Het goede nieuws

Jezus sprak veel over het oordeel en alle ellende die daarmee gepaard zou gaan. Betekende de komst van Jezus en de vestiging van Zijn Koninkrijk alleen maar oorlogen en ellende, vergelding en oordeel? Wat betekent 'oordeel' eigenlijk in de Bijbel?

Wij denken bij het woord oordeel al gauw aan 'de toorn van God' en dat je zult 'branden in de hel'. Het Griekse woord voor oordeel is 'krisis' en betekent 'beslissing', 'scheiding' of 'oordeel'. In de vorm van een werkwoord betekent het in eerste instantie 'een beslissing nemen' of 'scheiding maken'. De gelijkenis van Jezus, die gaat over het scheiden van de schapen en de bokken (Mattheüs 24:31-46) is het meest duidelijke voorbeeld van 'oordelen' in de Bijbelse zin. God zet het goede apart om er iets moois mee te doen en heeft een andere bestemming voor dat wat niet goed is: de duisternis; dat is de afwezigheid van licht, dus waar God niet is. Ik geloof daarom dat iedereen die in het licht wil zijn, ook bij God zal komen en iedereen die door wil gaan met dingen die het daglicht niet kunnen verdragen, zullen automatisch in de duisternis belanden. Dat is dus een heel ander beeld dan de 'hel en verdoemenis' die ons wel eens voorgehouden wordt.

Adam en Eva werden in het begin verleid tot het 'eten van de boom van kennis van goed en kwaad'. De verleider zei 'jullie zullen 'als God worden, kennende goed en kwaad' (Genesis 3:5). Met die kennis konden ze zelf beslissen wat ze zouden doen en hadden ze God niet meer nodig. Althans, dat dachten ze. Helaas beoordelen wij mensen goed en kwaad vaak verkeerd, omdat wij niet het hele plaatje hebben. God heeft dat wel en behoudt daarom het recht tot een eindoordeel. Zo maakte de mens door zijn keuze God tot zijn rechter. Terwijl God zo graag een relatie met de mens wilde. De keuze voor zelfstandigheid maakte dat God moest gaan oordelen. Zolang de mens leefde in Zijn aanwezigheid, konden ze liefdevol gecorrigeerd worden, maar omdat ze zo hoogmoedig waren dat ze dachten het zelf wel goed te kunnen doen, kregen ze te maken met schaamte en schuld. Daarom is het zo belangrijk dat we nederigheid leren, zoals Jezus zei (Mattheüs 11:29):

Neem Mijn juk op u, en leer van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw zielen.

Dit zei Hij direct na een verhandeling over de dag van het oordeel die over de Joden zou komen. Wij hoeven geen oordeel meer over anderen te vellen, omdat Hij het volmaakte oordeel al geveld heeft. Jezus maakte duidelijk dat het gaat om hebben van een ontvankelijk, vrijgevig, gewillig en nederig hart. Voor zulke mensen is het Koninkrijk van God bestemd (Mattheüs 5).

Het verbond dat voorbij ging

Jezus zei dat van de tempel geen steen op de andere gelaten zou worden op de dag van het oordeel (zie Mattheüs 24:3). Die tempel was voor de Joden het centrum van hun godsdienst. Jeruzalem was de plaats waar God aanbeden werd. Maar Jezus ging een scheiding aanbrengen tussen oud en nieuw. In de brief aan de Hebreeën lezen we het volgende (waarschijnlijk slechts enkele jaren voor de vernietiging van de tempel geschreven – Hebreeën 8:13):

Als Hij zegt: 'Een nieuw verbond', zo heeft Hij het eerste oud gemaakt; en wat nu oud en verouderd gemaakt is, is de verdwijning nabij.

Het eerste verbond, met als fysieke vertegenwoordiging de tempel en de verbondsstad Jeruzalem, stond op het punt te verdwijnen. Dat verbond was nog niet voorbij toen dit geschreven werd, maar er zou spoedig een einde aan komen (het was nabij). Uit de teksten in het Nieuwe Testament is het duidelijk dat er een overgangsperiode was. De kruisiging, opstanding en hemelvaart van Jezus waren nog niet het hele verhaal. Jezus had een aantal belangrijke profetieën vervuld, maar nog niet allemaal. Om het goede nieuws compleet te maken, moesten nog enkele profetieën vervuld worden: het voorbijgaan (de vernietiging) van het oude en de vestiging van nieuwe, het Koninkrijk van God.

Paulus schreef in Romeinen 13:11-12 het volgende over de verwachting waarin zij toen nog leefden:

En dit zeg ik, te meer omdat wij weten in welke tijd we leven, dat de tijd is aangebroken dat wij nu uit de slaap ontwaken; want de redding is nu dichterbij dan toen wij eerst tot geloof kwamen. De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken van de duisternis, en aandoen de wapenen van licht.

Hij geeft aan dat ze de opstanding uit de dood verwachtten. Dood werd wel vaker vergeleken met 'slaap'. De redding was nabij. Niet de redding die Jezus al aan het kruis had bewerkstelligd, maar de bevrijding van het oude 'lichaam van de dood' (Romeinen 7:24). Bijna de hele brief aan de Romeinen gaat over deze overgang:

Telkens weer benadrukte Paulus dat hij uitzag naar de verlossing van het oude: van de slavernij aan de wet die de zonde veroordeelt, naar de volledige vrijheid van de 'zonen van God', het ontwaakte en herstelde Israël (Romeinen 8:19). De nacht was bijna voorbij, hij zag licht aan de horizon.

In Galaten 4:24-26 lezen we dit:

... want er zijn twee verbonden; het ene van de berg Sinaï, die tot slavernij leidt... en komt overeen met het Jeruzalem dat nu is... Maar het Jeruzalem dat boven is, dat is vrij en is de moeder van ons allen.

Het Jeruzalem dat er toen was zou er niet lang meer zijn. En daarin zien we het doel van de vernietiging: afrekenen met het oude verbond. God heeft dat oude verbond overigens nooit gewild. Het volk vroeg er zelf om toen ze bij de berg Sinaï stonden na hun bevrijding uit de slavernij in Egypte, zo lezen we in het boek Exodus (vanaf hoofdstuk 19). Ze wilden liever een verbond met regels en wetten, zoals ze dat bij de volken om hen heen zagen en gewend waren. Een verbond waarbij beide partijen zich aan een reeks voorwaarden moesten houden. Een overeenkomst waarbij de mens zélf moest kiezen op basis van een lijst met regels. En als één van die regels overtreden werd, dan was er straf en vergelding. Dat is in feite waar Adam en Eva ook voor kozen: de kennis van goed en kwaad.

God wilde dat Zijn volk voor Hem een koninkrijk van priesters zouden zijn (Exodus 19:6). Ze wilden echter niet dat God direct tot hen zou spreken, maar dat Mozes, oudsten, priesters en koningen hen zouden vertellen wat ze moesten doen. God moest maar door leiders, regels en wetten spreken, niet rechtstreeks; dat vonden ze eng. Ze vertrouwden de God van Mozes eigenlijk niet. Ze waren zo ver afgedwaald van de God van hun voorouders Abraham, Izaäk en Jakob, dat ze beefden van angst bij het idee dat Hij rechtstreeks tot hen zou spreken. Ten diepste durfden en wilden ze de verantwoordelijkheid niet aan om samen met Hem te regeren, om een volk van koningen en priesters te zijn voor de rest van de wereld. Ze hadden nog te veel een slavenmentaliteit. Uiteindelijk was het Jezus die het verlangen van God waar kon maken om een bestuurlijk lichaam, een volk van koningen en priesters voort te brengen (zie 1 Petrus 2:9):

Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zou verkondigen de uitmuntendheid van Hem, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.

Gods verlangen is altijd geweest om bij en in mensen te wonen en sámen te regeren. Dat was al zo in het begin, toen Adam en Eva in de tuin woonden. Daar was er al die keuze: ze konden leven vanuit een systeem van regels en wetten (dat was de boom van kennis van goed en kwaad) óf ze konden eten van de boom van leven en samen met God, als partners, heersen over de aarde. Ze kozen er uiteindelijk voor om het zélf te gaan doen en te oordelen naar hun eigen inzicht. Ze wilden het leven op aarde onafhankelijk van hun Maker zelfstandig invullen. Maar dat had wel consequenties. Als ze waren blijven leven in afhankelijkheid van hun Schepper en Vader, dan had Hij ze liefdevol kunnen leiden en leren hoe ze moesten leven. Maar ze kozen voor regels en dwongen God in de positie van oordelende Rechter. Mensen kunnen vanuit zichzelf echter nooit voldoen aan de volmaakte maatstaven van hun Schepper. Dit was in wezen de introductie van religie: een mens die probeert te voldoen aan deels zelf opgelegde morele wetten. En we weten ondertussen hoeveel ellende dat heeft voortgebracht. De eerste moord werd al gepleegd door één van hun zoons, Kaïn, die zijn broer Abel haatte omdat God het offer van Abel wél accepteerde en dat van hem niet (zie Genesis 4:4-8). De eerste afrekening vanwege een religieus dispuut.

De Israëlieten kozen later in feite voor hetzelfde, toen ze bij de berg stonden en Gods aanbod afwezen (Exodus 20:18-21). Ze waren bang en bleven op een afstand. In plaats van te kiezen voor het leven als een volk van koningen en priesters mét Hem, rechtvaardig heersend vanuit Zijn kracht, kozen ze ervoor om, net als Adam en Eva, hun leven te laten regeren door religie. Ze kozen voor een verbond met voorwaarden en moesten de consequenties dragen, in plaats van met Hem te leven. Nu hing leven of dood af van de mate waarin zij in staat waren om zich aan die regels te houden (Deuteronomium 30:16-18):

Want ik gebied u heden, Yahweh uw God lief te hebben, in Zijn wegen te wandelen en te houden Zijn geboden en Zijn inzettingen en Zijn rechten, opdat u zult leven en vermenigvuldigen en Yahweh uw God u zegent in het land waar u naar toe gaat, om dat te erven. Maar indien uw hart zich zal afwenden en u niet horen zult en u gedreven zult worden dat u zich voor andere goden buigt en die dient; Zo verkondig ik u heden, dat u voorzeker zult omkomen; u zult de dagen niet verlengen op het land waar u over de Jordaan naar toe gaat, om daarin te komen, dat u het erfelijk bezit.

Niet alleen het volk droeg die consequenties, maar ook God Zelf werd door de keuze van het volk gedwongen om dit voorwaardelijke, tweezijdige verbond na te leven. Hij moest straffen uit gaan delen. Volledig tegen Zijn liefdevolle Vaderhart in, moest Hij met Zijn volk handelen zoals de goden van de omringende volken dat deden. Toch zie je in de hele wet Zijn genade en vergeving doorschemeren. In de wet waren overal clausules opgenomen, die een voordeel opleverden voor de armen en de onderdrukten. En als de wet nauwgezet werd nageleefd, zou het goed gaan met het volk. Helaas is het voor een mens niet mogelijk om zich volledig aan de volmaakte wetten van God te houden. Dat zien we steeds weer in de geschiedenis van Israël. God wilde daarom al vanaf het eerste begin een éénzijdig verbond afsluiten, waarbij alles van Hém uitgaat. Het werd een meerjarenplan met als doel: een nieuw en blijvend verbond.

Een nieuw verbond

Het oude verbond, vol van geweld en bloedvergieten, kon maar op één manier worden ontbonden: door gelijkwaardige tegenactie. “Oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet...” (Exodus 21:24). Voor elke misstap was een bijpassende straf en dáárvoor kwam Jezus: de enige Jood in de geschiedenis die volledig gevuld was met de Geest van God en totaal zonder zonde leefde. Jezus was in wezen aan God gelijk, waardoor God als het ware met of in Zichzelf een volmaakt verbond kon sluiten. Dit verbond voldeed zowél aan de keuze van de Israëlieten (om onder de wet te leven) áls aan die van God Zelf (Die volledige gehoorzaamheid aan die wet eiste). In Jezus werd de wet helemaal vervuld, zoals Hij Zelf zei in Mattheüs 5:17:

Denk niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen.

Hij bracht het volmaakte en laatste offer. Met dat éne offer was in één keer aan alle eisen van de wet voldaan in die éne volmaakte Mens. God kon als het ware met Zijn eigen bloed Zijn hele volk vrijkopen, zodat niemand ooit meer bij Hem in het krijt zou staan. Iedereen was in één klap vergeven en met God verzoend. Hij sloot een eeuwig verbond met Zichzelf, door in die éne volmaakte Mens Zelf de keuze te maken. Toen was er nog maar één voorwaarde om bij Hem te mogen horen en met Hem te leven: het accepteren van Zijn offer (Romeinen 10:4):

Want de Gezalfde is het einde van de wet, waardoor iedereen die gelooft (vertrouwt op Hem) gerechtvaardigd wordt.

Een onvoorwaardelijk en onherroepelijk, eenzijdig aanbod. Er was voor de Joden, het volk dat leefde onder de wet, nu geen veroordeling meer dóór die wet. Hoeveel temeer voor ons, die nooit onder die wet geleefd hebben. Onze acceptatie is niet afhankelijk van onze goedheid of inspanningen. Het is allemaal Gods genade en daar kunnen wij niets aan toevoegen. Je hoeft zelfs niet te proberen om je naaste lief te hebben als jezelf – wat volgens Jezus de opsomming van de wet was (Lukas 10:27). We kunnen mensen liefhebben zoals HIJ liefheeft; door Zijn kracht. De volgende tekst geldt ook (zelfs) voor mensen zoals wij; al hoeven wij niet bevrijd te worden van de wet, want daarmee heeft God al afgerekend in de tijd van de Israëlieten (Efeziërs 2:4-6:)

Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met de Gezalfde; (door genade bent u gered), En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede geplaatst in de hemel in de Gezalfde Jezus;

Wij mogen gewoon genieten van wie God is en leven vanuit Zijn liefde. De tijd van wet en oordeel is voorbij, maar toen Jezus eenmaal het nieuwe verbond had gesloten – rechtstreeks met de Vader, zonder tussenkomst van mensen, maar als volmaakte Mensenzoon – moest er nog wel afgerekend worden met het oude systeem. En dat ging gepaard met veel weerstand en strijd, omdat er nog velen waren die het oude met hand en tand verdedigden. Door krampachtig vast te houden aan het fysieke Jeruzalem met de zichtbare, tastbare tempel, haalden de religieuze Joden het oordeel over zich, met alle ellende van dien. Degenen die het Koninkrijk in al zijn kracht verwachtten, zagen in hoop en verlangen uit naar een nieuw begin. In Zijn grote liefde heeft hij hun nieuw leven gegeven. Met hun Verlosser waren ze overgegaan van geestelijk dood, naar geestelijk leven. De Joden verwachtten echter een messias die hen zou verlossen van hun onderdrukkers (op dat moment waren dat de Romeinen), om vervolgens een fysiek koninkrijk te vestigen. Maar Jezus zei iets anders (Johannes 18:36):

Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; als mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; maar nu is mijn Koninkrijk niet van hier.

Jezus maakte duidelijk dat Zijn Koninkrijk niet van deze wereld (de 'kosmos', de zichtbare, tastbare schepping) was, maar van de hemel (geestelijk).

In Maleachi 3:1-2 staat het volgende:

Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal; plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die u zoekt, namelijk de Afgezant van het verbond, die u begeert. Zie, Hij komt, zegt de Heer van de Heerscharen. Doch wie kan de dag van zijn komst verdragen, en wie zal bestaan als Hij verschijnt, want Hij zal zijn als het vuur van de smid en als het loog van de bleker.

Enerzijds klinkt dit dreigend, want Maleachi vraagt zich af wie zal kunnen standhouden als Hij verschijnt met vuur. Maar er zit ook verwachting in: “de Afgezant van het verbond, die u begeert”. Dit gedeelte wordt aangehaald in Mattheüs 11:10, Markus 1:2,3 en Lukas 1:76. Johannes de doper wordt geïdentificeerd als deze afgezant en uiteraard is Jezus de Heer die naar Zijn tempel komt. Jezus noemt Johannes de Elia waar Maleachi in 4:5 over spreekt (Mattheüs 11:14). Johannes wilde zelf geen Elia genoemd worden (Johannes 1:21), maar hij trad wel op in de geest en de kracht van Elia (Lukas 1:17). Het komt naast deze voorbeelden wel vaker voor dat een profetie die een letterlijke vervulling lijkt te moeten krijgen, in het Nieuwe Testament vervuld wordt in een persoon zoals in Johannes, in Jezus, of in een groep personen: de gemeente, het lichaam van Jezus.

Goed en kwaad

Maleachi 3 gaat nog even door met het schilderen van een contrast tussen de slechte en de goede mensen, tussen hen die God wel dienen en hen die God niet dienen. Dan volgt in hoofdstuk 4 vers 1 en 2 iets dat zo uit de mond van Jezus had kunnen komen:

Want zie, die dag komt, brandende als een oven. Dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de komende dag zal ze in vlam zetten, zegt de Heer der heerscharen, Die van hen noch wortel, noch tak zal overlaten. Voor u, daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon van gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en u zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren.

Een prachtige belofte voor de trouwe Joden, die naar de verlosser uitkeken en Hem met open armen ontvingen. Maar degenen die Hem afwezen, hadden niet zo'n mooi vooruitzicht. God geeft te midden van dit soort profetische boodschappen van oordeel altijd de mogelijkheid tot uitkomst. Zo lezen we in Jesaja 10:22:

Want ofschoon uw volk, o Israël, is gelijk het zand van de zee, zo zal een overblijfsel daarvan wederkeren; de verdelging is vast besloten, overvloeiende met gerechtigheid.

Paulus benadrukt dit in Romeinen 9, 10 en 11, waar hij beschrijft wie tot het 'ware' Israël behoren. Dat zijn degenen die op God vertrouwen, niet de mensen die hun afstamming kunnen herleiden tot Abraham, Izaäk en Jacob. In Romeinen 9:22 haalt hij het bovenstaande vers uit Jesaja aan. Slechts een gedeelte, een overblijfsel van de toenmalige Joden waren echte Israëlieten. Om te voorkomen dat er een haat tegen etnische Joden zou ontstaan, benadrukt hij dat God Zijn volk niet verstoten heeft (hoofdstuk 11). God zou eerst alle trouwe Israëlieten aannemen – Paulus noemt hen de 'eerstelingen', wat verwijst naar de eerste opbrengst van de oogst – en daarna met hen ook de andere gelovige Israëlieten uit de volken, die als 'wilde olijftakken' geënt worden op de olijfboom (Israël). Zo werd volgens Paulus heel Israël behouden: een nieuwe olijfboom, een nieuw volk bestaande uit het overblijfsel van het originele volk van God, aangevuld met gelovigen uit alle volken (zie ook Genesis 22:18):

En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, omdat u Mij gehoorzaam bent geweest.

Er blijven altijd mensen over die niet ontrouw en boosaardig zijn. Dat waren dan ook de mensen waarvoor Jezus kwam. Mensen die 'door het vuur heen' behouden zouden blijven. Gelouterd en vrij van alles wat ze bond aan het stoffelijke. Daarbij denk ik aan 1 Petrus 1:3-7.

Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus de Gezalfde, Die ons naar Zijn grote barmhartigheid wedergeboren heeft doen worden tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus de Gezalfde uit de dood. Tot een onvergankelijke, en ongeschonden, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u. Die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de redding, die bereid is om geopenbaard te worden in de laatste tijd. Hierin verheugt u zich, al wordt u nu een korte tijd (zo het nodig is) bedroefd door vele verzoekingen; Opdat de beproeving van uw geloof, die veel kostbaarder is dan goud, dat vergaat, maar door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, eer en heerlijkheid, bij de openbaring van Jezus de Gezalfde;

Het ware Israël

Maar dan komt de klap op de vuurpijl: hoe kon een 'overblijfsel' nu ineens wél puur, heilig en rein zijn en blijven? Dat was voorheen niet mogelijk, want er kwam altijd wel weer ergens een kink in de kabel. Hoe zorgde God ervoor dat dit niet meer kon gebeuren? Konden mensen nu plotseling wel goed en kwaad scheiden en niet meer zondigen? Wij kunnen het toch ook nog steeds niet? De oplossing zit hem in de betekenis van het 'ware Israël' en de kracht van het Nieuwe Verbond.

Israël was Gods zoon, zoals Hij Zelf zei in Exodus 4:22:

Dan zult u tegen Farao zeggen: "Zo zegt Yahweh: 'Mijn zoon, Mijn eerstgeborene is Israël'".

En wederom in Hosea 11:1:

Toen Israël een kind was heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.

Dit wordt op Jezus toegepast in Mattheüs 2:13-15:

...de afgezant van de Heer verscheen aan Jozef in een droom en zei: "Sta op en neem het Kind en Zijn moeder en vlucht naar Egypte en blijf daar totdat ik het u zeg; want Herodes zal het Kind zoeken om Het te doden." Hij stond op, nam het Kind en Zijn moeder mee in de nacht en vertrok naar Egypte en bleef daar tot de dood van Herodes; opdat vervuld zou worden wat door de Heer gesproken is door de profeet (Hosea): "Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen."

God bevestigt dit in Matteüs 3:16-17:

En Jezus, toen Hij gedoopt was, klom op uit het water; en zie, de hemel werd voor Hem geopend, en hij (Johannes de doper) zag de Geest van God nederdalen als een duif en op Hem neerkomen. En er klonk een stem uit de hemel die zei: “Dit is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!”

Jezus werd door God uitgeroepen tot Zijn Zoon, net als Israël. Dit wordt nogmaals bevestigd wanneer we kijken naar de toevoeging 'eerstgeboren'. Israël wordt in Exodus 4:22 zo genoemd. In de Griekse vertaling van het Oude Testament (de Septuagint) staat hier 'huios prototokos', wat letterlijk 'eerste zoon' betekent. De eerste (of eerstgeboren) zoon had destijds een belangrijke positie; hij was erfgenaam. Zoeken we in het Nieuwe Testament naar dit woord, dan zien we dat het 5x expliciet voor Jezus gebruikt wordt (Rom. 8:29 – over hen die gelijkvormig zijn aan de Zoon, de Eerstgeborene onder vele broeders; Kol. 1:15,18 - Hij is het beeld van God, de Eerstgeborene over de hele schepping, de Eerstgeborene vanuit de doden; Hebr. 1:5,6 – over Gods Eerstgeboren Zoon die door engelen wordt aanbeden; en Op. 1:5 – over Jezus Christus, de Eerstgeborene vanuit de doden, de Heerser over alle koningen van de aarde).

Direct nadat God Hem had uitgeroepen tot Zijn Zoon, ging Jezus 40 dagen de woestijn in, net zoals de Israëlieten vlak na hun uittocht uit Egypte 40 jaar in de woestijn waren. Daar werd Hij getest door de Duivel en Jezus gaf hem antwoord door teksten uit Deuteronomium aan te halen, een boek dat stamt uit die periode. Later kwam er weer zo'n stem uit de hemel, die bevestigde dat Jezus die Zoon was en dat Hij kwam om de wet en de profeten te vervullen, wederom bevestigend dat Hij het ware Israël is, de vervulling, de climax van een heel lang verhaal (Mattheüs 17:1-8):

En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, Jakobus en Johannes zijn broeder en bracht hen op een hoge berg alleen. En Zijn gedaante veranderde voor hun ogen en Zijn gezicht blonk als de zon en Zijn kleren werden wit als licht. En zie, door hen werden gezien Mozes en Elia die met Hem spraken. En Petrus zei tegen Jezus: "Heer het is goed dat wij hier zijn! Als U wilt, laat ons hier drie tenten maken, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia." Terwijl hij nog sprak, zie, een luchtige wolk overschaduwde hen; en er klonk een stem uit de wolk die zei: "Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem!" En de discipelen, dit horende, vielen voorover en werden zeer bevreesd. En Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: "Sta op en vrees niet." En hun ogen opheffende, zagen zij niemand dan Jezus alleen.

Mozes en Elia vertegenwoordigden voor de Joden de wet en de profeten, hun hele Tenach, alle beloften en alles waar ze voor stonden; hun hele identiteit lag daarin opgesloten. Petrus zag Jezus op dat moment nog naast Mozes en Elia staan, alsof Hij zou worden toegevoegd aan deze twee sleutelfiguren uit hun geschiedenis. Maar God had iets anders in gedachten: DIT is mijn Zoon, luister naar HEM. Toen ze opkeken zagen ze dan ook niemand anders dan Jezus!

Jezus Zelf was er ook heel duidelijk over. Tenminste als je de Joodse beeldspraak begrijpt van de opmerking die Hij maakte in Johannes 15:1

Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de tuinman...

Kijken we naar de profeet Jeremia, dan zien we dat hij Israël een wijnstok noemt (Jeremia 2:21 – het hele hoofdstuk gaat over Israël):

Ik had u toch geplant, een edele wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe bent u voor Mij dan veranderd in verbasterde ranken van een vreemde wijnstok?

En in Psalm 80:9 staat:

U hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven en hebt die (wijnstok) geplant;

Jezus noemde zichzelf niet zomaar de WARE wijnstok. Je kunt pas een échte of wáre wijnstok zijn als er ook een valse, onechte is. Tevens noemt Hij God Zijn Vader, waarmee Hij bevestigt dat Hij de Zoon is. Ik zou het de vervulling van het zoonschap van Israël willen noemen.

Toen de Israëlieten bij de berg Sinaï stonden zei God dat zij een koninklijk priesterschap zouden zijn (Exodus 19:5,6). Jezus is Koning en Priester geworden en in Hem kwam Israël pas echt volledig tot haar doel (1 Petrus 2:5,9).

...door Jezus de Gezalfde... zijn jullie een uitverkoren volk, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat [God] toebehoort; opdat jullie de goedheid zouden verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.

Paulus zegt dat IN Jezus ALLE beloften van God aan Zijn volk 'ja en amen' zijn (2 Korinthiërs 1:19-20):

Want de Zoon van God, Jezus de Gezalfde, Die onder u door ons is gepredikt, namelijk door mij, en Silvanus, en Timotheüs, was niet 'ja' en 'nee', maar is geweest 'ja' in Hem. Want alle beloften van God die er zijn, zijn in Hem 'ja', en zijn in Hem 'amen', voor God tot heerlijkheid door ons.

Die beloften waren gegeven aan Israël, Gods zoon, Gods wijnstok. En we zien door het hele Nieuwe Testament heen de beloften in Jezus tot vervulling komen. Het lijkt erop dat God de identiteit van Israël in Jezus tot een climax bracht, om vervolgens al het oude in Hem te beëindigen en opnieuw tot leven te brengen. Hij belichaamde het hele oude Israël. Hij stierf en maakte zo een einde aan dat oude lichaam, zodat Hij kon opstaan in een nieuw leven, een nieuw lichaam, een nieuw Israël, de ware wijnstok. Zo konden een land, een natie en Sions kinderen in één dag geboren worden (de vervulling van Jesaja 66:8) zodat het van oudsher beoogde plan tot vervulling kon komen. En in het vertrouwen op Hem werd het heil voor alle volken beschikbaar gemaakt. Paulus vertelt dat hele verhaal in de hoofdstukken 1 t/m 11 van Romeinen, hoe dat oude lichaam niet in staat was om God te behagen, maar dat in Jezus een nieuw verbond tot stand kwam. Een verbond gesloten tussen God en Zijn Afgezant. Tussen God als Geest en God als Mens. Daar kan niemand meer tussenkomen. Jezus was zonder zonden en was als Enige in staat om aan alle eisen van de Joodse wet te voldoen, zoals Paulus zo mooi verwoordt in Galaten 3:13-16:

De Gezalfde heeft ons verlost van de vloek van de wet, Hij is een vloek geworden voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt. Opdat de zegening van Abraham tot de heidenen zou komen in de Gezalfde Jezus, en opdat wij de belofte van de Geest zouden verkrijgen door het geloof. Broeders, menselijkerwijs gesproken: zelfs een verbond dat bevestigd is tussen mensen doet niemand te niet en niemand voegt daaraan toe. Nu zo zijn de beloften aan Abraham en zijn zaad gegeven. Hij zegt niet: “En de zaden,” als van velen; maar als van één: “En uw zaad;” dat is de Gezalfde.

Paulus haalt hier overigens Jesaja 41:8 aan...

Maar u, Israël, Mijn knecht! Jakob, die Ik uitverkoren heb! het zaad van Abraham, Mijn liefhebber!

...en verleent ons de gunst van het diepere inzicht: Jezus was de Enige (dat éne Zaad, die éne Nakomeling) die het volmaakte verbond met God de Vader kon sluiten. Een verbond waardoor alle Israëlieten, mannen, vrouwen, slaaf of vrij, in het land of daarbuiten (verstrooid onder de volken), deelgenoot mochten zijn van de beloften die God aan Abraham gaf. Verderop in hetzelfde hoofdstuk zegt Paulus namelijk dit (Galaten 3:26-29):

Want u bent allen zonen van God door het geloof in de Gezalfde Jezus. Want zij die in de Gezalfde gedoopt zijn, hebben de Gezalfde aangedaan. Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch slaaf noch vrije; daarin is geen man of vrouw; want u bent allemaal één in de Gezalfde Jezus. En als u van de Gezalfde bent, dan bent u Abrahams zaad, en erfgenamen van de beloften.

Sommigen denken onder andere op basis van deze tekst dat christenen Israël hebben vervangen, maar Paulus zegt hier volgens mij dat zowel de Joden in het land als zij die verstrooid waren onder de volken (samengevat als 'Jood of Griek') deelgenoot waren van de zegen van Abraham (Genesis 22:18). Ze mochten deel uitmaken van de ware wijnstok, het ware Israël: Jezus de Gezalfde. Daarbij maakte afkomst (Jood/Griek), geslacht (man/vrouw) of sociale status (slaaf/vrij) niet uit. Het enige wat zij hoevden te doen is in Hem geloven, dat betekent dat ze op Hem moesten vertrouwen en niet op hun wet. Want Jezus had alles in Zichzelf vervuld, elke profetie en de hele wet. Daarvoor in de plaats kregen zij slechts één opdracht (Johannes 13:34):

Een nieuw gebod geef Ik u, dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u liefgehad heb, dat ook u elkander liefhebt.

Het woord dat hier gebruikt wordt voor 'nieuw' is kainos en betekent 'iets heel nieuws'. Het gaat om iets dat er daarvoor nog niet was. De hele wet werd door Hem gevangen en vervuld in één woord: LIEFDE. Bij de vraag van de Joden wat het belangrijkste gebod was, kregen ze een iets uitgebreider antwoord (Marcus 12:33):

... Hem lief te hebben met je hele hart, je hele verstand en je ziel en al je kracht; en je naaste lief te hebben als jezelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers.

En dat was nog voordat Hij de wet vervuld had. Na Zijn volmaakte offers waren de brandoffers en slachtoffers ook niet meer nodig. Wat betekent dat voor ons? Hetzelfde resultaat, maar zonder de geschiedenis. Wij hoeven niet gered te worden van de wet en de dood. Wij mogen gewoon naar de liefdevolle Vader in de hemel gaan.

Een nieuwe tempel

Jezus zei (zo lezen we in Lukas 4:43):

Ik moet ... het Evangelie van het Koninkrijk van God verkondigen; want daartoe ben Ik gezonden

Het Koninkrijk van God brengen, dat was het hoofddoel van Jezus (Mattheüs 6:33)

... zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid...

Toen de leerlingen Jezus vroegen hoe ze moesten bidden, was de eerste zin: “Onze Vader in de hemel, laat Uw Naam worden geheiligd (apart gezet), laat Uw Koninkrijk komen en laat Uw wil gedaan worden!” Het gebed is langer, maar dat het komen van het Koninkrijk belangrijk was voor Jezus, zien we aan alles wat Hij onderwees. Je zou kunnen zeggen dat Zijn hele boodschap over de komst van het Koninkrijk ging.

Daniël (2:34) profeteerde er al over: Jezus, 'de steen die niet door mensenhanden was uitgehouwen' met Zijn Koninkrijk, zou alle andere voorgaande wereldheersers met hun koninkrijken teniet doen. Zijn Koninkrijk zou de hele aarde vervullen. Vandaag zien we dat dit gaande is. Het Koninkrijk vult al bijna de hele aarde. Niet iedereen leeft in het Koninkrijk, maar bijna overal ter wereld zijn mensen die er deel van uitmaken. Meer dan ooit tevoren komen mensen in grote aantallen tegelijk tot Hem die echt leven geeft – geestelijk, eeuwig leven. Het Koninkrijk is al hier en niet ergens daar, ver weg in de hoge of in de toekomst. Het is onder ons, in ons midden, omdat Hij bij ons is. Het is niet zichtbaar, maar wel merkbaar. Jezus zei dat heel duidelijk, zoals we lezen in Lukas 17:20-21:

De Farizeeën vroegen Hem wanneer het Koninkrijk van God zou komen. Hij antwoordde hen: “Het Koninkrijk van God komt niet zichtbaar. En men kan niet zeggen: Zie hier, of zie daar, want zie, het Koninkrijk van God is in uw midden.”

Het Koninkrijk kwam dus niet als een waarneembaar iets. In het Grieks staat er het woord 'paratereseos', dat is 'met waarneming'. Het heeft geen fysieke, tastbare aard. We kunnen het niet waarnemen met onze natuurlijke zintuigen, maar met die van onze geest.

Jezus zei ook (Johannes 18:36):

Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld...

En Paulus zei in 1 Korinthiërs 15:50:

vlees en bloed zijn niet in staat het Koninkrijk van God te beërven...

En in Romeinen 14:17:

Het Koninkrijk van God bestaat niet uit eten en drinken, maar uit rechtvaardigheid, vrede en vreugde in de Heilige Geest.

Jezus gaf ook duidelijk aan dat God niet meer aanbeden zou worden op een berg of in een stad (het toenmalige Jeruzalem), maar in “geest en in waarheid” (Johannes 4:21-24), wat later het 'hemelse' of het 'Nieuwe Jeruzalem' wordt genoemd in Hebreeën 12:22:

Maar jullie zijn gekomen bij de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem...

En Openbaring 21:2-3:

En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een luide stem uit de hemel zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen en zij zullen Zijn volk zijn en God Zelf zal bij hen en hun God zijn.

Dat is de kern van het goede nieuws. God die bij ons woont, die in ons midden is. Daarvoor moest eerst het oude worden afgebroken. Daarna kon het nieuwe neerdalen uit de hemel en bij de mensen zijn. Het is dan ook alleen maar merkbaar, daar waar mensen het uitdragen. En wij mogen samen leven in die nieuwe stad met een nieuwe tempel van levende stenen (1 Petrus 2:5). Een mooi detail vinden we in Openbaring 21:16, waar staat dat de lengte, de breedte en de hoogte van het nieuwe Jeruzalem gelijk zijn. Dat was bij het Heilige der Heiligen van de tempel ook zo (1 Kon. 6:20). Daar was de aanwezigheid van God en er mocht slechts één keer per jaar een mens naar binnen: de hogepriester.

Daarom is Jezus ook als enige volmaakte Hogepriester eens en voor altijd het hemelse heiligdom ingegaan en heeft Hij, zoals de wet voorschreef, Zijn bloed op het verzoendeksel in de hemel gesprenkeld. Daarmee was de hele wet vervuld en verzoening voor alle mensen beschikbaar. Daarna kwam Hij nog één keer naar beneden, zoals God dat al zo vaak gedaan had, om af te rekenen met 'de bokken' in het laatste oordeel. Tot die tijd hadden zij de Heilige Geest als een zegel, wachtend op de verlossing; de dag dat het voor iedereen mogelijk was om rechtstreeks contact te hebben met God en met Hem te leven (Efeziërs 4:30).

Het oude Jeruzalem en de oude tempel moesten worden afgebroken, om plaats te maken voor het nieuwe Jeruzalem en de volmaakte geestelijke tempel. God zou niet meer slechts één keer per jaar benaderd kunnen worden door een speciaal daarvoor ingewijde priester, maar dagelijks voor iedereen die wil. De kennis van goed en kwaad moest weer in handen komen van Degene die er mee om kan gaan, zodat ieder mens Hem afzonderlijk kan ervaren zoals Hij is: een liefdevolle partner. Niet in een aardse stad met een tastbare tempel, maar in een nieuw, geestelijk Jeruzalem en in een tempel die nooit meer stuk kan: het 'lichaam' van Jezus, Zijn gemeente. Zo schrijft Paulus in Efeziërs 3:8-11:

Mij, de allerminste van alle heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen het Evangelie te verkondigen van de onnaspeurlijke rijkdom van de Gezalfde. En allen te verlichten, dat zij mogen begrijpen, wat de gemeenschap van de verborgenheid is, die in [voorgaande] eeuwen verborgen is geweest in God, Die alle dingen geschapen heeft door Jezus de Gezalfde; Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt zal worden aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid van God; Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in de Gezalfde Jezus, onze Heer.

De brief aan de Efeziërs is geschreven aan de mensen van de eerste gemeenten. Het was waarschijnlijk een rondzendbrief, omdat de naam Efeze in oudere manuscripten van de brief niet voorkomt.

Dit is wat God altijd al gewild heeft. Een volk, een gemeente, een koninkrijk van priesters, een lichaam dat Zijn veelkleurigheid laat zien en met Hem regeert; om samen iets moois te maken van deze aarde. Een gemeenschap waarin niemand boven de ander staat en een ieder God persoonlijk kent, zoals Hebreeën 8:10,11 laat zien (een aanhaling uit Jeremia 31:33,34):

Want dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet leren een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder, zeggende: Ken de Heere; want zij zullen Mij allen kennen van de kleinste onder hen tot de grootste onder hen.

In en door Jezus de Gezalfde is dit mogelijk geworden. Alleen in Hem kunnen wij volmaakt zijn, omdat Hij volmaakt is en Zijn leven gegeven heeft. Laten we anderen helpen om het hemelse Jeruzalem te zien (Openbaring 22:17:)

En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie er naar luistert mag zeggen: Kom! En die dorst heeft mag komen; en wie wil mag het water van het leven nemen om niet (gratis).

Laten wij Zijn Koninkrijk uitdragen, het Koninkrijk waarvan Daniël (2:44) had voorspeld dat het eeuwig zou duren.

218