De openbaring

In dit hoofdstuk wil ik een globaal overzicht schetsen van het boek Openbaring, hier en daar aangevuld met opvallende details, betekenissen van woorden en achtergronden.

Openbaring is het laatste boek in onze bijbels. Het is een boeiend boek, vol symboliek. We lezen van wonderbaarlijke wezens, 'afgezanten' (engelen), vreemdsoortige situaties, ontzagwekkende rampen en gruwelijke gebeurtenissen, lofliederen, klaagliederen, veldslagen, nederlagen en uiteindelijk een grote overwinning. Maar het hoofddoel vinden we gelijk in de eerste zin. Het boek begint namelijk met de volgende woorden:

De openbaring van Jezus de Gezalfde, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienstknechten te tonen de dingen, die spoedig moeten gebeuren

Dit is het thema, uitgewerkt in een reeks allegorische verhalen met Jezus in de hoofdrol. Het Griekse woord voor openbaring is 'apokalupsis', wat letterlijk betekent dat er een bedekking wordt weggenomen, net als bij het onthullen van een standbeeld. Het boek kan dus ook 'De onthulling van Jezus de Gezalfde' genoemd worden.

Dat er een bedekking was, waardoor de Joden van toen Jezus niet zagen zoals Hij was, blijkt bijvoorbeeld uit 2 Korinthiërs 3:13-18. Paulus zegt daar dat voor de 'kinderen van Israël' de ware betekenis van hun geschriften verborgen was, maar dat ze Jezus door de Heilige Geest zouden kunnen zien zoals Hij werkelijk was.

Het woord 'apokalupsis' komt 26x voor in het Nieuwe Testament. Een mooi voorbeeld is Lukas 17:20-37. De Farizeeën vragen Jezus daar wanneer het Koninkrijk van God komt. Jezus geeft een heel uitgebreid antwoord. Je kunt het Koninkrijk niet zien, je kunt het niet aanwijzen, maar de dag dat de Mensenzoon geopenbaard wordt (apokaluptetai – vers 30), zal een dag van vurig oordeel zijn.

De dingen die Johannes te zien kreeg moesten spoedig plaatsvinden. Dit blijkt uit zijn gebruik van de Griekse woorden tachei en tachu, die ook elders in de Bijbel gebruikt worden om aan te geven dat dingen in een korte tijd of gauw gebeuren. Daarbij richt Johannes zich direct tot een groep mensen in de eerste eeuw en wekte daarmee de verwachting dat het niet lang meer zou duren.

De context van dit boek komt sterk overeen met de 'rede van de laatste dingen' in Mattheüs 24 en 25, Markus 13 en Lukas 21. De overeenkomsten tussen de verslagen van de Mattheüs, Markus en Lukas zijn duidelijk. In het evangelie van Johannes vinden we echter nergens iets dat lijkt op zo'n rede, maar het boek Openbaring staat er vol mee en dat is hoogst waarschijnlijk van de hand van dezelfde Johannes. We kunnen Openbaring dan wellicht zien als Johannes' versie van die rede. Hij heeft feitelijk een apart boek gewijd aan het einde van de oude dingen en het begin van het nieuwe; meer dan de andere evangelisten bij elkaar. Hij stond naar eigen zeggen van alle leerlingen het dichtst bij Jezus. Hij was Jezus' beste vriend. En bij wie kun je beter je hart uitstorten dan bij degene die je het meest vertrouwt? Jezus had zo'n goede band met Johannes, dat Hij hem zelfs ná Zijn dood, opstanding en hemelvaart nog bezocht, om zeer gedetailleerd uiteen te zetten wat er nog stond te gebeuren. Johannes ziet Jezus, de Mensenzoon, geopenbaard worden in al Zijn macht en majesteit, om af te rekenen met Zijn vijanden en om Zijn eeuwigdurende Koninkrijk te vestigen.

In het eerste hoofdstuk lezen we over een visioen waarin Johannes Jezus ziet, de verheven Gezalfde in al zijn glorie en koninklijke waardigheid, wandelend tussen zeven kandelaren. We lezen dat het boek aan zeven gemeenten is gericht, die gesymboliseerd worden door die zeven kandelaren. Niet langer is er slechts één kandelaar met zeven armen, in een statische tempel in Jeruzalem. Het licht is verspreid over de wereld. De Geest van God wordt gezien als zeven geesten. Niet langer vervult Hij slechts en enkeling, maar hij versterkt en verlicht velen.

We lezen van zeven gemeenten, zeven brieven, zeven sterren, zeven zegels, zeven schalen, zeven heuvels, zeven afgezanten en nog meer zevens. Door het hele boek Openbaring heen zien we specifieke getallen voorkomen, zoals 2, 3, 7, 12, en 1000. Twaalf staat voor de twaalf stammen van Israël en de twaalf apostelen. Duizend staat voor een groot getal, een volledigheid of een lange periode. Zeven geeft in de Bijbel ook vaak iets van 'het totaal' of volledigheid aan. Je zou kunnen zeggen dat Openbaring met al die zevens een absolute en totale vervulling laat zien van de hele Bijbelse geschiedenis. Temeer omdat bijna alles wat we lezen in Openbaring al eerder in de Bijbel genoemd wordt. Het is de aankondiging van het einde van een tijdperk en het begin van een nieuwe tijd.

Johannes krijgt in het volgende te horen (Openbaring 1:19):

Schrijf de dingen die u gezien hebt, de dingen die zijn en dat wat direct na die dingen gaat gebeuren.

Het Griekse woord dat ik met 'direct na' heb vertaald is mellei, van het woord melló, waarmee een direct gevolg wordt aangeduid. Ik heb al laten zien dat dit gegeven, de verwachting van een spoedig, snel, haastig en binnenkort plaatsvinden op vele plaatsen in het Nieuwe Testament voorkomt.

In de volgende twee hoofdstukken (2 en 3) dicteert Jezus zeven brieven aan de zeven gemeenten in Asia, het westen van het huidige Turkije: Efeze, Smyrna, Pergamus, Thyatira, Sardis, Filadelfia en Laodicea. Hierin worden persoonlijke instructies gegeven.

Vanaf hoofdstuk 4 gaat het visioen verder met een blik in de geestelijke wereld. We zien de troon van God en de hele schepping die Hem eert. Dit wordt beschreven in prachtige symbolische taal. Symboliek kan soms lastig te interpreteren zijn, maar als je de rest van de Bijbel en het gebruik van de beeldtaal een beetje leert kennen, is het vaak wel duidelijk. Dan zien we zware oordelen over het land komen, elk oordeel volgend op het openen van elk van zeven zegels van een boekrol. De zegels konden alleen geopend worden door Jezus, die vergeleken wordt met een leeuw én een lam, dat eruit zag alsof Het geslacht was. Het lam had zeven hoorns en zeven ogen, die de 'zeven Geesten van God' voorstelden. Hoorns zijn in het Joodse denken een beeld van kracht (denk aan de hoorns van een stier). Met ogen zien zien we en 'zeven ogen' betekent dan dat Hij alles ziet. Zeven geesten staat voor 'volledigheid van geest', dus moet je niet denken aan letterlijk zeven afzonderlijke geesten maar meer iets in de zin van alomtegenwoordigheid, of de grootste en meest prominente geest. Bedenk ook dat de menora, de olielamp in de tempel, zeven armen had. Het is alsof deze Openbaring ons wil zeggen dat het licht van Gods Geest niet meer beperkt is tot één plaats in een afgesloten ruimte ergens in een stad, maar nu overal, onder de mensen is. Jezus is de absolute koning (leeuw) en nederige dienaar (lam), Die Zichzelf heeft opgeofferd. Hij was waardig om de boekrol van zijn zegels te ontdoen, want Hij had voor de Israëlieten uit alle geslachten, stammen, talen en volken betaald met Zijn bloed. Hij heeft het recht om recht te spreken en te oordelen.

We zien vervolgens het openen van zeven zegels, wat de gebeurtenissen voorafgaand aan de vernietiging van Jeruzalem opsomt. Dan volgt het blazen van zeven bazuinen en het uitgieten van zeven schalen waarmee in toenemende mate de ellende van Joodse oorlog van AD66-70 wordt beschreven. Drie keer zeven, waarmee weer een volledigheid wordt aangegeven. Ergens tussendoor hoort Johannes ook nog zeven donderslagen. Daarvan mag hij echter niets zeggen. In totaal zijn er dus vier zevens, waarvan er drie worden uitgewerkt. Dit doet mij denken aan een gedeelte uit Leviticus. God had Zijn volk duidelijk gewaarschuwd, dat Hij hen ernstig en volkomen (zevenvoudig) zou straffen als zij zich niet aan Zijn geboden zouden houden en hardnekkig zouden blijven zondigen, zo lezen we in Leviticus 26: 18-33 (ik licht er enkele zinnen uit):

En als u na deze dingen nog niet wilt luisteren, zal Ik er op overgaan, om u zevenvoudig voor uw zonden te tuchtigen. Want Ik zal de trots van uw kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper... En als u tegen Mij ingaat en niet naar Mij wilt luisteren, zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen laten komen... Ik zal u zevenvoudig voor uw zonden slaan. Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de wraak van het verbond wreken zal, zodat u in uw steden vergaderd zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en u zult in de hand van de vijand overgegeven worden... Ik zal u zevenvoudig over uw zonden tuchtigen. Want u zult het vlees van uw zonen eten, en het vlees van uw dochters zult u eten... En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; ... Ja, Ik zal dat land verwoesten... Ik zal u onder de volken verstrooien; ... en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestenij zijn.

Vier maal zegt God dat Hij ze zevenvoudig zal straffen als ze koppig blijven zondigen. Twee keer wordt de zeven direct gevolgd door het woord 'slaan'. Hij zal hun land en steden verwoesten en ze verstrooien onder de volken. En dat is ook precies wat Flavius Josephus, een Joodse geschiedschrijver uit de eerste eeuw, in zijn boek 'De Joodse Oorlog' vertelt. De Joden werden volgens hem in het jaar 70 na Chr. volkomen verslagen en verstrooid. Een gruwelijk detail waarvan Josephus bericht is dat de Joden die naar Jeruzalem gevlucht waren, tijdens het beleg zo wanhopig werden van de honger, dat ze daadwerkelijk hun eigen kinderen opaten. Hij beschrijft nog meer zaken die verrassend veel lijken op de voorspellingen in Openbaring.

Het is opmerkelijk dat Johannes in het boek Openbaring vier keer zeven slagen beschrijft: in zeven zegels (Openbaring 6), zeven bazuinen (Openbaring 8), zeven donderslagen (Openbaring 10) en zeven schalen (Openbaring 16). Van de zeven donderslagen weten we niet wat ze inhielden, omdat Johannes niet toegestaan werd om erover te schrijven, maar in het licht van het geheel kunnen we aannemen dat het ook hier om 'slagen' ging. Deze 'slagen' worden ook wel 'plagen' of 'straffen' genoemd. Het woord voor 'straf' heeft in de Bijbel vrijwel altijd een disciplinaire functie. Er wordt wel gezegd dat elke slag in de disciplinaire maatregel tot doel heeft om de overtreder tot inkeer te brengen. Maar zelfs na de laatste slag (zo lezen we in Openbaring 16:21), vervloekten de mensen God nog steeds. Ze waren onverbeterlijk. En hiermee is de toon van Openbaring gezet: het gaat over een volledig en rechtvaardig oordeel over het goddeloze Israël, uitgebeeld in allerlei allegorische voorstellingen.

Gelukkig eindigt het daar niet mee. Er zit een positieve wending in, anders zou dit een heel depressief verhaal worden. Houd in gedachten dat Gods oordeel altijd tot doel heeft om het goede en het kwade te scheiden; om het beste naar voren te halen en het verkeerde af te voeren. Niet alle Israëlieten waren slecht. Velen van hen gingen in hun lang verwachte Meshiach geloven en kwamen niet om in het oordeel. Het woord 'oordelen' (in het Grieks: krima) betekent 'vaneen scheiden', 'onderscheid maken' of 'selecteren'. De goede en de slechte mensen werden gescheiden en het werd duidelijk wie de ware Israëlieten waren.

Nu iets over de hoofdrolspelers die in paren in het boek worden geïntroduceerd. We zien natuurlijk Jezus als Overwinnaar en God de Schepper. Dan volgen er nog een aantal markante typebeelden in tweetallen. Er worden twee steden genoemd. Het oude Jeruzalem, dat de geestelijke namen Sodom, Egypte en Babylon krijgt; het is de stad van de aarde, die vol is van ongerechtigheid. De andere is het nieuwe Jeruzalem; het komt uit de hemel en is vol van heerlijkheid. Dan zijn er twee beesten. De één komt uit de zee en de ander van het land. De zee symboliseert in de Bijbel de 'volken'. Het land is een symbool voor Israël, wat ik verderop zal uitwerken. We zien twee misleiders: de 'draak' (de slang, de duivel, Satan) en de 'valse profeet'. Zij symboliseren de aanklagers. De 'oude slang', een satanische geest die al sinds het paradijs de mensen probeert te verleiden om te leven vanuit eigengerechtigheid, wetten en regels en dan de 'valse profeet', die samenwerkt met het eerste beest en probeert de mensen vanaf de aarde te verleiden. Vervolgens zijn er twee getuigen. Zij symboliseren de wet en de profeten. Tot slot zijn er de twee vrouwen. De één is een ontrouwe vrouw en rijdt op het beest uit de zee en komt zinnebeeldig overeen met de eerste stad, de ander is een trouwe vrouw, die komt uit de hemel en is gelijk aan de tweede stad. Zo zien we dat de symboliek ook kan overlappen. De eerste stad en de ontrouwe vrouw vertegenwoordigen het ontrouwe, rebelse Israël, met het aardse Jeruzalem als hoofdstad. De tweede stad en de trouwe, gehoorzame vrouw vertegenwoordigen de nieuwe bruid van de Gezalfde. Hierin zien we alle getrouwe Israëlieten die God willen dienen en verlangen naar Zijn gerechtigheid.

Het hele boek lijkt wel een 'Game of Thrones', een strijd tussen de machten van de aarde en de machten van de hemel. Door te begrijpen wat de rol van de spelers is in dit gevaarlijke machtsspel, kunnen we inzicht krijgen in de betekenis van alle symboliek, fantastische wezens en vreemdsoortige karakters. Daarbij zijn er ook nog delen die 'overlappen', net als een film waar we af en toe terug gaan in de tijd en dan weer vooruit. Daarom probeer ik Openbaring ook niet vers voor vers uit te leggen, maar ik wil ik laten zien hoe we al die typebeelden kunnen plaatsen. Als we dat kunnen, en wanneer we een samenhangend totaalplaatje hebben, dan zijn de details veel makkelijker een plek te geven in het grote geheel.

Je gaat bij een groot, complex schilderij ook niet proberen elk detail te begrijpen, voordat je weet wie het geschilderd heeft, wanneer en onder welke omstandigheden het ontstaan is en wat het totale plaatje voorstelt. En zelfs als je het totaalplaatje hebt is het nog niet altijd mogelijk om te achterhalen waarom de schilder net op die ene plek dat specifieke verfstreepje heeft geplaatst. Maar als je afstand neemt van het schilderij en je bekijkt het geheel, met het opschrift, binnen de omlijsting die ervoor gekozen is, dan weet je in ieder geval wel waar het over gaat; ondanks dat je niet weet hoe je sommige details moet duiden of verklaren...

Het thema van Openbaring is duidelijk dat Jezus de Gezalfde geopenbaard wordt in een reeks oordelen en een uiteindelijke machtsovername. Een belangrijke, zelfs cruciale vraag om de context te kunnen achterhalen is dan ook: wanneer zou dat alles plaatsvinden?

We zagen al dat het boek Openbaring als het ware geflankeerd wordt door tijdsbepalingen. Wanneer zouden die dingen geschieden? Spoedig. Weldra. De tijd is nabij. (Op.1:1-3) “Ik kom spoedig,” zei Jezus (Op.22:20). Als het dan allemaal 'spoedig' zou geschieden, dan lijkt het niet waarschijnlijk dat het vandaag, tweeduizend jaar later nog moet gebeuren. Natuurlijk kunnen er vandaag nog wel dingen gebeuren die lijken op dingen die genoemd worden in Mattheüs 24 en 25, Markus 13, Lukas 21 en het boek Openbaring, maar niet meer die specifieke dingen die voorspeld werden, want dat zou 'spoedig' gebeuren, in die tijd.

Vind je dit te kort door de bocht? Dan zullen we de eerder genoemde principes van doelgroep, context, vergelijking van woorden en betekenis van de grondtaal toepassen...

Het woord dat door Johannes gebruikt wordt voor 'weldra' en 'spoedig' is 'tachu', zoals in de eerste zin van het boek. Dat Griekse woord betekent in deze en in alle andere vormen snel, vlot, vlug, haastig, zonder uitstel, plotseling, gauw. Het wordt nergens gebruikt voor iets dat eens, in een mogelijk verre toekomst, plotseling of snel gaat gebeuren. Zo wordt het echter wel door sommigen geïnterpreteerd, om de profetieën in de toekomst te kunnen plaatsen. Johannes zelf gebruikt het woord in deze vorm wanneer hij vertelt dat Lazarus was overleden. Jezus gaat op weg naar de zussen van Lazarus, Martha en Maria. Toen Maria hoorde dat Hij eraan kwam stond ze snel (tachu) op om Hem te ontmoeten. Ze bleef dus niet nog een poos zitten om daarna snel te vertrekken. Ze ging direct op weg.

Het woord tachu is afkomstig van tachus en verwant aan tachinos

Tachus komt maar één keer in die vorm voor: Jacobus 1:19 als tegenstelling: Snel in het luisteren en langzaam in het spreken.

Er zijn verschillende vormen

- tacheós (haastig - 10x), het gebeurt op dat moment en met haast

- tachiné (spoedig - 1x), binnenkort, heel snel

- tachinén (snel - 1x), neutraal, afhankelijk van context

- tachion (met snelheid - 4x), vaak in de betekenis van eerder dan...

- tachista (snelste - 1x), zo snel mogelijk, overtreffende trap

- en tachei (in een korte tijd, vlot - 8x, waarvan 2x in Openbaring, altijd met het woordje 'in' ervoor: 'in snelheid'), dit iets aan waar haast bij is, aandrang. Het kan in Openbaring goed vertaald worden met 'binnenkort'.

> tachu (gauw - 12x, waarvan 6x in Openbaring in verband met de komst van Jezus), net als in Nederlands kan dit gebruikt worden als 'Kom/ga gauw!', 'Ik kom gauw', 'Gauw op zijn teentjes getrapt' of 'Maak het gauw in orde'. Context is dus vooral bij dit woord belangrijk. Het gaat er in Openbaring om dat dit woord gebruikt wordt wanneer Jezus tegen DIE mensen zegt: ik kom gauw. Te zeggen dat Jezus bedoelde dat hij ooit eens in een verre toekomst 'snel' of 'gauw' zou komen is in ieder geval erg ver gezocht en zou van geen belang zijn voor de mensen aan wie het geschreven is. Wat heeft het voor zin om iemand te schrijven dat iets gauw komt, als het pas honderden jaren na zijn dood gaat gebeuren?

Het woord 'nabij' is het Griekse woord 'engus' en Johannes gebruikt het vaak. Elke keer betekent het gewoon 'dichtbij', 'nabij', 'vlakbij' of 'naast'. Er is geen ruimte voor twijfel: Deze dingen zouden weldra, snel, spoedig, in een voor Johannes nabije, naaste toekomst geschieden.

Op veel plaatsen in het Nieuwe Testament lezen we dat het Koninkrijk op het punt stond door te breken. Jezus had het er veel over, zo lezen we in de evangeliën. In Handelingen 1 zien we dat hij Zich na Zijn opstanding nog 40 dagen lang vertoonde aan vele volgelingen en met hen sprak over het Koninkrijk. Zij vroegen hem, vlak voordat Hij werd opgenomen in de hemel, wanneer het Koninkrijk zou komen. Hij zei dat de Vader dat voor Zich zou houden en dat zij kracht zouden ontvangen om het goede nieuws aan de hele wereld te vertellen. Eerder Had Jezus al gezegd dat die verkondiging eerst moest plaatsvinden, voordat het einde kon komen. Dat 'einde' zou gepaard gaan met de komst van het Koninkrijk, waarvan ik in het hoofdstuk over 'het einde van de wereld' meer zal vertellen. Het boek Handelingen verhaalt verder over de apostelen, die de hele wereld over gaan om het goede nieuws van de komst van het Koninkrijk te verkondigen, zoals Jezus ze had opgedragen, in de verwachting dat het spoedig zou plaatsvinden en dat ze het zelf nog zouden meemaken. Zo zegt Paulus in Handelingen 14:22, nadat hij gestenigd was en voor dood achtergelaten was:

Versterkende de zielen van de discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en “dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods.

Met 'wij' wordt in dat gedeelte natuurlijk de aanwezige discipelen en Paulus zelf bedoeld. We zien het boek Handelingen eindigen met Paulus die nog steeds het Koninkrijk verkondigt. Hij zou het voorspelde einde zelf niet meer op aarde meemaken; wel het einde van zijn eigen aardse leven, want ook hij stierf een martelaarsdood in de grote verdrukking waarin ze leefden. In Openbaring 6:9-11 zien we echter dat die martelaren (waarvan ik denk dat Paulus deel uitmaakte) gewroken zullen worden; en ook wanneer.

En toen Hij het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen van hen die gedood waren om het Woord Gods, en om het getuigenis dat zij hadden. En zij riepen met luide stem, en zeiden: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet bij degenen, die op de aarde wonen? En aan een ieder werden lange witte gewaden gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een korte tijd rusten zouden, totdat ook het aantal van hun mededienstknechten en hun broeders, die gedood zouden worden net als zij, volmaakt zou zijn.

Ook daar wordt weer over een een korte tijd gesproken, totdat er een bepaalde volledigheid bereikt is. Wij zouden zeggen: tot de maat vol is. En dat zou spoedig zijn. Dit werd overigens opgeschreven door Johannes, die in het eerste hoofdstuk van het boek Openbaring zichzelfdeelgenoot in de verdrukking” noemt.

Paulus heeft het er ook over, in 1 Thessalonicenzen. 2:14-16:

Want u, broeders, bent in het voetspoor getreden van de Gemeenten van God die in Judea zijn, in de Gezalfde Jezus; u hebt hetzelfde te lijden gehad van uw eigen medeburgers, zoals zij van de Joden; die ook de Heer Jezus gedood hebben, en hun eigen profeten; en ons hebben vervolgd, en God niet behagen, en vijandig tegen iedereen zijn; En verhinderen ons te spreken tot de volken, om ze te redden; waardoor zij te allen tijde de maat van hun zonden vol maken. En de toorn is over hen gekomen tot het einde.

Paulus was rechtstreeks geïnspireerd door Jezus, die ook de leiders uit zijn tijd verantwoordelijk hield voor het geestelijk welzijn van Zijn volk. Jezus ging dan ook regelmatig tegen ze tekeer omdat ze zo corrupt waren, in de hoop dat er nog enkelen tot inkeer zouden komen. Want God wilde niet dat er iemand van Zijn volk verloren zou gaan (2 Petrus 3:9). Op een bepaald moment maakte Hij het ze zeer duidelijk dat de maat inderdaad vol was (Lukas 11:44-52):

Wee u, Schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, u lijkt op graven die niet openbaar zijn; en de mensen die er overheen wandelen weten het niet. En een van de wetgeleerden zei: Meester! als U deze dingen zegt, is dat smaad! Maar Hij zei: Wee ook u, wetgeleerden! want u belast de mensen met lasten die te zwaar zijn om te dragen, en zelf raakt u die lasten met geen vinger aan. Wee u, want u bouwt de graven van de profeten, en uw voorouders hebben ze gedood. Zo getuigt u dat u mede behagen hebt aan de werken van uw voorouders; want zij hebben ze gedood, en u bouwt hun graven. Waarom ook de wijsheid van God zegt: Ik zal profeten en apostelen tot hen zenden, en van hen zullen zij sommigen doden, en sommigen zullen zij wegjagen, opdat van dit geslacht afgeëist worde het bloed van al de profeten, dat vergoten is van de grondlegging der wereld af. Van het bloed van Abel, tot het bloed van Zacharia, die gedood is tussen het altaar en het huis Gods; ja, zeg Ik u, het zal afgeëist worden van dit geslacht! Wee u, wetgeleerden, want u hebt de sleutel van de kennis weggenomen; uzelf bent niet ingegaan, en die ingingen, hebt u verhinderd.

De maat was vol. Dát geslacht (ook wel vertaald met 'die generatie') van leiders zou gaan meemaken dat het bloed van de martelaren van hen zou worden opgeëist. Dat is waar het grootste gedeelte van Openbaring over gaat. De maat was vol voor Jeruzalem en voor alle goddeloze Joden die niet tot inkeer wilden komen. Merk op dat Jezus begint bij het bloed van Abel, zoon van Adam, de eerste mens die koos voor een leven onder de wet (kennis van goed en kwaad). Abel was de eerste mens die het slachtoffer werd van een religieus dispuut. We lezen in Genesis 4 dat hij schaapherder werd en zijn broer Kaïn landbouwer. Ze brachten beiden een offer (waaruit blijkt dat ze al iets van wetten, schuld en het brengen van offers kenden); Kaïn van de opbrengst van zijn land en Abel een dier van zijn kudde. Er lijkt op het eerste gezicht niets mis met wat zij deden, maar God ziet altijd ons hart aan en niet wat we doen (1 Samuël 16:7). Hij accepteerde het offer van Abel, maar het offer van Kaïn niet. Kaïn werd boos en doodde zijn broer Abel. Beiden verrichtten een religieuze handeling, maar de broer die de verkeerde motieven had werd verteerd door een ongecontroleerde woede tegen zijn rechtvaardige broer. Ook Zacharia werd om religieuze redenen vermoord, tussen het altaar en het huis van God. Het bloed van al die rechtvaardigen zou in die generatie opgeëist worden. De maat was vol.

Lukas gebruikte het woord 'geslacht' of 'generatie' meerdere keren en bedoelde daar daadwerkelijk die generatie mee; niet het 'geslacht van Joodse leiders in het algemeen' of 'het hele Joodse volk door alle generaties heen' zoals wel eens wordt gezegd. Hij gebruikt dat woord voor het eerst in hoofdstuk 1 vers 48-50, waar Maria God looft en zegt dat alle generaties haar vanaf dat moment gelukkig zullen prijzen en dat Zijn barmhartigheid is van generatie tot generatie. Probeer je eens voor te stellen wat Jezus met datzelfde woord bedoelde, toen Hij het over de “ongelovige en perverse generatie” had (Lukas 9:41). Bedoelde Hij daar alle Joden in alle tijden mee? Of de uitspraak “dit verdorven geslacht zoekt een teken en krijgt alleen het teken van Jona... en de mannen van Nineve zullen het veroordelen...” (Lukas 11:29-32); ging dat over alle toenmalige en toekomstige Joden? En zou Jezus (volgens Lukas 17:25) echt door alle Joden van alle tijden worden verworpen? Zoek eens alle teksten op waar dit woord gebruikt wordt en kijk wat het meest voor de hand liggende gebruik ervan is. Lees bijvoorbeeld Hebreeën 3:7-19, dat spreekt over een 'generatie' (in vers 10 – hetzelfde woord). Dat gedeelte gaat over de mensen die veertig jaar met Mozes door de woestijn trokken. In die context wordt het woord duidelijk gebruikt om één generatie van 40 jaar aan te geven. Zo kunnen we een vergelijking maken met de veertig jaar tussen Jezus' hemelvaart en Zijn oordeel over dat geslacht; de veertig jaar die volgden op bovengenoemde woorden uit Lukas 11. Dit geeft ons een aardige indicatie wanneer Openbaring geschreven moet zijn: ergens tegen het einde van die 40 jaar (rond 65 na Chr.)

Het klinkt verschrikkelijk, die aankondigingen van de komende toorn, maar God is zo genadig en geduldig, zelfs voor de volkomen verdorven en corrupte leiders, dat Hij ze nog een half leven lang de tijd gaf om zich te bekeren. In het licht van de totale geschiedenis is dat misschien kort, maar in die veertig jaar konden de apostelen de hele toenmalig bekende wereld bereiken en werd het hele Nieuwe Testament, zoals wij dat nu kennen, geschreven. De tijd was relatief kort, maar lang genoeg om iedereen ruimschoots de tijd te geven zich te bekeren.

We kunnen concluderen dat Jezus zei dat het niet lang meer zou duren, dat Paulus er eveneens duidelijk over was en dat de tekst van Openbaring vele indicaties bevat dat het spoedig zou gaan gebeuren. Waarom denken velen dan tóch nog dat het boek Openbaring voorspellingen bevat voor vandaag of voor ónze nabije toekomst?

De tijdsfactor

Ten eerste is er de tijdsfactor zelf die wordt betwijfeld:

Sommigen zijn namelijk van mening dat Openbaring geschreven is ergens in de jaren 90-96, tijdens de regering van Domitianus Caesar. Dat zou betekenen dat het boek niet kan gaan over de vreselijke gebeurtenissen in Israël, in het jaar 70, maar over iets dat later zou gebeuren. Aangezien er sinds die tijd geen periode is geweest waarin alles precies voldoet aan de dingen die in Openbaring beschreven zijn, moet het dus nog plaatsvinden. Dit is een heel belangrijk punt bij het begrijpen van het boek. Als het boek namelijk geschreven is vóór de val van Jeruzalem, dan hebben we een sterke aanwijzing dat het daarover gaat en niet over gebeurtenissen ná het jaar 70 of zelfs in onze toekomst.

Om te beginnen is de datering in de jaren 90-96 zeer discutabel, omdat die gebaseerd is op een dubbelzinnige beschrijving van Irenaeus (140 AD tot 202 AD), geciteerd door Eusebius, de kerkhistoricus, in 325:

Wij zullen ons echter niet blootstellen aan het risico om een definitieve uitspraak te doen over de naam van de Antichrist, want als het nodig was dat zijn naam duidelijk moet worden onthuld in deze huidige tijd, dan zou het aangekondigd zijn door hem die de openbaring ontving. Want het is nog niet erg lang geleden dat hij gezien is, bijna in onze tijd, aan het einde van Domitianus' regering.

Deze uitspraak is van Irenaeus, geciteerd door Eusebius, maar Irenaeus verwees weer naar Polycarpus, die vermoedelijk Johannes zou hebben gekend. Er zijn hier dus drie mensen bij betrokken, gescheiden door drie eeuwen. Omdat het 'van horen zeggen' is, wordt de betrouwbaarheid op zich al minder. (Die, hoorde van die, hoorde van die...) In het citaat zien we het stukje “het is nog niet erg lang geleden dat hij gezien is,” wat in de oorspronkelijke taal dubbelzinnig is ('hij' kan namelijk ook met 'het' vertaald worden). De zin kan slaan op de Openbaring die niet lang geleden gezien is, maar het kan ook betekenen dat Johannes nog niet lang geleden gezien is. En dan is het nog maar de vraag over welke ziener het hier gaat. Heeft Irenaeus het wel over Johannes, de schrijver van het ons bekende boek Openbaring? Daar komt bij dat Irenaeus niet altijd even betrouwbaar was in zijn vermeldingen van feiten omtrent personen. Jezus zou volgens hem op z'n 50e nog op aarde rondgelopen hebben (Against Heresies, 2:22:4-6). Dit is duidelijk in tegenspraak met de geschiedenis. Deze dingen maken het lastig om Irenaeus op dat punt als betrouwbare bron te zien. Vervolgens was Domitianus ook nog eens de tweede geboortenaam van keizer Nero, die omkwam in 68. Dit maakt dat de verwijzing naar Domitianus ook op Nero zou kunnen slaan. Belangrijker nog, is de opmerking van Johannes in de aanhef van Openbaring (1:9):

Ik, Johannes, die ook uw broeder ben, en deelgenoot in de verdrukking, en in het Koninkrijk, en in de volharding in Jezus de Gezalfde, was op het eiland, genaamd Patmos, om het Woord Gods, en om de getuigenis van Jezus de Gezalfde.

Uit deze woorden blijkt dat er ten tijde van het schrijven van Openbaring een vervolging van gelovigen gaande was. Er is echter geen hard bewijs uit de geschiedenis dat Domitianus structureel gelovigen vervolgd heeft, hooguit incidenteel. Nero daarentegen begon na het verlies van de Slag bij Beth Horon in 66 in Judea fanatiek Joden en christenen te vervolgen. En vergeet niet dat christenen ook al door de Joden vervolgd werden (denk daarbij aan Paulus, voorheen Saulus, die ook tamelijk fanatiek achter christenen aan zat – Handelingen 8:1-3). De grote verdrukking begon echter onder Nero, die bekend werd om zijn extreem brute christenvervolging en de wreedheden die hij tegen hen beging. Zo liet hij bijvoorbeeld gevangen christenen in teer dopen en in brand steken, om ze als verlichting te laten dienen tijdens zijn feesten. Dit alles plaatst het schrijven van Johannes in de tijd vóór het jaar 70, omdat christenvervolging door de Joden en de Romeinen voornamelijk plaatsvond in de periode tussen Jezus' hemelvaart en de vernietiging van Jeruzalem.

De verklaring van Irenaeus is schijnbaar het enige harde bewijs dat gebruikt kan worden om de “late datum” te ondersteunen. Het werd van generatie op generatie doorverteld, echter zonder dit te onderzoeken in het licht van het boek Openbaring zelf. Als je de boeken van de vroege christelijke schrijvers gaat lezen wordt ook al snel duidelijk dat er in de eerste eeuwen van de christelijke kerk al onenigheid was over de uitleg van de dingen die Johannes schreef. Daarom is het zo belangrijk om de tekst zelf goed onder de loep te nemen en elke interpretatie, hoe oud ook, kritisch te bekijken. Gelukkig hebben we vandaag het Internet en kunnen we al die documenten met enkele muisklikken naast elkaar leggen, om ze te vergelijken.

Het is in dit verband wel interessant om te vermelden dat in de Syrische versie van het Nieuwe Testament, voor het eerst gepubliceerd door Deuteronomium Dieu in 1627, en daarna in de Londense Polyglot, wordt aangegeven dat het Nero was die Johannes verbande: “De openbaring die God gaf aan de heilige Johannes de evangelist op het eiland Patmos, waarheen hij werd verbannen door Nero Caesar.” Dit is opgetekend in één van de oudst bekende vertalingen van het Nieuwe Testament. Als het klopt wat Dieu schreef, dan moet het boek Openbaring vóór het jaar 68 geschreven zijn. Natuurlijk kan ook dit een verkeerde interpretatie zijn, maar wat is dan het verschil tussen een interpretatie uit 1627 en één uit 325? Beiden zijn historische bronnen die gebruik maken van overlevering. Dus deze benadering geeft ons geen zekerheid. We kunnen beter kijken naar de tekst zelf en daar onze conclusies uit trekken.

Hier volgen een aantal punten waaruit we kunnen opmaken dat Openbaring begin jaren 60 van de eerste eeuw geschreven is en dat het grotendeels gaat over het oordeel dat Jeruzalem trof in het jaar 70.

1. De zeven koningen

De belangrijkste aanwijzing vinden we in Openbaring 17:10:

En het zijn ook zeven koningen; vijf zijn gevallen, één is nu, en de andere is nog niet gekomen, en wanneer hij komt, zal hij een korte tijd blijven.

Dit klopt precies met de zeven eerste heersers van het Romeinse rijk en de regeringsperiode van de 'één is nu': keizer Nero (en niet de latere Domitianus, wat ook blijkt uit Openbaring 1:9, zoals ik hiervoor heb beschreven).

Dit zijn de zeven heersers:

Dit is op zich al voldoende om het boek Openbaring te dateren vóór het jaar 68, de dood van Nero. Maar er is nog veel meer over te zeggen.

2. Zeven kerken in Azië

De zeven kerken die in Openbaring genoemd worden, waren gevestigd in bestaande steden in de eerste eeuw van onze jaartelling. Maar wanneer schreef Johannes aan deze kerken? De boodschap aan de kerk van Philadelphia (Openbaring 3:7-13) verschaft meer inzicht. In vers 10 en 11 zegt Jezus dit:

Omdat u Mijn woord van geduldige volharding bewaard hebt, zal Ik ook u bewaren uit het uur van de beproeving, dat over de gehele wereld komen zal, om te beproeven, die op de aarde wonen. Zie, Ik kom spoedig; houd vast wat u hebt, opdat niemand uw kroon afneemt.

De beproeving kwam over de 'hele wereld' (het Griekse woord oikoemene, dat is het Romeinse Rijk) en dan met name de gelovigen, want daaraan is deze brief gericht. Jezus vertelde hen dat Hij spoedig zou komen en dat ze moesten standhouden. En zoals gezegd vond de eerste vervolging van christenen plaats onder Nero Caesar in 64 na Christus. Daarom moet Openbaring geschreven zijn voor die tijd. Mede vanwege de afwezigheid van grootschalige vervolging na de veronderstelde late datum van schrijven (het jaar 95). De geschiedenis geeft ons geen verslagen van structurele christenvervolging kort na die tijd, maar wel degelijk in de jaren voorafgaand aan de vernietiging van de tempel in het jaar 70.

Het is overigens opmerkelijk dat er een brief gericht is aan Laodicea, maar niet aan Kolosse en Hiërapolis. Deze drie steden lagen dicht bij elkaar in het zogenaamde 'drie-stedengebied'. In het jaar 60 werden zij vernietigd door een aardbeving (Myth and geology, Luigi Piccardi, W. Bruce Masse, p 95-105). De enige stad die herbouwd werd was Laodicea (Tacitus, annalen 14:27). Er waren in die tijd veel aardbevingen, zoals Jezus had voorspeld. Deze historische feiten dragen bij aan de betrouwbaarheid van het Nieuwe Testament en helpen bij het dateren van de brieven.

3. De tempel opmeten

Een belangrijk punt uit Openbaring 11:2:

En mij werd een stok gegeven, een soort meetlat; en de afgezant stond en zei: Sta op, en meet de tempel van God en het altaar, en degenen, die daarin aanbidden. En laat het voorhof buiten beschouwing, dat buiten de tempel is, en meet dat niet, want het is aan de volken gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden.

Vergelijk dit met Lukas 21:24:

En zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal door de volken vertreden worden, totdat de tijden van de volken vervuld zullen zijn.

Jezus voorspelde het, Johannes herhaalt het. Dit gaat over de belegering van Jeruzalem tussen 66 en 70, met als climax de verwoesting van de tempel. Het gaat niet over een tempel en een stad in de geest, want die kunnen niet vertrapt worden door volken. Daar komt nog bij dat Johannes een tijd noemt die precies overeen komt met de lengte van de belegering: 42 maanden. De cryptische omschrijving 'totdat de tijden van de volken vervuld zullen zijn' geeft aan dat ze een beperkte tijd hadden om deze taak uit te voeren. Dit wordt ook bevestigd door Jezus in Mattheüs 24:22:

En als die dagen niet ingekort werden, zou niemand behouden worden; maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen ingekort worden.

Jezus sprak daar eveneens over de vernietiging van de tempel. Als Johannes opgedragen wordt om de tempel op te meten en een deel niet te meten, omdat het aan de volken gegeven is die het 'zullen gaan vertreden', dan moet de tempel er nog gestaan hebben! En dat was vóór het jaar 70, want toen werd Jeruzalem 42 maanden belegerd en tot slot werd de tempel verwoest. Anders gezegd: als het boek Openbaring ná het jaar 70 geschreven zou zijn, dan had Johannes toch zeker vermeld dat de tempel al verwoest was. De volkomen verwoesting van hun geliefde tempel was zo onvoorstelbaar ingrijpend voor de Joden, dat een Jood die in de jaren erna over de tempel schreef toch niet kon verzwijgen dat die machtige constructie niet meer overeind stond? Hij had op z'n minst kunnen zeggen dat Jezus' voorspelling uitgekomen was: dat er geen enkele steen van de tempel op de andere zou blijven staan (Mattheüs 24:2).

4. De 'stammen van de aarde'

Kijk eens in Openbaring 1:7:

Ziet, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle stammen van de aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, Amen...

Velen zullen direct zeggen dat dit nog niet gebeurd is, want nog niet elk oog (niet iedereen op de hele aarde) heeft Jezus zien komen op de wolken. Maar gaat het wel over de 'hele aarde' en gaat het wel over zichtbaar komen op wolken? Johannes haalde beelden en profetieën aan uit de Joodse Tenach, die wij kennen als het Oude Testament. Kijk eens naar Zacharia 12:10-11:

Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen Mij aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over Hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig zoon, ja zij zullen over Hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene. Te dien dage zal in Jeruzalem de rouwklacht groot zijn….

Het 'huis van David' verwijst naar de Israëlieten. Zij waren degenen die Hem zouden aanschouwen. De Israëlieten waren verdeeld in stammen, die over de hele toenmalige wereld verspreid waren. Dus de rouwklacht en het weeklagen over Degene die zij doorstoken hebben zou heel goed te maken kunnen hebben met de verwoesting van Jeruzalem en de tempel in die dagen. Zij die Jezus liefhadden jammerden over het verlies van de Leider, van wie ze hadden gehoopt dat Hij hen zou verlossen van de Romeinen. Het was in de tijd van Jezus de enige Zoon van God, die ze doorstoken hadden, dat alle stammen van Israël weeklaagden over het verlies van hun stad en hun tempel. Het was Jezus die kwam om dat oordeel uit te voeren. Dit wordt nog duidelijker wanneer we zien dat Jezus dezelfde terminologie gebruikte toen Hij sprak over die specifieke gebeurtenis (Mattheüs 24:30):

...en dan zullen alle stammen van de aarde wenen (weeklagen), en zij zullen de Mensenzoon zien, komende op de wolken van de hemel met grote kracht en heerlijkheid.

Alle stammen der aarde, daar worden mijns inziens de stammen van het land Israël mee bedoeld en niet de hele aarde, zoals wij die kennen. Het woord voor 'aarde' is hier namelijk het Griekse woord , dat wel vaker beter met 'land' vertaald kan worden. Wij geven ons woord 'aarde' ook verschillende betekenissen, zoals 'wereldbol' of 'landbouwgrond'. Zo hebben de Griekse woorden in het Nieuwe Testament ook vaak meerdere betekenissen en moet je kijken naar de context. Als er staat 'stammen van ...', dan is '...het land' een betere vertaling. De aarde als geheel is niet verdeeld in 'stammen', maar 'volken' en als dat hier bedoeld was, dan zou het er ook zo gestaan hebben. Zelfs al zou je hier 'de hele aarde' lezen, dan zou het alsnog gaan over de stammen van Israël (het huis van David), die verstrooid waren over de toen bekende aarde.

Telkens weer zien we dat het over Israël gaat en het oordeel dat hén te wachten stond; niet de vernietiging van de hele aarde. Het was hún wereld die instortte. Direct na deze woorden zei Jezus (Mattheüs 24:34):

Voorwaar Ik zeg u: dit geslacht (deze generatie) zal geenszins voorbij gaan voordat dit alles is geschiedt

Hij had het over dit geslacht of deze generatie; beide vertalingen zijn mogelijk. Het is duidelijk dat hij naar hen verwees die bij hem stonden en niet sprak over iets dat in de verre toekomst met Zijn volk zou gaan gebeuren.

5. Profetieën en overeenkomsten

We zagen dat Zacharia 12:10-11 door Jezus wordt aangehaald in Mattheüs 24:30 en dat het weer terugkomt in Openbaring 1:7. Hij verwees hier nog een keer naar, toen hij voor de raad stond (in Mattheüs 26:64):

Ik zeg u: Van nu aan zult u de Mensenzoon zien, zittende aan de rechter hand van de kracht (van God), en komende op de wolken van de hemel.

Het is verhelderend om het hele boek Zacharia eens in dit licht te lezen. Je zult zien dat er veel sterke overeenkomsten zijn met het boek Openbaring. Het is alsof Johannes een soort uitgebreide versie van de visioenen van Zacharia te zien heeft gekregen. Ik zal hier in het kort de treffende overeenkomsten met onder andere het boek Openbaring laten zien:

Zacharia 1 spreekt over een man op een rood paard, gevolgd door rode, bruine en witte paarden. Dit heeft veel weg van Openbaring 6, waar vier paarden genoemd worden met verschillende kleuren.

Zacharia 2 beschrijft een man die met een meetsnoer Jeruzalem gaat opmeten. In Openbaring 11 lezen we dat de tempel wordt opgemeten en in Openbaring 21 worden de maten van het nieuwe Jeruzalem gegeven. Zacharia 2 beschrijft daarnaast dat vele volken worden toegevoegd en dat God in het midden van Zijn volk zal wonen, wat we in Openbaring 21 ook weer beschreven zien.

Zacharia 3 beschrijft bekende beelden uit Openbaring, zoals de Satan, als tegenstander, en iemand die voor de Afgezant van God staat en schone kleren krijgt.

Zacharia 4 toont een gouden kandelaar met zeven lichten en een oliekruik, met de mededeling dat het allemaal door de Geest van God zal gebeuren, en dat twee olijfbomen voor de Heer en de hele aarde staan. Ik denk daarbij gelijk aan Jezus die tussen de zeven kandelaren wandelt in Openbaring 1 en de twee getuigen in Openbaring 11.

Zacharia 5 beschrijft een vliegende boekrol met vervloekingen, en vrouwen met vleugels. In Openbaring 4 wordt een boekrol geopend, wat vreselijke dingen tot gevolg heeft. In Openbaring 12 krijgt een vrouw vleugels om te vluchten.

Zacharia 6 beschrijft weer 4 paarden met verschillende kleuren, zoals in Openbaring 6. Maar nog interessanter is dat hier gesproken wordt over een Man die de tempel van Jahweh zal bouwen en Hij zal zitten en heersen op Zijn troon en de mensen die gehoorzaam zijn zullen mee helpen bouwen. Dit lijkt veel op de rode draad van Openbaring, dat Jezus op de troon zit en heerst met zijn trouwe dienaren.

Zacharia 7 bevat geen overeenkomsten.

Zacharia 8 spreekt over vele volken die zullen komen en smeken om met Israëlieten te mogen optrekken, omdat God met hen is (Openbaring 21).

Zacharia 9 bevat een opvallende voorspelling waar ik verderop in dit boek dieper op in ga. Het gaat over de Koning die zal komen, rijdende op een ezelsveulen. Dat is precies wat Jezus deed, toen Hij Jeruzalem werd binnengehaald als een koning. Tevens wordt er gesproken over bliksem en een bazuin die God zal blazen. Herkenbare beelden die we door heel het boek Openbaring heen zien.

Zacharia 10 spreekt van de valse profeten en dat God boos is op de herders (de leiders) van het volk en dat Hij ze zal straffen. Het straffen van goddeloze heersers is ook een thema in Openbaring. Dit is met name omdat Jezus de leiders (herders) van Israël er direct op aansprak dat zijn hun straf niet zouden ontlopen in het gericht over Jeruzalem, waar het volgens mij ook over gaat in Openbaring.

Zacharia 11 bevat een wonderlijke profetie met 5 specifieke details in het verraad van Jezus door Judas en wederom hoe boos God is op de herder die niet goed voor zijn schapen zorgt.

Zacharia 12 bevat de twee reeds besproken verzen (10 en 11) die door Jezus Zelf worden aangehaald met betrekking tot het oordeel over Jeruzalem: dat ze Hem zullen zien, Die zij doorstoken hebben, en over Hem zullen weeklagen.

Zacharia 13 bevat ook weer een profetie die Jezus op zichzelf betrok. De wonden in Zijn handen en de Herder die geslagen wordt, waarop de schapen verstrooid worden (Mattheüs 26:31). Direct daarna zegt Zacharia dat twee derde van het land zal omkomen. Dat lijkt ook sterk op de oordelen in het boek Openbaring. Maar er zal één derde overblijven, dat door God wordt gelouterd met vuur, als zilver en goud. Dit lijkt weer sterk op het restant van Israël, waar Jesaja meerdere keren over spreekt. Dit restant zien we in de vorm van 144.000 trouwe Israëlieten in Openbaring 7 en 14.

Tot slot wordt in Zacharia 14 weer gesproken over het oordeel dat Jeruzalem zal treffen. Maar Jahweh zal voor ze strijden en Zijn voeten zullen 'in die dagen' op de Olijfberg staan, die vervolgens in tweeën splijt en er een pad ontstaat, zodat het volk kan vluchten naar de bergen. Dat is ook precies wat Jezus Zijn volgelingen aanraadde om te doen, wanneer ze de 'gruwel van de verwoesting', de vijandige legers zouden zien komen. In die dagen is natuurlijk niet echt de Olijfberg in tweeën gespleten, maar dit is symbolische taal. God maakte dat ze veilig voor de ellende konden vluchten naar de bergen. Er was vlak voor de belegering ook een wonderlijk moment dat het leger zich tijdelijk schijnbaar zonder reden terugtrok, wat de trouwe volgelingen van Jezus de gelegenheid bood om te vluchten (Flavius Josephus, Joodse oorlog, II, XIX, 6,7). Dat zou het moment geweest kunnen zijn waarop deze profetie in vervulling ging.

Een interessant detail in Zacharia14 is dat er gesproken wordt over het neerzetten van voeten. Wanneer God in profetische taal Zijn voeten ergens neerzet, zegt dat iets over een betrokkenheid en ingrijpen van Zijn kant. Zoals in Micha 1:3-4, waar God 'op de hoogten treedt', en daardoor 'bergen smelten' en 'dalen splijten'(!), wat natuurlijk niet letterlijk gelezen moet worden.

Volgens de traditionele overlevering zijn Christenen in de tijd van het beleg van Jeruzalem naar Pella in de bergen gevlucht, aan de overkant van de Jordaan. Erg aannemelijk, want Jezus had het ze zelf gezegd. Het was de enige manier om te ontkomen aan de gruwelijke ondergang van Jeruzalem. En dat alles zou zijn 'in die dagen'. God zorgde ervoor dat ze die kans kregen.

Opmerkelijk is wat er daarna gebeurt (Zacharia 14:8-9):

Ook zal het te dien dage geschieden dat er levende wateren uit Jeruzalem zullen vloeien, de helft daarvan naar de oostzee, en de andere helft naar de achterste zee; zij zullen in de zomer en in de winter winter stromen. En Jahweh zal tot Koning over het hele land zijn; te dien dage zal Jahweh één zijn, en Zijn Naam één.

En in vers 16 van Zacharia 14 staat dat wie nog overgebleven zijn, vanuit de volken jaarlijks naar Jeruzalem zullen optrekken om het Loofhuttenfeest te vieren. (Overigens is dit een tekst waarin door velen wordt gelezen dat alle volken en naties jaarlijks naar Jeruzalem zullen optrekken; maar dat staat er niet. Dit gaat mijns inziens over de ware Israëlieten die nog over zijn gebleven; een thema dat steeds weer terugkomt in profetieën.) Er staat in de volgende verzen ook nog eens dat er op hen die dat niet doen geen regen zal vallen. Welnu, toen Jezus in Jeruzalem was om dit Loofhuttenfeest te vieren (in Johannes 7:2 'het feest van de Joden' genoemd) deed Hij een opmerkelijke uitspraak, die je alleen kunt begrijpen in de context van dit feest en Zacharia 14. Het was in die tijd de gewoonte dagelijks water te plengen in de tempel en te bidden om regen. Op het hoogtepunt van het feest presenteerde Jezus zichzelf als de vervulling ervan (Johannes 7:37-39):

En op de laatste dag, de grote dag van het feest, stond Jezus op en riep: Als iemand dorst heeft, kom dan bij Mij en drink. Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. (En dit zei Hij van de Geest, die zij die in Hem geloven ontvangen zouden; want de Heilige Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.)

In Johannes 4:20-24 had Jezus al gezegd dat men God niet meer in Jeruzalem zou aanbidden, maar in de Geest. In Jezus is dit feest vervuld en in Hem konden vanaf toen alle ware Israëlieten van uit de volken als één volk opgaan naar het Nieuwe Jeruzalem, om het Loofhuttenfeest te vieren in de Geest. Ik denk dat het grootste gedeelte van de profetieën van Zacharia betrekking hebben op gebeurtenissen rond het jaar 70, vergezeld van enkele specifieke profetieën over Jezus, wat het hele gebeuren ook daadwerkelijk 'in die dagen' plaatst. Mensen die vinden dat de Olijfberg een keer echt, letterlijk moet splijten, missen hier mijns inziens het totaalplaatje en de symbolische kracht van het beeld. De overeenkomsten tussen onder andere Mattheus 24, Lukas 21, Openbaring en Zacharia zijn zo sterk dat het mijns inziens wel om hetzelfde moet gaan.

Dan nog iets over het 'komen op wolken'. We kunnen dit zien in dezelfde context als het 'staan op bergen' en 'neerdalen' van God in het Oude Testament. De hogepriester en consorten wisten heel goed wat Jezus bedoelde toen Hij dat aanhaalde. Het was duidelijk dat Jezus zich identificeerde met God Zelf en de 'Mensenzoon' uit Daniël 7:13; dat was godslastering in hun ogen. Zij wisten wat het betekende; als God komt met kracht, op de wolken van de hemel, dan is het echt menens. Het 'komen op de wolken' was een bekend begrip en stond in verband met een komen van God, met macht en oordeel. Jesaja 19:1 spreekt over een komend oordeel over Egypte:

Zie de Here rijdt op een snelle wolk en komt naar Egypte; dan beven de afgoden voor Hem en het hart van Egypte versmelt in hun binnenste.

Ezechiël 30:3,4 zegt het volgende met betrekking tot het oordeel over Egypte:

Want nabij is de dag, ja, nabij is de dag van de Heer, een dag van wolken, een uur van de volken zal het zijn. Een zwaard zal in Egypte komen…

Het is belangrijk om deze 'apocalyptische taal' te begrijpen, voordat je het boek Openbaring kunt begrijpen. De doelgroep die deze boodschap hoorde, wist waar het over ging. De dag van de Heer, komende in, op of met de wolken, en de zon, de maan en de sterren die worden verduisterd betekende voor hen heel iets anders dan voor ons. Wolken, zon, maan en sterren worden in apocalyptische (letterlijk: onthullende) geschriften vaak gebruikt als symbolen, zoals in Ezechiël 32:7:

Wanneer ik u uitblus, bedek ik de hemel en verduister ik de sterren; de zon overdek ik met wolken, en de maan doet haar licht niet schijnen.

Dit gedeelte spreekt over de zon, maan en sterren om dat komende oordeel over Egypte aan te kondigen. Zoals deze hemellichamen heersen over dag en nacht, wordt hiermee symbolisch de heersende autoriteiten over volken bedoeld. In het oordeel gaat dan het licht van het betreffende volk uit en heerst de duisternis.

Zie, de dag van de Heer is nabij, meedogenloos, met verbolgenheid en brandende toorn, om de aarde tot een woestenij te maken en haar zondaars van haar te verdelgen. Want de sterren en de sterrenbeelden doen hun licht niet stralen, de zon is bij haar opgang verduisterd en de maan laat haar licht niet schijnen.

In dit gedeelte uit Jesaja 13:9,10 gebeurde er op zich niets met de zon, maan en sterren, ze bleven gewoon hun licht geven. Het is beeldspraak, om het komende oordeel over Babel te symboliseren.

Wie kent het verhaal van Jozef niet, die een bijzondere droom had (Genesis 37:9):

Nu heb ik weer een droom gehad, en zie, de zon, de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer.

De zon stelde Jozefs vader voor, de maan zijn moeder en de elf sterren waren zijn oudere broers. Zij waren autoriteiten boven Jozef, maar in de droom werden de rollen omgedraaid. Het was een profetische droom, omdat het werkelijkheid werd toen Jozef aan de macht kwam in Egypte.

Dan zijn er nog gedeelten als Richteren 5:20, waar strijdende koningen vergeleken worden met sterren. En zie Jesaja 34:4, daar rolt de hemel op en vallen de sterren naar beneden, maar het gaat om Gods oordeel dat neerkomt op Edom. In Joel 2:2 bij het naderen van een machtig volk (...verder in vers 10:) beven hemel en aarde en worden zon, maan en sterren verduisterd. In Amos 8:9 wordt voorspeld dat op het middaguur de zon onder zal gaan. Die beeldspraak wordt verklaard in vers 10, waar we zien dat het gaat over een feeststemming die overgaat in rouw. Amos had het daar al eerder over in hoofdstuk 5:19-20 van hetzelfde boek.

Na deze voorbeelden is het misschien makkelijker om te begrijpen wat er in het apocalyptische geschrift Openbaring met zon, maan, sterren en wolken bedoeld wordt. Zo kun je misschien horen wat de Joden hoorden toen Jezus aankondigde dat Hij zou komen op de wolken en dat zon, maan en sterren zouden verduisteren; namelijk, dat dit gepaard zou gaan met een oordeel. Jezus gebruikte exact dezelfde taal als de profeten uit de Tenach (de Joodse bijbel) tegen Zijn doelgroep, de Joden (en met name de Joodse leiders).

Om dit punt af te ronden, nog even iets over de tijdsbepaling in Openbaring 1:7. De tekst zegt iets over hen die Hem hebben doorstoken: de Joden van toen. Dat zijn niet de Joden die vandaag leven, dat waren de Joden die toen leefden en hun Messias gekruisigd hadden. Jezus had wel voor ze gebeden dat God het ze niet zou aanrekenen omdat ze niet wisten wat ze deden. Maar degenen die Hem zouden blijven afwijzen en hun toevlucht zouden blijven zoeken bij het oude (de tempel, de wetten en hun 'heilige stad'), zouden omkomen in de tragische gebeurtenissen van het jaar 70, wanneer de volken de stad en het heiligdom zouden vertreden. Het was geschreven door hun eigen profeten, maar ze wilden het niet weten. Kortom, die sterke overeenkomsten tussen de profeten van de Tenach, de woorden van Jezus en het boek Openbaring zijn weer een reden om te geloven dat het geschreven moet zijn vóór de tijd van het oordeel in het jaar 70.

6. De 'dronken hoer' en het bloed van de heiligen

Waar werd het bloed van de profeten en apostelen vergoten? Kijk eens in Openbaring 17:6:

...en ik zag een vrouw (vers 3)... En ik zag, dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen, en van het bloed van de getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, toen ik haar zag, met grote verwondering.

En 18:24:

En in haar is gevonden het bloed van de profeten en van de heiligen, en allen die gedood zijn op de aarde.

Het woord 'aarde' is hier weer 'gé', het land. Het is steeds weer van belang om te zien welk woord in de brontekst gebruikt wordt voor aarde of wereld. Bij dit woord (), moet je altijd goed naar de context kijken, omdat het net zo breed inzetbaar is als ons woord 'aarde' (grond/land, vaste grond, aardbol). Johannes was zeer verwonderd toen hij de vrouw zag, waarschijnlijk omdat hij al een idee had waar dit naar toe zou gaan en het nog niet durfde te zeggen, maar het werd voor hem uitgelegd in 17:18:

En de vrouw, die u gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde.

Deze 'grote stad' wordt meerdere keren 'Babylon' genoemd in de hoofdstukken 17 en 18. De term 'de grote stad' komen we vaker tegen in Openbaring (bijvoorbeeld 11:8):

En hun dode lichamen zullen liggen op de straat van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook onze Heer gekruisigd is.

Een belangrijke aanwijzing: 'alwaar onze Heer gekruisigd is'; dat kan alleen maar Jeruzalem zijn. Verder zien we dat de stad geestelijk als Sodom en Egypte geworden is. Dit is wederom een beeld uit het Oude Testament, waar Jeremia (23:14) namens God zegt:

...ze zijn mij altezamen als Sodom geworden

Er is geen andere duidelijke tekst, bijvoorbeeld in het Oude Testament, die Jeruzalem direct met Egypte vergelijkt, maar de Joden werden wel vaak gewaarschuwd om niet terug te keren naar de gebruiken van Egypte, waar ze vele jaren als slaven geleefd hadden. In Openbaring zien we dat dit toch gebeurd is. Met deze dingen in het achterhoofd is het dan ook niet vreemd om te zien dat het afvallige, overspelige Jeruzalem ook vergeleken wordt met Babylon. Babylon wordt in Openbaring ook 'de grote hoer' en 'de moeder der hoeren' genoemd. Dat is nogal heftig, maar geen vreemde uitspraak voor een Jood die zijn 'bijbel' (Tenach) kende. Meerdere malen wordt Israël in het Oude Testament vergeleken met een 'hoer'. Nu moeten we wel even stilstaan bij de betekenis van dat woord 'hoer' (Hebreeuws 'zanah' en Grieks 'porné' - van het Griekse woord hebben wij het woord porno). In het Hebreeuws, maar vooral in de Joodse cultuur, had het niet in de eerste plaats de betekenis van prostituee, 'een vrouw die haar lichaam verkoopt voor seks', maar voornamelijk een ontrouwe vrouw. Een vrouw die het verbond met haar man had verbroken. In die zin wordt het ook in Openbaring gebruikt. En bijvoorbeeld in Jesaja 1, dat over Jeruzalem gaat, lezen we in vers 21 heel specifiek:

Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid herbergde daarin, maar nu doodslagers.

Daar staat betrouwbaarheid (trouw) tegenover het 'hoer' (ontrouw) zijn. Dit maakt het onwaarschijnlijk dat het om een ander 'Babylon' zou gaan. Er was vóór Openbaring maar één stad die ooit getrouwd is geweest met God; en dat is Jeruzalem. Het geografische Babylon had geen verbondsrelatie met God. Jezus benadrukte ook dat Jeruzalem ontrouw was geworden en de stad was waar profeten gedood werden, in Lukas 13:34:

Jeruzalem, Jeruzalem! u die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen bijeen willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugelen vergadert; en u hebt niet gewild?

Dat is precies wat Openbaring zegt over 'Babylon'. Mattheüs 23:29-37 laat hetzelfde zien en daar houdt Jezus de Joden verantwoordelijk voor het doden van de profeten en de apostelen. Hij verklaarde dat zij de kinderen van hun vaders waren die ook de profeten hadden gedood. Vervolgens zei Jezus in vers 32, dat zij de zonden die hun vaders waren begonnen, zouden voltooien. Zie vers 35, waar Jezus zegt:

...opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde,...

Het Griekse woord voor 'de aarde' is weer 'gé', wat hier beter met 'het land' vertaald kan worden. En daarna uitte Hij de ondertussen bekende woorden (vers 36-37):

Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht. Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn.

Jezus hield hen verantwoordelijk voor “al het rechtvaardige bloed dat vergoten is op de aarde”. Dit is vergelijkbaar met wat Stefanus tegen de Joodse raad zei (Handelingen 7:51-52):

Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u weerstaat altijd de Heilige Geest; net als uw voorouders, zo ook u. Wie van de profeten hebben uw voorouders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die tevoren verkondigd hebben de komst van de Rechtvaardige, van Wie u nu verraders en moordenaars geworden bent.

Even daarvoor haalt Stefanus Jesaja 66 aan, wat ook sterke overeenkomsten vertoont met Openbaring. Uit deze passages moeten we logischerwijs afleiden dat 'de grote stad' in Openbaring het Jeruzalem was van de generatie van Jezus. De rebelse stad waar Jezus zo bedroefd over was, waar Hij het oordeel over uitsprak. Daar waar de profeten en heiligen vermoord waren. De eens getrouwe stad, die als Babylon, Sodom en Egypte geworden was, vol van afgoderij.

Dat er zo'n duidelijk verband ligt tussen het voorspelde oordeel over Jeruzalem in Mattheüs 24 en de beschrijvingen van de ontrouwe, rebelse stad in Openbaring, waar het bloed van de heiligen vergoten is, bewijst wederom dat Openbaring geschreven moet zijn vóór Jeruzalem verwoest werd in het jaar 70. Jezus zei: 'in déze generatie' en aan Johannes openbaarde Hij: 'zeer binnenkort'; het oordeel over deze stad, die de profeten doodt (inclusief Hemzelf), en stenigt die tot haar gezonden zijn.

7. Hagelstenen en archeologie

Over stenigen gesproken: wat was volgens de wet van Mozes de straf op overspel (ontrouw)? Steniging! (Deuteronomium 22:22-24). Volgens de Joodse geschiedschrijver Josephus, in het boek 'De Joodse Oorlog', boek 5, hoofdstuk 6, werd Jeruzalem in de jaren 66 t/m 70 onder andere bekogeld met witgeverfde stenen kogels van 1 talent (twintig kilo), gelanceerd door de Romeinse katapulten. Dit feit is bevestigd door archeologische vondsten in Jeruzalem, officieel bekend gemaakt door de Israel Antiquities Authorities (IAA).

Is het mogelijk dat we hier te maken hebben met een significante parallel? Een zeer markante overeenkomst vinden we namelijk in Openbaring 16:21

En grote hagelstenen, elk ongeveer een talent zwaar, vielen uit de hemel op de mensen neer. Maar de mensen lasterden God vanwege de plaag van de hagel, want de plaag van de hagel was zeer groot.

Deze hagelstenen vielen op het 'grote Babylon', omdat God haar 'gedacht' en haar te drinken gaf uit de wijnbeker van Zijn boosheid. De woorden die daar gebruikt worden hebben te maken met het verbreken van het verbond, waarover ik onder punt 6 sprak. Het woord 'gedacht' is in het Grieks 'emnésthe', van het werkwoord 'mimnésko'. Dat woord komt 23 keer voor in het Nieuwe Testament en heeft telkens de betekenis van 'in gedachtenis brengen' of 'gedenken'. Het is een woord dat in deze context te maken heeft met het verbond dat God met Jeruzalem had. Hieruit blijkt eens temeer dat het in Openbaring niet gaat over het geografische Babylon, maar om de verbondsstad Jeruzalem. Er was een strenge voorwaarde opgenomen in dat verbond, zoals we zagen in de 4x7 slagen uit Leviticus 26. God gedacht dat verbond met Zijn volk en de voorwaarden met de bijbehorende consequenties, als Israël hardnekkig ongehoorzaam zou blijven.

Zie voor het contrast Johannes 8:3-5, waar Jezus de wet overstemt met genade voor een op overspel betrapte vrouw. Hieruit blijkt dat God altijd oog heeft voor het individu. Daarom gaf Jezus ook duidelijke instructies aan Zijn volgelingen om de stad te verlaten en de bergen in te vluchten wanneer ze de legers zouden zien komen (Mattheüs 24:15, Marcus 13:14, Lukas 21:20). God is alleen boos op hen die hardnekkig blijven rebelleren.

8. De bergen vallen

Kort, maar krachtig: Vergelijk Openbaring 6:16:

En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Val op ons, en verberg ons voor het aangezicht van Hem Die op de troon zit, en van de toorn van het Lam.

met Lukas 23:28-30, waar Jezus tegen de dochters van Jeruzalem spreekt over het komende oordeel over de stad:

En Jezus, Zich tot haar kerende, zei: Dochters van Jeruzalem! ween niet over Mij, maar ween over uzelf, en over uw kinderen. Want zie, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken die niet gebaard hebben en de borsten die niet gezoogd hebben. Dan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Val op ons; en tot de heuvelen: Bedek ons.

Deze gedeelten lijken veel op elkaar en op Mattheüs 24, waar het duidelijk over de verwoesting van Jeruzalem en de tempel gaat. Dit woordgebruik duidt erop dat het om dezelfde gebeurtenissen moet gaan, wat de woorden in Openbaring 6:16 vóór de val van Jeruzalem plaatst.

9. Het beest uit de zee

In Openbaring 13 wordt een beest beschreven met zeven koppen en tien hoorns. Op de hoornen stonden tien kronen en op de koppen godslastering. Dit beeld lijkt in enkele opmerkelijke details op het vierde beest dat beschreven wordt in het zevende hoofdstuk van Daniël. Dit vierde beest van Daniël is een beschrijving van het Romeinse rijk. Het had ook tien hoorns, waarvan drie werden uitgerukt (er bleven er dus zeven over) en daarvoor in de plaats kwam er één met grootspraak. Het beest in Openbaring had voeten als van een beer en tanden als van een leeuw en Daniël beschrijft dat het vierde beest alles vertrapte met zijn voeten en met ijzeren tanden alles vermaalde. De getallen komen overeen, de kronen, het gedrag. Kortom je kunt eigenlijk niets anders concluderen dan dat het hier om dezelfde macht gaat: het Romeinse rijk. Volgens sommigen zouden hiermee Joodse commandanten bedoeld kunnen zijn, waarvan degene met grootspraak Johannes van Gischala was. Volgens Daniël zou dit beest in ieder geval 490 jaar na de opdracht tot herbouw van Jeruzalem in beeld zijn, wat precies uitkomt bij de tijd van Jezus. Hier ga ik later nog dieper op in.

10. De verzwakte Johannes

Volgens Hiëronymus van Stridon was Johannes in het jaar 96 zo zwak, dat hij met moeite naar de kerk gedragen werd. Hij kon daar slechts enkele woorden tot de mensen spreken. Meestal in de trant van 'houd van elkaar, want dat is de belangrijkste opdracht van onze Heer', maar veel meer kwam er niet uit. Het ligt niet voor de hand dat een dermate verzwakte Johannes op die leeftijd nog de woorden te horen kreeg die we in Openbaring 10:11 lezen:

...U moet wederom profeteren voor vele volken, en natiën, en talen, en koningen.

Deze 10 punten, samen met de eerder genoemde tijdsbepalingen zijn zeer sterke aanwijzingen dat het boek Openbaring in ieder geval voor het grootste gedeelte over dezelfde dingen gaat als waar Jezus het over heeft in Mattheüs hoofdstuk 24. Dingen die 'spoedig' en 'weldra' moesten geschieden. De tijd was nabij. (Openbaring 1:1,3; 2:16, 3:11; 22:6,7,10,12,20). En wat was nabij? De openbaring, de onthulling van Jezus de Gezalfde, zo lazen we in de eerste zin van het boek Openbaring. Hij zou geopenbaard worden in majesteit en kracht. Hij zou het bloed van de martelaren vergelden en Zijn trouwe volgelingen belonen.

Dat de tijd nabij was, kunnen we ook nog zien aan een belangrijke opmerking aan het einde van het boek. Kijk maar eens naar Openbaring 22:10:

En hij zei tegen mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet; want de tijd is nabij.

Als de tijd nabij was, en het boek mocht niet verzegeld worden, hoe 'nabij' was het dan? Vergelijk dit eens met het boek Daniël in het Oude Testament. Ook Daniël moest profeteren over de tijd van het einde. We weten dat Daniël ongeveer 600 jaar voor de val van Jeruzalem profeteerde. En wat kreeg Daniël te horen? (12:4,9)

En u, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot de tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de kennis zal vermenigvuldigd worden...

En Hij zei: Ga heen, Daniël! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot de tijd van het einde.

Daniël moest het boek verzegelen, want het duurde nog zo'n 600 jaar voordat het allemaal in vervulling zou gaan. Johannes moest zijn boek niet verzegelen, want het zou nog een korte tijd duren! Die 'korte tijd' was dus zeker veel korter dan 600 jaar. Ik zou zeggen een paar jaar.

Ondanks de vele indicaties dat Openbaring gaat over het einde van de oude tempel en het oude Jeruzalem, het systeem dat corrupt was geworden, zijn er toch nog veel mensen die het moeilijk vinden om elk detail van het boek in die tijd te plaatsen (grofweg de eerste eeuw van onze jaartelling). Zij trachten met het boek in de hand voorspellingen te doen over dingen die ons nog zouden staan te gebeuren, zoals een derde wereldoorlog of grote rampen. En zij zien in hedendaagse natuurverschijnselen, rampen, hongersnoden en oorlogen, de tekenen die genoemd worden in de Bijbel.

Dat komt mogelijk omdat er naast de tijdsfactor ook een schaalfactor meespeelt. Men vindt het moeilijk om de 'korte tijd' te accepteren, omdat de gebeurtenissen in Openbaring een 'wereldwijd' en 'allesomvattend' karakter lijken te hebben. In dit hoofdstuk hebben we gezien dat Johannes openbaringen kreeg over een 'einde', maar dat was niet een einde dat ver in de toekomst lag. Ik ben bewust nog niet ingegaan op de vele details in het boek, omdat we meer gebaat zijn bij het totaalplaatje. Als we dat hebben, kunnen we de details invullen. Het boek is de 'Openbaring van Jezus de Gezalfde' en Hij kwam om ergens een eind aan te maken en iets nieuws te beginnen. In het volgende hoofdstuk gaan we bekijken waaraan Jezus een einde kwam maken.

224