Wie, wat, waar?

Om de Bijbel goed te kunnen begrijpen is het dus belangrijk om te zien waar en wanneer de tekst geschreven is. Maar net zo belangrijk als de context is de doelgroep; je moet uitzoeken aan wie het geschreven is en waarom. Hoe begrepen die mensen de tekst? Er zijn veel dingen die wij vandaag de dag anders zien of anders begrijpen. Zo kunnen er specifieke bewoordingen zijn die de schrijver gebruikte. Waren er misschien bepaalde uitdrukkingen die zij toen gebruikten, waar wij eerst kennis van moeten nemen? We willen er niet onze eigen draai aan geven, maar we willen weten wat de schrijver bedoelde. En wat staat er eigenlijk in de oorspronkelijke taal? Wat begrepen de mensen in die tijd wanneer er een bepaald woord gebruikt werd?

Zo krijgen we de volgende aandachtspunten bij het lezen van teksten:

Context – waar en wanneer is het geschreven?

Doelgroep – aan wie is de tekst gericht en wat kunnen we daarvan leren?

Bewoordingen – zitten er bepaalde zegswijzen, of woordspelingen in die niet letterlijk vertaald kunnen worden, of anders begrepen moeten worden?

Oorspronkelijke taal – wat zijn de betekenissen van de woorden en wat is dan de juiste vertaling? Een vraag die ik altijd stel is deze: kan de schrijver het ons zelf uitleggen? Zijn er andere plaatsen waar hij dezelfde woorden gebruikt?

De context is in het vorige hoofdstuk bepaald. Laten we nu aan de hand van een voorbeeldtekst eens kijken naar doelgroep, bewoordingen en de taal. Ik gebruik hiervoor een gedeelte uit 1 Thessalonicenzen 4.

Doelgroep

Natuurlijk kunnen we van teksten uit de Bijbel iets leren en het toepassen op ons eigen leven, maar bij het vinden van de bedoeling van de schrijver is het bepalen van de doelgroep sterk van invloed. Een belangrijk onderdeel van de verwachting van de nieuwtestamentische schrijvers is bijvoorbeeld de term 'opstanding van de doden'. De doden zouden worden opgewekt en altijd bij Jezus zijn. Hierbij moeten we ook goed in de gaten hebben dat het in het Nieuwe Testament bij 'doden' over het algemeen niet om fysieke doden gaat, maar om geestelijke doden. Paulus schreef er veel over, in o.a. 1 Korinthiërs, Romeinen 5-8, Efeziërs 2, Kolossenzen 2 en 1 Thessalonicenzen. In de brief aan de Thessalonicenzen is hoofdstuk 4 een gedeelte dat mijns inziens een aantal van de meest controversiële en verkeerd begrepen verzen bevat. Veel mensen betrekken deze verzen namelijk op de christenen van vandaag. Paulus sprak in die brief echter niet over ons, maar over wij en u (hijzelf, de andere apostelen en de Thessalonicenzen). Het is duidelijk dat hij verwachtte dat zij die opstanding op korte termijn zouden meemaken en hij wilde hen daarmee bemoedigen. Bekijk 1 Thessalonicenzen 4:13-18 eens in dat licht:

Doch, broeders, ik wil niet, dat u onwetend bent ten aanzien van degenen die ontslapen (gestorven) zijn, opdat u niet bedroefd bent, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, evenzo zal ook God degenen die ontslapen zijn in Jezus, meebrengen met Hem. Want dat zeggen wij u door het Woord van de Heer, dat wij, die levend zullen overblijven tot de komst van de Heer, degenen die gestorven zijn niet zullen voorgaan. Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van een belangrijke afgezant (in het Grieks: archangelos), en met de bazuin van God nederdalen vanuit de hemel; en die in de Gezalfde gestorven zijn, zullen eerst opstaan; Daarna zullen wij, die levend overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd bij de Heer zijn. Zo dan, vertroost elkaar met deze woorden.

Door verschillende vertalingen en interpretaties is deze tekst iets heel anders gaan betekenen dan wat Paulus er mijns inziens mee bedoelde.

Er zijn velen die in deze tekst een plotselinge 'opname' van gelovigen zien, ergens in onze (nabije) toekomst. Velen zouden dan letterlijk uit graven komen, opstijgen in de lucht en daar een ontmoeting hebben met de Heer. Wereldwijd zouden deze opgewekte gelovigen door miljoenen christenen gevolgd worden om ook Jezus in de lucht te ontmoeten en vervolgens met Hem naar de hemel te gaan. Dit zou dan gepaard gaan met een gigantisch rampenscenario, omdat bijvoorbeeld plotseling vele auto's en vliegtuigen zonder bestuurder zouden zitten, mensen die sterven op de operatietafels omdat chirurgen ineens weg zijn, baby's die uit hun bedjes verdwijnen en kleine kinderen die alleen nog hun kleertjes voor de wanhopige moeders in de speeltuin achterlaten... In de film 'Left Behind' roept Chloe met betraand gezicht uit: “de God waar mijn moeder over praatte, zou nóóit zoiets doen!” Ik denk dat ze gelijk heeft.

Bedenk dat Paulus het niet over ons in deze tijd had, maar over hen daar in die tijd, in de eerste eeuw. Dat blijkt uit de woorden 'wij, die levend overgebleven zijn, samen met hen'. Waarom zou Paulus hier ineens 'wij' in een soort algemene zin bedoelen, als in 'wij christenen door de eeuwen heen'? Dat lijkt mij niet logisch, want hij doet dat elders ook niet. Als hij het had over zij en wij, dan waren dat mensen uit die tijd. Zij die nog leefden zouden degenen die gestorven waren niet voorgaan. Dat betekent dus dat de gestorvenen zouden opstaan, vóór hen die toen nog leefden. En, zoals we al gezien hebben, wordt er door zowel Paulus als de andere schrijvers van brieven steeds gesproken over een spoedige komst. Zij leefden in die 'hoop' (verwachting) dat de doden net als Jezus levend zouden worden gemaakt. Een hoop en verwachting die we terugvinden in de woorden van de profeet Hosea (6:1-3):

Komt en laat ons wederkeren tot Jahweh, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden. Hij zal ons na twee dagen levend maken; op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven. Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om Jahweh te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de late regen en vroege regen van het land.

Jezus stond drie dagen na Zijn kruisiging op uit de dood. Zo werd werd het volk in Jezus op de derde dag opgewekt, zoals Paulus zegt in o.a. Efeziërs 2:6:

En [God] heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in de hemel in Jezus de Gezalfde.

Door de Heilige Geest waren ze dus al levend gemaakt, maar de lang verwachtte 'opstanding van de doden' moest nog plaatsvinden (zoals we zojuist zagen in 1 Thessalonicenzen 4); en dat zou spoedig gebeuren. Dit blijkt overigens ook uit Handelingen 24:15:

...Hebbende hoop op God, welke dezen ook zelf verwachten, dat er een opstanding van de doden zal zijn, van zowel rechtvaardigen als onrechtvaardigen.

In deze tekst uit de Statenvertaling zien we het niet direct, maar wat vertaald is met 'zal zijn' is het Griekse woord 'mellein' (van 'melló'). Dit woord heeft niet echt een duidelijke vertaling, maar geeft altijd iets aan dat op het punt staat te gebeuren. Hier kunnen we al een stukje woordstudie doen, waaruit wederom blijkt hoe urgent de teksten waren en dat de doelgroep daadwerkelijk het Israël van die tijd moest zijn. Het woord komt veel voor in het Nieuwe Testament. Hier volgen teksten waarin het in verschillende vormen voorkomt en waarbij ik vrij vertaald aangeef hoe het gebruikt wordt:

Matt. 2:16 – waar Herodes van zins is de pasgeboren koning (Jezus) op te sporen

Matt. 17:22 – waar Jezus op het punt stond verraden te worden

Luk. 7:2 – waar de dienstknecht van de centurion bijna dood was

Luk. 9:44 – waar Jezus zegt dat Hij binnenkort zal worden overgeleverd

Luk. 19:4 – waar Jezus op het punt staat de boom met Zacheüs voorbij te lopen

Luk. 22:23 – waar de discipelen zich afvragen wie Jezus zou gaan verraden; dat was diezelfde avond nog

Joh. 6:15,71 – waar Jezus opmerkt dat ze hem spoedig gevangen zouden nemen/ verraden (vers 71)

Joh. 7:39 – waar mensen die geloven de Heilige Geest zouden ontvangen.

Joh. 11:51 – waar de hogepriester voorspelt dat Jezus binnenkort zou sterven.

Hand. 3:3 – waar Petrus en Johannes op het punt staan de tempel in te gaan

Hand 5:35 – "mannen van Israël bedenk wat je van plan bent met deze mannen te doen..."

Hand. 11:28 – waar Agabus een op handen zijnde hongersnood voorspelt, zodat ze kunnen gaan hamsteren.

Hand. 12:6 – waar Herodus Petrus nog diezelfde nacht van plan was voor te brengen.

Hand. 16:27 – waar de gevangenisbewaarder zichzelf op het punt staat van kant te maken

Hand 18:14 – waar Paulus op het punt staat zijn mond te openen.

Hand. 20:3 – waar een boot op het punt staat te vertrekken naar Syrie

Hand. 20:30 – waar mensen huilden omdat ze Paulus spoedig niet meer zouden zien

Hand. 21:27 – waar zeven dagen bijna voorbij waren.

Hand. 27:30 – waar zeelieden op het punt staan de ankers uit te gooien...


Zo zijn er nog tientallen voorbeelden, maar het is nu wel duidelijk welke lading het woord in alledaagse beschrijvingen heeft. Hetzelfde woord word echter ook in de volgende teksten gebruikt:

Mat. 16:27 – waar Jezus spoedig komt in de heerlijkheid van Zijn vader

Luk. 3:7 – waar Johannes waarschuwt voor de wraak die spoedig zou komen

Luk. 21:28 – waar Jezus zegt dat deze dingen (alle tekenen die Hij noemde, inclusief de verwoesting van de tempel) spoedig zouden plaatsvinden!

Rom. 8:18 – het lijden van deze tijd weegt niet op tegen de heerlijkheid die binnenkort in ons (Paulus en zijn lezers) geopenbaard wordt

Kol. 2:16-17 – voedselwetten, feesten, nieuwe maan en sabbat waren een schaduw van wat spoedig komende was

Heb. 6:5 – ze hebben een voorproefje mogen ervaren van de tijd die spoedig komen gaat

Heb. 10:1 – de wet is een schaduw van de dingen die op het punt staan te gebeuren.

Heb. 13:14 – wij zoeken een stad die op het punt staat te komen (het hemels Jeruzalem)

Op. 1:19 – de dingen die u hebt gezien, de dingen die zijn en de dingen die binnenkort gaan gebeuren.

Op. 3:10 - het uur van verzoeking dat op het punt staat over de hele wereld (oikoumene) te komen...

Dat alles werd geschreven in die tijd en aan de mensen van die tijd, met een spoedige vervulling in gedachten. Zij waren de doelgroep, niet wij. Als je er verschillende Nederlandse vertalingen bij pakt, zie je hoe vertalers soms met een bepaalde achterliggende gedachte vertalen en niet altijd de meest voor de hand liggende vertaling gebruiken. Omdat veel vertalers er vanuit gaan dat bepaalde dingen nog in een (verre) toekomst moeten gebeuren, hebben ze het woord 'melló' (en de verschillende vormen ervan) niet krachtig genoeg vertaald, waardoor het lijkt alsof wij de doelgroep zijn. Men maakt er dan vaak van dat het zéker zal gebeuren, of het wordt helemaal niet vertaald. En dat terwijl het een zeer krachtige tijdsaanduiding is voor een aanstaande gebeurtenis. Gelukkig hebben we tegenwoordig de mogelijkheid om in de computer te zoeken naar elke plaats waar een woord voorkomt, zodat we zelf kunnen nagaan hoe bepaalde woorden door dezelfde schrijver of in andere geschriften uit die tijd gebruikt werden. Het kost tijd en moeite, maar het loont wel.

Belangrijk is ook het woordje 'hoop'. De opstanding was hun hoop en dat is beter te vertalen met 'verwachting', omdat wij het woord vaak gebruiken voor dingen die we niet zo zeker weten... “ik hoop het...” Nee, de Bijbelse hoop is veel meer een zekerheid van iets dat eens - en in dit geval spoedig zou komen.

Wat voor 'vertroosting' zou het anders zijn geweest voor de zwaar vervolgde Thessalonicenzen, als het allemaal nog duizenden jaren zou duren, voordat deze woorden waarheid zouden worden? “Dus, vertroost elkaar met deze woorden.” Daar spreekt verwachting uit. Een verwachting die we door het hele Nieuwe Testament heen zien. Het uitzien naar iets dat spoedig moest gebeuren. Maar er is meer...

Dit stukje doet ook vermoeden dat de mensen die stierven tussen Jezus' hemelvaart en Zijn komst, nog naar het dodenrijk gingen. Jezus had wel 'krijgsgevangenen' meegenomen uit het dodenrijk (Efeziërs 4:8-10), maar het dodenrijk was er nog wel (Openbaring 20:13-15). Ik zie het zo, dat de mensen die stierven in de zware vervolgingen van die tijd (onder Nero, maar vooral ook onder de extremistische Joden van die tijd), nog naar het dodenrijk gingen en dat zij bij het laatste gericht over het oude systeem – de ondergang van het oude Jeruzalem en de tempel – definitief naar de hemel konden. Daarna konden alle rechtvaardigen direct naar de hemel, zonder eerst in het dodenrijk terecht te komen. Jezus had al gezegd dat de 'doden' zijn stem zouden horen en zouden leven (Johannes 5:25-29). En dat waren niet alleen fysieke doden, maar ook mensen die nog in hun lichaam rondliepen en geestelijk dood waren. Hoe konden anders 'doden' hun 'doden' begraven (Mattheüs 8:22; Lukas 9:60)? In 1 Korinthiërs 15 gaat Paulus nog verder in op deze geestelijke opstanding uit de dood, maar daarover later meer. Dit stukje in Thessalonicensen is geschreven ter bemoediging van de vervolgde christenen in die tijd. Zij zouden de komst van Jezus samen met hun reeds gestorven broeders en zusters meemaken. Dit blijkt ook uit het woordgebruik in deze passage.

Bewoordingen

Er is nog een belangrijk element dat meespeelt bij het begrijpen van de Bijbel. De schrijvers van het Nieuwe Testament waren tijdgenoten. Ze spraken dezelfde taal en gebruikten dezelfde bewoordingen. Hoe belangrijk dat is, wil ik hier illustreren. Wat Paulus namelijk in dat controversiële stukje in de brief aan de Thessalonicenzen zegt over hun hoop en verwachting, loopt qua woordgebruik parallel aan wat Jezus zei in Mattheüs 24, dat gaat over de vernietiging van de tempel en Zijn komst. Het is alsof Paulus de woorden van Jezus herhaalt en benadrukt dat het nu toch echt niet lang meer zal duren. Dezelfde thema's en woorden die we daar zien, komen ook in 1 Thessalonicenzen voor. Kijk maar naar het thema 'Zijn komst', wat meerdere keren voorkomt

1 Thess. 1:10:

...en uit de hemelen zijn Zoon te verwachten, die Hij uit de doden opgewekt heeft, Jezus, die ons verlost van de komende toorn.

1 Thess. 2:19:

Want wie is onze hoop of blijdschap of erekrans voor onze Heer Jezus bij zijn komst, wie anders dan u?

1 Thess. 3:13:

...om uw harten te versterken, zodat zij onberispelijk zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Heer Jezus met al zijn heiligen.

1 Thess. 5:23:

En de God van de vrede Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard bij de komst van onze Heer Jezus de Gezalfde.

De overeenkomsten tussen 1 Thessalonicenzen 4-5 en Mattheüs 24 zijn opmerkelijk. Paulus gebruikt in Thessalonicenzen dezelfde bewoordingen. Ik heb er 13 gevonden:

1

Jezus verschijnt persoonlijk

Matt. 24:30

1 Thess. 4:16.

2

Komt uit de hemel

Matt. 24:30

1 Thess. 4:16.

3

Met een geroep

Matt. 24:30

1 Thess. 4:16.

4

Vergezeld door afgezanten

Matt. 24:31

1 Thess. 4:16.

5

Met een bazuin van God

Matt. 24:31

1 Thess. 4:16.

6

Uitverkorenen worden verzameld

Matt. 24:31

1 Thess. 4:17.

7

In de wolken

Matt. 24:30

1 Thess. 4:17.

8

Op een onbekend tijdstip

Matt. 24:36

1 Thess. 5:1,2.

9

Als een dief in de nacht

Matt. 24:43

1 Thess. 5:2,4.

10

Het komt voor ongelovigen onverwachts

Matt. 24:37-39

1 Thess. 5:3.

11

Zwangere vrouwen worden genoemd

Matt. 24:19

1 Thess. 5:3.

12

Gelovigen moeten waakzaam zijn

Matt. 24:42

1 Thess. 5:6.

13

Niet dronken maar nuchter zijn

Matt. 24:49

1 Thess. 5:7.

Merk op dat de overeenkomsten heel hoofdstuk 24 beslaan en niet alleen het eerste deel. Ik heb sommigen horen zeggen dat de vraag van de leerlingen aan het begin van hoofdstuk 24 in tweeën gesplitst kan worden, dus dat ze eigenlijk twee afzonderlijke vragen stelden, die door Jezus ook in twee delen werd beantwoord. Men legt de overstap naar het tweede antwoord dan ergens bij vers 36. Daarna zou het niet meer over de val van Jeruzalem gaan, maar over het einde van de wereld in de toekomst. De overeenkomsten met o.a. dit hoofdstuk in Thessalonicensen, maken dit voor mij een zeer onwaarschijnlijke optie, nog afgezien van de indruk die de vraag van de leerlingen op mij maakt. Want zoals ik het lees gaat het hen maar om één ding, en dat is de vraag wanneer hun geliefde tempel eraan gaat. Ik krijg niet de indruk dat ze op dat moment zo bezorgd waren over het einde van planeet aarde. Dit wordt nog duidelijker als we kijken naar de parallelle passage in Lukas 21:5-7, waar dezelfde vraag van de leerlingen net iets anders wordt geformuleerd:

En toen sommigen van de tempel zeiden dat hij met mooie stenen en offergaven versierd was, zei Hij: “Wat deze dingen aangaat die jullie hier zien, er zullen dagen komen waarop niet één steen op de andere steen gelaten zal worden, die niet zal worden afgebroken. En zij vroegen Hem: "Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn en waaraan kunnen wij zien wanneer deze dingen zullen geschieden?”

Het antwoord dat Jezus geeft in Lukas 21 is nagenoeg hetzelfde als het antwoord dat wij in Mattheüs 24 zien. In Lukas 21 is de volgorde van de dingen die Jezus zegt zelfs anders. Dit laat voor mij geen twijfel over dat zij maar één vraag in gedachten hadden: wanneer gaat de tempel eraan, wanneer gaat dat gebeuren? Het antwoord van Jezus is in het verslag van Lukas ook korter, maar het heeft dezelfde inhoud, inclusief de opmerking dat 'hemel en aarde' voorbij zullen gaan. Dit brengt veel mensen er toe het antwoord van Jezus te zien als iets dat veel breder is dan alleen de vernietiging van de tempel en Jeruzalem. Het hoeft echter niet het geval te zijn dat Jezus het hier over 'hemel en aarde' heeft zoals wij die woorden zouden gebruiken. In een later hoofdstuk meer over de Joodse beeldspraak die hierin besloten ligt.

In Mattheüs 24 en 25 voorspelde Jezus dat Hij zou terugkomen in die generatie om de gelovigen te verzamelen en bij hen te komen in Zijn Koninkrijk. In 1 Thessalonicenzen 4-5 sprak Paulus over dezelfde komst die de gelovigen zou verzamelen. De conclusie lijkt mij overduidelijk: 1 Thessalonicenzen 4-5 gaat over precies dezelfde verschijning (met wolken, in de lucht, een verzameling van gelovigen en een oordeel over de ongelovigen) als in Mattheüs 24. Zo zien we dat overeenkomsten met andere tekstgedeelten uit dezelfde tijd een belangrijke aanwijzing kunnen verschaffen over de betekenis ervan.

1 Thessalonicenzen 5:1-6:

Maar over de tijden en de gelegenheden broeders, is het niet nodig dat men u schrijft. Want u weet zelf heel goed, dat de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht. Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een spoedig verderf hun overkomen, als de barensnood van een zwangere vrouw; en zij zullen er geenszins aan ontkomen; Maar u, broeders, u verkeert niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou overvallen. U bent allemaal kinderen van het licht, en kinderen van de dag; wij zijn niet van de nacht, noch van de duisternis. Laat ons dan niet slapen, zoals de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn.

Paulus en de Thessalonicenzen verwachtten nog lichamelijk aanwezig te zijn bij Jezus' komst.

De zinsnede “zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een spoedig verderf hun overkomen”, lijkt een echo te zijn uit Jeremia 6, waar over de inwoners van Jeruzalem geprofeteerd wordt. In die profetie denken de mensen van Jeruzalem ook dat het allemaal wel goed zit, maar ze zijn rebels en opstandig en God probeert ze tot de orde te roepen. Ze willen echter ondanks alles niet luisteren en God verwerpt hen uiteindelijk. Omwille van de voortgang zal ik niet het hele hoofdstuk aanhalen, maar lees het eens in dit verband, je zult zien dat er verrassend veel overeenkomsten zijn.

Ook de bazuin komt vaker voor. Het was een instrument dat gebruikt werd om mensen op te roepen, te verzamelen of om iets aan te kondigen. Het komen van Jezus met bazuingeschal wordt door Paulus direct in verband gebracht met de 'opstanding van de doden'. Het is daarom waarschijnlijk dat Jezus het in Mattheus 24 over diezelfde gebeurtenis heeft. Paulus spreekt ook over het blazen van de bazuin in 1 Korinthiërs 15:52:

Op een moment, in een ogenblik, met de laatste bazuin, die zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.

In dat gedeelte geeft hij de Korinthiërs dezelfde bemoediging die de Thessalonicenzen ontvingen. Wat dat 'veranderen' inhoudt wil ik later nog proberen te verklaren.

Dat deze mensen bemoediging nodig hadden, blijkt ook wel uit de tweede brief aan hen. In 2 Thessalonicenzen 1:4-10 zien we namelijk dat Paulus op vergelijkbare wijze schrijft. Het gaat in die brief specifiek over de vervolging die ze te verduren kregen en hij wilde hen bemoedigen met de belofte dat hun onderdrukkers zullen worden gestraft.

...dat wij zelf trots over u spreken in de Gemeenten van God, over uw volharding en geloof in alle vervolgingen en verdrukkingen die u verdraagt; Een bewijs van Gods rechtvaardige oordeel, dat u het Koninkrijk van God waardig geacht wordt, waarvoor u ook lijdt; zo is het dan ook rechtvaardig dat God de verdrukking zal vergelden, [met name] hen die u verdrukken; En u, die verdrukt wordt, te verkwikken samen met ons, in het openbaar worden van de Heer Jezus vanuit de hemel, met de afgezanten die Zijn kracht [zichtbaar maken]; Met vlammend vuur wraak uitoefenend over degenen die God niet kennen, en over degenen die het evangelie van onze Heer Jezus de Gezalfde niet gehoorzaam zijn. Zij zullen straf te verduren krijgen, het eeuwig verstoten zijn van de aanwezigheid van de Heer en van de heerlijkheid van Zijn kracht, wanneer Hij zal komen op die dag, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en geëerd te worden door allen die geloven (ook omdat u ons getuigenis hebt geloofd).

Deze bemoediging heeft ook weer dezelfde herkenbare elementen, aangevuld met het zeer prominent aanwezige thema van vergelding, dat Jezus meerdere malen benadrukte in de gelijkenissen in het vervolg van Mattheus 24 (hoofdstuk 25). Als ik dit gedeelte lees, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat Paulus deze vergelding in een nabije toekomst verwachtte voor zijn medegelovigen die toen, daar, in de grote verdrukking leefden waarvoor Jezus zijn volgelingen had gewaarschuwd. Wat Paulus zegt over de komst van de Heer, in heerlijkheid en kracht, met afgezanten en oordeel, ligt dan ook duidelijk in het verlengde van Mattheus 24 en verwijst gezien de context (de vraag van de leerlingen) onvermijdelijk naar de verwoesting van Jeruzalem, niet naar iets dat nog duizenden jaren in de toekomst zou moeten plaatsvinden, maar iets wat in het jaar 70 daadwerkelijk gebeurd is.

De oorspronkelijke taal

Een volgend belangrijk principe bij het interpreteren van de Bijbel, is een goed begrip van de oorspronkelijke taal en de diepgang van bepaalde woorden. Het Nieuwe Testament is geschreven in het Grieks.

Kijken we in 1 Thessalonicenzen 4:13-18 bijvoorbeeld naar de woorden 'wij die overblijven' (vers 17). Dat is in het Grieks maar één woord, perileipomenoi. Dit woord komt maar twee keer voor in het Nieuwe Testament en alleen in dit hoofdstuk van deze brief. De betekenis is op zich wel duidelijk, al kunnen we niet vergelijken hoe Paulus het elders gebruikt. We kunnen het in twee stukken delen: 'Peri' betekent 'rond' en 'leipo' betekent 'achterblijven'. Dus wij die 'rond zijn blijven hangen' zou zelfs een correcte (weliswaar zeer vrije) vertaling kunnen zijn. Waar het om gaat is dat Paulus de mensen van Thessaloniki, die nog rondliepen op aarde, vertelde dat ze zich geen zorgen hoefden te maken over de mensen die omgekomen waren in de verdrukking. Blijkbaar deden ze dat. En dit plaatst de tekst wederom in die tijd en niet, zoals ik vandaag de dag wel eens hoor, in een toekomst.

Het woord 'komst' is hier het Griekse woord 'parousia' dat 24 maal voorkomt in het Nieuwe Testament en heeft meer de betekenis van 'aanwezigheid' of 'verschijning' dan 'komen', waarvoor het Grieks ook een ander woord heeft (erchomai). Dus: 'de verschijning van onze Heer' is een mooiere vertaling. Daar waar het in combinatie met 'de Heer' gebruikt wordt, staat het verder overal consequent in het teken van 'op Zijn plaats komen', in het Koninkrijk, met het oordeel, om straffen én beloningen uit te delen. Een verschijning die volgens Jacobus 5:8 'nabij' was (Grieks: 'engiken', van 'engizo' = naderen, dichtbij komen). Het is overigens maar de vraag of je dit woord kunt gebruiken om aan te duiden dat Jezus naar de aarde komt. Iemand kan net zo goed blijven waar hij is, en toch op zijn plaats komen of zijn positie innemen. De discipelen vroegen namelijk in Mattheüs 24:3 naar 'het teken van Uw komst', waar hetzelfde Griekse woord 'parousia' staat. Veel mensen denken bij die vraag aan de zogenoemde 'wederkomst van Christus'. Mag ik voorstellen dat het niet eens bij de leerlingen opkwam dat Hij wég zou gaan, laat staan dat Hij weer terug moest komen. Zelfs bij het laatste avondmaal, in de laatste uren die ze met Hem doorbrachten hadden ze nog geen besef van Zijn heengaan (Johannes 16:17). Ze verwachtten dat Hij het Messiaanse Koninkrijk kwam oprichten en de Romeinen het land uit zou jagen. Naar de hemel gaan en later weer terugkomen was geen optie in hun belevenis. De enige verwachting die ze hadden is dat Hij nu wel snel het Koningschap op Zich zou nemen: Parousia.

Dan is er de wonderlijke beschrijving van het 'opgenomen' worden om Hem te 'ontmoeten' in de lucht. Dit is het stukje wat veel mensen er toe brengt een letterlijke 'opname' te verwachten zoals ik net beschreef, met het hele rampenscenario erbij. De woorden 'zullen worden opgenomen' komen van het Griekse woord 'harpagesometha' (van het woord 'harpazo'). Paulus gebruikt datzelfde woord in 2 Korinthiërs 12:2-4, waar hij 'een man' beschrijft (waarschijnlijk zichzelf) die werd 'opgenomen' in het paradijs en daar onuitsprekelijke woorden hoorde. Het is een woord dat Paulus slechts 3 maal gebruikt, waarvan 2 maal in 2 Korinthiërs 12, in de zin van: tijdelijk uit het lichaam, in een geestelijke omgeving geplaatst worden. De derde keer dat hij het woord gebruikt is in dit hoofdstuk (1 Thessalonicenzen 4), om de ontmoeting met Jezus te beschrijven. Het niet helemaal duidelijk of het in 2 Korinthiërs om een visioen of buitenlichamelijke ervaring ging, want Paulus zegt dat hij niet zeker weet of het in het lichaam of erbuiten was. Hoe dan ook, een visioen, een vervoering of een uittreding, het was een geestelijke ervaring. Het woord 'harpazo' wordt ook door andere schrijvers gebruikt. Mattheüs, Lukas, Johannes en Judas gebruiken het in verschillende vormen en voor uiteenlopende situaties. Mattheüs spreekt over het 'grijpen' of 'nemen' van het Koninkrijk, door daadkrachtige mensen. Dit kan ook op een geestelijke manier worden geïnterpreteerd. Op andere plaatsen wordt het woord gebruikt voor het 'wegnemen', 'meenemen', 'arresteren' of 'wegrukken' van mensen of dingen. Maar ook dan wordt het soms in overdrachtelijke zin gebruikt. Zoals: 'niemand kan ze uit mijn hand rukken', of 'mensen uit het vuur rukken' (redden van de ondergang). Het woord zelf moet dus in de context bekeken worden. Paulus gebruikt het alleen in overdrachtelijke, geestelijk zin, zoals in 2 Korinthiërs 12, wat we nog duidelijker zullen zien wanneer we het 'ontmoeten in de wolken', nog iets verder onderzoeken.

Het woord 'ontmoeten' is namelijk eveneens bijzonder, want dat is het Griekse woord 'apantesin', dat slechts 3 keer voorkomt in het Nieuwe Testament. Eén keer in het gedeelte dat we hier bekijken (1 Thessalonicenzen 4:17) De andere twee keer wordt het gebruikt in een situatie waar mensen iemand tegemoet gaan die naar hen toe komt. Niet iemand die hen komt halen (Matt 25:6; Hand 28:15). Dus hier wordt een situatie beschreven van mensen die Jezus tegemoet gaan om Hem binnen te halen, om Hem te verwelkomen. Het woordgebruik in Thessalonicensen suggereert dat zij die achtergebleven waren, samen met hun overleden broeders en zusters, de Heer in de geest (een visioen of geestelijke ervaring buiten het lichaam) zouden verwelkomen en dat Hij bij hen zou komen. Dit doet mij denken aan de woorden van Jezus in Johannes 14:3:

En als Ik wegga om een plaats voor jullie voor te bereiden, kom ik weer terug en zal jullie tot Mij nemen, zodat jullie kunnen zijn waar Ik ben.

Jezus was in de geest al bij God, maar Zijn discipelen nog niet. Hij zou weggaan en weer terugkomen om hen tot Zich te nemen. Het woordgebruik suggereert dat dit 'tot Mij nemen' een geestelijke lading heeft, om te zijn waar Hij op dat moment al is. Ze hoefden dus niet van de aarde te verdwijnen om bij Hem in de hemelse gewesten te zijn. Paulus spreekt hier over in Efeziërs 2:6:

...en heeft ons tezamen opgewekt en tezamen een plaats gegeven in de hemelse gewesten in de Gezalfde Jezus

Is het in dit verband moeilijk voor te stellen dat Jezus 'kwam', dat mensen werden 'opgenomen' en dat er zichtbaar niets veranderde? De gedachte dat het in 1 Thessalonicensen om het 'verdwijnen' of 'wegrukken' van hedendaagse of toekomstige gelovigen zou gaan is mijns inziens niet gerechtvaardigd. Het zou alleen een juiste interpretatie zijn geweest, als wij geen andere geschriften van schrijvers uit dezelfde tijd hadden gehad, die ons laten zien hoe zij die woorden gebruikten. De meest voor de hand liggende interpretatie laat geen plotseling verdwijnen van christenen in onze tijd toe. In combinatie met de wetenschap dat men in die tijd, spoedig, de 'verschijning van de Heer' verwachtte, kunnen we mijns inziens geen andere conclusie trekken.

Dit houdt tevens in dat de zogenoemde 'opstanding van de doden' in diezelfde tijd moest plaatsvinden. Daniël had het ook over die 'opstanding van de doden'. In het hoofdstuk over de profetieën van Daniël ga ik daar nog iets verder op in.

Het woord 'wolk' of 'wolken' zien we in de Bijbel bij meerdere schrijvers in verband staan met Gods komst of geestelijke aanwezigheid en ook vaak met oordeel (letterlijk: scheiding maken – om het goede en het kwade van elkaar te scheiden). Zo was God in een wolk bij de Israëlieten, toen zij door de woestijn dwaalden. Een wolk vulde de tempel van Salomo, bij de inwijding. In Psalm 18 zien we in vers 13 de 'wolken' in poëtische vorm een onderdeel vormen van Gods macht en kracht in het oordeel over Davids vijanden. En bijvoorbeeld in Jesaja 19:1 zien we Jahweh op een 'snelle wolk' naar Egypte komen om hen te straffen. In Jesaja 20 zien we dat Assyrië het middel was dat God gebruikte om tegen Egypte op te treden. Wanneer we dus lezen dat Jezus zou komen op de wolken, dan zouden we dat logischerwijs moeten lezen zoals de mensen uit die tijd het zagen. Zeker als Jezus het woord Zelf in combinatie met het begrip 'oordeel' gebruikt.

Het woord wolk komen we ook tegen bij Zijn hemelvaart (in Handelingen 1:11). Wanneer Hij wordt opgenomen in de hemel, onttrekt een wolk Hem aan het gezicht van de volgelingen die om Hem heen staan. Het woord voor 'opgenomen' is in het Grieks 'epérthe', van 'epairo', wat 'verheffen' betekent. Wij gebruiken het woord ook wel in overdrachtelijke zin. Wij zeggen bijvoorbeeld 'in hoogheid verheven'. Epairo wordt in het Grieks meestal ook op die manier gebruikt, bijvoorbeeld voor het 'opheffen van de ogen', het 'verheffen van de stem', het 'oprichten van het hoofd' en het 'zichzelf verheffen' tegen of boven een ander. De meest voor de hand liggende betekenis van dit woord is dus niet zo zeer dat Jezus werd opgetild in de lucht (al kan dat natuurlijk wel gebeurd zijn), maar dat Hij werd verheven naar (en verdween in) de geestelijke wereld, onttrokken aan het gezicht door 'de wolken van de hemel'. Vervolgens wordt hen door twee mannen in het wit verteld dat Jezus op dezelfde manier zal komen als ze hem hebben zien gaan. Ze moesten hierbij ongetwijfeld denken aan de tekst uit Daniël 7:13:

Verder zag ik in de nachtelijke visioenen, en zie, er kwam Iemand met de wolken van de hemel, als een mensenzoon, en Hij kwam tot de Oude van dagen, en Hij werd aan Hem voorgeleid. En aan Hem werd gegeven heerschappij, eer en het Koninkrijk, zodat [mensen van] alle volken, natiën en talen Hem zouden eren; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet vergaan.

Jezus had hen al op vele manieren verteld dat Hij naar de Vader zou gaan om het Koninkrijk van Hem in ontvangst te nemen, om daarna terug te keren en af te rekenen met Zijn tegenstanders. We hebben al gezien dat hij daarvoor niet zichtbaar aanwezig hoefde te zijn.

De leerlingen moeten vast ook gedacht hebben aan het moment dat Jezus ondervraagd werd door de hogepriester (zoals we kunnen lezen in Markus 14:60-63). Jezus zei niets, totdat de hogepriester vroeg of Hij de beloofde Gezalfde, de Gezegende van God was. Jezus antwoordde:

Ik ben het. En jullie zullen de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God, en komen met de wolken van de hemel.

De hogepriester scheurde zijn kleren, wat een teken is van afschuw, waarop ze Jezus als een godslasteraar bestempelden en ter dood veroordeelden. Zij kenden de profetie uit Daniël 7 heel goed, en het 'zitten naast God' en 'komen op de wolken' zijn tekenen van goddelijkheid. Jezus stelde Zichzelf gelijk aan God, die volgens de Joodse geschriften vaak zinnebeeldig werd voorgesteld als 'komende met wolken'. Zo zou Hij terugkomen, in goddelijke macht en heerlijkheid. Dit is een belangrijke sleutel om de uitspraken van Jezus te begrijpen.

Om weer terug te komen bij de tekst in 1 Thessalonicenzen 4: hier zegt Paulus dat Jezus zou komen in wolken, zoals Jezus het Zelf omschrijft in Mattheüs 24:30: met grote kracht en heerlijkheid, in oordeel over Zijn vijanden. (Letterlijk staat er in het Grieks overigens niet 'in de wolken', het woord 'de' staat er niet expliciet).

Paulus zegt daar ook dat zij Hem tegemoet zouden gaan in de 'lucht'; het laatste woord dat ik in verband met de tekst uit 1 Thessalonicenzen 4 wil behandelen.

Bedoelde hij met 'lucht' de 'atmosfeer' boven ons, of misschien iets anders? Hij gebruikte het woord twee keer in 1 Korinthiërs 9:26 en 14:9:

Ik vecht niet als iemand die in de lucht slaat...

en

...als u niet duidelijk spreekt, hoe zal men begrijpen wat er gezegd wordt? U zult zijn als iemand die in de lucht praat.

Hij gebruikt het daar in spreekwoordelijke zin: 'in de lucht slaan' en 'in de lucht praten'. Echter, in Efeziërs 2:2 zien we dat hij het woord gebruikt op een vergelijkbare manier als in Thessalonicenzen:

En u heeft Hij mede levend gemaakt, omdat u dood was door de misdaden en de zonden; waarin u voorheen gewandeld hebt, naar de tijd van de wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid;

Daar spreekt hij in vergelijkbare context over een 'overste', een persoon, een 'geest' die in de 'lucht' is. Het lijkt mij waarschijnlijk dat hij daar over Satan (de tegenstander) spreekt. Gaat het daar over iemand die daadwerkelijk in het zichtbare luchtruim zweeft? Nee, het gaat over de geestelijke atmosfeer, een geest die werkt in ongehoorzame mensen. Dan is het wederom logisch om aan te nemen dat Paulus het in Thessalonicenzen ook heeft over Jezus in geestelijke vorm in de geestelijke atmosfeer. We zien hier ook een duidelijke indicatie dat Paulus met 'dood' niet bedoelde dat ze fysiek dood waren, want dode mensen wandelen niet, maar dat ze het leven van God niet in zich hadden en dat Hij hen vervolgens levend had gemaakt. Alles bij elkaar lijkt de nadruk in de brief aan de Thessalonicenzen op een geestelijk verschijnen en een geestelijke ontmoeting te liggen, niet op een fysieke gebeurtenis.

Paulus bemoedigde de Thessalonicenzen met de geruststelling dat zij de doden niet zouden voorgaan wanneer Jezus kwam om Zijn getrouwe volgelingen te verzamelen en Zijn Koninkrijk te vestigen in de geest. Hij plaatste de opstanding van de doden duidelijk in hun tijd. Ik heb horen zeggen dat het een 'dwaalleer' zou zijn als je zegt dat de opstanding van de doden reeds in de tijd van de eerste christenen heeft plaatsgevonden. Men haalt dan 2 Timotheüs 2:17-18 aan:

En hun woord zal woekeren, als kanker - waaronder Hymeneüs en Filetus - die van de waarheid zijn afgeweken en zeggen dat de opstanding reeds geschied is en brengen sommigen van het geloof af

Ook hier moeten we weer gebruik maken van de vier belangrijke principes om teksten te begrijpen (context, doelgroep, bewoordingen en taal). De tweede brief van Paulus aan Timotheüs wordt gezien als een afscheidsbrief, omdat hij Timotheüs toevertrouwt dat de tijd van zijn heengaan is aangebroken. Paulus is waarschijnlijk onthoofd ergens tussen het jaar 64 en 67, waarna hij zich voegde bij de zielen onder het altaar, die onthoofd waren voor het getuigenis van Jezus (zie Openbaring 6:9). Hij heeft de brief dus nog vóór de verwoesting van Jeruzalem en de tempel geschreven. Jezus gaf (bijvoorbeeld in Mattheüs 24 en 25) aan dat Zijn komst zou zijn wanneer die verwoesting zou plaatsvinden. Dat houdt tevens in dat het oordeel en de opstanding ook in die tijd moest worden verwacht, zoals blijkt uit de overeenkomsten die ik hiervoor beschreef. De komst van de Heer, de ondergang van Jeruzalem, de opstanding van de doden en het oordeel zien we hand in hand gaan. Er wordt in het Nieuwe Testament ook maar van één komst gesproken en dat is die komst in oordeel over de levenden en de doden.

Als nu de tempel en Jeruzalem nog onaangetast zijn en er lopen twee heren rond die verkondigen dat de opstanding al heeft plaatsgevonden, dan zijn deze mannen een dwaalleer aan het verspreiden. Dat is de eenvoudige en duidelijke reden waarom Paulus Timotheüs voor hen waarschuwt. Als wij nu, vandaag, ver ná de verwoesting van de tempel en het oordeel over Jeruzalem, zeggen dat de opstanding reeds heeft plaatsgevonden, is dat iets heel anders. En gezien de tijdsbepalingen in de betreffende teksten, lijkt het mij overduidelijk dat we dat station al gepasseerd zijn. Het is echter voor veel mensen moeilijk te verteren dat het misschien niet om een fysiek opstaan van dode lichamen gaat. Dat komt waarschijnlijk omdat het door een aantal vooraanstaande kerkleiders wel zo gebracht is. Het woord voor 'opstanding' wordt weliswaar een aantal keer gebruikt in verband met het letterlijk levend worden van een dood lichaam, maar dan wordt dat specifiek vermeld. Paulus gebruikt het woord verder altijd in verband met een geestelijke opstanding, een geestelijk levend worden voor, door en mét Jezus (zoals in de voorbeelden die ik aanhaalde uit Efeziërs 2). Het idee van een grootschalige herrijzenis van vleselijke, met onze aardse zintuigen waarneembare lichamen, is een vrij breed geaccepteerde gedachte. Maar wat ik hier probeer te laten zien is dat dit absoluut niet overduidelijk zo in de Geschriften staat. Eerder het tegenovergestelde. Het hele gebeuren zou in hun tijd plaatsvinden en het zou een geestelijke aangelegenheid zijn.

Wanneer we in het stukje in 2 Timotheüs 2 tussen de regels door lezen, kunnen we ook nog opmerken dat men zelfs geen fysieke opstanding verwáchtte. Anders had Paulus met betrekking tot de dwaalleer van die twee mannen gewoon kunnen zeggen: “kijk maar om je heen... zie jij ergens een grote menigte mensen rondlopen die uit de dood zijn opgestaan? Zie jij ergens opengebroken graven? Zie je wel, deze mannen hebben ongelijk!” Maar dat Zei Paulus niet. Waarom zouden mensen van hun geloof afgebracht worden door twee mannen die een fysieke opstanding verkondigen, welke zichtbaar, aantoonbaar, overduidelijk nog niet heeft plaatsgevonden? Dat is niet logisch. Men verwachtte blijkbaar iets anders.

Paulus heeft het ook over de opstanding in 1 Korinthiërs 15. Daar besteedt hij er een heel hoofdstuk aan om aan de christenen in Korinthe duidelijk te maken dat ze geen fysieke opstanding in een aards lichaam moesten verwachten, maar een geestelijke opstanding in een hemels lichaam. De eerste 34 verzen besteedt hij aan het gegeven dat er wel een opstanding moet zijn, want anders zou het hele geloof in Jezus geen zin hebben. Hij is toch teruggekomen uit de dood en door velen gezien? Vanaf vers 35 gaat hij dieper in op de vraag hoe de doden terugkomen en met wat voor lichaam. Hij noemt het zelfs dwaas om die vraag te stellen. Als je iets zaait, krijg je toch niet hetzelfde zaadje terug? Je krijgt iets nieuws. Zo wordt een vergankelijk lichaam gezaaid en staat een onvergankelijk lichaam op. Je zaait schaamte en krijgt er heerlijkheid voor terug. Je zaait in zwakte en krijgt kracht terug. In 1 Korinthiërs 15:44 zegt hij vervolgens:

Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam.

Eerst komt het natuurlijke (aardse, ongeestelijke), dan het onstoffelijke, geestelijke. Wij zijn als stoffelijk mens geboren (Adam betekent letterlijk: aarde/stof), zo zullen wij ook zijn als Degene die van de hemel is; dus geestelijk/onstoffelijk. Paulus gebruikt voor 'natuurlijk' het woord 'psychikon' (ziels), dat verwijst naar aards of dierlijk leven, zonder inspiratie. Het woord voor 'geestelijk' is 'pneumatikon': beademd, geïnspireerd, levend gemaakt door God. Dit schijnt nog een extra helder licht op het gedeelte over de 'opname' uit 1 Thessalonicenzen 4. Deze opname staat rechtstreeks in verband met de opstanding van de doden en heeft dus alles te maken met het worden als Jezus, de Heer die Geest is, (Hij die de adem, de inspiratie van God heeft en geeft) en vrijheid brengt. Dat vinden we in 2 Korinthiërs, waar Paulus de tegenstelling tussen het leven vanuit de wet van Mozes en het leven met Jezus uitlegt. Mensen die onder de wet wilden leven konden de heerlijkheid van de aanwezigheid van God, die afstraalde van het gezicht van Mozes, niet verdragen; daarom moest Mozes zijn gezicht bedekken, maar... (2 Korinthiërs 3:17-18):

...de Heer is de Geest; en waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid. En wij allen, die met onbedekt aangezicht de heerlijkheid van de Heer als in een spiegel aanschouwen, worden naar datzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van de Geest van de Heer.

Van de heerlijkheid van de wet, naar de heerlijkheid van het Koninkrijk van Jezus, waarin vrijheid, genade en volledige vervulling is. Paulus spreekt er ook over in de hoofdstukken 6 en 7 van de brief aan de Romeinen. Hij benoemt alle beperkingen en moeiten van het aardse lichaam van de wet en eindigt met de woorden (Romeinen 7:24-25):

...wie zal mij verlossen uit dit lichaam van de dood? Ik dank God, door Jezus de Gezalfde, onze Heer...

Wat is dat 'lichaam van de dood' en hoe werd hij daarvan verlost? Daar gaat hij in hoofdstuk 8 verder op in, door het leven in de Geest te beschrijven, waarin geen veroordeling en dood meer is. Maar het gaat nóg verder, want er moest nog meer heerlijkheid geopenbaard worden. Er moest nog een uiteindelijke vervulling komen van het verbond met Israël. Hoofdstukken en verzen waren in de oorspronkelijke tekst van de Bijbel niet aanwezig. De hele brief aan de Romeinen kun je daarom als één geheel lezen. Dan wordt duidelijk wat Paulus eigenlijk wilde zeggen. Alles werkt toe naar een climax. Het loont de moeite om de hele brief eens zelf te lezen, maar ik wil er hier in de bespreking van 'de opstanding van de doden' nog één stuk uitlichten. Het is voor velen een bekende tekst waar Paulus een verwachting beschrijft van iets dat op het punt stond te gebeuren (Romeinen 8:18-23):

Want ik blijf erbij, dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet te vergelijken is met de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden. Want het schepsel, als met opgeheven hoofd, verwacht de openbaring van de zonen (erfgenamen) van God. Want het schepsel is aan zinloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om de wil van Hem, die het aan de ijdelheid onderworpen heeft; in de hoop dat ook het schepsel zelf vrijgemaakt zal worden van de dienstbaarheid aan de verderfenis, tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. Want wij weten, dat het hele schepsel tezamen zucht en tezamen als in barensnood is tot nu toe. En niet alleen dit, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf, zeg ik, zuchten in onszelf, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam.

In de Statenvertaling is dit gedeelte op zich niet slecht vertaald, maar we moeten toch weer gaan kijken naar de achtergrond van bepaalde woorden. Wij missen veel als we geen onderzoek doen naar de herkomst en het gebruik van de sleutelwoorden in dit stukje tekst.

Er staat namelijk een belangrijk Grieks woord mellousan, dat afkomstig is van het woord melló, dat we al behandeld hebben. Het staat in de oorspronkelijke tekst vóór het woord 'heerlijkheid' en betekent 'aanstaande' of 'spoedig komende'. In de eerste zin moet daarom zoiets staan als: “De heerlijkheid die spoedig in ons geopenbaard zal worden.” De uitspraak is verwachtingsvol, omdat het niet lang meer zou duren voordat die openbaring kwam.

Het woord 'schepsel' is goed vertaald. Dat is het Griekse woordje ktisis, wat zowel 'schepsel' als 'schepping' kan betekenen. Wat betekent het hier? Dat moet blijken uit de context, want op zich kan het beide betekenissen hebben. Maar ik denk dat 'schepsel' de juiste vertaling is, omdat het overeenstemt met de rest van dit stuk. Het 'schepsel' is dat wat God geschapen heeft, namelijk: zijn volk Israël. Kijk maar eens naar Jesaja 43:1 en 15:

Maar nu, zo zegt Yahweh, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israël! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij...

Ik ben Yahweh, uw Heilige; de Schepper van Israël, uw Koning.

God schiep Israël en zijn volk was in de tijd van Paulus onderworpen aan 'zinloosheid' (Grieks mataiotés ). Een woord dat drie keer voorkomt in het nieuwe testament. Hier in Romeinen, in Efeziërs 4:17 en in 2 Petrus 2:18. Het betekent 'doelloos', 'ongepast', 'zinloos' of 'ijdel' en gaat altijd over mensen en niet over de schepping als geheel (met dieren, bomen, bergen en zeeën). Dit is de eerste aanwijzing dat het inderdaad niet over de hele schepping gaat, maar over Israël. Wellicht wil het al genoeg zeggen dat Paulus de volgende drie hoofdstukken wijdt aan het herstel van Israël, maar ik wil hier aantonen dat het woordgebruik deze interpretatie volledig ondersteunt.

Het volgende woord is namelijk 'vrijgemaakt'; het Griekse woord elutheroó. Het komt 7x voor. In Johannes 8:32-36 wordt het twee keer gebruikt om te zeggen dat de waarheid vrij zal maken en dat als de Zoon je vrij maakt, je waarlijk vrij zult zijn. In Romeinen 6:18 en 22 spreekt het twee keer over vrij zijn van zonde. In Romeinen 8:2 gaat het over Jezus die vrijmaakt van de wet, net als in Galaten 5:1, waar nog wordt aangespoord om je dan niet weer een juk van de wet te laten opleggen. Zo kunnen we vaststellen dat het woord enkel gebruikt wordt voor het vrijkomen van het juk van de zonde en de wet. Dat was ook wat God Israël beloofd had. Hij zou ze vrijmaken en de wet op hun hart schrijven (Jeremia 31:31-34).

De woorden 'dienstbaarheid aan de verderfenis' zijn de vertaling van het Grieks douleias tés phthoras. Het eerste woord komt 5x voor en betekent altijd 'slavernij' of 'gebondenheid' van mensen, niet van dingen (zie Romeinen 8:15, Galaten 4:24, 5:1 en Hebreeën 2:15). Het tweede woord betekent letterlijk 'vergankelijkheid' en is neutraal, dus het kan zowel voor mensen als dingen worden gebruikt. Het gaat met deze uitspraak dus over mensen die gebonden zijn aan de vergankelijkheid.

Het schepsel (Israël) zou dus verlost worden van vergankelijkheid en zinloosheid, vrijgemaakt van slavernij en aangenomen worden als kinderen van God. De periode waarin Paulus werkte wordt dan ook wel eens de tweede exodus genoemd. Evenals de eerste exodus duurde ook deze periode 40 jaar. Paulus zei dat zij onder die slavernij hadden geleden, zelfs zij die de 'eerstelingen van de Geest' hadden, tot op dat moment!

...ook wijzelf, zeg ik, zuchten in onszelf, verwachtende de aanneming tot kinderen...”

Blijkbaar was de tijd aangebroken dat dit lijden voorbij zou zijn en de heerlijkheid aan hen geopenbaard zou worden. Hadden zij nog geen 'verlossing' dan? Was er nog geen verlossing door het bloed van Jezus? Jawel, maar Paulus spreekt hier specifiek over de 'verlossing van hun lichaam', die nog aanstaande was. Daar is taalkundig ook iets mee aan de hand, want het bevestigt dat het hier om één lichaam gaat: de gemeente van ware gelovigen. In de woorden 'ons lichaam' is 'ons' meervoud en 'lichaam' enkelvoud (soma). Als hij de opstanding van individuele lichamen had bedoeld dan had hij wel 'onze lichamen' (somata) gezegd, zoals hij deed in 1 Korinthiërs 6:15: “...dat uw lichamen leden van de Gezalfde zijn”, sprekend over het 'lichaam van de Gezalfde', bestaande uit individuele lichamen van mensen.

Het is mijns inziens duidelijk dat de gelovige Israëlieten als één lichaam met Jezus bij Zijn openbaring tot volkomenheid zouden komen; dat het ware, gelovige Israël (dat haar vertrouwen op de Gezalfde stelde) zou opstaan uit de dood (de vergankelijkheid, de slavernij) en haar erfenis in ontvangst zou nemen. Iets waarop Paulus in de daaropvolgende 3 hoofdstukken uitgebreid ingaat.

Een gedeelte waar deze uiting van verwachting ook weer gepaard gaat met een duidelijke uitspraak over de geestelijke aard van sterven en opstaan uit de dood, is Kolossenzen 3:1-4:

Als u dan met de Gezalfde opgewekt bent, zoek dan ook de dingen die boven zijn, waar de Gezalfde aan de rechter hand van God zit. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want u bent gestorven, en uw leven is met de Gezalfde verborgen in God. Wanneer de Gezalfde, Die ons leven is, geopenbaard wordt, dan zult u ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.

Paulus sprak over een geestelijk sterven en een geestelijke opstanding die toen al actueel was, maar er was daarnaast nog iets waar hij naar uitzag. Hij had de verwachting van de openbaring van de Gezalfde. De vervulling daarvan vinden we uitgebreid beschreven in het boek met de toepasselijke naam 'De openbaring van Jezus de Gezalfde'. En dat was een verwachting die op korte termijn in vervulling zou gaan. In Genesis 3 zien we dat Adam de levensadem van God (het geestelijke leven) verliest, door zijn onafhankelijkheidsverklaring. Door te kiezen voor een leven onder de wet, in plaats van een leven vanuit een relatie met God. Paulus zei dan ook dat de letter (van de wet) doodt en uiteindelijk teniet zou worden gedaan, maar dat de Geest van God levend maakt. En hij sprak de verwachting uit dat zij de heerlijkheid van God zouden gaan weerspiegelen (2 Korinthiërs 3). God had de mens gewaarschuwd dat het eten van de boom van kennis van goed en kwaad zou leiden tot een onmiddellijke dood (Genesis 2:17):

Maar van de boom van kennis van goed en van kwaad, daarvan zult u niet eten; want ten dage dat u daarvan eet, zult u de dood sterven.

Adam stierf die dag niet lichamelijk, hij stierf pas honderden jaren later, maar hij verloor die dag wel het leven van en met God. In Jezus is dit leven echter weer voor de mens beschikbaar. Jezus gaf Zijn leven vrijwillig om leven te geven. De boom van kennis leidde tot de dood. Jezus plantte zichzelf in de aarde en bracht vrucht voort, dat tot leven (opstanding uit de dood) leidde. Hij noemde zichzelf in Johannes 12:24 een zaad (om precies te zijn een graankorrel) dat in de aarde zou vallen en zou sterven, waarna Hij veel vrucht zou voortbrengen. Laat ik dat vrij vertalen: Jezus werd door Zijn sterven en opstanding uit de dood een boom van leven. Deze vergelijking lijkt mij geoorloofd, omdat Jezus zichzelf ook vergeleek met een wijnstok (Johannes 15) en in Openbaring 22 de levensboom weer bloeit in het nieuwe Jeruzalem. Eten wij van die Boom, dan zullen we leven en niet sterven. Wij zullen ons lichaam verlaten en doorleven in Zijn aanwezigheid. We hoeven niet meer te wachten op een fysieke 'opstanding uit de dood'. Door de overwinning van het Lam van God leven we al en zullen we blijven leven, zelfs al zijn we lichamelijk gestorven.

Paulus laat er in 1 Korinthiërs 7:27-31 ook geen gras over groeien, wat betreft de verwachting van een spoedig einde... ik pak er een paar punten uit:

...bent u nog niet getrouwd, zoek geen vrouw... Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd nog maar kort is; laten zij die vrouwen hebben, zijn alsof ze die niet hebben;... want het uiterlijk van deze wereld gaat voorbij.

Er is nog maar een 'korte tijd', zegt hij, zo kort zelfs dat je maar niet moet trouwen! Stel dat dit nu nog steeds zou gelden, dan hebben de afgelopen paar duizend jaar heel wat broeders iets doms gedaan...! Ik heb me altijd verbaasd over dit stukje, totdat ik ging zien dat het te maken had met de 'tijd van het einde', de tijd waarin het nieuwe verbond van kracht werd, doordat het oude op het punt stond voorgoed voorbij te gaan. Dit zou gepaard gaan met een heleboel akelige gebeurtenissen. Mannen met gezinnen zouden veel meer zorgen hebben dan mannen die niet getrouwd waren. De 'broeders' waar Paulus tegen sprak, werden aangemoedigd om al hun energie te stoppen in de verkondiging van het evangelie, want er was volgens Paulus nog maar weinig tijd.

Het 'uiterlijk van deze wereld' waar Paulus het over had is niet lang nadat hij dit schreef voorbij gegaan. Het Grieks zegt 'to schéma tou kosmou toutou'; dat is 'de uiterlijke verschijningsvorm van deze wereld', doelend op de wereld zoals zij die toen kenden en die in een korte tijd drastisch op z'n kop gezet zou worden. Die korte tijd is ondertussen allang voorbij en we leven nu in het eeuwigdurende Koninkrijk van onze Heer. Dus mannenbroeders, laat je er vooral niet van weerhouden om te trouwen!

Het blijkt uit hun brieven dat Johannes, Jacobus, Petrus en Paulus verwachtten dat 'het einde' (het oordeel, de 'dag van de Heer', met de 'verschijning' van de Heer in Zijn Koninkrijk, de 'opname' van de gelovigen inclusief de 'opstanding van de doden') spoedig zou komen. Misschien zie je de woorden tussen aanhalingstekens nu al in een iets ander licht. Ook in het boek Openbaring zien we die begrippen veelvuldig terugkomen. Het hele boek staat in het teken van de op handen zijnde gebeurtenissen in en rond Jeruzalem. Daar gaan we in het volgende hoofdstuk verder naar kijken.

Samenvattend moeten we deze dingen goed in de gaten houden, bij het onderzoeken en interpreteren van de Bijbel: Wat is de context? Wat is de doelgroep? Wat zijn de specifieke bewoordingen? En wat staat er in de oorspronkelijke taal.


218