 dag. Zij passen dat toe op Hosea 6:2, waar de profeet zegt: “Hij zal ons na twee dagen levend maken en op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.” Dit zou betrekking hebben op de afgelopen 2000 jaar (2 dagen) die nu spoedig gevolgd gaan worden door de derde dag (het millennium). Veel verschil in interpretatie dus.

Mijn gedachte is dat de periode niet letterlijk genomen moet worden en dat hij eindigde bij het oordeel over Jeruzalem, omdat de beschrijvingen daarmee samen lijken te vallen en daarmee klopt het totaalplaatje beter. Tevens valt ook Openbaring 20 tussen de tijdsindicaties van het begin en het einde van het boek, dat alles 'spoedig', 'weldra' zou plaatsvinden. Goochelen met getallen heeft al tot zoveel verkeerde 'voorspellingen' van 'het einde' geleid, dat dit nauwelijks meer serieus genomen kan worden. Daarbij lijkt het mij duidelijk dat Petrus met zijn opmerking over 1 dag als 1000 jaar meer iets over Gods geduld probeerde te zeggen dan dat hij een rekenformule voor Hosea 6:2 in gedachte had.

Het getal 1000 wordt in profetische en poëtische teksten vaker symbolisch gebruikt . Het is een zeer krachtig en vol getal (10x10x10).

Psalm 50:10:

Want al het gedierte van het woud is van Mij, de beesten op duizend bergen.





Psalm 84:11:

Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik verkies liever op de drempel van het huis van mijn God te wezen, dan lang te wonen in de tenten van goddeloosheid.

Jesaja 7:23:

Ook zal het in diezelfde dagen geschieden, dat iedere plaats, waar duizend wijnstokken geweest zijn, van duizend zilverlingen, tot doornen en distels zal zijn;

Het getal wordt op veel plaatsen gebruikt om een uiting kracht bij te zetten. Het is in Openbaring 20 omgeven door andere symbolische voorstellingen. zoals 'de slang', die met 'een ketting' wordt vastgebonden en wordt opgesloten in 'de afgrond' met een 'sleutel'. hiermee staan die 1000 jaar volledig in een symbolische context (zie vers 1 en 2).

Door het vernietigen van het oude systeem van de tempeldienst en door de komst van het Koninkrijk heeft de aanklager geen poot meer om op te staan. Hij was al gebonden en overwonnen door Jezus' autoriteit en Zijn volmaakte offer. Nu is ook nog eens het hele religieuze centrum, waar de macht van Satan (de tegenstander) op gebaseerd was, vernietigd. God heeft definitief afgerekend met het oude, overspelige Jeruzalem en de aardse tempel. Daarmee heeft Hij ook korte metten gemaakt met de geestelijke tegenstander en zijn aardse afgezanten.

Als er niet zo'n mooi exact getal (1000) had gestaan was dit hoofdstuk waarschijnlijk niet zo lastig voor velen. Het getal 1000 geeft volgens mij in dit verband slechts een volheid van tijd aan, geen exacte periode van 1000 jaar. Lezen we het als een symbolische lange periode, dan is het te zien als de periode tussen de tijd dat Jezus op aarde de duivel vast bond en Zijn komst in oordeel en de vestiging van Zijn Koninkrijk. In die tijd werd de tegenstander (de satan) een korte tijd losgelaten om 'zijn ding' te doen en daarna voorgoed vernietigd te worden. Geheel in overeenstemming met de rest van Openbaring. “Wat? Maar...”, zullen velen hardop denken, “...betekent dat dan dat er geen Satan meer is?!”

Ik geloof dat specifiek die satan (de tegenstander en aanklager van de kinderen van God, die hen steeds weer de wet voorhield om te laten zien hoe slecht ze wel waren,) gebonden, verslagen en vernietigd is. Daarmee wil ik niet zeggen dat er vandaag geen kwade geesten, demonen of andere soorten geestelijke (of menselijke) aanklagers meer kunnen zijn. Echter, met dé Satan van de Bijbel, de slechterik uit de tijd van het oude verbond, die mensen kon aanklagen op basis van de wet en de zonde, is voorgoed afgerekend. Dat lijkt mij geweldig goed nieuws voor velen die nu nog bang zijn voor dit wezen. Elke kwade macht die nu eventueel nog probeert om de kinderen van God te dwarsbomen, moet rekenen op een 'flink pak slaag', omdat we weten dat Jezus alle macht in hemel en op aarde heeft. Er is geen enkele geestelijke macht die stand kan houden tegen die autoriteit. Kortom: er zijn in mijn ogen wellicht nog duistere machten, maar die opereren in de duisternis en zijn eenvoudig te overwinnen als je beseft wie en wat je bent in Jezus, door Zijn overwinning en Zijn koningschap. Je bent koning en priester met Hem en je mag de door God gegeven autoriteit die daaraan verbonden is, gebruiken om af te rekenen met de duisternis om je heen. Hij gaf ons het voorbeeld en liet ons zien hoe we het kwaad kunnen overwinnen. Wij mogen leven in Zijn licht in Zijn hemelse stad, waar duisternis geen plaats heeft.

Voltooid tegenwoordige tijd?

Openbaring 21 toont ons vervolgens het prachtige beeld van een nieuwe hemel, een nieuwe aarde en een nieuwe stad, het hemelse Jeruzalem, getooid als een bruid. Een beeld van God die nu bij de mensen woont, in een liefdevolle relatie; en elke traan van hun ogen wist. Ja, er zijn nog tranen, maar Hij is er in elk verdriet en Hij is altijd dichtbij. En de dood zal ze niet scheiden, want wie in Hem gelooft zal niet meer sterven, zoals Jezus zei. Dit 'geloven' is overigens geen activiteit die verplicht is om 'gered' te worden, maar een vertrouwen, een gerustheid, een zeker weten dat alles goed is dankzij Hem (Hebreeën 11:1). De dood heeft geen heerschappij meer; iets waar Paulus het ook veel over had.

En Hij die op de troon zit zegt: “Ik maak alle dingen nieuw” (vers 5). Hij zei niet “ik heb alle dingen nieuw gemaakt”, maar dat Hij het doet. Dat houdt in dat er aan dit vers geen tijdslimiet zit. Hij is daar denk ik nog steeds mee bezig. Vanaf vers 9 krijgen we een prachtige poëtische en symbolische beschrijving van de bruid. Het is de stad van God, het hemelse, geestelijke Jeruzalem. Schitterend licht, vol goud en edelstenen, poorten als parels, met daarop de namen van de twaalf kinderen van Israël én twaalf fundamenten met de namen van de apostelen van Jezus. Een perfecte samensmelting van de oude getrouwen, het restant van het geliefde volk van God in volkomen harmonie met de nieuwe genodigden.

Hoorde ik daar ergens ver weg in een dichte mist een discussie over wie die bruid is? Het antwoord vinden we in dit hoofdstuk. God laat er geen onduidelijkheid over bestaan wie Zijn bruid is: een nieuwe stad, waarin alle trouwe, nederige en dienstbare kinderen van Israël wonen, samen met

...een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle natiën, stammen, volken en talen, staande voor de troon en voor het Lam, bekleed met lange witte gewaden en palmtakken in hun handen. (Openbaring 7:9).

Is het trouwens niet opmerkelijk dat ook in Openbaring 7 eerst gesproken wordt over 12000 getrouwe Israëlieten uit elk van de 12 stammen van Israël? (in totaal zijn dat er 144.000.) Ook hier denk ik dat het getal 1000 duidelijk symbolisch gebruikt wordt: 12x12x1000. Het geeft een volledigheid aan. In Openbaring 14 worden zij de 'eerstelingen' genoemd. Dat zijn de eerste bekeerlingen, allemaal Joden (twee stammen) en verstrooide Israëlieten uit alle windstreken (tien stammen, samen twaalf), omdat God door Jezus in eerste instantie Zijn armen uitstrekte naar Zijn verbondsvolk. Dit volle aantal is het volledige trouwe restant van Israël gevolgd door de grote menigte. Samen vormen zij het nieuwe, hemelse Jeruzalem.

God heeft Zijn volk nooit in haar geheel verworpen. Er was altijd een restant van de mensen die wel trouw bleven, die een zegen zouden zijn voor de heidenen, waarmee ze samen het Koninkrijk binnen zouden gaan. Het is vergelijkbaar met de twaalf poorten en de 12 fundamenten in Openbaring 21. De twaalf apostelen hebben ervoor gezorgd dat die grote menigte werd uitgenodigd. Openbaring 7 en 21 spreken dus over hetzelfde.

Zo zien we dat in Jezus de oude dingen zijn afgebroken en alles nieuw werd gemaakt. Hij maakt nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. Hij gaf Zijn volk een nieuw, geestelijk leven en een nieuw Jeruzalem. Hij bouwt een nieuwe tempel in Gods aanwezigheid, een gebouw van levende stenen, een Lichaam van levende cellen, waar wij ook deel van uit mogen maken. Hij woont in mensen met geestelijke, onvergankelijke lichamen die Hem aanbidden op Zijn heilige berg. Zij hoeven niet te leven op de berg van de wet (Sinaï) wat leidt tot dood en ellende, maar ze leven op de berg van de levende God (Sion) wat leidt tot eeuwig geluk en vrede. Zijn Koninkrijk is gekomen in de harten van toegewijde mensen.

Hij maakt werkelijk alles in de geestelijke wereld nieuw, wat door ons heen een uitwerking heeft op aarde, waardoor uiteindelijk ook hier op aarde een vrederijk zal ontstaan. Jesaja schreef erover en ik geloof dat het nog steeds in de maak is. We hebben gezien dat de Bijbel focust op het hart, op geestelijk leven. Israël zou een zegen zijn voor de hele wereld en dat is uiteindelijk verwezenlijkt door Jezus, in Wie het 'ware Israël' gestalte kreeg. Wij kunnen als wereldwijd groeiende gemeenschap van trouwe dienaren, als één lichaam, in één verenigd Koninkrijk de handen ineenslaan en de dingen die Hij ons in de geest gegeven heeft, zichtbaar maken op aarde. Zo zal uiteindelijk de hele aarde vol zijn van Zijn heerlijkheid. Hoe lang dat nog gaat duren weet ik niet, maar samen mogen we er aan werken. Komt Jezus nog een keer fysiek terug naar de aarde? Ik weet het niet, maar ik sluit het ook niet uit.

Bid je nog wel eens: “...uw Koninkrijk kome”? Ik zeg niet dat je er verkeerd aan doet, maar ik geloof wel dat het Koninkrijk al gekomen is en dat wij mogen leven in dat Koninkrijk. Want van Hem ís het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid. Nu en tot in eeuwigheid. Wat ik nu bid, is dat het Koninkrijk meer en meer zal 'komen', waarmee ik bedoel dat het steeds meer zichtbaar wordt in de wereld om ons heen, met alle tekenen en wonderen die ermee gepaard gaan. En wanneer wij, na onze taak op aarde volbracht te hebben, ons aardse lichaam verlaten en in Zijn aanwezigheid verschijnen, mogen we voor altijd genieten van dat nieuwe lichaam, in die nieuwe woning, die Hij voor ons bereid heeft.

218