32. De bruid en de hoer

De laatste hoofdstukken van de Bijbel zijn veelzeggend. In Openbaring 19 wordt de bruiloft van het Lam wordt genoemd en Jezus vergelijkt de komst van het Koninkrijk met een koning die voor zijn zoon een bruiloft aanrichtte (Mattheüs 22). Daarin zie ik een aantal overeenkomsten. De mensen in de gelijkenis wilden niet naar de bruiloft komen, tot grote ontsteltenis van de koning. Maar er was een uitnodiging uitgegaan door het hele land om mensen te verzamelen die wel wilden komen, want de bruiloft moest doorgaan. We zien een ongehoorzaam en ernstig afgedwaald volk dat liever afgoden diende en niet inging op Gods uitnodiging voor de bruiloft van Zijn Zoon.

In Mattheüs 21 zien we dat Jezus in een verhaal over onrechtvaardige landeigenaren een vergelijking trekt met de Joodse leiders, die uiteindelijk zelfs de zoon van de koning doodden. Daarmee was de maat vol. God liet hen doden en stak hun stad in brand, wat ook daadwerkelijk gebeurde toen de Romeinen in het jaar 70 Jeruzalem vernietigden. Een zeer betreurenswaardige gebeurtenis.

In Openbaring 17, 18 en 19 zien we vergelijkbare taferelen, waarvan ik hier een globaal overzicht geef, om het totaalplaatje goed in beeld te krijgen en niet te verdwalen in de details:

Er wordt een vrouw beschreven. Ze wordt 'de grote hoer' genoemd (hoer betekent een ontrouwe vrouw, zoals ik eerder liet zien) ; bekleed met purper en scharlaken, versierd met goud, edelstenen en parels. Is het overigens niet opmerkelijk dat deze sieraden ook gezien worden bij het nieuwe Jeruzalem? Maar déze vrouw is alleen maar van buiten mooi; het is schijn. Van binnen zit ze vol ongerechtigheid. Ze is dronken van het bloed van de heiligen en de getuigen van Jezus, waarover we het in een eerder hoofdstuk uitgebreid hebben gehad. Ze wordt ook 'het grote Babylon' en 'de grote stad' genoemd. De 'grote stad' die eerder, in Openbaring 11:8, geestelijk 'Sodom' en 'Egypte' wordt genoemd, waar ook de Heer (Jezus) gekruisigd is. Het oude, overspelige Jeruzalem. Er wordt een klaagzang over haar aangeheven. Maar de zendelingen en profeten mogen blij zijn. Waarom? Omdat hun bloed gewroken wordt. Hun bloed dat vloeide in die stad, die zo vaak gehoereerd had met de koningen van de volken. God wordt geprezen, omdat Hij een rechtvaardig oordeel over deze stad brengt en omdat Hij het bloed van Zijn dienaren van haar geëist heeft.

VOLGENDE >

NAAR INDEX

244