26. Onverschilligheid

De gelijkenis van de dwaze en de wijze maagden lijkt te zeggen dat je maar een beetje vergeetachtig hoeft te zijn en je bent al niet meer welkom. Die gelijkenis vinden we in Mattheüs 25:1-13. Tien bruidsmeisjes gingen de bruidegom tegemoet. Dat was een van de Joodse huwelijksrituelen. Het werd donker en de bruidegom bleef langer weg dan verwacht. Vijf van hen hadden genoeg olie voor hun lampen om de nacht door te komen, maar de andere vijf hadden niet genoeg. Toen de bruidegom rond middernacht werd aangekondigd, gingen de lampen van de vijf dwaze meisjes uit. Ze moesten alsnog olie gaan halen en kwamen daardoor te laat op het bruiloftsfeest, alwaar ze door de bruidegom geweerd werden met de woorden: “Ik ken jullie niet”.

Dat lijkt wel heel bruut, maar waar we altijd goed op moeten letten is dat Jezus deze dingen niet tegen óns zei. Hij sprak tegen de Joden die om hem heen stonden. Ten tweede maakt deze gelijkenis deel uit van een serie verhalen die Jezus vertelde naar aanleiding van de vraag van Zijn leerlingen: wanneer komt dat einde en waar moeten we op letten? Dit was één van de dingen: waakzaamheid! Ze moesten 'olie in hun lampen' hebben. Als ze niet zouden opletten, zou het moment van de komst van de bruidegom hen overvallen. De 'dwaze meisjes' (de niet-waakzame Joden) waren onverschillig en kenden de bruidegom niet, zo blijkt uit de laatste woorden van deze gelijkenis. Ze leefden in de duisternis en hadden geen behoefte om zich te vullen met het licht van inzicht en kennis en de waarheid van de Heilige Geest (de olie in hun lamp). Daardoor misten ze het cruciale moment. De oplettende en waakzame Joden konden wel naar binnen. Zij hadden wel goed opgelet en geluisterd naar de instructies. Olie is in de Bijbel vaker een beeld van de Heilige Geest van God. Jezus maakte elders heel duidelijk dat het afwijzen van die Heilige Geest een doodzonde was (Mattheüs 12:31). Want alleen Hij kon hen vervullen met het licht van God dat ze zo hard nodig hadden.

We zien hetzelfde thema van onverschilligheid weer terugkomen in de volgende gelijkenis, in Mattheüs 25:14-30. Drie werknemers kregen geld om iets mee te doen terwijl hun baas op reis was. Eén van de drie kreeg veel minder dan de andere twee en vond dat niet eerlijk. Afgunstig begroef hij het geld en deed er niets mee. Bij de terugkomst van zijn baas gaf hij het geld gewoon weer terug, met een paar schampere opmerkingen over het karakter van zijn baas. Dat was de houding van veel Joden die Jezus voor zich had en op deze manier wilde Hij ze laten nadenken. Degenen die het wilden horen, zouden het begrijpen. Natuurlijk kunnen wij er ook van leren en is de waarschuwing tegen onverschilligheid universeel. Dus we kunnen dit zeker ter harte nemen. Maar laten we niet vergeten dat Jezus in de eerste plaats het welzijn van zijn volksgenoten voor ogen had.

Als laatste in deze specifieke serie gebruikte Jezus het voorbeeld van het scheiden van de 'schapen en de bokken'. De zachtmoedige, gehoorzame, oplettende toehoorders en de bokkige, ongehoorzame, onverschillige mensen (Mattheüs 25:31-46). Het centrale thema was weer: onverschilligheid. Daar tegenover stonden zij die de woorden van Jezus wél serieus namen en Zijn komst en het Koninkrijk actief verwachtten. Die zouden de armen voeden en zieken en gevangenen bezoeken. Jezus zei dat alles wat ze voor 'de minsten' zouden doen, eigenlijk voor Hem deden. En als ze niet voor armen, asielzoekers, zieken en gevangenen zouden zorgen, Hij het zou zien alsof ze Hém negeerden.

Trouw en barmhartigheid, dat waren dingen die bij het Koninkrijk hoorden en uiteraard zijn dat dingen die er nog steeds bij horen. Ik krijg wanneer ik over deze dingen spreek namelijk wel eens de tegenwerping: “maar wat blijft er dan voor óns over, als alles al in de eerste eeuw gebeurd is?” Nou, wat er voor ons overblijft is geen overblijfsel, maar juist álles wat God altijd al wilde geven. En daarmee is Hij nog lang niet klaar. Dit zal ik later verder toelichten.

Nog een belangrijke gelijkenis die betrekking had op het komende Koninkrijk vinden we in Lukas 13:6-9. Het gaat om een vijgenboom die geen vrucht draagt. De vijgenboom was van oudsher een beeld van Israël, dus de toehoorders wisten waar het over ging. De boom had drie jaar geen vrucht gedragen en moest maar omgehakt worden, maar de tuinier vroeg om uitstel. Hij zou de boom nog een jaar goed verzorgen en als hij dan nog geen vrucht zou dragen zou de boom worden omgehakt. Hieruit blijkt dat God genadig is, maar we zien ook weer dat er een grens is. Het houdt een keer op. En het volk kreeg niet slechts één jaar, maar wel 40 jaar de tijd om zich te bekeren.

VOLGENDE >

NAAR INDEX

244