En toen was het feest!

God gaf de Israëlieten feesten om te vieren. Als momenten van bezinning en herdenking en tevens als voorafschaduwing van het Grote Plan. Er wordt namelijk in het Nieuwe Testament door Jezus en de apostelen duidelijk gezegd dat de feesten ook een profetische functie hadden. Hier zal ik in het kort laten zien hoe Jezus deze feesten vervuld heeft en dat het leven dat Jezus ons geeft één groot feest is. Hier een korte beschrijving van deze feesten, die eigenlijk een samenvatting vormen van wat ik in dit boek naar voren heb gebracht:

Hij is de grote Koning Die Zijn volk uit de slavernij van de wet bevrijdde, de dood overwon en hen in Zichzelf met God verzoende. Er is geen wet meer en wij kunnen bij Hem wonen en leven in Zijn Koninkrijk dat geen einde kent!

Er waren voor de Joden drie belangrijke feestperioden:

  1. Een serie van 3 feesten rondom de uittocht uit Egypte.

  2. Een feest rondom de wetgeving.

  3. Een serie van 3 feesten rondom de intocht in het beloofde land.

Deze drie feestperioden zijn door Jezus volledig vervuld. Ze worden ook wel onderverdeeld in drie voorjaarsfeesten, het oogstfeest en drie najaarsfeesten.

De voorjaarsfeesten:

De vervulling van deze feesten vinden we in de eerste vijf boeken van het Nieuwe Testament: de kruisiging, begrafenis en opstanding van Jezus de Gezalfde. Dat is dus in de tijd dat Jezus lichamelijk op aarde aanwezig was.

Het Paasfeest (Pesach, Pascha):

Dit feest herinnerde Israël eraan dat God hun huizen 'oversloeg' (de betekenis van het woord pesach) en hun eerstgeborenen spaarde tijdens de uittocht uit Egypte en de bevrijding van de slavernij. Een foutloos lam werd geslacht en het bloed werd langs de deurposten gesmeerd, zodat de dood aan hen voorbij zou gaan (Exodus 12:1-14; Deuteronomium 16:1-8). Het lam werd goed onderzocht, opdat ze zeker wisten dat er geen mankementen aan zaten. Er mocht van het lam geen bot gebroken worden.

Dit is vervuld in het afsluitende, volmaakte offer van Jezus de Gezalfde. Jezus werd ondervraagd door de Joodse leiders, maar ze konden Hem nergens op pakken. Hij werd onderzocht door Pilatus, maar ook hij kon geen fout vinden.

In het verslag van de kruisiging kunnen we lezen dat de benen van de misdadigers die naast Jezus waren gekruisigd werden gebroken. Dit werd gedaan zodat ze sneller zouden overlijden en ze nog voor de sabbat konden worden begraven. De benen van Jezus hoefden niet gebroken te worden, omdat Hij al overleden was.

Door Jezus' offer hebben we verlossing van de dood die door de zonde in de wereld is gekomen. In Hem hebben we de ultieme verzoening (Johannes 1:29):

De volgende dag zag Johannes Jezus aankomen en zei: “Zie het Lam van God Dat de zonde van de wereld wegneemt!”

1 Korinthiërs 5:7:

... want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk de Gezalfde. Laten we dan feest vieren...

Er hoeven nu geen lammetjes meer geslacht te worden. Hij is het volmaakte Lam van God.


Het feest van de ongezuurde broden (Matses, brood zonder zuurdeeg):

Dit feest herinnert aan de haastige vlucht van de Israëlieten uit Egypte tijdens de uittocht. Zuurdeeg was een stukje oud bedorven deeg dat door nieuw deeg gekneed werd om het te laten gisten en rijzen. Zonder zuurdeeg (beeld van de zonde) hoefde het brood niet te rijzen (Exodus 12:15-20; 13:3-10; Leviticus 23:6-8; Numeri 28:17-25; Deuteronomium 16:3-8).

Het ongezuurde brood is een typebeeld van Jezus - er was geen zonde in Hem en door Zijn offer nam Hij de zonde weg (Johannes 6:30-59):

1 Korinthiërs 5:7,8:

Gooi het oude zuurdeeg weg opdat jullie nieuw, ongezuurd deeg zijn. Want ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk de Gezalfde. Laten we dan feest vieren, niet met het oude zuurdeeg van kwaadaardigheid en slechtheid, maar met de ongezuurde broden van oprechtheid en waarheid.

In 1 Korinthiërs 11:24 benadrukt Paulus nog eens dat Jezus het ongezuurde paasbrood nam en dit betrok op Hemzelf.

...Neem, eet, dit is Mijn Lichaam dat voor jullie gebroken wordt...

Jezus vertelde waar de leerlingen het zuurdeeg moesten zoeken: bij de Farizeeën en bij Herodes (Mattheüs 16:6-12; Marcus 8:15; Lukas 12:1); mensen die anderen uitbuitten, manipuleerden en vervolgden. De Farizeeën waren alleen maar gefocust op de wet en de naleving ervan. Ze maakten het de mensen onmogelijk om die wet te houden door er van alles bij te verzinnen. Net als zuurdeeg een brood laat gisten en rijzen, maakt eigengerechtigheid mensen opgeblazen. Jezus maakte duidelijk dat er niets in Hem was wat zijn volgelingen in de Farizeeën zagen. Hij maakte hen vrij van de dwangmatige naleving van de wet. God heeft de mens vrijgemaakt van dat zuurdeeg. We mogen leven in Zijn genade en liefde. Door Jezus mogen we leven zonder in een godsdienstige kramp te komen. Alles wat goed was aan de wet zal God persoonlijk in ons binnenste openbaren, wat in het oogstfeest tot uitdrukking komt.

Het feest van de eerste vruchten (Bikkurim, Eerstelingen) :

Dit feest was ingesteld om de eerste vruchten van de gerstoogst op te dragen (Leviticus 23:9-14). Deze eerste vruchten vertegenwoordigden de hele oogst. Ze werden voor God heen en weer bewogen.

Het is vervuld in de opstanding van Jezus, samen met de eerste 'vruchten'. Hij was de eerste die opstond uit de dood en samen met Hem werden nog andere gestorvenen opgewekt die zich vertoonden in Jeruzalem (Mattheüs 27:52,53):

Na Zijn opstanding werden de graven geopend en vele lichamen van heiligen die gestorven waren werden opgewekt, waarop zij in de heilige stad aan velen verschenen.

1 Korinthiërs 15:20-23:

Maar nu is de Gezalfde opgewekt uit de dood en is Hij de Eersteling geworden van hen die gestorven zijn. Want zoals de dood door een mens is gekomen, zo is ook de opstanding van de doden door een Mens gekomen. Want zoals zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in de Gezalfde allen levend gemaakt worden. Maar in de juiste volgorde: de eersteling is de Gezalfde, daarna zij die van de Gezalfde zijn bij Zijn verschijning.

Bovenstaande is in dit boek al uitvoerig aan bod gekomen, maar nu in het licht van dit feest: Na de opstanding ging Jezus naar de hemel om voor God te verschijnen, wat een vervulling is van het presenteren van de eerste vruchten (Daniël 7:13, Marcus 16:19, Handelingen 1:9). Daarna konden ook andere mensen vanuit de dood in Gods aanwezigheid komen.


Het oogstfeest:

Het Wekenfeest (Sjavoeot, Pinksterfeest)

Dit feest was ingesteld om de eerste vruchten van de tarweoogst op te dragen. Het werd 50 dagen na de eerstelingen gevierd. Het herinnerde aan de Thora die na de uittocht uit Egypte aan Mozes werd gegeven op de berg Sinaï (Exodus 23:16; Leviticus 23:15-22; Numeri 28:26-31; Deuteronomium 16:9-12).

Het feest is door Jezus vervuld in de uitstorting van de Heilige Geest (Handelingen 2:1-4):

En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. En plotseling kwam er uit de hemel een geluid als een geweldige windvlaag die het hele huis waar zij zaten vervulde. En zij zagen vuurvlammen die zich over een ieder van hen verdeelden. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen in andere talen te spreken zoals de Geest het hun ingaf.

De vuurvlammen die zich verdeelden over de hoofden van de apostelen waren een teken dat de aanwezigheid van God die hen in de vuurkolom voorging tijdens de woestijnreis, nu op ieder individu rustte die zich aan Hem overgaf. In Romeinen 8:1-17 beschrijft Paulus welk effect de Heilige Geest op hun leven had, namelijk dat de oude wet van 'het vlees' vervangen werd door de wet van de Geest. En in Hebreeën 10:15-17 lezen we dit:

En de Heilige Geest betuigt in ons wat Hij van te voren gezegd had: “Dit is het verbond, dat Ik met hen maken zal na die dagen, zegt Jahweh: Ik zal Mijn wetten geven in hun harten, en Ik zal die inschrijven in hun gedachten. En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik geenszins meer gedenken.”

Jezus gaf Zijn Geest als vervanging van de wet die hen tot dan toe in een ijzeren greep had gehouden. De wet werd op het hart van de mensen geschreven. Door de Heilige Geest werden ze bevrijd van het uitvoeren van religieuze handelingen. Ze hoefden niet meer te proberen God te behagen. Hij had een behagen in hen, ondanks hun fouten. De Heilige Geest zou hen vanaf dat moment persoonlijk leiden, onderwijzen en corrigeren. Maar er waren nog veel Joodse broeders en zusters die gered en bevrijd moesten worden. Daarom kregen ze ook de kracht van de Geest om dit goede nieuws aan alle Israëlieten die in de wereld verstrooid waren te verkondigen (Handelingen 1:8):

Maar Jullie zullen kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over jullie zal komen; en jullie zullen Mijn getuigen zijn in Jeruzalem, in geheel Judea en Samaria en tot aan de uiteinden van de aarde.

Dit ging gepaard met wonderbaarlijke tekenen en wonderen die Jezus door hen heen deed. Net als in de tijd van 40 jaar die de Israëlieten in de woestijn doorbrachten na de uittocht uit Egypte. Zo gingen ze een periode van 40 jaar tegemoet waarin ze opnieuw een uittocht meemaakten. Ditmaal vanuit hun slavernij van de wet, naar de volledige vrijheid van de 'zonen van God' (Romeinen 8:19). Dit moest doorgaan totdat alle Israëlieten die het wilden horen ingegaan waren. Zo werd heel Israël gered: het getrouwe overblijfsel van de twee zuidelijke stammen en de verloren tien noordelijke stammen die verspreid waren onder de volken. God heeft elke ware Israëliet die afgehouwen was weer geënt op de goede Olijfboom door het geloof in hun Messias (Romeinen 10:18-19 en 11:23-29).

Het Pinksterfeest wordt ook wel het oogstfeest genoemd. Dit is de grote oogst waar Jezus over sprak (o.a. In Mattheüs 13:37-43 en in een aantal gelijkenissen), zoals we eerder in dit boek zagen. Deze oogst werd binnengehaald door de afgezanten die over de hele aarde uitgingen. In Johannes 12:24 zegt Jezus dat Hij als een graankorrel in de aarde zou vallen en sterven, maar daarna veel vrucht zou voortbrengen. Toen Hij de dood overwonnen had en naar de Vader gegaan was kon Hij de Heilige Geest aan iedereen geven, omdat Hij toen niet meer beperkt werd door ruimte en tijd (Johannes 16:7):

Doch Ik zeg u de waarheid: Het is goed voor u dat Ik wegga; want als Ik niet wegga kan de Trooster niet tot u komen; maar als Ik heenga kan Ik Hem tot u zenden.

De najaarsfeesten:

Na een periode van vier maanden werden de najaarsfeesten gevierd. Deze periode is vergelijkbaar met de veertig jaar tussen de hemelvaart van Jezus en Zijn verschijning in heerlijkheid, zoals uitgebreid in dit boek beschreven is.

Feest van de Bazuinen (Rosj Hasjana, het Joodse Nieuwjaar):

Tot inleiding en inwijding van de zevende maand als sabbatmaand, een maand van rust. (Leviticus 23:23-25; Numeri 10:10; 29:1-6). Dit feest was een oogstfeest en stond ook bekend als het feest van de inzameling; de hele oogst was binnengehaald. Daarnaast werd ook de intocht in het beloofde land herdacht. Het blazen van de bazuinen kan vergeleken worden met de eerste overwinning die het volk na 40 jaar in de woestijn behaalde bij het binnenvallen van Jericho. Toen de priesters op de bazuinen bliezen, vielen de muren en konden zij hun eerste overwinning boeken in het beloofde land.

Het vallen van een stad vol ongerechtigheid en goddeloosheid zien we weer aan het einde van de 40 jaar van herstel voor het volk van God (in de jaren 30-70 na Christus), waarna Jeruzalem viel. De stad die vernietigd zou worden omdat zij 'de profeten doodde en stenigde wie tot haar gezonden waren' (Mattheüs 23:37). Het blazen van de bazuinen vinden we ook weer in Openbaring 8-11, waar het een volledige vernietiging van het oude aankondigt en verlossing, vrede en rust voor de rechtvaardigen. Het was de afsluiting van het oude en het ingaan in de rust, waarin iedereen die op Hem vertrouwt voor eeuwig kan verblijven.

Als vervulling van de 'hele oogst' zien we de verzameling van het 'hele Israël' voor de bruiloft van het Lam (Mattheüs 24:29-31; Openbaring 19). Bij de laatste bazuin stonden ook de doden op uit het dodenrijk (zie 1 Korinthiërs 15:52 en 1 Thessalonicensen 4:16-18, verzen die ondertussen uitgebreid behandeld zijn). De dag van vergelding was geweest; er brak een nieuwe tijd aan, een jaar van welbehagen voor het Joodse volk. Allen die waren neergedaald in het dodenrijk, stonden op en gingen naar het eeuwige paradijs, waar Jezus een woning voor ze had klaargemaakt.

Mensen hoeven niet meer naar het dodenrijk wanneer ze sterven, want Jezus heeft de dood overwonnen en het dodenrijk vernietigd. Dit heeft Hij eens en voor altijd gedaan voor alle mensen op aarde door de hele geschiedenis heen. Ieder die de kenmerken van Zijn Koninkrijk (zoals gerechtigheid, vrede en liefde) zoekt, zal direct bij Hem zijn wanneer de 'aardse tent' (het lichaam) afgelegd wordt. (Lees 2 Korinthiërs 4:7-5:8, waar Paulus beschrijft dat het uiteindelijk beter is om dit lichaam te verlaten en bij God te zijn.)

De grote Verzoendag (Jom Kippoer) :

Dit was de jaarlijkse verzoening voor de zonden van de Israëlieten; de priester kwam uit het Heilige der Heiligen na het bloed op het verzoendeksel te hebben gesprenkeld (Leviticus 16:1-34; 23:26-32; Numeri 29:7-11). Op de grote Verzoendag moest het hele volk vasten. De dag werd ook wel gezien als een dag van oordeel (beslissing). Op die dag werd ook de 'zondebok' de woestijn in gestuurd. Deze droeg symbolisch de zonden van het volk weg. Een andere bok werd geslacht en geofferd voor hun zonden.

Jezus zei dat Zijn volgelingen zouden vasten wanneer Hij weg was (Lukas 5:35). Jezus ging als ultieme Hogepriester het hemelse Heilige der heiligen binnen om Zijn bloed op het geestelijke verzoendeksel te sprenkelen en kwam weer uit de hemel om definitief af te rekenen met de wet en totale verzoening in te luiden voor het hele, ware Israël. De zondebok ging de woestijn in en het volk was voor eeuwig vrij van de zonde. Zie Hebreeën 9 en 10, waar in vers 37 de verwachting wordt uitgesproken dat het toen heel spoedig zou gebeuren:

Want: Nog een zeer korte tijd en Hij, Die komen zal, zal komen en niet uitstellen.

Toen het oude Jeruzalem vernietigd en de aardse tempel afgebroken was, kon het Nieuwe Jeruzalem afdalen naar de aarde en kon Jezus Zijn werk eindelijk helemaal voltooien (Openbaring 21 en 22). Het nieuwe, hemelse Koninkrijk kon de aarde gaan vervullen.

Loofhuttenfeest (Soekot of “Feest van de Inzameling”):

Het zevende feest, gevierd in de zevende maand, duurde zeven dagen. Zeven was een beeld van volledigheid en hier komt dan ook alles tot voltooiing. De oogst is ten einde, het volk kan rusten en feest vieren. Dit feest is een herinnering aan de tijd dat de Israëlieten in de woestijn in hutten en tenten leefden onder Gods bescherming, geleid door een wolkkolom overdag en een vuurkolom in de nacht; ze kregen brood en vlees uit de hemel en dronken water uit 'de rots' (Exodus 23:16; Leviticus 23:33-43; Numeri 29:12-38; Deuteronomium 16:13-17; Nehemia 8:14-19; Zacharia 14:16-19). Het zou een altijd doorgaand feest zijn, een eeuwigdurende instelling.

Water was ook een belangrijk onderdeel van dit feest. Op de laatste dag van het loofhuttenfeest putte de priester met een gouden emmer water uit de put van Siloam en goot dit na een feestelijke optocht uit aan de voet van het brandoffer-altaar. Een duidelijk symbolisch gebaar, omdat er zonder water geen groei is en dus ook geen oogst.

De pelgrims die naar Jeruzalem trokken namen ook fakkels mee, die het hele tempelplein verlichtten, zodat het 's avonds tot in de wijde omtrek te zien was. De fakkels symboliseerden het zonlicht dat nodig is voor de groei van de gewassen.

De vervulling van het feit dat dit een eeuwigdurende instelling was, zien we hierin, dat niet alleen de Israëlieten werden verzameld, maar in Jezus mag iedereen wonen in het huis dat Hij voor ons gebouwd heeft. Het is altijd Gods bedoeling geweest om de hele aarde te zegenen door het nageslacht van Abraham. En uiteindelijk zal de hele aarde vol worden van de kennis van Jahweh, zoals het water de zeebodem bedekt (Jesaja 11:9).

De vervulling van het water werd door Jezus Zelf uitgeroepen. Op de laatste dag van het feest stond Jezus op en verkondigde dat ze het levend water vanaf dat moment bij Hem konden halen en dat stromen van levend (geestelijk) water uit hun binnenste zouden vloeien (Johannes 7:37-39):

En op de laatste dag, de grote dag van het feest, stond Jezus en riep: “Als iemand dorst heeft, kom dan bij Mij om te drinken. Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. (En dit zei Hij van de Geest die zij ontvangen zouden die in Hem geloofden...

En Jezus zei, waarschijnlijk wijzend op het licht van de fakkels (Johannes 8:12):

Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt zal niet in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.



Hij heeft dit alles volbracht, vervuld en voltooid.

Vind rust in Hem, laat het levend water stromen en leef in Zijn licht!


218