28. De maat is een keer vol

Je zou kunnen zeggen dat Openbaring 16 een uitwerking is van de aangekondigde wraak op die slechte en onverschillige onderdanen waar Jezus over sprak in Zijn gelijkenissen. Het wordt ook wel “De schalen van Gods toorn” genoemd. Het Griekse woord 'thumou' betekent woede, withete, briesende boosheid. Een soort woede die alleen bestaat wanneer het uiterste punt bereikt is, wanneer de maat vol is en je jezelf niet meer kunt inhouden. Er moet actie ondernomen worden. Zoals Jezus meerdere keren in de gelijkenissen laat zien dat het doden van apostelen (dat betekent letterlijk 'gezondenen'), profeten en uiteindelijk de Zoon een keer gewroken moest worden.

Het woord voor 'schaal' (Grieks: fialé) komt alleen in Openbaring voor. Het wordt 12 keer gebruikt, waarvan 8 keer in hoofdstuk 16. De schalen worden voor het eerst geïntroduceerd in Openbaring 5:8

En toen Het [Lam] dat boek genomen had, vielen de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten voor het Lam neer. Ze hadden harpen en gouden schalen, vol reukwerk. Dat zijn de gebeden van de heiligen.

Deze gebeden worden nogmaals genoemd in Openbaring 8:1-5, samen met het beeld van reukwerk dat ook direct te maken heeft met gebeden van de heiligen:

En toen Het [Lam] het zevende zegel geopend had, werd het stil in de hemel, ongeveer een half uur. En ik zag de zeven afgezanten, die voor God stonden; en hun werden zeven bazuinen gegeven. En er kwam een andere afgezant, die bij het altaar ging staan. Hij had een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerk gegeven, opdat hij het met de gebeden van alle heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon staat. En de rook van het reukwerk, met de gebeden van de heiligen, ging op van de hand van de afgezant voor God. En de afgezant nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur van het altaar, en wierp het op de aarde; en er kwamen geluiden, donderslagen, bliksems en een aardbeving.

De rest van dat hoofdstuk belicht de verschillende vormen van oordeel die over het land zouden komen als gevolg van die gebeden. Die 'gebeden van de heiligen' in combinatie met dat altaar, noemde Johannes al eerder in Openbaring 6:9, waar duidelijk wordt wie deze gebeden voor de troon brachten:

En toen Het [Lam] het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen van hen, die gedood waren om het Woord van God, en om het getuigenis dat zij hadden. En zij riepen met luide stem: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet bij hen die op de aarde wonen? En aan een ieder werd lange witte klederen gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een korte tijd rusten zouden, totdat ook het getal van hun mededienstknechten en hun broeders vol zou zijn, die gedood zouden worden, zoals zij.

Zie je de sterke overeenkomst met de wraak die Jezus aankondigde over hen die het bloed van de profeten en apostelen aan hun handen hadden? Wederom wordt gezegd dat het nog een korte tijd zou duren, totdat de maat helemaal vol zou zijn. De martelaren onder het altaar moesten nog een korte tijd wachten. We zien hier ook een overbekend spanningsveld. Wij denken vaak dat God maar snel moet reageren, want wij vinden het wel welletjes. Maar God is geduldig en genadig, totdat in Zijn ogen de slechte mensen genoeg gewaarschuwd zijn, ze genoeg de kans hebben gehad om zich te bekeren.

En dan, in Openbaring 16 is het zover: de gebeden worden verhoord. De schalen vol met reukwerk worden uitgegoten over het land. De slechte dienaren, de onverschillige, kwaadaardige en moordlustige landeigenaren worden gestraft. De Koning stuurt zijn legers en maakt een einde aan hun bewind.

Opmerkelijk is hier dat de schalen een sterke gelijkenis vertonen met de plagen die over Egypte kwamen! We lezen in Openbaring 11:8 over de grote stad, "die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook onze Heer gekruisigd is." Dat is Jeruzalem. Het is duidelijk dat Johannes hier schrijft over het oordeel over Jeruzalem, de stad die geestelijk gelijk is geworden aan Egypte en daarom ook de 'exodusplagen' van Egypte over zich heen krijgt.

Als we opmerkzaam lezen, zien we dat bij de voorafgaande bazuinen het oordeel slechts gedeeltelijk is. Bij de bazuinen wordt slechts een derde deel van het land getroffen, maar bij het uitgieten van de schalen is het oordeel volkomen. Het hele land wordt getroffen. Dat was het effect van het gebed van de heiligen onder het altaar.

Aan het einde van hoofdstuk 16 wordt nog eens door Jezus benadrukt dat Zijn mensen moeten opletten, want Hij komt 'als een dief in de nacht', waar Hij ook tijdens zijn bediening op aarde voor waarschuwde (o.a. Mattheüs 24:43). De legers worden genoemd, waarin we wederom de waarschuwing van Jezus terugzien dat ze moesten vluchten als ze de legers zouden zien aankomen (de gruwel die verwoesting brengt). En dan is het voorbij. We zien dat de grote stad, Jeruzalem, hier Babylon genoemd, in drie stukken uiteen viel en bekogeld werd met de eerder besproken hagelstenen van 1 talent; de stenen waarmee de Romeinen Jeruzalem bekogelden in het jaar 70. Kortom, in Openbaring 16 zien we de vervulling van de waarschuwing van Jezus: dat het moordlustige Jeruzalem op een gruwelijke wijze aan haar einde zou komen. En dat was in het jaar 70.

Maar, zul je zeggen, het lijkt in Openbaring 16 wel alsof de hele wereld eraan gaat. We zullen dat gevoel van grootschaligheid nog iets verder uitdiepen in het volgende hoofdstuk.

VOLGENDE >

NAAR INDEX

242