2. Consistent Bijbellezen

Dit boek gaat over de vraag wat Jezus kwam doen. Het antwoord kan kort zijn: Hij kwam om Zijn Koninkrijk te vestigen en een einde te maken aan zonde en dood. We moeten echter wel beseffen dat dit in een context van een 2000 jaar oude cultuur staat. Het is lastig om ons voor te stellen hoe lang 2000 jaar is. We kunnen ons al haast niet meer voorstellen hoe het 200 jaar geleden in Nederland was, laat staan hoe het moet hebben gevoeld om een Jood te zijn in de eerste eeuw van onze jaartelling. Laat mij trachten de toon te zetten aan de hand van een aantal teksten uit de Bijbel.

De teksten die ik aanhaal komen gedeeltelijk uit de Statenvertaling, die ik heb gemoderniseerd om ze beter leesbaar te maken. Ik heb het Grieks er naast gelegd om daar waar nodig een eigen vertaling te geven. Ik heb daarbij de methode gehanteerd van 'vrije vertaling', om het meer te laten overkomen als gesproken tekst.

Jezus kwam naar Zijn eigen volk, Israël. De afgezant die in een droom aan Jozef, met betrekking tot zijn aanstaande vrouw Maria zei (Mattheüs 1:21):

En zij zal een Zoon baren, en u zult Hem de naam JEZUS geven; want Hij zal Zijn volk verlossen van hun zonden.

Petrus zei in Handelingen 5:31:

Deze [Jezus] heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en redder, om Israël bekering en vergeving van zonden te brengen.

Dit volk, de Israëlieten, werden in hun Tenach (ons 'oude testament') regelmatig vergeleken met verstrooide schapen (zie bijvoorbeeld Jeremia 23:1):

Wee de herders die de schapen van Mijn weide ombrengen en verstrooien! zegt Jahweh.

En Jeremia 50:6:

...Mijn volk waren verloren schapen,...

Jesaja 43:6:

Wij dwaalden allemaal als schapen...

God zegt in Ezechiël 34:6:

Mijn schapen dolen op alle bergen en op alle hoge heuvels. Ja, Mijn schapen zijn verstrooid over de hele aardbodem en er is niemand die er naar vraagt en niemand die ze zoekt.

Maar God zou ze ook weer gaan opzoeken (Ezechiël 34:11):

Want zo zegt de Heer Jahweh: Zie, Ik, ja Ik, zal naar Mijn schapen vragen en zal ze opzoeken.

En Jeremia 23:3:

En Ik zal het overblijfsel van Mijn schapen Zelf vergaderen uit alle landen waarheen Ik ze verdreven heb...

God zou de verloren schapen van Israël verzamelen vanuit alle windrichtingen. Bijvoorbeeld in Jesaja 11:12:

En Hij zal een banier oprichten onder de volken en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooiden uit Juda vergaderen van de vier einden van de aarde.

En in Jesaja 60:4:

Hef uw ogen op en kijk om u heen, ze zijn allen vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, ...

Jeremia 31:10:

Hoor het woord van Jahweh, u volken! en verkondig op verre eilanden en zeg: Hij, Die Israël verstrooid heeft, zal hem weer vergaderen en hem bewaren als een herder zijn kudde.

In het licht van het bovenstaande kunnen wij wellicht de uitspraak van Jezus in Mattheüs 15:24 beter begrijpen:

Maar Hij antwoordde: Ik ben niet [tot iemand anders] gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis van Israël.

Jezus vertolkte het hart van God. Hij vertelde ook de prachtige gelijkenis van het verloren schaap, die iedereen met een beetje christelijke achtergrond wel kent (Mattheüs 18 en Lukas 15). Hij zou tot het uiterste gaan om elk schaap te zoeken (zie ook Mattheüs 24:31):

En Hij zal Zijn afgezanten uitzenden met groot bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen verzamelen vanuit de vier windstreken, van het ene uiterste onder de hemel tot het andere uiterste.

Jezus maakte Zijn leerlingen 'vissers van mensen' (Mattheüs 4:19). De vergelijking haalde Hij mogelijk uit Jeremia 16:16, waar staat dat Jahweh vissers zou sturen die de verdreven Israëlieten zouden terughalen.

In Lukas 13:28-29 zegt Jezus dat ze van het oosten, het westen, het noorden en het zuiden zullen komen om deel te nemen aan het Koninkrijk van God, met Abraham, Izaäk, Jakob en alle profeten. Dat het om het vinden van de kinderen van Abraham ging, blijkt wel uit meer teksten, zoals de bekering van Zacheüs in Lukas 19:9,10:

Jezus zei: Vandaag heeft in dit huis redding plaatsgevonden, omdat ook hij een zoon van Abraham is. Want de Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.

Natuurlijk kent ook iedereen het verhaal van de verloren zoon. Die gelijkenis is overduidelijk gericht tot de achtergebleven zoon (de mensen in Juda en met name de Joodse leiders). Zij keken met grote minachting neer op de Israëlieten die het veilige huis hadden verlaten, zich met de goddeloze volken hadden vermengd en hun erfenis hadden verspeeld. Maar God zou ze herstellen.

Heel lang was Israël geleid door slechte herders en velen waren verstrooid onder de volken, maar Jezus kwam om hen te zoeken, net zoals God in de Tenach had gezegd naar de schapen te gaan zoeken. Niet alleen de overgebleven stammen (Juda en Benjamin) in het land waar Hij op dat moment rondliep, maar ook de tien andere stammen, die ver weg waren (Johannes 10:14-16):

Ik ben de goede Herder en Ik ken de Mijnen en wordt door de Mijnen gekend. Zoals de Vader Mij kent, zo ken Ik ook de Vader en Ik zet Mijn leven in voor de schapen. Ik heb nog andere schapen, die niet van dit erf zijn; deze moet Ik ook leiden. En zij zullen Mijn stem horen en het zal één kudde met één Herder zijn.

De hogepriester van het jaar dat Jezus gekruisigd werd, zei ook iets opmerkelijks (Johannes 11:51-52):

... hij profeteerde dat Jezus zou sterven voor het volk. En niet alleen voor dat volk, maar ook dat Hij de kinderen van God die verstrooid waren bijeen zou brengen.

We zien Paulus iets dergelijks schrijven aan de Efeziërs (2:11-17):

... eens de volken in het vlees... onbesnedenen genoemd... vervreemd van het burgerschap van Israël... Maar nu zijn jullie die eens ver weg waren, in de Gezalfde Jezus en door Zijn bloed, dichtbij gekomen. Want Hij is onze vrede. Hij Die de twee tot één heeft gemaakt en de scheidingsmuur die ertussen stond heeft ontbonden. Door Zijn vlees heeft Hij de vijandschap teniet gedaan, [namelijk die van] de wet van geboden en regels; zodat Hij de twee in Zichzelf tot één nieuw mens zou maken en vrede zou bewerkstelligen. Om beiden in één lichaam te verzoenen met God, door het kruis, waar Hij de vijandschap doodde. En Hij kwam en heeft door het evangelie vrede verkondigd aan jullie die ver weg waren en aan hen die dichtbij waren.

Een zeer essentieel gegeven, dat steeds weer terugkomt in de brieven van de apostelen. Verzoening met God en het bij elkaar brengen van al Zijn kinderen.

We zien vaak het woord 'heidenen' in Nederlandstalige bijbels. Dat is een vertaling van het Joodse woord 'gojim' en het Griekse woord 'ethné' dat 'volken' of 'naties' betekent, meer niet. Er kan verwarring ontstaan, omdat het woord 'heiden' de betekenis van 'niet-gelovigen' heeft gekregen. In mijn vertalingen gebruik ik dan ook consequent 'volken', omdat het woord 'heidenen' voor mij een te exclusieve lading heeft. Ik gebruik liever de alledaagse betekenis van woorden. Afhankelijk van de context kan dit woord gelezen worden als volken buiten Israël, Israël zelf, of verstrooide Israëlieten onder de volken. De kinderen van Israël zouden vanwege hun ongeloof en ongehoorzaamheid verstrooid worden onder de volken en dat is ook meerdere keren gebeurd. Velen van hen lieten zich inlijven in de omringende volken en onder de Grieken kwam het zelfs voor dat Joden hun besnijdenis door een chirurgische ingreep ongedaan lieten maken (Grieks: epispasmos – dit gebeurde in de Hellenistische periode, enkele eeuwen voor en ook nog in de eerste eeuw na Christus). Voor de Joden in Israël waren deze 'onbesnedenen' onder de volken net zo slecht als de volken zelf. Daarom was er veel weerstand tegen de verspreiding van het goede nieuws onder de volken; zij waren immers onrein en ongelovig. Dát was de vijandschap die Jezus teniet gedaan heeft door Zijn offer. Ze waren wellicht verstoten, maar nog steeds kinderen van Abraham. Uiteindelijk zouden ze zich echter niet kunnen beroepen op hun afstamming, maar op het geloof van Abraham. En dan met name het geloof van Jezus, die Zichzelf voor dat doel gaf.

Paulus had een diepe bewogenheid voor hen die verloren waren, zoals we kunnen lezen in Romeinen 9:1-5 (en de hoofdstukken die daarop volgen). Hij had er alles voor over om de verloren schapen bij de goede Herder te brengen. Want van hen (de Israëlieten) waren de aanneming tot zonen (de erfenis), de heerlijkheid, het bondgenootschap met God, het rechtswezen (de wetgeving) en de beloften (vers 4). Hij zag de tijd waarin hij leefde als de 'volheid van de tijd', waarin God Zijn Zoon had gezonden om hen die geboren waren onder de wet, vrij te kopen (Galaten 4:4-5). Zelfs zij die helemaal afgedwaald waren en zich niet meer aan de wet hielden, nooit meer naar Jeruzalem kwamen en zelfs de Hebreeuwse taal niet meer spraken. Ondanks dat hadden ze nog steeds een besef van de wet, omdat die niet uit hun hart en geweten was verdwenen (zie Romeinen 2:14,15):

Want als de volken, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen die in de wet staan, zijn zij voor zichzelf een wet. Ze laten zien dat de wet in hun hart geschreven is, waarvan hun geweten getuigt en hun redenaties hen onder elkaar beschuldigen of vrijspreken.

God had er van oudsher voor gezorgd dat de wet op hun hart geschreven stond. Een wet die alleen aan Israël gegeven was. Zoals onder andere Jesaja zei (51:7):

Luister naar Mij, jullie die de gerechtigheid kennen, volk in wiens hart Mijn wet is!

Zij waren ook het enige volk dat God had uitgekozen, zo lezen we in Amos 3:1,2:

Hoor dit woord dat Jahweh tegen jullie spreekt, huis van Israël! Tegen elke stam die Ik uit Egypte heb geleid: Uit alle stammen van de aarde heb Ik alleen jullie erkend; daarom zal Ik jullie straffen voor al jullie ongerechtigheden.

Mozes zei het al heel duidelijk bij het herhalen van de wet, in Deuteronomium 4:7-8:

Want welk groot volk is er, dat zo bijgestaan wordt door goden, als wij door onze God Jahweh, wanneer wij Hem aanroepen? En welk groot volk is er, dat zulke rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze hele wet, die ik vandaag aan jullie voorleg?

En in Deuteronomium 7:6:

Want jullie zijn een heilig volk voor Jahweh, jullie God; die jullie heeft uitgekozen, zodat jullie Zijn eigendom zouden zijn, vanuit alle volken die op de aardbodem zijn.

Koning David herhaalt het nog eens in Psalm 146:19-20:

Hij maakt Jakob (Israël) Zijn woorden bekend, aan Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten. Dat heeft Hij voor geen ander volk gedaan en Zijn rechten, die kennen zij niet. Halleluja!

Met de wet in het hart en als uitverkorenen van God, waren zij het middelpunt van Gods affectie en correctie. En Hij zou er dan ook alles aan doen om ze weer voor Zich te winnen.

Ook Petrus zag de verdwaalde schapen terugkeren, zo lezen we in zijn eerste brief (1 Petrus 2:25):

Want jullie waren als dwalende schapen; maar zijn nu bekeerd tot de Herder en Opziener van jullie zielen.

Het zijn dit soort sleutelteksten die de toon zetten voor het werk van Jezus. God die Zijn kinderen bijeen wilde brengen onder één Leider, de Gezalfde, de Messias, de Christus. En dat dit niet zonder slag of stoot ging, wordt echter ook telkens weer pijnlijk benadrukt. De vestiging van het Koninkrijk ging namelijk gepaard met veel ellende, omdat er veel mensen waren die zich fel tegen Jezus en Zijn 'goede boodschap' verzetten. Dus naast de hoopvolle toon van herstel en verzoening, klonk ook een geluid van verzet en onrust.

Om iets nieuws te beginnen moet je vaak iets ouds afbreken. Jezus werd bijvoorbeeld gekruisigd, maar Hij stond weer op uit de dood. Het oude lichaam werd afgebroken en er kwam een nieuw lichaam voor in de plaats. Zijn leerlingen werden vervolgd, gedood en gemarteld, maar dit bracht velen bij Hem. Zelfs de aardse tempel werd afgebroken, maar er kwam een nieuwe, geestelijke tempel voor in de plaats.

VOLGENDE >

NAAR INDEX

240