16. Een nieuw verbond

Het oude verbond, een verdrag dat leidde tot geweld en bloedvergieten, kon maar op één manier worden ontbonden: door gelijkwaardige tegenactie. “Oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet...” (Exodus 21:24). Voor elke misstap was een bijpassende straf en dáárvoor kwam Jezus: de enige Jood in de geschiedenis die volledig gevuld was met de Geest van God en totaal zonder zonde leefde. Wat Adam wilde bereiken door te eten van de boom van kennis, maar waarin hij hopeloos faalde, lukte Jezus wel. Hij was in wezen aan God gelijk, volledig vervuld met de Geest van God, waardoor God als het ware binnen Zijn eigen wezen, op Zijn eigen niveau, een volmaakt verbond kon sluiten. Dit verbond voldeed zowél aan de keuze van de Israëlieten (om onder de wet te leven) áls aan die van God Zelf (Die volledige gehoorzaamheid aan die wet eiste). In Jezus werd de wet helemaal vervuld, zoals Hij Zelf zei in Mattheüs 5:17:

Denk niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen.

Hij bracht het volmaakte en laatste offer. Met dat éne offer was in één keer aan alle eisen van de wet voldaan in die éne volmaakte Mens. God kon als het ware met Zijn eigen bloed Zijn hele volk vrijkopen, zodat niemand ooit meer bij Hem in het krijt zou staan. Iedereen was in één klap vergeven en met God verzoend. Hij sloot een eeuwig verbond met Zichzelf, door in die éne volmaakte Mens Zelf de keuze te maken. Toen was er nog maar één voorwaarde om bij Hem te mogen horen en met Hem te leven: het accepteren van Zijn offer (Romeinen 10:4):

Want de Gezalfde is het einde van de wet, waardoor iedereen die gelooft (vertrouwt op Hem) gerechtvaardigd wordt.

Een onvoorwaardelijk en onherroepelijk, eenzijdig aanbod. Er was voor de Joden, het volk dat leefde onder de wet, nu geen veroordeling meer dóór die wet. Hoeveel temeer voor ons, die nooit onder die wet geleefd hebben. Onze acceptatie is niet afhankelijk van onze goedheid of inspanningen. Het is allemaal Gods genade en daar kunnen wij niets aan toevoegen. Je hoeft zelfs niet te proberen om je naaste lief te hebben als jezelf – wat volgens Jezus de opsomming van de wet was (Lukas 10:27). We kunnen mensen liefhebben zoals HIJ ze liefheeft, door Zijn kracht. De Israëlieten werden in Jezus volmaakt en zo werden zij een voorbeeld voor ons (Efeziërs 2:4-6:)

Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met de Gezalfde; (door genade bent u gered), En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede geplaatst in de hemel in de Gezalfde Jezus;

Wij mogen gewoon genieten van wie God is en leven vanuit Zijn liefde. De tijd van wet en oordeel is voorbij. Echter, toen Jezus eenmaal het nieuwe verbond had gesloten – rechtstreeks met de Vader, zonder tussenkomst van mensen, maar als volmaakte Mensenzoon – moest er nog wel afgerekend worden met het oude systeem. En dat ging gepaard met veel weerstand en strijd, omdat er nog velen waren die het oude met hand en tand verdedigden. Door krampachtig vast te houden aan het fysieke Jeruzalem met de zichtbare, tastbare tempel, haalden de religieuze Joden het oordeel over zich, met alle ellende van dien. Degenen die het Koninkrijk in al zijn kracht verwachtten, zagen in hoop en verlangen uit naar een nieuw begin. In Zijn grote liefde heeft hij hun nieuw leven gegeven. Met hun Verlosser waren ze overgegaan van geestelijk dood, naar geestelijk leven. De Joden verwachtten een messias die hen zou verlossen van hun onderdrukkers (op dat moment waren dat de Romeinen), om vervolgens een fysiek koninkrijk te vestigen. Maar Jezus zei iets anders (Johannes 18:36):

Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; als mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; maar nu is mijn Koninkrijk niet van hier.

Jezus maakte duidelijk dat Zijn Koninkrijk niet van 'deze wereld' was (de 'kosmos', de zichtbare, tastbare orde, formatie van wetten en regels), maar van de hemel (geestelijk en ontastbaar).

In Maleachi 3:1-2 staat het volgende:

Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal; plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die u zoekt, namelijk de Afgezant van het verbond, die u begeert. Zie, Hij komt, zegt de Heer van de Heerscharen. Doch wie kan de dag van zijn komst verdragen, en wie zal bestaan als Hij verschijnt, want Hij zal zijn als het vuur van de smid en als het loog van de bleker.

Enerzijds klinkt dit dreigend, want Maleachi vraagt zich af wie zal kunnen standhouden als Hij verschijnt met vuur. Maar er zit ook verwachting in: “de Afgezant van het verbond, die u begeert”. Dit gedeelte wordt aangehaald in Mattheüs 11:10, Markus 1:2,3 en Lukas 1:76. Johannes de doper wordt geïdentificeerd als deze afgezant en uiteraard is Jezus de Heer die naar Zijn tempel komt. Jezus noemt Johannes de Elia waar Maleachi in 4:5 over spreekt (Mattheüs 11:14). Johannes wilde zelf geen Elia genoemd worden (Johannes 1:21), maar hij trad wel op in de geest en de kracht van Elia (Lukas 1:17), om de kinderen van Israël weer tot God te laten keren en tot herstel te brengen. Het komt naast deze voorbeelden wel vaker voor dat een profetie die een letterlijke vervulling lijkt te moeten krijgen, in het Nieuwe Testament vervuld wordt in een persoon zoals in Johannes, in Jezus, of in een groep personen: de ekklesia, het 'lichaam van Jezus', het ware Israël.

Maleachi 3 gaat nog even door met het schilderen van een contrast tussen de slechte en de goede mensen, tussen hen die God wel dienen en hen die God niet dienen. Dan volgt in hoofdstuk 4 vers 1 en 2 iets dat zo uit de mond van Jezus had kunnen komen:

Want zie, die dag komt, brandende als een oven. Dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de komende dag zal ze in vlam zetten, zegt de Heer der heerscharen, Die van hen noch wortel, noch tak zal overlaten. Voor u, daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon van gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en u zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren.

Een prachtige belofte voor de trouwe Joden, die naar de verlosser uitkeken en Hem met open armen ontvingen. Maar degenen die Hem afwezen, hadden niet zo'n mooi vooruitzicht. God geeft te midden van dit soort profetische boodschappen van oordeel altijd de mogelijkheid tot uitkomst. Zo lezen we in Jesaja 10:22:

Want ofschoon uw volk, o Israël, is gelijk het zand van de zee, zo zal een overblijfsel daarvan wederkeren; de verdelging is vast besloten, overvloeiende met gerechtigheid.

Volgens Jesaja was het volk Israël, zoals beloofd aan Abraham, gelijk geworden aan het zand van de zee. Toch zou er maar een gedeelte overblijven. Paulus benadrukt dit in Romeinen 9, 10 en 11, waar hij beschrijft wie tot het 'ware' Israël behoorden. Dat waren degenen die op God vertrouwden, niet de mensen die hun afstamming konden herleiden tot Abraham, Izaäk en Jacob. In Romeinen 9:22-29 definieert Paulus dat overblijfsel dat niet vernietigd zal worden, namelijk de dragers van Gods genade, vanuit de Joden en vanuit de volken. Dit versterkt hij door drie profetieën aan te halen die gaan over verstrooiing van Israël onder de volken. Slechts een gedeelte, een overblijfsel van de toenmalige Joden waren echte Israëlieten (vers 27). Om te voorkomen dat er een haat tegen etnische Joden zou ontstaan, benadrukt hij dat God Zijn volk niet verstoten heeft (Romeinen 11:25-26):

Want ik wil niet, broeders, dat jullie dit verborgene onbekend is (opdat jullie niet wijs zullen zijn in eigen ogen), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de volken ingegaan zal zijn. En op deze manier zal geheel Israël gered worden, zoals geschreven is: “De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden van Jakob (Israël) afwenden.”

Paulus haalt hier Jesaja 59:20 aan (in de letterlijke bewoordingen van de Septuagint, de Griekse vertaling van de Torah; in het Hebreeuws is deze zin namelijk anders). Heel Israël zou dus gered worden door het proces van gedeeltelijke verharding, totdat alle trouwe Israëlieten uit de volken gevist waren. Zo zou heel Israël gered worden, niet alleen de mensen die vonden dat ze God al dienden en vervolgens hun Messias aannamen, maar ook de verdwaalde schapen onder de volken. De mensen die vervreemd waren van hun God; de 'verloren zonen'. Paulus hoopte dat degenen die hun Messias nog niet wilden aannemen uiteindelijk jaloers zouden worden als ze zagen dat God genadig was voor die afvalligen, die weglopers (Romeinen 10). Hoofdstuk 10 van Romeinen is overigens een gedeelte dat je niet in een bijbel moet lezen waarin de vertalers hebben geprobeerd het op een populaire manier 'duidelijk te maken' voor de lezer. Je ziet juist dan grote misverstanden ontstaan. Paulus maakt in dit hoofdstuk bijvoorbeeld onderscheid tussen 'de Jood' en 'de Griek'. Ga je dat vertalen met 'Joden en andere mensen' (basisbijbel.nl), dan krijg je de indruk dat ieder ander mens op aarde deel kon hebben aan de vrijspraak van schuld als gevolg van de overtreding van de wet. Maar Paulus spreekt in de drie hoofdstukken 9, 10 en 11 over zijn broeders, zijn volksgenoten (letterlijk 'van dezelfde afkomst'). De 'Griek' in hoofdstuk 10 moet er dan één van diezelfde afkomst zijn, anders slaat die uitspraak nergens op. Joden waren erg afkerig van de volksgenoten die gedurende de eeuwen voorafgaand aan die tijd waren afgedwaald en zich vermengd hadden met de omringende volken. Wat hen betreft waren ze gelijk aan die volken en hadden ze geen deel meer aan de beloften van God voor Israël. God had Paulus echter iets anders laten zien. Er zou geen onderscheid meer zijn tussen 'Jood' en 'Griek'. God had ze allemaal geaccepteerd. Daarom haalt Paulus in hoofdstuk 9:25 Hosea 2 aan, die sprak over het weer aannemen van de afgedwaalde kinderen van Israël. Dat was het goede nieuws dat Paulus mocht brengen en in die context staat het woord 'Griek'.

God zou alle trouwe Israëlieten aannemen – Paulus noemt ze elders de 'eerstelingen', wat verwijst naar de eerste opbrengst van de oogst – die we ook weer in Openbaring tegenkomen – en daarna met hen ook de andere gelovige Israëlieten uit de volken, die als 'wilde olijftakken' geënt worden op de olijfboom (Israël). Zo werd volgens Paulus heel Israël behouden: de hele 'olijfboom' (een beeld van Israël), de twee stammen die in het land waren gebleven (ook wel 'Juda' genoemd) en de tien stammen die verstrooid waren onder de volken (ook wel 'Efraïm' genoemd). In Handelingen 26 lezen we het verhaal van Paulus die voor koning Agrippa moet verschijnen, waar hij ook benadrukt dat de belofte van God voor alle twaalf stammen gold.

De hogepriester had er al over geprofeteerd toen ze in beraad gingen over het lot van die 'wonderdoener' (in Johannes 11:47-52):

De leiders van de priesters en de Farizeeën riepen de raad bijeen en zeiden: Wat zullen wij doen? want deze man doet veel wonderen. Als wij Hem zijn gang laten gaan, zullen ze allemaal in Hem geloven. Dan komen de Romeinen en nemen ons onze positie en ons volk af. En een van hen, Kajafas, die dat jaar hogepriester was, zei tegen hen: "Jullie begrijpen het niet en bedenken niet dat dit gunstig voor jullie kan uitpakken; dat één man sterft voor het volk en niet het hele volk ten onder gaat." Hij zei dit niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij dat Jezus zou sterven zou voor het volk. En niet alleen voor dat volk, maar dat Hij ook de kinderen van God die verstrooid waren bijeen zou brengen.

Jezus kwam voor de getrouwen uit Zijn volk. Niet alleen het volk in het land, maar ook onder de andere volken. Petrus schreef aan die 'vreemdelingen' die verspreid waren in het buitenland, toen hij het volgende zei (1 Petrus 1:3-7):

Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus de Gezalfde, Die ons naar Zijn grote barmhartigheid wedergeboren heeft doen worden tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus de Gezalfde uit de dood. Tot een onvergankelijke, en ongeschonden, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u. Die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de redding, die bereid is om geopenbaard te worden in de laatste tijd. Hierin verheugt u zich, al wordt u nu een korte tijd (zo het nodig is) bedroefd door vele verzoekingen; Opdat de beproeving van uw geloof, die veel kostbaarder is dan goud, dat vergaat, maar door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, eer en heerlijkheid, bij de openbaring van Jezus de Gezalfde...

Ze hoorden er helemaal bij. Ze gingen 'door het vuur heen', maar zouden er gelouterd uit komen. Deze mensen waren ooit geboren uit Abraham, Izaäk en Jakob (later Israël genoemd), maar ze vervielen in afgoderij en werden verstrooid; ze werden zelfs beschouwd als gelijk aan de vreemde volken. Maar Gods plan was om ze een wedergeboorte te geven en Israël te herstellen. God wilde alle kinderen van Israël weer bij elkaar hebben en dat is precies waarvoor Jezus kwam. Hij handelde het oude contract af, door elke schuld volledig af te betalen en sloot voor hen een nieuw verbond met God.

VOLGENDE >

NAAR INDEX

240