24. Gelijkenissen en het Koninkrijk

De gelijkenissen (vergelijkingen) van Jezus hebben vaak iets met oordeel en de daaropvolgende komst van het Koninkrijk te maken. Het is niet de bedoeling om alle gelijkenissen hier helemaal te behandelen, maar ik wil wel enkelen ervan nader toelichten, die ons meer vertellen over de komst van het Koninkrijk. We kunnen veel leren van vergelijkingen, maar we moeten niet vergeten dat ze in eerste instantie door Jezus verteld werden aan de Joden van Zijn tijd. Ze hadden de sterke profetische lading vooral voor hen.

De leerlingen vroegen waarom Jezus sprak in gelijkenissen en in Mattheüs 13:11 vinden we Zijn antwoord: Hij zei dat de kennis (het begrijpen) van de geheimenissen van het Koninkrijk aan hen gegeven was. De gelijkenissen hadden te maken met het begrijpen en doorgronden van het Koninkrijk. De mensen die geen moeite deden om te doorgronden wat Jezus zei, zouden de betekenis missen, omdat ze het toch niet wilden begrijpen. Gelijkenissen vertellen ons iets in andere woorden. De woorden zijn beeldend bedoeld, spreekwoordelijk, figuurlijk of, met een mooi woord: allegorisch. En we moeten er enige moeite voor doen om ze te vatten. Vaak moeten we ook iets weten over de tijd en context waarin ze verteld werden.

Jezus vertelde bijvoorbeeld een gelijkenis met een zaaier in de hoofdrol (Mattheüs 13:1-23). Het zaad is een beeld van de woorden die Jezus sprak, Hijzelf was de Zaaier en de akker waarop het zaad gezaaid werd, is een beeld van Israël. Israël werd door profeten op meerdere manieren voorgesteld, zoals een kudde schapen, een (ontrouwe) vrouw, een huis, dieren van het veld of een akker (Jeremia 12). Een akker en een zaaier waren een heel normaal 'straatbeeld' in die tijd. Tegenwoordig gebeurt in de landbouw alles met machines, en dat gaat allemaal heel precies en efficiënt, maar in die tijd ging er veel meer zaad verloren. In de gelijkenis viel er zaad op ondiepe, steenachtige bodem - een beeld van de mensen die Zijn woorden wel hoorden, maar het deed ze niets en ze lieten het wegpikken door 'vogels' (mensen die hen aan het twijfelen brachten). Er was ook zaad dat op rotsen viel - een beeld van mensen die keihard en onverschillig waren en de woorden gelijk weer vergaten. Het woord kon geen wortel schieten en ging verloren. Er viel zaad tussen het onkruid - een beeld van mensen die de woorden wel hoorden, maar zich lieten beïnvloeden door zorgen of rijkdommen. En dan was er zaad dat in goede bodem viel. Daar droeg het vrucht en kwam het tot zijn recht. Kortom, Jezus wist dat niet iedereen Zijn woorden echt ter harte zouden nemen.

In Mattheüs 13:24-30 vertelt Jezus dat het Koninkrijk lijkt op een man die goed zaad had ingezaaid, maar dat er een vijand kwam die onkruid tussen het goede zaad zaaide. De man die het goede zaad gezaaid had, besloot het samen met het onkruid te laten opgroeien en beide gewassen na de oogst te scheiden. Het onkruid zou worden verbrand en de tarwe zou worden bijeengebracht in zijn schuur. Dit thema van groeien en bijeenbrengen zien we vaker terugkomen. Het gaat over het einde van het tijdperk van de wet en het begin van het Koninkrijk van God, dat klein zou beginnen en heel groot zou worden totdat het alles zou vervullen, zoals we zien in de gelijkenissen van het mosterdzaadje dat uiteindelijk een grote boom werd en het zuurdesem dat het hele deeg verzuurde in de verzen 31-33.

We zien in veel vertalingen het begrip 'einde van de wereld' terugkomen. Zoals we reeds zagen is dit niet altijd de meest begrijpelijke of fortuinlijke vertaling. Dat zien we goed wanneer Jezus de gelijkenis van het goede zaad en het onkruid uitlegt in Mattheüs 13:37-43. De oogst noemt hij daar letterlijk uit het Grieks vertaald: “de voltooiing van het tijdperk” (het begrip 'sunteleias tou aiónos', waar ik al eerder over schreef). De slechte mensen zouden in een 'vurige oven' terecht komen. Dit wordt enkele verzen later herhaald in de gelijkenis van het net. In dat net kwamen allerlei vissen terecht, goede en slechte. De slechte vissen werden weggegooid en in vers 50 zien we dat Jezus dit weer vergelijkt met de vurige oven waarin de onrechtvaardigen worden verbrand. Echter, het mooie is dat de 'rechtvaardigen zullen stralen als de zon', waarmee Jezus de woorden van Daniël 12:3 aanhaalt. Zo is er een direct verband te leggen tussen deze 'oogst' bij de voltooiing van het tijdperk en de 'opstanding van de doden'. Het laatste oordeel, de 3.5 jaar verdrukking worden vergeleken met een 'vurige oven' waarin de tegenstanders worden verbrand. Maar de rechtvaardigen zullen stralen als de zon in het nooit eindigende Koninkrijk van God, want volgens Daniël 2:44 zal het Koninkrijk van God in 'de eeuwigheden' (of 'tijdperken') bestaan. In Lukas 1:33 zegt de afgezant ook tegen Maria dat het Koninkrijk van haar Zoon geen einde zal kennen. De profetische lading van de gelijkenissen wordt meteen duidelijk, wanneer we zien dat Jezus beelden gebruikte uit profetieën die zijn toehoorders goed kenden. Maar ze zouden het alleen begrijpen als ze goed wilden luisteren en de diepere betekenis wilden doorgronden. Een goede kennis van de context is dus belangrijk.

Een interessant gedeelte in dit verband is Lukas 20:27-38, waar we zien dat Joodse leiders bij Jezus komen. Het waren Sadduceeën. Zij geloofden niet in de opstanding en wilden zien of ze Jezus klem konden zetten door Hem te vragen wie er bij de opstanding met een zekere vrouw getrouwd zou zijn, als zij daarvoor achtereenvolgens met 7 broers getrouwd was geweest die één voor één overleden waren. Het was volgens de Joodse wet voor de mannen namelijk verplicht om met de vrouw van hun broer te trouwen, mocht hij overlijden. Zo werd ervoor gezorgd dat de vrouw niet kinderloos zou blijven en dat ze er niet alleen voor zou staan als ze al kinderen had. De broer van haar overleden man was daarvoor verantwoordelijk. Zo werd tevens het voortbestaan van de familienaam gewaarborgd en de erfenis van de kinderen veilig gesteld, maar vooral ook het voortbestaan van het volk, de kinderen van God. De Sadduceeën dachten Jezus beet te hebben, want ja, als iedereen uit de dood zou opstaan was die vrouw met 7 mannen getrouwd; en dat mocht natuurlijk niet.

In vers 34-38 geeft Jezus ze een treffend antwoord, waarbij Hij de kern van de zaak aanpakt:

...De kinderen van dit tijdperk trouwen, en worden ten huwelijk gegeven; maar zij die waardig zullen worden bevonden om het komende tijdperk te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden; want zij kunnen niet meer sterven, omdat zij aan de afgezanten gelijk zijn; en zij zijn kinderen van God, omdat zij kinderen van de opstanding zijn. En dat de doden opgewekt worden, gaf Mozes aan bij de doornstruik, toen hij de Heer de God van Abraham, Izaäk en Jakob noemde. God nu is niet een God van doden, maar van levenden; want voor Hem leven zij allen.

Wederom zien we Jezus bevestigen dat er een tijdperk zou komen waarin mensen niet dood zijn maar leven, zelfs al zijn ze lichamelijk gestorven. Ze zouden opstaan uit de doden en kinderen van God worden. Ze werden dus geen kinderen van God (en daarmee deel van het koninkrijk van God) door te trouwen met leden van het volk van God (of met de broer van een overleden man). Ze werden deel van het nieuwe tijdperk door de opstanding uit de dood. Ze waren net als de afgezanten (in dit geval engelen, dienende geesten), deel van de geestelijke wereld van het Koninkrijk van Jezus.

Sommigen denken bij het lezen van dit gedeelte uit Lukas, dat we volgens Jezus in de hemel niet meer getrouwd zullen zijn, maar daar gaat het niet over. Deze tekst geeft op zich geen aanleiding om te geloven dat er in de hemel geen huwelijken meer zijn. Jezus heeft het hier namelijk niet over de hemel, maar over het geestelijke Koninkrijk dat komen zou. De Sadduceeën werden hiermee op hun nummer gezet, want zij veronderstelden dat het Koninkrijk zichtbaar gevestigd zou worden op aarde, met fysiek uit de dood opgewekte mensen. Jezus gaf ze een heel ander beeld van Zijn Koninkrijk. Mensen zouden worden als geestelijke wezens. Zelfs al zijn ze nog in een lichaam, ze zijn in de geest al bij God. Het lichaam kan sterven, maar de geest leeft en blijft voortbestaan.

Je zou kunnen samenvatten waardoor het Koninkrijk van God in ieder geval niet wordt bepaald:

Het Koninkrijk heeft innerlijke kenmerken zoals liefde, trouw, rechtvaardigheid, vrede en vreugde. Het is onzichtbaar en ontastbaar, maar kan wel ervaren worden waar mensen samenkomen. Het heeft God als Koning een hemelse stad en een geestelijke tempel. Er is geen geweld en geen rivaliteit. Niemand hoeft een plaats te verdienen, iedereen is welkom.

VOLGENDE >

NAAR INDEX

246