27. De terugkeer van de Koning

Naast het terugkerende thema van de onverschilligheid, zien we ook het thema van de heer, landeigenaar of koning die een poosje weggaat. Zo ook in Lukas 19:11-17. Hier zien we een man van hoge afkomst die naar een ver land trok om koninklijke waardigheid in ontvangst te nemen. Jezus vertelde deze gelijkenis, omdat de Joden verwachtten dat Hij op het punt stond Zijn Koninkrijk te vestigen. Maar om ze een teleurstelling te besparen, liet Hij regelmatig weten dat de komst van het Koninkrijk anders in vervulling zou gaan dan ze dachten. Een belangrijk aspect was dat ze waakzaam moesten zijn omdat Hij zou komen als 'een dief in de nacht' en 'plotseling'. Hij zei dat het in hun generatie zou zijn en dat sommigen die daar stonden niet zouden sterven voordat het zou gebeuren (dit heb ik al eerder behandeld). Maar ze moesten er ook rekening mee houden dat het wel eens langer zou kunnen duren dan ze dachten.

Het was in die tijd geen vreemde zaak dat een troonopvolger eerst naar Rome afreisde om de bevoegdheid te ontvangen van de keizer. Dat beeld gebruikte Jezus toen Hij sprak over het naar de hemel gaan en weer terugkomen als Koning in Zijn Koninkrijk. In de gelijkenis van de edelgeboren man (die erg veel lijkt op de gelijkenis in Mattheüs 25:14-30, waar drie werknemers het geld van hun meester mochten beheren) laat Hij tien dienaren achter die er vervolgens ook een potje van maken. Zij lieten zelfs duidelijk weten dat ze hun heer niet terug hoefden. Ze wilden niet dat hij koning over hen werd. De strekking van de gelijkenis is verder helemaal hetzelfde, maar de accenten liggen iets anders. Hier zien we de houding van de mensen die Jezus zou achterlaten. Sommigen zouden goed hun best doen en Hem oprecht terugverwachten, anderen zouden dat niet doen en zelfs openlijk te kennen geven dat ze Hem liever niet als Koning wilden zien terugkomen. Helaas liep het ook voor hen niet best af. Ze moesten het met de dood bekopen. Wederom een ernstige waarschuwing voor Zijn toehoorders. Jezus wist dat er velen zouden zijn die Hem niet zouden accepteren en een aantal verzen verderop (42-44) zien we dan ook dat Hij het volgende uitroept, wanneer Hij uitkijkt over Jeruzalem:

Ach, als u toch zou erkennen dat deze dag tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een barricade rondom u zullen opwerpen, ze zullen u omsingelen en u van alle zijden in het nauw drijven; ze zullen u met de grond gelijk maken, en uw kinderen in u; en zij zullen in u niet één steen op de anderen steen laten; omdat u de tijd van uw bezoeking niet erkend hebt.

Dat was een hoofdthema van veel gelijkenissen die Jezus vertelde. Ze erkenden Hem niet. Ze wilden Hem niet als Koning. Het gevolg zou zijn dat er vijanden zouden komen. Legers zouden Jeruzalem omsingelen en er zou niets overblijven van die glorieuze stad. Om Zijn woorden kracht bij te zetten, zo verhaalt Lukas verder, ging Hij de tempel in en begon de mensen die daar handel bedreven eruit te jagen, met een schreeuw uit het diepst van Zijn hart waarmee alle boosheid en teleurstelling in één emotionele uitbarsting naar boven kwam: “Dit is een huis van gebed! En jullie hebben er een rovershol van gemaakt!”

Een gelijkenis van eigenlijk maar 1 woord. De tempel was een 'rovershol' geworden. Maar daarmee was wel alles gezegd.

Jezus was zo gepassioneerd omdat Hij wist wat er zou gaan gebeuren. Hij moet hier ongetwijfeld gedacht hebben aan de tijd dat de tempel steen voor steen afgebroken zou worden en dat daarbij veel mensen zouden omkomen. (De gruwelijke details vinden we in de boeken van Flavius Josephus, De Joodse Oorlog, boek 5 en 6.)

VOLGENDE >

NAAR INDEX

244