31. Offers en rituelen

Openbaring 21 spreekt over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Wanneer het oude vernietigd was, kon het nieuwe volledig tot zijn recht komen. God wilde onder de mensen wonen en in hun midden zijn, maar zolang mensen nog vasthielden aan een aards systeem van offers en rituelen, was daar geen ruimte voor. Het is niet voor niets dat God in frustratie uitroept (Amos 5:21-24):

Zal dan niet de dag van Jahweh duisternis zijn, en geen licht? En donkerheid, zodat er geen glans aan is? Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik wil uw samenkomsten niet ruiken. Want ofschoon u Mij brandoffers en spijsoffers offert, heb Ik er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten kan Ik niet aanzien. Doe het getier van uw liederen van Mij weg; ook wil Ik uw harpspel niet horen. Maar laat recht zich daarheen wenden als water, en gerechtigheid als een sterk stromende beek.

Zie ook Hebreeën 10:5, 6, 10 en 14, waar Psalm 40 wordt aangehaald, met ongeveer dezelfde strekking:

Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt U niet gewild (...Brandoffers en offer voor de zonde hebben U niet behaagd...), maar U hebt Mij het lichaam toebereid; In welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande van het lichaam van Jezus de Gezalfde, eenmaal geschied. Want met één offer heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.

Israël kon alleen recht en gerechtigheid vinden in dat éne offer van Jezus de Gezalfde. In Hem en door Hem werd het oude afgebroken en is het nieuwe gekomen. Na het brengen van het offer, kwam Hij ook nog eens terug om de oude offerplaats letterlijk en definitief af te breken, door middel van een buitenlands leger. In Jezus is het oude voorbijgegaan en het nieuwe gekomen (2 Korinthiërs 5:17):

Zo is dan iemand die in de Gezalfde is een nieuw schepsel geworden; het oude is voorbijgegaan, kijk, alles is nieuw geworden.

Jezus maakte ook heel duidelijk dat er voor Hem geen tijd zou zijn voor vreugde en feest, totdat Hij Zijn Koninkrijk zou vestigen en het grote bruiloftsfeest gevierd kon worden. Het vooruitzicht van het oordeel over Jeruzalem woog zwaar op Zijn hart. Tijdens het laatste avondmaal dat Hij met Zijn leerlingen had, zei Hij het volgende (Mattheüs 26:29):

Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van mijn Vader.

Marcus zegt het ongeveer op dezelfde manier, maar Lukas verwoordt het iets anders (22:16-18):

Want Ik zeg u, dat Ik het voorzeker niet meer eten zal, voordat het vervuld is in het Koninkrijk van God. En Hij nam een beker op, sprak de dankzegging uit en zei: Neem deze en laat hem bij u rondgaan. Want Ik zeg u, Ik zal van nu aan zeker niet van de vrucht van de wijnstok drinken, voordat het Koninkrijk van God gekomen is.

We hebben gezien dat het Koninkrijk gekomen is in de tijd van de Romeinse overheersing en na het vernietigen van de tempel. Het avondmaal vond plaats tijdens het paasfeest en was een herinnering aan de uittocht uit Egypte. Dat Jezus niet meer zou drinken tot de komst van het Koninkrijk, lijkt aan te geven dat er een periode van rouw zou zijn. Pas na alle ellende zou er weer echte vreugde zijn. Het oude moest voorbij gaan. Maar toen het voorbij was, begon het feest. Ik denk dat wij met het ware Israël, met de Koning van alle koningen, met de Heer van alle heren die nieuwe wijn drinken.

VOLGENDE >

NAAR INDEX

240