22. Daniël en het einde

Na in hoofdstuk 10 en 11 nog eens uitgebreid in te zijn gegaan op dingen die plaatsvinden tijdens die 490 jaar, komt Daniël in hoofdstuk 12 weer bij 'het einde' terecht. Deze keer met de details die we ook kennen uit de boodschap van Jezus (hoofdstuk 12 vers 1):

En in die tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen van uw volk staat, het zal een tijd van benauwdheid zijn zoals er niet eerder geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot aan die tijd; en in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.

Klinkt dat bekend? Jezus had het over een 'grote verdrukking, zoals er nog nooit geweest is', in Mattheüs 24:21, nadat de discipelen hem vroegen wanneer de tempel zou worden vernietigd. Jezus plaatste het in hun tijd.

Zo zie je dat Daniël 12:1 verbonden is met Mattheüs 24 en Openbaring 20. Dan 12:2:

En velen van hen die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot schande en tot eeuwige afkeuring.

Dat lijkt weer veel op wat Jezus zei in Johannes 5:25, dat de doden Zijn stem zouden horen en zouden leven. En vervolgens in Joh 5:28, dat allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen. Jezus sprak veel over het oordeel en de manier waarop Hij dat deed lijkt zeer veel op hoe Daniël het hier zegt.

Daniël wordt opdragen het boek van zijn profetieën te verzegelen, tot de 'tijd van het einde', met de belofte dat de kennis uiteindelijk zal toenemen en dat mensen het zullen gaan ontdekken. De tijd dat het boek openbaar gemaakt werd, moet nog voor dat 'einde' zijn geweest, anders had het geen zin om te profeteren. En dat klopt. Jezus onthulde in Mattheus 24 dat die tijd nabij gekomen was. Het einde van die 490 jaar komt overeen met de tijd dat Jezus begon met het verkondigen van het Koninkrijk en de aankondiging van 'de tijd van het einde'. Bedenk dat Johannes in Openbaring 22:10 wordt gezegd zijn boek niet te verzegelen, omdat de tijd nabij is. Zeshonderd jaar van Daniël naar Jezus is volgens de tekst een lange tijd. Lang genoeg om een boek te laten verzegelen tot het einde. Openbaring is bijna 2000 jaar geleden geschreven, dus als die woorden niet verzegeld moesten worden omdat de tijd nabij was, kan het niet zo zijn dat die woorden nog steeds moeten uitkomen.

Daniël krijgt nog een aanwijzing wanneer al deze dingen tot een einde zullen komen. In vers 7 lezen we dat het zou zijn na een periode van “drie en een half jaar, wanneer de macht van het heilige volk verstrooid is.” (Drie en een half werd toen ook wel geschreven als 'een tijd, tijden en een halve tijd' en zo is het ook in sommige vertalingen overgenomen.) Kennen wij een periode van 3.5 jaar waarin grote verdrukking was en waarin de macht van een heilig volk verstrooid werd? Ja, dat was tijdens de opstand van de Joden, waarover Flavius Josephus schreef. Keizer Nero gaf bevelhebber Vespasianus de opdracht om de Joodse opstand de kop in te drukken. Het beleg duurde 3.5 jaar (66-70) en het was een verschrikkelijke tijd.

Toen Daniël vroeg hoe het zou aflopen, werd hem het volgende gezegd (vers 10-12):

Velen zullen gereinigd, wit gemaakt en gelouterd worden; maar de goddelozen zullen goddeloos handelen en geen van de goddelozen zullen het begrijpen, maar de verstandigen zullen het begrijpen. En van die tijd af, tot het dagelijkse offer zal worden weggenomen, en de verwoestende gruwel opgesteld is, zullen duizend tweehonderd en negentig dagen zijn. Gelukkig is hij, die wacht en komt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen. Maar u, ga heen tot het einde, want u zult rusten en zult opstaan in uw beschikking, aan het einde van de dagen.

Daniël zou 'rusten', dat is een ander woord voor sterven, en weer opstaan aan het einde. Dat is de 'opstanding van de doden' waar ook Paulus in 1 Korinthiërs 15 over spreekt en uitlegt dat er een nieuw, geestelijk lichaam zal zijn, wanneer Jezus het Koninkrijk vestigt. Velen zullen gered worden, goddelozen zullen het niet begrijpen, maar verstandigen zullen het kunnen doorgronden, wordt Daniël toevertrouwd. En ten overvloede wordt nogmaals verteld dat het zal zijn wanneer het dagelijks offer stopt en de gruwel van verwoesting er is (ook wel genoemd: gruwel die tot verwoesting leidt), waar in hoofdstuk 9 over gesproken werd. Het is dezelfde gruwel waar Jezus over sprak toen Hij uitlegde op welke tekenen zijn leerlingen moesten letten, om te kunnen weten wanneer het einde van de tempel zou aanbreken (Mattheus 24:15, Marcus 13:14, Lukas 21:20). En een gruwelijke oorlog was het, met gruwelijke verwoestingen! Je kunt het allemaal lezen in 'De Joodse Oorlog' van Flavius Josephus. Hij schreef dat eind juli 66 na Chr. (3,5 jaar vóór de val van Jeruzalem, de halve jaarweek van Dan 9:27) de dagelijkse offers gestopt zijn (De Joodse Oorlog 2.17.2). Josephus hoort misschien niet bij de officieel erkende geïnspireerde schrijvers van de Bijbel, maar hij schetst wel een duidelijk beeld van de tijd en cultuur waarin de Bijbelse geschiedenis plaatsvond. Hij schreef verder dat het bloed van Joden en vreemdelingen op het altaar en tempelplein lag (De Joodse Oorlog 5.1.3). We kunnen daarin die gruwel zien, temeer omdat in Lukas 21:20 in dezelfde context niet letterlijk over een gruwel gesproken wordt, maar een omsingeling door legers. De heilige plaats van verzoening was een plaats van oordeel en gruweldaden geworden. Deze gruwelen leidden tot de verwoesting van Jeruzalem en de tempel. Daniël krijgt zelfs nog precies het aantal dagen door dat het beleg van Jeruzalem zou duren: 1290. Dat is iets meer dan 3.5 jaar. En dat mensen die het daarna nog anderhalve maand (1335-1290 dagen) uithouden, gelukkig zijn. Overigens wordt er in Daniël 11:31 óók over een gruwel gesproken, maar die leidde niet tot het einde. Die profetie gaat mogelijk over de tijd dat Antiochus Epiphanes in 168 v. Chr. een varken offerde op het altaar van de tempel in Jeruzalem. Ik zeg 'mogelijk' omdat Jezus Zelf maar over één gruwel spreekt.

Die 3.5 jaar komen we ook weer tegen in Openbaring, wat opnieuw een aanwijzing is dat het boek Openbaring (hoofdstuk 12) ook spreekt over die periode. In vers 1 van dat hoofdstuk zien we een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Kijken we in Genesis 37, dan zien we kenmerken hiervan in een droom van Jozef. Hij zag zijn vader Jacob en zijn moeder en twaalf broers als zon, maan en twaalf sterren, voor hem buigen. Jacob werd later Israël genoemd en is de stamvader van het volk. De vrouw in dit eerste vers moet mijns inziens Israël zijn. Vergelijk deze twee teksten eens:

En de vierde afgezant blies op een bazuin, en een derde deel van de zon werd geslagen, en een derde deel van de maan, en een derde deel van de sterren; (Openbaring 8:12)

En de vier afgezanten werden ontboden, die bestemd waren voor dat uur, die dag en maand en jaar, opdat zij het derde deel van de mensen zouden doden. (Openbaring 9,15)

Dan lijkt het voor de hand te liggen dat de zon, de maan en de sterren in dit geval een beeld zijn van Israël, waarvan een derde deel ten tijde van de Joodse oorlog tussen 66-70 omkwam.

Dat beeld wordt versterkt door de volgende verzen. De vrouw was namelijk zwanger en baarde een mannelijke zoon en werd achtervolgd door een draak met zeven koppen en tien horens. Dit is weer dat beeld van de heersers uit de tijd van het einde, waar Daniël over sprak: de Romeinen (anderen zien hierin de Joodse opstandelingen – de zeloten). De staart van de draak trok een derde van de sterren (de kinderen van Israël) met zich mee en wierp ze op aarde. Een beeld dat aangeeft dat een derde van Israël heulde met de Romeinen. Het is ook mogelijk om deze gebeurtenissen helemaal binnen de Joodse gemeenschap uit te leggen. Waarbij alles draait om de opstandige Joden (zeloten) met hun leiders. Hoe dan ook, de draak ging voor de vrouw staan, om het kind te verslinden, zodra het geboren werd. En zij baarde een zoon die “al de volken zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troon.” Dat is overduidelijk een beeld van Jezus; voortgekomen uit het Joodse volk en opgenomen in de hemel, naar God en Zijn troon. En de vrouw vluchtte de woestijn in, waar God een plaats voor haar bereid had. Denk aan Mattheüs 24:16, waar Jezus zijn volgelingen waarschuwt om te vluchten naar de bergen en zij vluchtten tijdens de oorlog inderdaad over de Jordaan de woestijn in, naar Pella.

Het was overigens helemaal niet logisch om bij een aanval weg te vluchten van een goed ommuurde stad. De eerste gedachte die de mensen in die tijd hadden als ze een leger zagen aankomen, is zichzelf terugtrekken in de sterk ommuurde vesting. Maar Jezus gebood hen precies het tegenovergestelde te doen. De mensen die deze opdracht gehoorzaamden werden gered en degenen die zich veilig waanden in de stad, kwamen om. Dat veel mensen toch in de stad bleven was de schuld van een zekere Jochanan ben Levi (ook wel Johannes van Giscala genoemd). Het zou onder normale omstandigheden een goede tactiek geweest zijn om je te verschansen in de stad en daar te teren op de voedselreserves die lagen opgeslagen voor noodgevallen, totdat het vijandige leger zou afdruipen. Echter, deze 'man van wetteloosheid' of 'man van zonde' zoals hij ook wel door Paulus genoemd werd (2 Thessalonicensen 2), verzamelde duizenden zeloten om zich heen, nam het tempelcomplex in en verbrandde de voedselreserves. Hij deed zich voor als een messias, maar gedroeg zich als een tiran. Paulus schreef in zijn brief aan de Thessalonicensen dat er iemand was die deze man nog in de weg stond. Dat was Ananus, de toenmalige hogepriester. Ananus kon vanwege zijn invloed nog enigszins de vrede met de Romeinen bewaren, maar toen Ananus uit de weg geruimd was, konden Ben Levi en de zeloten hun gang gaan. Vanaf dat moment was het hek van de dam. Vele historici geloven dat dit voor Jeruzalem het begin van het einde was. Ben Levi en zijn zeloten waren met hun opstand de belangrijkste aanstichters van de uiteindelijke vernietiging van Jeruzalem. We kunnen veel over deze gebeurtenissen lezen in 'De Joodse Oorlog' van Josephus, boek 4. Het beeld dat Openbaring voor ons schetst, van grote opschudding en 'een derde deel van de mensen' dat omkwam, is zeker niet overdreven. Zo bevestigt de geschiedenis de profetieën.

Veel volgelingen van Jezus gingen gelukkig wél de stad uit en Johannes voegt er nog aan toe dat God 'de vrouw' (de trouwe gelovigen) in de woestijn 1260 dagen zou voeden. Dat is dertig dagen korter dan de 1290 dagen in de profetie van Daniël, maar het hoeft natuurlijk niet zo te zijn dat de vluchtelingen tijdens het hele beleg in de bergen waren. Tevens noemt Johannes hier Michaël, die strijdt tegen de draak. Daniël heeft het ook over Michaël, wat de parallel met Daniël weer versterkt.

Het is opmerkelijk dat Johannes het vervolgens heeft over de grote draak, de oude slang, verstrooier (diabolos) en aanklager (satanas) genaamd, die de hele wereld (oikoumene – gemeenschap, samenleving) misleidt en samen met zijn afgezanten (angelos – engelen) op aarde geworpen werd. (Openbaring 12:9 – Hier ligt mogelijk een parallel met Lukas 10:18 waar Jezus zegt dat Hij de satan, dat is de 'tegenstander' de 'aanklager', als een bliksem uit de hemel zag vallen. Als het hier om dezelfde gebeurtenis gaat, kunnen we dit vers in Openbaring ook op grond daarvan synchroniseren met de tijd dat Jezus op aarde rondliep. Je zou kunnen zeggen dat er een geestelijke macht achter de kwaadaardige heersers van die tijd zat, die door hen heen achter de vrouw (Israël) en haar zoon (Jezus) aan zat: de eeuwenoude aanklager, de verstrooier, de vernietiger, die het altijd al gemunt had op het volk van God. Maar Michaël won! (Zowel in Openbaring als in Daniël zien we de 'vorst' , 'overste' of 'prins' Michaël verschijnen. Sommige commentatoren denken dat hiermee Jezus bedoeld wordt.) En de heerlijkheid, de kracht en het Koninkrijk kwam. Daar, in die tijd, was de overwinning in handen van de Gezalfde en de aanklager van Zijn broeders werd gevloerd (Openbaring 12:10). Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis. En zij hebben hun leven niet liefgehad tot in de dood (vers 11). In diezelfde tijd zou de verstrooier rondgaan in grote woede, 'wetende dat hij weinig tijd heeft' (vers 12). Opnieuw zegt Johannes dat de vrouw in veiligheid gebracht werd in de woestijn. Een 'tijd, tijden, en een halve tijd', drie en een half jaar dus.

Heel hoofdstuk 12 van Openbaring gaat duidelijk over diezelfde tijd van 3.5 jaar waar Daniël over sprak, waarin Gods volk veilig in de woestijn mocht verblijven. Dit zal voor sommigen een ware openbaring zijn. Dat was het voor mij in ieder geval wel.

Daniël heeft zeer gedetailleerde visioenen te zien gekregen en die zijn exact uitgekomen. Al kunnen we van mening verschillen over enkele details en de betrokken personen, de gebeurtenissen zijn overduidelijk met exacte tijdstippen en tijdsduur aangeduid. Al deze zaken hebben betrekking op de tumultueuze tijd van grote opschudding en ellende, maar ook van miraculeuze uitredding en voorzienigheid, in de laatste dagen van de Joodse tempel en de invloed van de wet.

Maar hoe zit het eigenlijk met dat mysterieuze wezen 'satan'? Wat was zijn rol in dit alles en wat zegt de Bijbel over de invloed van geestelijke wezens in de eindtijd?

VOLGENDE >

NAAR INDEX

2