21. Daniël en de zeventig zevens

Daniël 9 bevat misschien wel de meest bijzondere profetie die ooit opgeschreven is. Hij is zo specifiek, dat hij volgens sommigen precies op de dag uitkomt. Ik zal niet zo ver gaan om dat te beweren, omdat het heel moeilijk te bewijzen is, al zou het me niets verbazen. Ik geloof in ieder geval dat het jaartal van de komst van Jezus exact voorspeld werd. Daniël 9:24:

Zeventig zevens zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, om de zonden te verzegelen, om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven.

De term 'zevens' is een ander woord voor 'weken' in het oude Hebreeuws. Uit andere teksten begrijpen we dat het hier om zeventig weken van jaren gaat, dus 70x7=490 jaar, waarna er een einde kwam aan Gods geduld met het genoemde volk. (Jaarweken zijn geen vreemd begrip in deze oude geschriften; zie Genesis 29:27 en Leviticus 25:8, waar weken van jaren genoemd worden en ook deze verzen, waar dagen symbolisch worden gebruikt voor jaren: Numeri 14:34 en Ezechiël 4:4-6.)

De 490 jaar moesten gerekend worden vanaf het moment dat het bevel werd gegeven om Jeruzalem te herbouwen. Reken je dat na, dan komt het precies uit in de jaren dat Jezus op aarde was.

Aan het kruis werd iets volbracht, zoals Jezus zelf zei. Hij kwam om Zijn volk te verzoenen met God en om, zoals Daniël voorspelde, eeuwige gerechtigheid aan te brengen. Dat heeft direct te maken met het Koninkrijk, waarin Jezus rechtvaardig regeert. In die tijd zou 'het gezicht en de profeet' worden verzegeld en de 'heiligheid van de heiligheden' gezalfd worden, wat inhoudt dat elke profetie zou worden vervuld in de Heilige: Jezus. Zie Lukas 21, waar ik enkele zinnen uit aanhaal (Lukas 21:5-8):

En toen sommigen van de tempel zeiden dat hij met mooie stenen en toegewijde gaven versierd was, zei Hij: “Wat deze dingen aangaat die u hier ziet: er zullen dagen komen waarin geen steen op de anderen steen zal worden gelaten, die niet zal worden afgebroken.” En zij vroegen Hem: “Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en wat is het teken, wanneer deze dingen zullen geschieden?... En Hij zei: Zie toe, dat u niet verleid wordt; want velen zullen komen in Mijn Naam, en zeggen: Ik ben de Ingewijde; en de tijd is nabij gekomen, loop hen niet achterna.

Dus ze moesten geen mensen achterna lopen die zeiden dat het einde nabij gekomen was, totdat... (Lukas 21:20-22):

...wanneer u ziet dat Jeruzalem door legers omsingeld wordt, weet dan dat haar verwoesting nabij gekomen is. Laat dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen; en die in de stad zijn, daaruit trekken; en die op de velden zijn, dat zij in de stad niet in gaan. Want dit zijn dagen van wraak, waarin alles wat geschreven is, vervuld wordt.

Let op de sterke overeenkomst met Mattheüs 24. Lukas 21 loopt bijna helemaal parallel met dat hoofdstuk in Mattheüs, alleen de volgorde is anders. Hier vragen de leerlingen wanneer het zal gebeuren, dat er geen steen op de andere zal blijven staan. Jezus antwoordt: “wanneer Jeruzalem omsingeld wordt door legers, want dat zijn de dagen dat alles vervuld wordt wat geschreven is.”

Merk op dat Jezus zei dat ze in de tijd voorafgaand aan Zijn komst, geen mensen achterna moesten lopen die zeiden dat de tijd nabij was. Dat zouden valse 'ingewijden' zijn, mensen die zichzelf de messias noemden. Toch hebben de zendelingen stuk voor stuk in hun brieven gezegd dat de tijd nabij was, toen het écht dichterbij kwam. En zij waren géén valse profeten. Zij hadden de Geest en de gaven van God en hadden het recht om aan te geven dat de tijd nabij was, om Gods volk te waarschuwen. Jeruzalem is 40 jaar na de uitspraak van Jezus dan ook daadwerkelijk omsingeld en de tempel werd verwoest. Die omsingeling was het teken voor de naderende verwoesting. We mogen Jezus dan ook serieus nemen als Hij zegt dat dát het moment was waarop alles vervuld werd. Maar dat betekent dan ook dat aan het kruis nog niet álles volbracht was. Hij volbracht daar wel zijn missie om Zijn volk vrij te kopen en om verzoening te bewerkstelligen en de weg naar de Vader vrij te maken, maar er moest nog veel meer gebeuren:

Bedenkt dat tijdens Zijn sterven slechts het voorhangsel in de tempel scheurde, zodat symbolisch de weg naar het Heilige der Heiligen (het Allerheiligste) vrijgemaakt werd. Jezus verwierf het recht om de eeuwige geestelijke hogepriester te zijn, waardoor Zijn volk vanaf dat moment vrijmoedig toe kon treden tot de troon van genade (Hebreeën 4: 14-16). Ik heb ook wel horen zeggen dat God op deze manier symbolisch gezien niet meer achter het gordijn 'gevangen' zat, maar dat Hij eruit kon om onder de mensen te zijn.


Maar dat was nog niet alles. Uiteindelijk moest het hele oude systeem van menselijk streven en het brengen van offers met de grond gelijk gemaakt worden, zodat de aanklager geen grip meer had op de mensen.

Opmerkelijk is ook dat de 490 jaar voorbij waren, maar dat het oordeel nog eens 40 jaar werd uitgesteld. Alsof God wilde zeggen: oké, ik geef je nog ruim de tijd om deze boodschap van herstel en verzoening in Jezus aan te nemen. Het kwam wel vaker voor dat mensen een periode van 40 jaar de tijd kregen om tot inkeer te komen. Bijvoorbeeld: Mozes was 40 toen hij vluchtte uit Egypte en 80 toen hij het volk uit Egypte mocht leiden. Daarna moest het volk 40 jaar door de woestijn dwalen, omdat het in eerste instantie niet op God wilden vertrouwen. In die 40 jaar stierven alle mensen die zo opstandig en ongelovig waren geweest. De periode van Jezus tot aan de vernietiging van de tempel wordt, zoals eerder gezegd, dan ook wel de 'tweede exodus' genoemd.

Dit principe van het geduld van God, zien we ook terug in de gelijkenissen. God is zeer geduldig, maar er komt wel een keer een einde aan. Petrus heeft het daar ook een keer over in één van zijn brieven.

2 Petrus 3:9-10:

De Heer is niet traag met het vervullen van de belofte (zoals sommigen dat zien), maar is geduldig met ons, niet willende dat er iemand verloren gaat, maar dat zij allen tot bekering komen. Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, waarin de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen zullen branden en vergaan, en de aarde en de dingen die daarop worden gedaan, zullen verbranden (versmelten).

God is wel heel geduldig, maar Petrus zegt dat er op een bepaald moment toch een einde komt aan 'hemel, aarde en elementen'. Wat bedoelt hij daarmee? Hoe begrepen zijn lezers dit? Eerst herhaalt hij Jezus' woorden dat Hij zou komen als een dief in de nacht. En dat mensen het zouden missen als ze niet zouden letten op de tekenen van de tijd. Dan zegt Petrus dat wanneer Jezus komt, de hemelen voorbijgaan en dat de elementen en de aarde (en wat daarop wordt gedaan) zullen verbranden. Een merkwaardige tekst, die veel mensen heeft doen geloven dat de hele aardbol in een vuurzee zal vergaan, die zo heet is, dat de scheikundige elementen erdoor uit elkaar vallen.

Eén aanwijzing om dit te doorgronden, vinden we in de betekenis van het woord 'elementen'. In het Grieks is dat 'stoicheia' (letters, beginselen, 'een rij van eerste dingen'). Dat woord vinden we zeven keer in het Nieuwe Testament; en het gaat beslist niet over de scheikundige elementen die wij nu kennen. Petrus gebruikt het twee keer in deze context (van vernietiging), maar we vinden het ook twee keer in Galaten (4:3-9):

...toen wij kinderen waren, dienstbaar gemaakt onder de beginselen van de wereld. Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God Zijn Zoon gezonden, geboren uit een vrouw, onder de wet; opdat Hij degenen, die onder de wet waren zou verlossen (vrijkopen) en de status van zoonschap zouden ontvangen. En omdat jullie zonen zijn, heeft God de Geest van Zijn Zoon gezonden in uw harten, Die roept: 'Abba', (Vader)! Nu zijn jullie geen dienstknechten meer, maar een zoon; en als je een zoon bent, ben je ook een erfgenaam van God door de Ingewijde. Maar hoewel jullie God kenden en door God gekend zijn, waarom keren jullie je nu weer tot zwakke en arme beginselen...?

We zien het twee keer in Kolossenzen (2:8 en 2:20):

Zie erop toe dat niemand jullie wegvoert door de filosofie en ijdele verleiding, naar de overlevering van mensen, naar de beginselen van de wereld, en niet naar de Ingewijde;... Als jullie dan met de Ingewijde voor de beginselen van de wereld gestorven zijn, waarom laten jullie je dan weer verleiden tot dogma's, alsof je nog in die wereld leeft?

En vervolgens nog één keer in Hebreeën 5:12. Hier wordt het woord in positieve zin gebruikt, als zijnde de eerste beginselen van het onderwijs van God.

In Galaten en Kolossenzen wordt het gebruikt in de betekenis van 'elementaire principes', de 'beginselen van de wereld' (stoicheia tou kosmou), menselijke verzinsels, regels en wetten die hen gevangen hielden, dingen waarvoor zij als Israëlieten gestorven waren (in hun Ingewijde), waar ze niet naar terug moesten keren. Het woord 'stoicheia' is op zich neutraal van betekenis, maar wordt door Paulus en zeker ook hier door Petrus, gebruikt om de verkeerde invloed van werelds denken aan te duiden. Het wereldse, aardse denken, waar de Israëlieten bij de berg Sinaï voor hadden gekozen en waar ze zich nooit helemaal aan zouden houden. Dat kon ook niet. Maar God had hen vrijgekocht. Niet om weer een slaaf te worden van wetten en principes in een aards systeem, maar om als vertegenwoordigers van God te leven. (Ter herinnering: Het woord voor wereld in deze tekstgedeelten is kosmos, wat de betekenis heeft van een bepaald samenhangend systeem van dingen. In dit geval dus in de context van het verouderde systeem van de Joodse wet.)

Er is in de oudheid wel een gebruik van dit woord dat op elementen van de schepping betrekking heeft. Plato gebruikt het woord namelijk om de basiselementen van de schepping: aarde, vuur, water en lucht aan te duiden. Als Petrus het echter op deze manier bedoelde, had hij moeten verklaren hoe vuur zelf in vuur (letterlijk: 'intense hitte') zou moeten vergaan. En een eigenschap van water is juist dat het vuur blust. Dat deze 'elementen' in vuur zouden vergaan klinkt voor mij verre van logisch. We kunnen bij 2 Petrus 3:10 het beste de betekenis gebruiken die Paulus aan het woord gaf (namelijk: de basisbeginselen van de wet), aangezien Petrus goed bekend was met de geschriften van Paulus. Hij noemt ze zelfs 'moeilijk te begrijpen' (2 Petr. 3:16).

Toch is het opmerkelijk dat de vier elementen van Plato wel op een symbolische manier terug te vinden zijn in de tempel. Josephus beschrijft in zijn 'Oude geschiedenis van de Joden' (boek 3, hoofdstuk 7, paragraaf 5) dat de vier elementen werden vertegenwoordigd in de tempel: namelijk, door de eigenschappen van de doeken. Zo vertegenwoordigde het linnen de aarde, vanwege de plantvezels waarvan het gemaakt was; purper was een beeld van de zee, vanwege de kleurstof die uit een schelpdier kwam; het blauw was uiteraard de kleur van de lucht en scharlaken vertegenwoordigde vuur, ook vanwege de kleur. De elementen werden volgens hem ook gezien in de gewaden van de priesters. Zo verwijst het begrip 'elementen' op verschillende manieren naar het oude systeem van wetten en de tempeldienst: zowel in de vorm van 'elementaire principes van de wet' als symbolische elementen van de tempel.

Verder hebben we in deze tekst nog het woord 'vergaan' (in het Grieks wordt het woord 'luo' gebruikt), wat de betekenis heeft van 'losmaken' en 'ontbinden'. Dit woord wordt door het hele Nieuwe Testament heen (42x) gebruikt om aan te duiden dat iets wat vast zit wordt 'losgemaakt' (een schoen van een voet, een ezel van een touw of een tong van een stomme die wordt losgemaakt). Het wordt gebruikt voor iets dat 'ontbonden', 'opgeheven', of 'ongedaan gemaakt' wordt (een huwelijk, een vergadering of de gevolgen van iemands daden). We zien het bij het 'vrijlaten', of 'loslaten' van gevangenen, het 'verbreken' van een zegel en voor het 'nietig maken' of 'ontbinden' van een wet. Maar de meest opmerkelijke tekst waar we ditzelfde woord terugvinden is wanneer Jezus tegen Petrus zelf zegt dat Hij hem de sleutels van het Koninkrijk geeft. Dan zegt hij (Mattheüs 16:19):

Wat je bindt op aarde zal gebonden zijn in de hemel en wat je ontbindt in de hemel zal ontbonden zijn op aarde

Het woord voor 'ontbinden' is hetzelfde woord dat in 2 Petrus 3:10 is vertaald met 'vergaan' en wordt daar ook nog eens in verband gebracht met de woorden 'hemel en aarde'. Is het mogelijk dat Petrus bewust verwijst naar wat Jezus tegen hem zelf zei? Hoe dan ook, nergens wordt dit woord in het Nieuwe Testament gebruikt om aan te geven dat er iets fysiek kapot gemaakt wordt. Er is slechts één tekst waar het de betekenis zou kunnen hebben van 'vernietigen' en dat is Johannes 2:19, waar de Joden denken dat Jezus het over de tempel in Jeruzalem heeft, maar waar hij over Zijn dood en opstanding spreekt:

Breek deze tempel af en ik zal hem in drie dagen weer oprichten.

Het lijkt erop dat Jezus bewust dit woord verkoos, in plaats van het gebruikelijke woord voor vernietigen, omdat het een dubbele betekenis had. De tempel werd door de Romeinen inderdaad letterlijk helemaal uit elkaar gehaald. Toen de tempel platgebrand werd, smolt het goud en lekte het tussen de stenen van het fundament. Om het goud er tussenuit te halen moest wat er nog stond steen voor steen worden afgebroken. Omdat Jezus het op deze manier zei, hadden Zijn luisteraars niet direct door dat Hij het over Zichzelf had. Later begrepen Zijn volgelingen pas dat Hij Zichzelf vergeleek met de tempel. Dit is ook weer een treffende parallel met de woorden van Petrus. Wat namelijk 'ontbonden' moest worden, waren de beginselen van de wet, die belichaamd werden door de aardse tempel.

Er was veel misgegaan tegen de tijd dat Jezus kwam. Maar Petrus liet zien dat het afgelopen was met 'hemel en aarde'; althans wat het Joodse volk betrof. Het hele systeem van de verworden, aardse, ongeestelijke, dode leer, vol van eigengerechtigheid, de 'beginselen van de wet', de 'boom van kennis van goed en kwaad', moest worden verbrand! Het oordeel kwam op de leiders met hun schijnheiligheid, verdorven religie en eigenmachtig en dwangmatig opgelegde principes, waar Jezus ook zo boos om kon worden. We hebben het zien gebeuren toen de tempel, die het ultieme symbool van de oude Joodse wetten en regels was geworden, verbrandde in het jaar 70. Jezus waarschuwde de Joodse leiders regelmatig voor dit komende oordeel. Hij hield ze nadrukkelijk verantwoordelijk voor het feit dat ze de mensen allemaal dingen oplegden die niets meer te maken hadden met wat God wilde. Het was werelds, duivels, doods en goddeloos geworden. De tempel, die de aanwezigheid van God moest vertegenwoordigen, was een aanstootgevend iets geworden. God wilde dat mensen ongedwongen en vrij bij Hem konden komen. Daarom scheurde Hij het voorhangsel, het dikke gordijn dat voor de Ark van het Verbond hing, van boven tot onder doormidden op het moment dat Jezus stierf. God wilde geen scheiding; Hij was klaar met dat 'hokje' in een gebouw. De tempel was een symbool van vervreemding en scheiding geworden, maar God stond op het punt om voorgoed daarmee af te rekenen. De plaats waar 'hemel en aarde' elkaar moesten ontmoeten was nog slechts een toonbeeld van verstikkende menselijke regels en wetten. God was er helemaal klaar mee. In plaats van een gebouw in een stad wilde Hij de mens als woning en een gemeenschap van geliefde, eigen kinderen als stad: Het Nieuwe Jeruzalem, waarin God Zelf Zijn eigen Tempel zou bouwen, waar altijd licht en vrede zou zijn; een 'nieuwe hemel en aarde'. Het einde van het oude lijkt zo bot en ruw, maar het was iets heerlijks in Gods ogen. Eindelijk zou de weg vrij zijn. Het oude zou definitief afdoen en het nieuwe zou helemaal tot zijn recht kunnen komen. In een later hoofdstuk ga ik verder in op het begrip 'hemel en aarde'.

Terug naar Daniël, die de aanloop tot dit geweldige moment voorspelde. Vanaf hoofdstuk 9, vers 25 geeft Daniël een meer gedetailleerde beschrijving van die 490 jaren, beginnend bij het bevel tot herbouw van Jeruzalem. Ze worden opgesplitst in 7x7, 62x7 en 1x7 jaren. Laten we die drie stukken eens apart bekijken, want het geeft exact weer wat er in die periode gebeurde:

25 Weet dan en begrijp: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een Ingewijde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden.

De eerste 7x7=49 jaren hebben betrekking op de periode vanaf het moment dat de opdracht gegeven werd om Jeruzalem te herbouwen, in het jaar 456 v. Chr., tot de voltooiing van de herbouw. Het was in het twintigste regeringsjaar van Artachsasta (zie Nehemia 2) dat deze Koning toestemming gaf om Jeruzalem te herbouwen.

(Over de precieze datum van dat twintigste regeringsjaar zijn niet alle geleerden het eens, omdat er in de loop der jaren zoveel veranderd is aan kalenders en het terugrekenen niet eenvoudig is. Sommigen komen op 457 of 458 v. Chr., maar voor deze bespreking maakt dit mijns inziens niet zoveel uit.)

Met de volgende 62 zevens komt het totaal op 483 jaar na de opdracht; het moment dat een Ingewijde, een vorst zou komen (mijns inziens kan dat niemand anders zijn dan Jezus). Rekenen we van 456 v. Chr. 483 jaar verder (Bedenk dat er geen jaar 0 is geweest, we springen gelijk van 1 v. Chr. naar het jaar 1), dan zitten we in het jaar 27. Dat is het jaar waarin Jezus begon met zijn bediening (als het jaar 456 v. Chr. voor het bevel tot herbouw juist is).

We kunnen lang en breed praten over de exacte datum van de opdracht tot herbouw, maar het is nagenoeg onmogelijk om het precies te weten te komen. De verschillen zijn niet groot, hooguit een paar jaar. Dat het uitkomt bij de bediening van Jezus is in ieder geval zeker. Dat we het niet met 100% zekerheid kunnen vaststellen, wil natuurlijk niet zeggen dat de profetie niet accuraat is. Ik geloof van wel. En als de berekening er 2 jaar naast zit, dan is de accuraatheid alsnog groter dan 99,5%! Ik hou het er daarom op dat die 483 jaar, de 69 zevens, precies uitkomen op het begin van Jezus' bediening. Vooral ook omdat de volgende details precies beschrijven wat er toen gebeurde:

26 En na de tweeënzestig weken zal een Ingewijde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is (of: niet voor hemzelf); en het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten, maar zijn einde zal zijn in de overstroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen, waartoe vast besloten is.

Dezelfde Ingewijde uit vers 25 wordt 'afgesneden' (letterlijke betekenis) en dat 'niet voor hemzelf', is een meer voor de hand liggende vertaling, het Hebreeuws heeft twee betekenissen. Het volk van de vorst die komen zal is óf het volk van één van die heersers waar Daniël eerder een visioen van had, óf het volk van de vorst Jezus, die Jeruzalem en de tempel zou vernietigen. Het waren tenslotte de Joden die in opstand kwamen en de Romeinen uitdaagden tot de confrontatie, wat ze uiteindelijk het leven en hun mooie stad en tempel zou kosten. Met deze beschrijving kunnen dus zowel Israël als de Romeinen bedoeld zijn. Dat de stad en het heiligdom te gronde werden gericht is in ieder geval een feit. En tot het einde toe was er strijd, zoals we ook gezien hebben in de geschiedenis. Dat einde was 40 jaar later toen Titus, de zoon van keizer Vaspasianus, met zijn Romeinse legioenen een einde maakte aan de opstand van de Joden. Vergeet niet dat deze profetie gericht is tot Israël, zoals we zagen in vers 24: “Zeventig zevens zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, om de zonden te verzegelen, om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven.”

Dan gaat Daniël die laatste 7 jaar van de 490 jaar in meer detail beschrijven. Het gebeurt wel vaker in profetieën in de Bijbel, dat er eerst een overzicht gegeven wordt en dat het daarna verder wordt uitgewerkt. Wat ook veel gebeurt, is dat een bepaalde gebeurtenis van verschillende kanten belicht wordt. Bijvoorbeeld van een religieuze of een politieke kant.

27 En Hij zal het verbond voor velen versterken, een week lang; in de helft van de week zal Hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.

Zoals Daniël hier zegt, werd het verbond met 'velen' versterkt. Hoogst waarschijnlijk een verwijzing naar Israël. Dit was gedurende een week van jaren. Na drie en een half jaar, de tijd die Jezus onder de Joden was en hen het goede nieuws van Zijn komende Koninkrijk bracht, werd Hij als een volmaakt offer geslacht en verving Hij alle slachtoffers en spijsoffers. Hierna benadrukt Daniël nog een keer dat de verwoester zal komen en dat die tot de voleinding zou blijven (de uiteindelijke verwoesting was 40 jaar later). De laatste drie en een half jaar worden niet uitgelegd, maar daarvan vinden we een sleutel in Handelingen 7, 8 en 9. De zendelingen verkondigden nog 3,5 jaar het evangelie onder de Joden en toen werd Stefanus door de hen gestenigd. Dit gebeurde onder toeziend oog en met goedkeuring van de hogepriester, nadat Stefanus hen nogmaals op het hart had gedrukt dat zij en hun voorouders verantwoordelijk waren voor het doden van de rechtvaardigen. Maar nog wilden zij zich niet bekeren en verwierpen de boodschap. In het volgende hoofdstuk lezen we dan ook hoe de zendeling Filippus een schatbewaarder uit 'morenland' (Ethiopië) mag dopen op zijn geloof in Jezus. Dat de Heilige Geest Filippus bij deze man bracht, is een mooi voorbeeld van de voorzienigheid van God. Hij wist wie er allemaal bij Zijn volk hoorden en had Zijn Geest aan de zendelingen gegeven om alle verloren schapen te vinden en weer bij hun Vader te brengen. Velen waren al zo lang onder de volken, dat ze door de Joden beschouwd werden als zijnde ván die volken. Deze Ethiopiër was in ieder geval nog wel met God bezig, want hij kwam net terug uit Jeruzalem, alwaar hij God had aanbeden. Het evangelie ging vanaf dat moment naar de Israëlieten verspreid onder de volken. Hoofdstuk 9 beschrijft de bekering van Saulus, een fanatieke vervolger van de christenen (Joodse volgelingen van Jezus). Deze Saulus kreeg later de naam Paulus en zou het evangelie van het Koninkrijk ook onder de volken gaan brengen. Daarna gaf God Petrus een visioen van zowel reine als onreine dieren, die Petrus moest slachten en eten. Hiermee maakte God duidelijk dat Hij ook de 'onreine' Israëlieten had geaccepteerd, die verspreid waren onder de volken. Vervolgens stuurde God hem naar het huis van Cornelius, een Romeinse centurion, om daar het evangelie te brengen (zie Handelingen 10). In dit verband lijkt het zeer aannemelijk dat Cornelius één van die Israëlieten in de verstrooiing was (Handelingen 15:14-20 ):

God nam een volk, voor zijn naam vanuit de volken, naar de woorden van de profeten... de overblijfselen [van Israël]... waarover [de naam van de Heer] is uitgeroepen... die tot God terugkeren

De Romeinen hadden veel ingelijfde Israëlieten, ook in hoge posities. Tevens staat er dat de vervallen tent van David weer werd opgebouwd (Het herstel van heel Israël, ver weg en dichtbij). David had namelijk voor de terugkeer van de buitgemaakte Ark van het Verbond een tent opgespannen. Bij het inwijden van de tent zong hij een lied, waar de volgende woorden in voorkwamen (1 Kronieken 16: 23 en24):

Zingt voor Jahweh, u, de hele aarde, boodschapt Zijn heil van dag tot dag. Vertelt Zijn eer onder de volken, Zijn wonderwerken onder alle volken.

Dat was het verlangen van David en daarin vertolkte hij Gods hart. God had de verdwaalde Israëlieten niet verworpen, want Hij stond nog steeds met open armen voor ze klaar. En elke Israëliet die zich bekeerde was van harte welkom. Dat was het einde van de 490 jaar van Daniël 9. De profetie voorspelt nog wel dat de strijd tot het einde zou doorgaan. Dat 'einde' was het definitieve einde van de aardse tempel en de aardse hoofdstad van het verbond: Jeruzalem. Gods tent, Davids vervallen tent, zou vanaf dat moment ook beschikbaar zijn voor de verlorenen, de verstrooiden onder de volken.

Omdat de laatste 3,5 jaar niet in detail worden beschreven, maar in Openbaring wel weer sprake is van 3,5 jaar verdrukking, is het ook mogelijk dat deze 3,5 jaar na de 40 jaar genade en verkondiging vervuld werden. Dit is met name een goede optie omdat de belegering van Jeruzalem precies 3,5 jaar duurde.

Een interessant detail: Toen Petrus Jezus vroeg hoeveel keer hij zijn broeder moest vergeven, daarbij suggererend dat zeven keer wel genoeg zou zijn, antwoordde Jezus dat hij zeventig maal zeven maal, dat is 490 maal, moest vergeven (zie Mattheüs 18:21). Jezus verwees hier in mijn ogen waarschijnlijk naar de profetie van Daniël. Het getal zeven geeft symbolisch een volledigheid aan, dus vergeving moet tot het uiterste gaan. Petrus begreep pas veel later dat Jezus heel Israël op het oog had en niet alleen maar de gelovige Joden. Maar zoals ook God zijn volk 490 jaar de tijd gaf om zich te bekeren, kwam er wel een punt waarop voor bepaalde mensen vergeving niet meer mogelijk was. De maat was wel een keer vol.

VOLGENDE >

NAAR INDEX

10