25. De aansprakelijkheid van de leiders

Jezus sprak in Mattheüs 21:33-43 over een wijngaard die verhuurd werd aan pachters. Dat was een beeld van Zijn volk Israël. God had het volk in handen van leiders gegeven. Hij stuurde dienstknechten om de rente in ontvangst te nemen, maar die werden één voor één slecht behandeld en weggestuurd. Dat waren de profeten waarover Jezus sprak toen Hij Jeruzalem beklaagde. Uiteindelijk zond de landeigenaar zijn zoon (een beeld van Jezus zelf), maar die werd door hen gedood. De gelijkenis kon haast niet duidelijker. Maar toch leek het of de omstanders het niet door hadden, want toen hen gevraagd werd wat de landeigenaar met die pachters zou doen, zeiden ze dat hij deze afschuwelijke mensen tot een afschuwelijk einde zou brengen. Jezus gaf hen daarop te kennen dat het Koninkrijk van hen zou worden afgenomen en gegeven zou worden aan een volk dat wél de vruchten ervan zou dragen. Hij vergeleek zichzelf (in vers 42) met een steen die door de bouwlieden was afgewezen, maar een hoeksteen werd (verwijzend naar Psalm 118:22). Petrus en Johannes hielden dit de Joodse raad nog eens voor (zie Handelingen 4:11) en in 1 Petrus 2:6 zien we dat dit om een profetie gaat die we vinden in Jesaja 28. Het is hoofdzakelijk een profetie met oordeel , maar een interessante zin is vers 5, waar staat dat God een glorieuze kroon zou zijn voor het restant van Zijn volk. Dat er een restant van Israël puur blijft, zien we ook weer terug in Openbaring hoofdstukken 7 en 14, in de vorm van een symbolische 12.000 uit elke stam van Israël (totaal 144.000), die wel trouw zijn gebleven. Dus ondanks de afwijzing zou er een restant van het volk overblijven; Israëlieten die de Steen wél zouden accepteren. Hoe groot deze groep werkelijk was, kunnen we niet bepalen (Johannes noemt het een grote menigte, die niemand tellen kan). Het getal 144.000 is een vermenigvuldiging van 12x12x1000 en dat heeft duidelijk de symbolische betekenis van 'heel veel', maar wel beperkt tot de betekenis van de getallen (12 stammen, 12 zendelingen en 1000 als symbool van 'veel')

In Mattheüs 22:1-14 (vergelijkbaar met de gelijkenis in Lukas 14:15-24) vinden we een Koninkrijk-gelijkenis waarin een koning een bruiloftsfeest voor zijn zoon voorbereidde. Hij zond dienaren uit om de uitgenodigde mensen op te halen, maar ze wilden niet komen. Ze behandelden de dienaren slecht en sommigen van hen werden zelfs gedood. Het is duidelijk dat Jezus hiermee weer zijn volksgenoten bedoelde, die de profeten hadden mishandeld en gedood. Hij hield met name de leiders verantwoordelijk. En in vers 7 vinden we de opmerkelijke woorden:

Toen de koning dat hoorde, werd hij boos, zond zijn legers, vernietigde de moordenaars en stak hun stad in brand.

Is dat niet precies wat er gebeurde in het jaar 70?

Vervolgens werd de uitnodiging naar iedereen gestuurd, niet alleen de genodigden. Vanaf dat moment was iedereen welkom in het Koninkrijk! We kunnen hierdoor wederom met zekerheid vaststellen dat de Koning het Koninkrijk kwam vestigen in de tijd dat de stad van de moordenaars in brand gestoken werd, zoals Jezus voorspelde. En Hij zou een nieuwe stad bouwen, met een nieuwe tempel, waarvan Hij de hoeksteen zou zijn.

VOLGENDE >

NAAR INDEX

244