Het is tijd!

Jezus kwam met een specifiek doel: het vestigen van Zijn Koninkrijk, met alles wat daarbij kwam kijken. Net zo belangrijk als dit uiteindelijke doel, was het tijdsbestek. God had een tijd bepaald en die tijd was beperkt, zoals we zullen zien in dit hoofdstuk.

Jezus sprak regelmatig over de spoedige komst van het Koninkrijk. Het Koninkrijk was al daar waar Hij was, zoals we kunnen lezen in Mattheüs 12:28. Mensen konden dat namelijk zien aan het feit dat er demonen uitgedreven werden, dat lammen gingen lopen en blinden gingen zien. Hij deed daar al het het werk van de Koning, maar er moesten nog een aantal dingen gebeuren voordat Hij het Koninkrijk daadwerkelijk in ontvangst kon nemen. Een gegeven dat we in veel van Zijn vergelijkingen terug zien komen. De timing van de komst van het Koninkrijk is iets dat de context bepaald voor veel gebeurtenissen die er omheen zouden plaatsvinden.

De context is de totale omgeving waarin iets zijn betekenis krijgt. Hierbij kan zowel letterlijk 'tekst' worden bedoeld als een situatie of betrokken personen. De context van de Bijbel is dus de gehele tekst, maar ook de achtergronden van die tekst, de tijd waarin het zich afspeelt en de gebeurtenissen zelf. Wanneer we de Bijbel willen begrijpen, zullen we dat eerst goed voor ogen moeten hebben. Het speelde zich allemaal af in een bepaalde tijd, onder mensen met een specifiek referentiekader. Het gaat hier om teksten die bijna 2000 jaar oud zijn, of ouder, wanneer het om profetieën uit het Oude Testament (de Joodse Tenach) gaat. En de eerste keer dat het Koninkrijk genoemd wordt in het Nieuwe Testament, is wanneer Johannes de doper het aankondigt met de woorden die we vinden in Mattheüs 3:2:

Bekeer u, want het Koninkrijk van de hemelen is dichtbij gekomen.

Jezus zei hetzelfde in Mattheüs 4:17.

Van toen af aan begon Jezus te prediken en te zeggen: “Bekeer u, want het Koninkrijk van de hemelen is dichtbij gekomen.“

En in Mattheüs 16:27-28 zei Hij het volgende, om duidelijk te maken dat het niet al te lang meer zou duren voordat Hij zou komen, om daadwerkelijk als Koning te worden aangesteld:

Want de Mensenzoon zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met Zijn afgezanten, en dan zal Hij iedereen vergelden naar zijn daden. Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen die hier staan, die de dood niet zullen proeven, totdat zij de Mensenzoon zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.

Sommigen van hen die daar stonden zouden niet sterven, voordat ze Jezus hadden 'zien komen in Zijn Koninkrijk'. Anderen zouden dus al gestorven zijn. Dat betekent dat het niet direct daarna kon zijn, maar ook dat het niet veel meer dan een generatie kon duren, voordat Jezus zou komen in de heerlijkheid van Zijn Vader. En dat is ook precies wat Jezus zei in Mattheüs 24:34:

Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.

Dat zei Jezus naar aanleiding van de vraag van Zijn leerlingen in Mattheus 24:3:

Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en wat zal het teken zijn van Uw komst en van de voltooiing van het tijdperk?

(De 'voltooiing van het tijdperk' is een letterlijke vertaling uit het Grieks. Hier ga ik later dieper op in.) Deze vraag kwam van mensen die leefden in de eerste eeuw van onze jaartelling, in Israël. Een land dat overheerst werd door de Romeinen. Een overheersing waar die mensen maar al te graag van verlost wilden worden. Ze zagen in Jezus dan ook een man die deze verlossing zou kunnen brengen, in de vorm van een opstand en een machtsovername. Maar in plaats daarvan zei Jezus iets dat ze helemaal niet wilden horen. Jezus zei namelijk dat hun geliefde tempel helemaal met de grond gelijk gemaakt zou worden, en dat Jeruzalem vernietigd zou worden! Dat het tijdens dat geslacht (in die generatie) heeft plaatsgevonden, is ondertussen geschiedenis, want we weten dat Jeruzalem in het jaar 66 door de Romeinen belegerd werd en dat de tempel in het jaar 70 volledig vernietigd is. Later meer hierover; op dit moment wil ik slechts de context schetsen. (Ik hoor wel eens zeggen dat de tempel niet helemaal vernietigd is, omdat de klaagmuur er nog staat. Deze muur maakte echter deel uit van de ommuring van het tempelcomplex en niet van de tempel zelf, dus kunnen we nog steeds zeggen dat de tempel helemaal vernietigd is. De andere muren die nu overeind staan zijn in de 16e eeuw door de Ottomaanse Sultan Suleyman als een teken van zijn macht en welgezindheid herbouwd; deels op de oude resten van de vernietigde muren.)

Sommigen denken dat de term 'dit geslacht' betrekking heeft op het Joodse 'ras' of zelfs alle Israëlieten door de eeuwen heen, maar dat komt niet overeen met de uitspraak van Jezus dat het zou plaatsvinden tijdens het leven van sommigen die daar stonden.

Overigens wordt in Mattheüs 24:34 het Griekse woord genea gebruikt, dat generatie betekent. Als het om 'soort' of 'ras' ging had er genos gestaan.

Nog een belangrijke tijdsindicatie vinden we in Mattheüs 10:23:

Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vlucht naar de andere; want voorwaar zeg ik u: U zult uw reis door de steden van Israël niet geëindigd hebben, voordat de Mensenzoon gekomen zal zijn.

Hij sprak tegen de mensen om Hem heen, wat blijkt uit de woorden 'u' en 'uw'. En zij zouden nog niet eens heel Israël rondgegaan zijn, voordat de Mensenzoon kwam. Dit betekent ook dat Jezus zich (in ieder geval in eerste instantie) richtte op Israël en niet op de rest van de wereld. Dit bevestigde Hij onder andere toen er een Kanaänitische vrouw bij Hem kwam om te vragen of Hij haar bezeten dochter wilde genezen (Mattheüs 15:24):

Ik ben niet gezonden, anders dan tot de verloren schapen van Israël.

Waar het om gaat is de context en dat is het Israël in de eerste eeuw. Dit vinden we tevens bevestigd in het boek Openbaring, waar Jezus dingen zei die duidelijk voor de mensen in die tijd bedoeld waren. Waarom zou je mensen bemoedigen en zeggen dat het niet lang meer zal duren, als dat helemaal niet zo zou zijn? Johannes moest het volgende doorgeven (Openbaring 1:1-3):

Openbaring van Jezus de Gezalfde, die God Hem gegeven heeft om Zijn dienstknechten te laten zien wat spoedig moet geschieden, en Hij heeft die door Zijn afgezant gezonden en aan Zijn dienstknecht Johannes te kennen gegeven. Deze heeft van het Woord van God getuigd en van het getuigenis van Jezus de Gezalfde, alles wat hij gezien heeft. Zalig is hij die leest en zijn zij die horen de woorden van de profetie, en die in acht nemen wat daarin geschreven staat, want de tijd is nabij.

Verderop wordt dit nogmaals gezegd (Openbaring 3:11):

Zie, Ik kom spoedig; houd vast wat u hebt, opdat niemand uw kroon neme.

En nog drie keer (in Openbaring 22:7, 12 en 20):

Zie, Ik kom spoedig; gelukkig is hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart.

En zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is met Mij, om een ieder te vergelden naar zijn werken.

Die deze dingen getuigt zegt: Ja, Ik kom spoedig.

De andere schrijvers van het Nieuwe Testament waren al even duidelijk in hun bewoordingen over het spoedig naderende einde van het oude en de komst van het nieuwe: het Koninkrijk van God en Jezus de Gezalfde.

Jacobus sprak over de laatste dagen waarin zij leefden, dat de komst van de Heer nabij was en dat 'de Rechter' voor de deur stond (Jacobus 5:3,7-9 ):

... u hebt schatten vergaderd in de laatste dagen... Dus wees geduldig, broeders, tot de komst van de Heer. Kijk, de landman wacht de kostelijke vrucht van het land geduldig af,... Weest u ook geduldig, versterk uw harten; want de komst van de Heer is nabij. Zucht niet tegen elkaar, broeders, opdat u niet veroordeeld wordt; kijk, de Rechter staat voor de deur.

Dit zijn woorden met een zeer verwachtingsvol karakter. Zo zien we in de brief aan de Hebreeën ook dat de schrijver Jezus zeer spoedig verwachtte (Hebreeën 1:1, 9:26 en 10:37):

God, voortijds vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon;

...maar nu is Hij eenmaal in de voleinding van de tijden geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijn offer.

Want: Nog een zeer korte tijd en Hij, Die op het punt staat te komen, zal komen, en niet op zich laten wachten.

We lezen dat Paulus in 1 Korinthiërs 10:11 zegt:

En deze dingen zijn hen allemaal overkomen tot een voorbeeld voor ons; en zijn beschreven tot waarschuwing aan ons, op wie het einde van de eeuwen is gekomen.

Petrus in 1 Petrus 1:20:

Die van tevoren gekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden ter wille van u,...

En 1 Petrus 4:7:

Het einde van alle dingen is nabij, wees dan nuchter, waak en bid.

Johannes (in zijn brief 1 Johannes, hoofdstuk2, de verzen 18-20):

Kinderen, dit is het laatste uur; ...

Een 'uur' is niet echt gedefinieerd in deze context, maar het is in ieder geval geen hele lange tijd.

Tot slot Judas 17 en 18:

Maar geliefden, denkt u aan de voorspelling van de apostelen van onzen Heere Jezus de Gezalfde; Dat zij u gezegd hebben, dat er in de laatste tijd spotters zullen zijn, die naar hun goddeloze begeerlijkheden zullen wandelen.

Hiermee impliceert hij dat zijn lezers (de 'geliefden') moesten uitkijken voor de spotters die in 'de laatste tijd' zouden komen. De tijd die door Petrus 'deze laatste tijd' genoemd werd. De schrijver van de Hebreeënbrief sprak van 'deze laatste dagen' en Johannes van 'dit laatste uur'. Deze waarschuwing was voor mensen van die tijd, voor degenen aan wie de brief geadresseerd was.

Conclusie: alle schrijvers van het Nieuwe Testament waren er van overtuigd dat ze vlakbij 'het einde' waren en middenin 'de laatste tijd', 'de laatste dagen' en 'het laatste uur' zaten. De rechter, Jezus, stond op het punt te komen om Zijn Koninkrijk te vestigen! De teksten die hierboven genoemd zijn, laten stuk voor stuk zien dat men in die tijd, in de eerste eeuw van onze jaartelling, verwachtte dat Jezus spoedig zou komen. Er zijn nog veel meer teksten te noemen, maar op dit punt wil ik slechts laten zien dat elke schrijver minstens één keer te kennen gaf dat het niet lang meer zou duren en dat ze middenin de afrondingsfase zaten.

In het Nieuwe Testament zullen we geen andere tijdsaanduidingen voor de komst van Jezus vinden, dan spoedig, aanstaande, weldra en dergelijke. De context is het Israël tijdens de Romeinse overheersing, vanaf de bediening van Jezus de Gezalfde, tot aan 'het einde', dat niet lang op zich zou laten wachten. Er wordt naar mijn weten nergens de indruk gewekt dat het nog duizenden jaren zou kunnen duren, voordat het aangekondigde Koninkrijk zou aanbreken. Het oude zou spoedig voorbij gaan, in die tijd, in de eerste eeuw van onze jaartelling. Dat was de context waarin het Nieuwe Testament geschreven is. Het komende oordeel zou een einde maken aan het oude en het nieuwe zou spoedig komen. Dit lezen we in veel profetieën, het wordt veel aangehaald door de schrijvers van het Nieuwe Testament.

218