7. Bewoordingen – tijd en eeuwigheid

Er is nog een belangrijk element dat meespeelt bij het begrijpen van de Bijbel. De schrijvers van het Nieuwe Testament waren tijdgenoten. Ze spraken dezelfde taal en gebruikten dezelfde bewoordingen. Hoe belangrijk dat is, wil ik hier illustreren. Wat Paulus namelijk in dat controversiële stukje in de brief aan de Thessalonicenzen zegt over hun hoop en verwachting, loopt qua woordgebruik parallel aan wat Jezus zei in Mattheüs 24, dat gaat over de vernietiging van de tempel en Zijn komst. Het is alsof Paulus de woorden van Jezus herhaalt en benadrukt dat het nu toch echt niet lang meer zal duren. Dezelfde thema's en woorden die we daar zien, komen ook in 1 Thessalonicenzen voor. Kijk maar naar het thema 'Zijn komst', wat meerdere keren voorkomt

1 Thess. 1:10:

...en uit de hemelen zijn Zoon te verwachten, die Hij uit de doden opgewekt heeft, Jezus, die ons verlost van de komende toorn.

1 Thess. 2:19:

Want wie is onze hoop of blijdschap of erekrans voor onze Heer Jezus bij zijn komst, wie anders dan u?

1 Thess. 3:13:

...om uw harten te versterken, zodat zij onberispelijk zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Heer Jezus met al zijn heiligen.

1 Thess. 5:23:

En de God van de vrede Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard bij de komst van onze Heer Jezus de Ingewijde.

De overeenkomsten tussen 1 Thessalonicenzen 4-5 en Mattheüs 24 zijn opmerkelijk. Paulus gebruikt in Thessalonicenzen dezelfde bewoordingen. Ik heb er 13 gevonden:

1

Jezus verschijnt persoonlijk

Matt. 24:30

1 Thess. 4:16.

2

Komt uit de hemel

Matt. 24:30

1 Thess. 4:16.

3

Met een geroep

Matt. 24:30

1 Thess. 4:16.

4

Vergezeld door afgezanten (engelen)

Matt. 24:31

1 Thess. 4:16.

5

Met een bazuin van God

Matt. 24:31

1 Thess. 4:16.

6

Uitverkorenen worden verzameld

Matt. 24:31

1 Thess. 4:17.

7

In de wolken

Matt. 24:30

1 Thess. 4:17.

8

Op een onbekend tijdstip

Matt. 24:36

1 Thess. 5:1,2.

9

Als een dief in de nacht

Matt. 24:43

1 Thess. 5:2,4.

10

Het komt voor ongelovigen onverwachts

Matt. 24:37-39

1 Thess. 5:3.

11

Zwangere vrouwen worden genoemd

Matt. 24:19

1 Thess. 5:3.

12

Gelovigen moeten waakzaam zijn

Matt. 24:42

1 Thess. 5:6.

13

Niet dronken maar nuchter zijn

Matt. 24:49

1 Thess. 5:7.

Merk op dat de overeenkomsten heel hoofdstuk 24 beslaan en niet alleen het eerste deel. Ik heb sommigen horen zeggen dat de vraag van de leerlingen aan het begin van hoofdstuk 24 in tweeën gesplitst kan worden, dus dat ze eigenlijk twee afzonderlijke vragen stelden, die door Jezus ook in twee delen werd beantwoord. Men legt de overstap naar het tweede antwoord dan ergens bij vers 36. Daarna zou het niet meer over de val van Jeruzalem gaan, maar over het einde van de wereld in de toekomst. De overeenkomsten met o.a. dit hoofdstuk in Thessalonicensen, maken dit voor mij een zeer onwaarschijnlijke optie, nog afgezien van de indruk die de vraag van de leerlingen op mij maakt. Want zoals ik het lees gaat het hen maar om één ding, en dat is de vraag wanneer hun geliefde tempel eraan gaat. Ik krijg niet de indruk dat ze op dat moment zo bezorgd waren over het einde van planeet aarde. Dit wordt nog duidelijker als we kijken naar de parallelle passage in Lukas 21:5-7, waar dezelfde vraag van de leerlingen net iets anders wordt geformuleerd:

En toen sommigen van de tempel zeiden dat hij met mooie stenen en offergaven versierd was, zei Hij: “Wat deze dingen aangaat die jullie hier zien, er zullen dagen komen waarop niet één steen op de andere steen gelaten zal worden, die niet zal worden afgebroken. En zij vroegen Hem: "Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn en waaraan kunnen wij zien wanneer deze dingen zullen geschieden?”

Het antwoord dat Jezus geeft in Lukas 21 is nagenoeg hetzelfde als het antwoord dat wij in Mattheüs 24 zien. In Lukas 21 is de volgorde van de dingen die Jezus zegt zelfs anders. Dit laat voor mij geen twijfel over dat zij maar één vraag in gedachten hadden: wanneer gaat de tempel eraan, wanneer gaat dat gebeuren? Het antwoord van Jezus is in het verslag van Lukas ook korter, maar het heeft dezelfde inhoud, inclusief de opmerking dat 'hemel en aarde' voorbij zullen gaan. Dit brengt veel mensen er toe het antwoord van Jezus te zien als iets dat veel breder is dan alleen de vernietiging van de tempel en Jeruzalem. Het hoeft echter niet het geval te zijn dat Jezus het hier over 'hemel en aarde' heeft zoals wij die woorden zouden gebruiken. In een later hoofdstuk vertel ik meer over de Joodse beeldspraak die hierin besloten ligt.

In Mattheüs 24 en 25 voorspelde Jezus dat Hij zou terugkomen in die generatie om de gelovigen te verzamelen en bij hen te komen in Zijn Koninkrijk. In 1 Thessalonicenzen 4-5 sprak Paulus over dezelfde komst die de gelovigen zou verzamelen. De conclusie lijkt mij duidelijk: 1 Thessalonicenzen 4-5 gaat over precies dezelfde verschijning (met wolken, in de lucht, een verzameling van gelovigen en een oordeel over de ongelovigen) als in Mattheüs 24. Zo zien we dat overeenkomsten met andere tekstgedeelten uit dezelfde tijd een belangrijke aanwijzing kunnen verschaffen over de betekenis ervan.

1 Thessalonicenzen 5:1-6:

Maar over de tijden en de gelegenheden broeders, is het niet nodig dat men u schrijft. Want u weet zelf heel goed, dat de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht. Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een spoedig verderf hun overkomen, als de barensnood van een zwangere vrouw; en zij zullen er geenszins aan ontkomen; Maar u, broeders, u verkeert niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou overvallen. U bent allemaal kinderen van het licht, en kinderen van de dag; wij zijn niet van de nacht, noch van de duisternis. Laat ons dan niet slapen, zoals de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn.

Paulus en de Thessalonicenzen verwachtten nog lichamelijk aanwezig te zijn bij Jezus' komst.

De zinsnede “zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een spoedig verderf hun overkomen”, lijkt een echo te zijn uit Jeremia 6, waar over de inwoners van Jeruzalem geprofeteerd wordt. In die profetie denken de mensen van Jeruzalem ook dat het allemaal wel goed zit, maar ze zijn rebels en opstandig en God probeert ze tot de orde te roepen. Ze willen echter ondanks alles niet luisteren en God verwerpt hen uiteindelijk. Omwille van de voortgang zal ik niet het hele hoofdstuk aanhalen, maar lees het eens in dit verband, je zult zien dat er verrassend veel overeenkomsten zijn.

Ook de bazuin komt vaker voor. Het was een instrument dat gebruikt werd om mensen op te roepen, te verzamelen of om iets aan te kondigen. Het komen van Jezus met bazuingeschal wordt door Paulus direct in verband gebracht met de 'opstanding van de doden'. Het is daarom waarschijnlijk dat Jezus het in Mattheus 24 over diezelfde gebeurtenis heeft. Paulus spreekt ook over het blazen van de bazuin in 1 Korinthiërs 15:52:

Op een moment, in een ogenblik, met de laatste bazuin, die zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.

In dat gedeelte geeft hij de Korinthiërs dezelfde bemoediging die de Thessalonicenzen ontvingen. Wat dat 'veranderen' inhoudt wil ik later nog een mogelijke verklaring voor proberen te geven.

Dat deze mensen bemoediging nodig hadden, blijkt ook wel uit de tweede brief aan hen. In 2 Thessalonicenzen 1:4-10 zien we namelijk dat Paulus op vergelijkbare wijze schrijft. Het gaat in die brief specifiek over de vervolging die ze te verduren kregen en hij wilde hen bemoedigen met de belofte dat hun onderdrukkers zullen worden gestraft.

...dat wij zelf trots over u spreken in de Gemeenten van God, over uw volharding en geloof in alle vervolgingen en verdrukkingen die u verdraagt; Een bewijs van Gods rechtvaardige oordeel, dat u het Koninkrijk van God waardig geacht wordt, waarvoor u ook lijdt; zo is het dan ook rechtvaardig dat God de verdrukking zal vergelden, [met name] hen die u verdrukken; En u, die verdrukt wordt, te verkwikken samen met ons, in het openbaar worden van de Heer Jezus vanuit de hemel, met de afgezanten die Zijn kracht [zichtbaar maken]; Met vlammend vuur wraak uitoefenend over degenen die God niet kennen, en over degenen die het evangelie van onze Heer Jezus de Ingewijde niet gehoorzaam zijn. Zij zullen straf te verduren krijgen, het eeuwig verstoten zijn van de aanwezigheid van de Heer en van de heerlijkheid van Zijn kracht, wanneer Hij zal komen op die dag, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en geëerd te worden door allen die geloven (ook omdat u ons getuigenis hebt geloofd).

Deze bemoediging heeft ook weer dezelfde herkenbare elementen, verkwikking (Grieks: 'anesis' - vrijheid, rust, opluchting, ontspanning - van 'aniémi', wat iets in zich heeft van 'laten gaan' of 'terugsturen'), aangevuld met het zeer prominent aanwezige thema van vergelding, dat Jezus meerdere malen benadrukte in de gelijkenissen in het vervolg van Mattheus 24 (hoofdstuk 25). Als ik dit gedeelte lees, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat Paulus deze vergelding in een nabije toekomst verwachtte voor zijn medegelovigen die toen, daar, in de grote verdrukking leefden waarvoor Jezus zijn volgelingen had gewaarschuwd. Wat Paulus zegt over de komst van de Heer, in heerlijkheid en kracht, met afgezanten en oordeel, ligt dan ook duidelijk in het verlengde van Mattheus 24 en verwijst gezien de context (de vraag van de leerlingen) onvermijdelijk naar de verwoesting van Jeruzalem, niet naar iets dat nog duizenden jaren in de toekomst zou moeten plaatsvinden, maar iets wat in het jaar 70 daadwerkelijk gebeurd is. Ik denk dat mensen die vandaag nogmaals een grote verdrukking en vernietiging van een (herbouwde) Joodse tempel verwachten, zichzelf nodeloos ongerust maken. En als wij hierin een bemoediging zouden lezen om verlost te worden van een nog komende verdrukking, voegen we daar nog een onnodige laag aan toe. De verkwikking was voor de volgelingen van Jezus in die tijd, in de grote verdrukking en vervolging door fanatieke Joden en de Romeinen die op hun manier probeerden de onlusten de kop in te drukken.

Eeuwig?

Dan moeten we nog even kijken naar het woord 'eeuwig'. In het Grieks wordt meestal het woord 'aion' gebruikt en in het Hebreeuws 'olam'. De vertalers van de Septuagint, de Griekse vertaling van de Tenach, hebben het woord 'olam' ook meestal vertaald met 'aion'. We kunnen dus aannemen dat hiermee dezelfde gedachte wordt vertolkt. Nu is ons begrip van eeuwig iets anders dan de betekenis van olam en aion. Wij denken aan een periode die nooit eindigt, maar die gedachte werd niet met olam en aion overgebracht. We moeten meer denken aan een 'onbepaalde tijd'; een periode waarvan we het einde nog niet kunnen inschatten. In theorie zou dat oneindig kunnen zijn, maar het is zeker in een aantal gevallen duidelijk dat de schrijvers van de Bijbelteksten niet op die manier naar hun toekomst keken. Ik ga hiervoor bewust naar de eerste boeken van de Bijbel, omdat hier de toon gezet wordt voor deze woorden in zowel Hebreeuws als Grieks. Neem bijvoorbeeld Genesis 6:3, waar God volgens de Statenvertaling zegt: “Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens.” In het Hebreeuws staat daar olam, maar in de Septuagint staat zelfs geen 'aion'; zij vertaalden het simpelweg met “Mijn geest zal niet bij deze mensen blijven.”

In Exodus 3:15 komt ook olam voor, vertaald met aion in de Septuagint, waar het wordt verduidelijkt met 'generatie op generatie'. Het is pas aannemelijk dat er echt 'eeuwig' bedoeld wordt, wanneer er een woord aan toegevoegd wordt, zoals bijvoorbeeld in Exodus 15:18. Hier wordt gezegd dat Yahweh eeuwig regeert. Het woord olam wordt gevolgd door w'ed, wat zoiets betekent als 'en door' of 'en verder'. De Septuagint vertaalt hier 'in de aion en tot aion en dan nog'. Zij vonden dus dat dit heel sterk vertaald moest worden, door drie woorden te gebruiken om een onbevattelijk lange tijd aan te geven. Kennelijk was één keer aion gebruiken voor hen niet genoeg om een eeuwigheid aan te geven. Hetzelfde geldt voor olam.

In Exodus 21:6 zien we het woord olam wanneer gezegd wordt dat een knecht zijn meester na een bepaald ritueel 'eeuwig' zal dienen (Statenvertaling 'eeuwiglijk' – Grieks 'tot in de aion'). Het is duidelijk dat hiermee bedoeld wordt 'tot aan zijn dood', of 'voor zolang het fysiek mogelijk is'. Maar dat de woorden olam en aion op zich niet met 'eeuwig' vertaald kunnen worden lijkt mij duidelijk.

Exodus 31:16,17 spreekt over het houden van de sabbat als zijnde een 'eeuwig' verbond en een 'eeuwig teken' in 'hun generaties'. Zoals ik in dit boek laat zien kwam er aan hun generaties een einde, dus ook deze olam/aion is niet oneindig. Hetzelfde kunnen we zeggen van Exodus 32:13, waar het land (Kanaän) aan Israël beloofd wordt 'tot in de aion', 'le-olam'.

We kunnen op deze manier de hele Tenach doorlopen, maar telkens komt dit principe naar voren. Het is niet zonder meer gerechtvaardigd om deze twee woorden met 'eeuwig' of 'eeuwigdurend' te vertalen. En zelfs met een toevoeging gaat het slechts om een onbevattelijk lange tijd.

Te zeggen dat Paulus het in 2 Thessalonicensen 1:9 over een eeuwigdurende straf had, is dus niet zonder meer geoorloofd. Het lijkt mij goed om dit in gedachten te houden, wanneer je in een vertaling het woord 'eeuwig' leest. De kans is groot dat het om een onbepaalde tijd gaat en niet iets dat oneindig is.

VOLGENDE >

NAAR INDEX

10