19. Daniël en de berg

Daniël was een Jood die in ballingschap naar Babylonië was gevoerd door Nebukadnezar II, in de tijd dat Jojakim koning was van Juda, ongeveer 600 voor Christus. Daniël kwam in de gunst bij Nebukadnezar doordat hij een droom voor hem uitlegde. De koning droomde over een groot beeld, opgebouwd uit verschillende metalen en klei. Het stelde opeenvolgende wereldrijken voor, die uiteindelijk allemaal voorbij zouden gaan, waarop het Koninkrijk van God al die rijken zou overtreffen. De koning wilde de droom aan niemand vertellen, maar Daniël kon niet alleen de droom herhalen; hij legde ook nog eens de betekenis uit.

In de droom zag de koning het grote beeld met een hoofd van goud, borst en armen van zilver, buik en lendenen van koper, benen van ijzer en voeten van deels ijzer en deels klei (Daniël 2:32).

Daniël legde uit dat het hoofd van het beeld de huidige koning Nebukadnezar van het Babylonische rijk voorstelde, gevolgd door het bovenlijf met armen van zilver, dat zouden de Meden (met koning Darius) en Perzen (met koning Cyrus) worden. Het koperen middel stelde het volgende rijk voor, de Grieken (onder Alexander de Grote). En de ijzeren benen waren het daaropvolgende rijk: de Romeinen. De tien tenen waren tien koningen van dat rijk, wat verder uitgelegd wordt in een latere profetie van Daniël. Ondertussen was dat Romeinse rijk verdeeld en vermengd met klei, dat was voor de Israëlieten een beeld is van gewone mensen. God maakte de eerste mens, Adam, uit klei - de elementen van de aarde - maar klei was ook een beeld van Israël als volk. Zie Jesaja 64:8:

...U bent onze Vader; wij zijn klei, en U bent onze pottenbakker, en wij zijn het werk van Uw handen

Het Romeinse rijk was inderdaad vermengd met de volken in de bezette gebieden (waaronder Israël), die ook nog een eigen bestuur hadden. In de tijd van die tien koningen zou volgens de droom een 'steen', die niet was gevormd door mensenhanden, het beeld omstoten en verbrijzelen. Daarna zou die steen groeien en een berg worden, die de hele aarde zou vullen. Met deze steen wordt het Koninkrijk van God bedoeld, dat de hele aarde zou vullen en dat eeuwig zou blijven bestaan. Dat is in het kort wat we in Daniël hoofdstuk 2 lezen. Jezus haalde enkele keren verzen uit Daniël aan, zoals ik later zal laten zien. Daarmee bevestigde Hij dat deze profetieën over Hem en Zijn tijd gingen. Jezus gebruikte namelijk de begrippen 'mensenzoon' (uit Daniël 7:13) en de 'verwoestende gruwel' (uit Daniël 9:27, 11:31 en 12:11). Hij sprak in Zijn gelijkenissen ook over het Koninkrijk dat geleidelijk aan groter zou worden (zie het hoofdstuk over de gelijkenissen), net als de berg in de droom van Nebukadnezar. Jezus maakte ook duidelijk dat Zijn Koninkrijk niet een politiek systeem zou worden, maar iets dat van binnenuit, in de harten van mensen zou groeien.

Over de identiteit van de tien koningen wordt gediscussieerd, omdat er meerdere mogelijkheden zijn. De eerste optie is dat het gaat over 7 Romeinse koningen (toen het Romeinse rijk nog een koninkrijk was), gevolgd door 3 keizers. Het rijk was tijdelijk een republiek, toen waren er geen koningen, maar daarna kwam Julius Caesar gevolgd door de keizers Augustus en toen Tiberius. Dat zijn in totaal tien heersers tot aan Jezus, want Hij begon met de verkondiging van het Koninkrijk onder het bewind van Tiberius (zie Lukas 3:1).

De tien 'tenen' kunnen ook de eerste tien heersers van het keizerrijk zijn: Julius Caesar, Augustus, Tiberius, Gaius, Claudius, Nero, Galba, Otho, Vitellius en Vespasianus. Al was Julius officieel geen keizer, hij was wel de eerste heerser van het keizerrijk. Onder Vespasianus, in het jaar 70, viel uiteindelijk Jeruzalem, wat een vervulling is van de belangrijkste profetieën van Jezus over de Joodse 'eindtijd'. Vespasianus is vooral een interessante kandidaat voor de tiende heerser, omdat onder zijn bewind de profetieën van Daniël definitief tot een einde kwamen. Er zijn daarna weliswaar nog meer keizers geweest, maar onder Vespasianus kwam voor de Joden het einde van het oude tempelsysteem en daarmee het begin van het geestelijke Koninkrijk van God, volgens de profetie. Dit vind ik zelf de meest voor de hand liggende verklaring.

Een derde mogelijkheid die door sommigen genoemd wordt is de verdeling van het Romeinse rijk in 10 provincies, elk geleid door een koning. Hier heb ik verder geen goede verwijzingen voor kunnen vinden. Hoe de tien heersers ook geïnterpreteerd moeten worden, dat het Koninkrijk zou worden gevestigd tijdens het Romeinse rijk en dat uiterlijk tijdens het bewind van Vespasianus het einde van het Joodse religieuze systeem kwam, is duidelijk. Een definitiever einde dan totale vernietiging kun je mijns inziens ook niet bedenken. Dus wat er daarna nog aan keizers kwam is niet van belang voor het visioen, want het Koninkrijk van God zou vanaf die tijd steeds groter worden en langzaam alles overnemen. Tevens wordt de tijd van het einde bevestigd door de tijdsrekening die we vinden in Daniël 9, zoals we verderop zullen zien.

Door het hele Nieuwe Testament heen zien we dat dit geestelijke, innerlijke Koninkrijk veel meer kracht en waarde heeft dan alle aardse Koninkrijken bij elkaar. En zoals het er nu uitziet is dat al bijna 2000 jaar bezig.

In hoofdstuk 7 beschrijft Daniël weer een visioen. Ditmaal met vier dieren die opstijgen uit de zee, wat in profetische taal betekent dat er vier machten opstaan uit de zee van volken. Het gaat hier in wezen om dezelfde vier rijken als in hoofdstuk 2, eindigend met een dier met tien horens; vergelijkbaar met de tien tenen van het beeld. Een interessante toevoeging is deze zin (Daniël 7:8):

Terwijl ik op die horens lette, zie, daartussen verhief zich een andere kleine horen, en drie van de vorige horens werden daarvoor uitgerukt; en zie, in die horen waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.

Dit heeft mogelijk betrekking op keizer Nero, omdat de drie keizers voor hem werden vermoord om de weg voor hem vrij te maken. Een andere interpretatie is dat dit gaat om Antiochus IV Epiphanes, die inderdaad behoorlijk tekeer ging tegen God en Israël. Hij kwam aan de macht van 175 tot 164 voor Christus en kwam daarmee tussen de zeven koningen en de drie eerste keizers in te staan. Wederom maakt het niet veel uit welke interpretatie de juiste is, want dit gedeelte wordt direct gevolgd door een uitgebreide beschrijving van de komst van Gods Koninkrijk met de opstanding van de doden (het geestelijk herstel van Israël). Hieruit kunnen we concluderen dat dit alles in die periode van Romeinse heersers geplaatst moet worden.

VOLGENDE >

NAAR INDEX

10