15. Het verbond dat voorbij ging

Jezus zei dat van de tempel geen steen op de andere gelaten zou worden op de dag van het oordeel (zie Mattheüs 24:3). Die tempel was voor de Joden het centrum van hun godsdienst. Jeruzalem was de plaats waar God aanbeden werd. Maar Jezus ging een scheiding aanbrengen tussen oud en nieuw. In de brief aan de Hebreeën lezen we het volgende (waarschijnlijk slechts enkele jaren voor de vernietiging van de tempel geschreven – Hebreeën 8:13):

Als Hij zegt: 'Een nieuw verbond', zo heeft Hij het eerste oud gemaakt; en wat nu oud en verouderd gemaakt is, is de verdwijning nabij.

Het eerste verbond, met als fysieke vertegenwoordiging de tempel en de verbondsstad Jeruzalem, stond op het punt te verdwijnen. Dat verbond was nog niet voorbij toen dit geschreven werd, maar er zou spoedig een einde aan komen (het was nabij). Uit dergelijke teksten in het Nieuwe Testament is het duidelijk dat er een overgangsperiode was. Een periode waarin de mensen die nog onder het oude verbond leefden, zich tot hun Middelaar konden keren voor verzoening met God (Hebreeën 9:15). opstanding en hemelvaart van Jezus waren nog niet het hele verhaal. Jezus had een aantal belangrijke profetieën vervuld, maar nog niet allemaal. Om het goede nieuws compleet te maken, moesten nog enkele profetieën vervuld worden: het voorbijgaan (de vernietiging) van het oude en de vestiging van nieuwe, het Koninkrijk van God. Jezus had het in zijn gelijkenissen ook vaak over die overgangsperiode.

Paulus schreef in Romeinen 13:11-12 het volgende over de verwachting waarin zij toen nog leefden:

En dit zeg ik, te meer omdat wij weten in welke tijd we leven, dat de tijd is aangebroken dat wij nu uit de slaap ontwaken; want de redding is nu dichterbij dan toen wij eerst tot geloof kwamen. De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken van de duisternis, en aandoen de wapenen van licht.

Hij geeft aan dat ze de opstanding uit de dood verwachtten. Dood werd wel vaker vergeleken met 'slaap'. De redding was nabij. Niet de redding die Jezus al aan het kruis had bewerkstelligd, maar de bevrijding van het oude 'lichaam van de dood' (Romeinen 7:24). Bijna de hele brief aan de Romeinen gaat over deze overgang:

Telkens weer benadrukte Paulus dat hij uitzag naar de verlossing van het oude: van de slavernij aan de wet die de zonde laat zien en veroordeelt, naar de volledige vrijheid van de 'zonen van God', het ontwaakte en herstelde Israël (Romeinen 8:19). De nacht was bijna voorbij, hij zag licht aan de horizon.

In Galaten 4:24-26 lezen we dit:

... want er zijn twee verbonden; het ene van de berg Sinaï, die tot slavernij leidt... en komt overeen met het Jeruzalem dat nu is... Maar het Jeruzalem dat boven is, dat is vrij en is de moeder van ons allen.

Het Jeruzalem dat er toen was zou er niet lang meer zijn. Het al dan niet verstrooide Israël keek uit naar een nieuw, hemels Jeruzalem, vrij van de banden van het oude. En daarin zien we het doel van de vernietiging: afrekenen met het oude verbond. God heeft dat oude verbond overigens nooit gewild. Het volk vroeg er zelf om toen ze bij de berg Sinaï stonden na hun bevrijding uit de slavernij in Egypte, zo lezen we in het boek Exodus (vanaf hoofdstuk 19). Ze wilden liever een verbond met regels en wetten, zoals ze dat bij de volken om hen heen zagen en gewend waren. Een verbond waarbij beide partijen zich aan een reeks voorwaarden moesten houden. Een overeenkomst, een akkoord, een verdrag, waarbij de mens zélf moest kiezen op basis van een lijst met regels. En als één van die regels overtreden werd, dan was er straf en vergelding, wat alleen maar goedgemaakt kon worden met een offer. Dat is in feite waar Adam en Eva voor kozen: de kennis van goed en kwaad, met een ernstige les: probeer het nooit op een akkoordje te gooien met God!

God wilde dat Zijn volk voor Hem een koninkrijk van priesters zou zijn (Exodus 19:6); mensen die rechtvaardig regeren op aarde en voor anderen op de bres staan. Mensen die rechtstreeks met God konden communiceren en leven vanuit een open relatie met Hem. Ze wilden echter niet dat God direct tot hen zou spreken, maar dat Mozes en aangestelde oudsten, priesters en koningen hen zouden vertellen wat ze moesten doen. God moest maar door leiders, regels en wetten spreken, niet rechtstreeks; dat vonden ze eng. Ze vertrouwden de God van Mozes eigenlijk niet. Hij had ze wel uit Egypte geleid, maar voor de rest moest hij zich nog bewijzen. Ze waren zo ver afgedwaald van de God van hun voorouders Abraham, Izaäk en Jakob, dat ze beefden van angst bij het idee dat Hij rechtstreeks tot hen zou spreken. Ten diepste durfden en wilden ze de verantwoordelijkheid niet aan om samen met Hem te regeren, om een volk van koningen en priesters te zijn voor de rest van de wereld. Ze hadden nog te veel een slavenmentaliteit. Uiteindelijk was het Jezus die het verlangen van God waar kon maken om een bestuurlijk lichaam, een volk van koningen en priesters voort te brengen (zie 1 Petrus 2:9):

Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zou verkondigen de uitmuntendheid van Hem, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.

Gods verlangen is altijd geweest om bij en in mensen te wonen en sámen te regeren. Dat was al zo in het begin, toen Adam en Eva in de tuin woonden. Daar was er al die keuze: ze konden leven vanuit een systeem van regels en wetten (dat was de boom van kennis van goed en kwaad) óf ze konden eten van de boom van leven en samen met God, als partners, heersen over de aarde. Ze kozen er uiteindelijk voor om het zélf te gaan doen en te oordelen naar hun eigen inzicht. Ze wilden het leven op aarde onafhankelijk van hun Maker zelfstandig invullen. Maar dat had wel consequenties. Als ze waren blijven leven in afhankelijkheid van hun Schepper en Vader, dan had Hij ze liefdevol kunnen leiden en leren hoe ze moesten leven. Maar ze kozen voor regels en dwongen God in de positie van oordelende Rechter. Mensen kunnen vanuit zichzelf echter nooit voldoen aan de volmaakte maatstaven van hun Schepper. Dit was in wezen de introductie van religie: een mens die probeert te voldoen aan deels zelf opgelegde morele wetten. En we weten ondertussen hoeveel ellende dat heeft voortgebracht. De eerste moord werd al gepleegd door één van hun zoons, Kaïn, die zijn broer Abel haatte omdat God het offer van Abel wél accepteerde en dat van hem niet (zie Genesis 4:4-8). De eerste afrekening vanwege een religieus dispuut.

De Israëlieten kozen later in feite voor hetzelfde, toen ze bij de berg Sinaï stonden en Gods aanbod van persoonlijke relatie afwezen. In Exodus 19:6 en 11 zei God dat hij hen allemaal koningen en priesters wilde maken en rechtstreeks tot hen allemaal wilde spreken. Daarna gaf God de 'tien geboden' hoorbaar door. Maar in 20:18 en 19 zien we dat ze bang werden, afstand namen en aan Mozes vroegen om namens God tot hen te spreken. In vers 20 zien we dat Mozes nog probeerde ze over te halen, maar ze bleven afstand houden. Ze leefden nog in de slavenmentaliteit die ze hadden opgedaan in Egypte. Ze hadden toen al de status van zonen van God kunnen krijgen, maar als we verder lezen in de Bijbel, zien we dat dit uiteindelijk pas lukte toen Jezus kwam. Hij was in staat om Zijn volk in een persoonlijke relatie met God te brengen en tot de status van 'het zoonschap' te verheffen. Dit wordt ook wel het 'nieuwe verbond' of 'het nieuwe testament' genoemd.

Het oude verbond (testament) hing aan elkaar van voorwaarden en regels. Als men zich daar niet aan hield moest men de consequenties dragen. Leven en dood hingen af van de mate waarin zij in staat waren om zich aan die regels te houden (Deuteronomium 30:16-18):

Want ik gebied u heden, Jahweh uw God lief te hebben, in Zijn wegen te wandelen en Zijn geboden te houden en Zijn inzettingen en Zijn rechten, opdat u zult leven en vermenigvuldigen en Jahweh uw God u zegent in het land waar u naar toe gaat, om dat te erven. Maar indien uw hart zich zal afwenden en u niet horen zult en u gedreven zult worden dat u zich voor andere goden buigt en die dient; Zo verkondig ik u heden, dat u voorzeker zult omkomen; u zult de dagen niet verlengen op het land waar u over de Jordaan naar toe gaat, om daarin te komen, dat u het erfelijk bezit.

Niet alleen het volk droeg die consequenties, maar ook God Zelf werd door de keuze van het volk gedwongen om dit voorwaardelijke, tweezijdige akkoord na te leven. Hij moest straffen uit gaan delen. Volledig tegen Zijn liefdevolle Vaderhart in, moest Hij met Zijn volk handelen zoals de goden van de omringende volken dat deden. Toch zie je in de hele wet Zijn genade en vergeving doorschemeren. In de wet waren overal clausules opgenomen, die een voordeel opleverden voor de armen en de onderdrukten. En als de wet (die op zich perfect was) nauwgezet werd nageleefd, zou het goed gaan met het volk. Helaas is het voor de mens (die niet perfect is) niet mogelijk om zich volledig aan de volmaakte wetten van God te houden. Dat zien we steeds weer in de geschiedenis van Israël. God wilde daarom al vanaf het eerste begin een éénzijdig verbond afsluiten, waarbij alles van Hém uitgaat. Het werd een meerjarenplan met als doel: een nieuw en blijvend verbond, een liefdesrelatie.

VOLGENDE >

NAAR INDEX

240