De profetieën van Daniël

Daniël en de berg

Daniël was een Jood die in ballingschap naar Babylonië was gevoerd door Nebukadnezar II, in de tijd dat Jojakim koning was van Juda, ongeveer 600 voor Christus. Daniël kwam in de gunst bij Nebukadnezar doordat hij een droom voor hem uitlegde. De koning droomde over een groot beeld, opgebouwd uit verschillende metalen en klei. Het stelde opeenvolgende wereldrijken voor, die uiteindelijk allemaal voorbij zouden gaan, waarop het Koninkrijk van God al die rijken zou overtreffen. De koning wilde de droom aan niemand vertellen, maar Daniël kon niet alleen de droom herhalen; hij legde ook nog eens de betekenis uit.

In de droom zag de koning het grote beeld met een hoofd van goud, borst en armen van zilver, buik en lendenen van koper, benen van ijzer en voeten van deels ijzer en deels klei (Daniël 2:32).

Daniël legde uit dat het hoofd van het beeld de huidige koning Nebukadnezar van het Babylonische rijk voorstelde, gevolgd door het bovenlijf met armen van zilver, dat zouden de Meden (met koning Darius) en Perzen (met koning Cyrus) worden. Het koperen middel stelde het volgende rijk voor, de Grieken (onder Alexander de Grote). En de ijzeren benen waren het daaropvolgende rijk: de Romeinen. De tien tenen waren tien koningen van dat rijk, wat verder uitgelegd wordt in een latere profetie van Daniël. Ondertussen was dat Romeinse rijk verdeeld en vermengd met klei, dat was voor de Israëlieten een beeld is van gewone mensen. God maakte de eerste mens, Adam, uit klei - de elementen van de aarde - maar klei was ook een beeld van Israël als volk. Zie Jesaja 64:8:

...U bent onze Vader; wij zijn klei, en U bent onze pottenbakker, en wij zijn het werk van Uw handen

Het Romeinse rijk was inderdaad vermengd met de volken in de bezette gebieden (waaronder Israël), die ook nog een eigen bestuur hadden. In de tijd van die tien koningen zou volgens de droom een 'steen', die niet was gevormd door mensenhanden, het beeld omstoten en verbrijzelen. Daarna zou die steen groeien en een berg worden, die de hele aarde zou vullen. Met deze steen wordt het Koninkrijk van God bedoeld, dat de hele aarde zou vullen en dat eeuwig zou blijven bestaan. Dat is in het kort wat we in Daniël hoofdstuk 2 lezen. Jezus haalde enkele keren verzen uit Daniël aan, zoals ik later zal laten zien. Daarmee bevestigde Hij dat deze profetieën over Hem en Zijn tijd gingen. Jezus gebruikte namelijk de begrippen 'mensenzoon' (uit Daniël 7:13) en de 'verwoestende gruwel' (uit Daniël 9:27, 11:31 en 12:11). Hij sprak in Zijn gelijkenissen ook over het Koninkrijk dat geleidelijk aan groter zou worden (zie het hoofdstuk over de gelijkenissen), net als de berg in de droom van Nebukadnezar.

Over de identiteit van de tien koningen wordt gediscussieerd, omdat er meerdere mogelijkheden zijn. De eerste optie is dat het gaat over 7 Romeinse koningen (toen het Romeinse rijk nog een koninkrijk was), gevolgd door 3 keizers. Het rijk was tijdelijk een republiek, toen waren er geen koningen, maar daarna kwam Julius Caesar gevolgd door de keizers Augustus en toen Tiberius. Dat zijn in totaal tien heersers tot aan Jezus, want Hij begon met de verkondiging van het Koninkrijk onder het bewind van Tiberius (zie Lukas 3:1).

De tien 'tenen' kunnen ook de eerste tien heersers van het keizerrijk zijn: Julius Caesar, Augustus, Tiberius, Gaius, Claudius, Nero, Galba, Otho, Vitellius en Vespasianus. Al was Julius officieel geen keizer, hij was wel de eerste heerser van het keizerrijk. Onder Vespasianus, in het jaar 70, viel uiteindelijk Jeruzalem, wat een vervulling is van de belangrijkste profetieën van Jezus over de Joodse 'eindtijd'. Vespasianus is vooral een interessante kandidaat voor de tiende heerser, omdat onder zijn bewind de profetieën van Daniël definitief tot een einde kwamen. Er zijn daarna weliswaar nog meer keizers geweest, maar onder Vespasianus kwam voor de Joden het einde van het oude tempelsysteem en daarmee het begin van het geestelijke Koninkrijk van God, volgens de profetie.

Een derde mogelijkheid die genoemd wordt is de verdeling van het Romeinse rijk in 10 provincies, elk geleid door een koning. Hoe de tien heersers ook geïnterpreteerd moeten worden, dat het Koninkrijk zou worden gevestigd tijdens het Romeinse rijk en dat uiterlijk tijdens het bewind van Vespasianus het einde van het Joodse religieuze systeem kwam, is duidelijk. Een definitiever einde dan totale vernietiging kun je mijns inziens ook niet bedenken. Dus wat er daarna nog aan keizers kwam is niet van belang voor het visioen, want het Koninkrijk van God zou vanaf die tijd steeds groter worden en langzaam alles overnemen. Tevens wordt de tijd van het einde bevestigd door de tijdsrekening die we vinden in Daniël 9, zoals we verderop zullen zien.

Door het hele Nieuwe Testament heen zien we dat dit geestelijke Koninkrijk veel meer kracht en waarde heeft dan alle aardse Koninkrijken bij elkaar. Zoals het er nu uitziet is dat al bijna 2000 jaar bezig.

In hoofdstuk 7 beschrijft Daniël weer een visioen. Ditmaal met vier dieren die opstijgen uit de zee, wat in profetische taal betekent dat er vier machten opstaan uit de zee van volken. Het gaat hier in wezen om dezelfde vier rijken als in hoofdstuk 2, eindigend met een dier met tien horens; vergelijkbaar met de tien tenen van het beeld. Een interessante toevoeging is deze zin (Daniël 7:8):

Terwijl ik op die horens lette, zie, daartussen verhief zich een andere kleine horen, en drie van de vorige horens werden daarvoor uitgerukt; en zie, in die horen waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.

Dit heeft mogelijk betrekking op keizer Nero, omdat de drie keizers voor hem werden vermoord om de weg voor hem vrij te maken. Een andere interpretatie is dat dit gaat om Antiochus IV Epiphanes, die inderdaad behoorlijk tekeer ging tegen God en Israël. Hij kwam aan de macht van 175 tot 164 voor Christus en kwam daarmee tussen de zeven koningen en de drie eerste keizers in te staan. Wederom maakt het niet veel uit welke interpretatie de juiste is, want dit gedeelte wordt direct gevolgd door een uitgebreide beschrijving van de komst van Gods Koninkrijk met de opstanding van de doden (het geestelijk herstel van Israël). Hieruit kunnen we concluderen dat dit alles in die periode van Romeinse heersers geplaatst moet worden.

Daniël en de opstanding van de doden

De periode waarin de profetie in vervulling moest gaan staat volgens Daniël vast. Nu kunnen we kijken naar Daniël 7:9-10:

Terwijl ik bleef toekijken, werden tronen opgesteld, en een Oude van dagen zette Zich neder; zijn kleed was wit als sneeuw en zijn hoofdhaar blank als wol; zijn troon bestond uit vuurvlammen, de raderen daarvan uit laaiend vuur; en een stroom van vuur welde op en vloeide voor hem uit; duizendmaal duizenden dienden hem en tienduizend maal tienduizenden stonden vóór hem. Het gerecht zette zich neder en de boeken werden geopend.

De 'Oude van dagen' is in dit gedeelte niet een 'oud mannetje', zoals wij die term vandaag zouden gebruiken, maar iemand die al heel lang bestaat, in dit geval God zelf. Het thema van tronen, vuur (oordeel) en boeken zien we ook weer in Openbaring terugkomen Openbaring 20:4,12:

En ik zag tronen, en zij zetten zich daarop, en het oordeel werd hun gegeven... En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat van het leven; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.

En de tienduizend maal tienduizenden (ontelbaar veel dus), die voor de troon stonden, komen weer terug in Openbaring 7:9:

Hierna zag ik en zie, een grote menigte die niemand tellen kon, uit alle natiën en geslachten en volken en talen, staande voor de troon en voor het Lam, gekleed in lange witte gewaden en palmtakken in hun handen.

Zeer sterke overeenkomsten dus. Johannes zag in wezen hetzelfde als Daniël. En dat betekent dat ook dit gedeelte in het boek Openbaring moest plaatsvinden, of op z'n minst beginnen, tijdens het bewind van die 'tien koningen'.

Vergelijk dit eens met Daniël 12:1-3:

En in die tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen van uw volk staat, en er zal een tijd van benauwdheid zijn, zoals er nooit geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot aan die tijd toe. En in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. En velen van hen die in het stof van de aarde slapen zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven, en genen tot terechtwijzing, en tot eeuwige walging. En de wijzen nu zullen blinken als de glans van het uitspansel en de rechtvaardigen als de sterren, voor altijd en eeuwig.

Merk op dat het gaat over een volk ('sinds er een volk geweest is'). En in die tijd zal van 'uw volk' ieder verlost worden die in het boek staat. Deze periode van 'benauwdheid' wordt ook wel een tijd van grote 'verdrukking' of grote 'moeilijkheden' genoemd. Hierover sprak Jezus ook, toen Hij het had over de vernietiging van de tempel in Mattheus 24:21 (het hoofdstuk waarin meerdere keren Daniël aangehaald wordt). Er is in de jaren voorafgaand aan die vernietiging inderdaad een verdrukking van het Joodse volk geweest, die zijn weerga niet kende. Jezus zei zelfs dat het nooit meer zo erg zou worden. Het was nog nooit gebeurd dat er in Israël zoveel Joden in zo'n korte tijd, op zo'n gruwelijke manier zijn afgeslacht. Als je de beschrijvingen van Flavius Josephus leest (in 'De Joodse Oorlog'), kun je geen andere conclusie trekken dan dat die gebeurtenis ongeëvenaard is, zelfs niet door de Holocaust. Men kan beargumenteren dat de Holocaust erger was, omdat er meer mensen omgekomen zijn, maar dat waren gruweldaden tegen vele mensen van over de hele wereld verspreid, niet specifiek in Israël en Jeruzalem, waar het volgens de profetieën allemaal moest plaatsvinden. Zoveel gruweldaden, ellende en doden in zo'n korte tijd in de stad Jeruzalem; dat had nog nooit plaatsgevonden en hebben we sindsdien ook niet meer gezien in Israël.

En 'het boek', waarover gesproken wordt, wat is dat? Paulus zei van zijn metgezellen en hemzelf dat zij in het 'boek van leven' stonden (Filippenzen 4:3). In Openbaring 3:5 liet Jezus Johannes aan de gemeente in Sardis schrijven dat ze in het boek van leven zouden blijven staan, wanneer ze zich zouden bekeren en blijven volharden. Zij stonden dus ook in het boek. Jezus zei in Lukas 10:20 tegen zijn leerlingen dat zij zich moeten verheugen dat hun namen stonden opgetekend in de hemel. Ook zij stonden erin. En in Openbaring hoofdstuk 21 zien wij een beschrijving van het Nieuwe Jeruzalem, waarover staat geschreven:

En in haar zal niets onreins binnenkomen, en niemand, die gruwel en leugen doet, maar alleen zij die geschreven zijn in het boek van leven van het Lam.

Het boek van leven bevat de namen van hen die door Jezus gerechtvaardigd zijn en die daarnaar handelen. En er zouden velen uit het 'stof der aarde' ontwaken en eeuwig leven of eeuwig afgrijzen ontvangen. Ook daarover sprak Jezus, bijvoorbeeld in Johannes 5:25-29

Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt, en is nu, wanneer de doden de stem van de Zoon van God zullen horen , en wie er naar luisteren, zullen leven. Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelf, zo heeft Hij ook aan de Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelf; En heeft Hem macht gegeven, ook recht te spreken, omdat Hij de Mensenzoon is. Verwondert u daar niet over, want de ure komt waarin allen die in de graven zijn Zijn stem zullen horen; en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding tot leven, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding tot verdoemenis.

Exact wat in Daniël 12:1-3 staat. De oplettende lezer ziet misschien dat hier gesproken wordt over twee soorten opstanding. De opstanding tot leven en de opstanding tot 'verdoemenis' (dat is letterlijk 'oordeel', 'krisis' in het Grieks). In Openbaring 20:5-6 wordt gesproken over de 'eerste' opstanding. Het begrip 'eerste opstanding' kan ook gelezen worden als de belangrijkste opstanding, aangezien er verder nergens in Openbaring letterlijk gesproken wordt over een 'tweede opstanding'; wél over een eerste en tweede dood. Uit de woorden van Jezus kunnen we opmaken dat er twee soorten opstanding zijn, verschillend in kwaliteit, niet in volgorde. Deze twee vormen van opstanding kunnen daarom dan ook gelijktijdig plaatsvinden. Evenals de twee vormen van dood (de lichamelijke dood en de geestelijke dood). Daniël sprak over 'ontwaken', Jezus sprak over 'opstanding'. Het is overduidelijk dat Jezus naar de opstanding uit het boek Daniël verwijst, omdat Hij Zichzelf hier 'Mensenzoon' noemt. Daniël is de enige profeet die Hem zo aankondigt. Jezus zei dat er op dat moment al mensen zouden luisteren naar Zijn stem en tot leven zouden komen. Dat geeft aan dat dit 'opstaan' geen fysieke gebeurtenis is, waarbij mensen letterlijk uit graven komen. Met 'graven' wordt hier iets anders bedoeld.

Dan zien we in Daniël 12:3 tot slot nog dat de rechtvaardigen en de wijzen zullen stralen als de sterren. Dit wordt door Jezus ook weer bijna letterlijk aangehaald in Mattheüs 13:43, waar Hij de vernietiging van Jeruzalem bespreekt in een gelijkenis:

Dan zullen de rechtvaardigen blinken als de zon, in het Koninkrijk van hun Vader.

Dat Jezus met betrekking tot Zijn komst in heerschappij graag uit het boek Daniël aanhaalde blijkt ook weer uit Daniël 7:13-14:

Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken van de hemel kwam iemand gelijk een mensenzoon; Hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap onvergankelijk.

Hier zien we dat iemand als een mensenzoon komt op de wolken van de hemel met macht en heerschappij om een eeuwigdurend en onvergankelijk koningschap aan te gaan, wat Jezus weer bijna letterlijk aanhaalt (zie Mattheüs 24:30):

...en [zij] zullen de Mensenzoon zien, komende op de wolken van de hemel, met grote kracht en heerlijkheid.

Het woordgebruik is hetzelfde. We zien hier dat het 'komen op wolken' iets is dat in de geestelijke wereld plaatsvindt, niet in het fysiek waarneembare. Ook in Daniël 7:14 waar we de woorden 'eeuwig' en 'onvergankelijk' lezen, dit ademt een sfeer van geestelijke realiteit uit, niet een tastbaar, aards gebeuren. Precies wat Jezus zei in Lukas 17:20-21:

De Farizeeën vroegen Hem wanneer het Koninkrijk van God zou komen. Hij antwoordde hen: “Het Koninkrijk van God komt niet zichtbaar. En men kan niet zeggen: Zie hier, of zie daar, want zie, het Koninkrijk van God is in uw midden.”

Het koninkrijk zou niet zichtbaar of tastbaar komen. Je zou niet kunnen zeggen dat het hier of daar was, maar het draait om een persoon: Jezus. Hij was in hun midden. Hij zou na Zijn hemelvaart in Zijn volgelingen gaan wonen door de Heilige Geest, die hen zou leiden in de volle waarheid (Johannes 16:13-16):

Nog vele dingen heb Ik u te zeggen, maar u kunt die nu niet dragen. Maar wanneer de Geest van de waarheid komt, zal Hij u in de volle waarheid leiden; want Hij zal niet van Zichzelf spreken, maar wat Hij hoort zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen. Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen. Alles wat de Vader heeft, is van Mij; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u zal verkondigen. Een korte tijd, en u zult Mij niet zien; en wederom een korte tijd, en u zult Mij zien, want Ik ga heen tot de Vader.

Wat wij missen in het Nederlands, is dat hier twee Griekse woorden gebruikt worden voor 'zien'. 'Theoreo' en 'horao'. De eerste zou in het Nederlands vertaald kunnen worden met 'aanschouwen', 'bekijken', 'bezien', 'observeren', en dergelijke. Het tweede woord wordt vaker gebruikt om te benadrukken dat iets 'gezien', 'begrepen' of 'doorgrond' wordt. Het heeft meer met inzicht te maken. Zo wordt het woord ook gebruikt om mensen aan te sporen eens echt goed te kijken, als in 'kijk dan!' of 'zie toe!'. Kortom, de zin zou ook als volgt vertaald kunnen worden: “Binnenkort zul je me niet meer met je ogen kunnen zien, maar dan ga je me pas écht zien - door de Geest.” Jezus maakte op vele manieren duidelijk dat Zijn Koninkrijk en Zijn heerschappij vanuit de onzichtbare wereld gestalte zou krijgen. Hij zou regeren door Zijn dienaren heen. Zijn leerlingen zouden de Geest van waarheid ontvangen en Die zou Hem vertegenwoordigen door hen heen. Een bijzonder vooruitzicht voor de leerlingen, waar ze toen nog niet veel van begrepen. Maar later werd het hen wel duidelijk en hebben ze er veel over geschreven in hun brieven, zoals we zien in de rest van het Nieuwe Testament. Ze schreven dat de uitstorting van de Heilige Geest een 'onderpand' was van wat komen zou: God, die persoonlijk onder de mensen zou komen wonen (zie 2 Korinthiërs 1 en 5, Efeziërs 1 en Openbaring 21).

Ook zien we in dit stukje van Johannes 16 weer dat begrip 'binnenkort' terugkomen. Meerdere malen zien we dat de komst van het Koninkrijk spoedig zou komen, het was aanstaande.

In Daniël 7:17,18 – de profetie van de vier dieren – bevat dezelfde woorden van verwachting. Het zou direct na de dieren plaatsvinden, dat de heiligen het koningschap zouden ontvangen:

...die vier grote dieren zijn vier koningen die uit de aarde zullen opkomen; en [dan] zullen de heiligen van de Allerhoogste het koningschap ontvangen, en zij zullen het koningschap bezitten tot in eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden.

Ik noemde hierboven al de uitspraak van Jezus in Mattheüs 24:30 (...en [zij] zullen de Mensenzoon zien, komende op de wolken van de hemel, met grote kracht en heerlijkheid). In Mattheüs 16:27 en28 komt een vergelijkbare uitspraak over Zijn lippen, die ik al eerder genoemd heb:

Want de Mensenzoon zal spoedig komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met Zijn afgezanten, en dan zal Hij iedereen vergelden naar zijn daden. Waarlijk, Ik zeg u: Er zijn sommigen van hen die hier staan, die de dood niet zullen smaken, totdat zij de Mensenzoon zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.

Ik heb mensen horen zeggen dat deze uitspraak slaat op het volgende hoofdstuk (Mattheüs 17), waar beschreven staat hoe Jezus zes dagen na die uitspraak met Zijn leerlingen een hoge berg op ging en Zijn uiterlijk veranderde. Daar werd echter niet volledig vervuld wat Jezus daarvoor had gezegd. Ze zagen Hem in een vorm van heerlijkheid, maar er zijn meer elementen in wat Hij zei. Hij zou namelijk spoedig komen, met afgezanten, er zou vergelding plaatsvinden, maar er staat in hoofdstuk 17 niets over afgezanten en vergelding. En sommigen zouden dan nog in leven zijn! Er wordt geen melding gemaakt van een sterfgeval in de tussenliggende zes dagen. Dus die uitleg gaat niet op. Kortom, het moest nog gebeuren en dat terwijl sommigen van hen nog in leven waren. Dit is een belangrijke indicatie dat het Koninkrijk in die tijd zou komen. Maar nog niet direct na deze uitspraak. Sommigen zouden nog leven, dus de meesten zouden dood zijn. Het kon nog wel even duren, maar het zou plaatsvinden binnen één mensenleven. Bedenk dat Jezus een valse profeet zou zijn geweest als dit niet in hun tijd was uitgekomen! Zie enkele delen uit Deuteronomium 18:17-22:

Toen zei Yahweh tegen mij (Mozes): ... Ik zal een Profeet zoals u uit het midden van hun broeders verwekken; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven. En Hij zal tot hen alles spreken wat Ik Hem gebieden zal. En het zal geschieden dat de man die niet zal luisteren naar Mijn woorden die Hij in Mijn Naam zal spreken, van dien zal Ik het zoeken... en als u dan in uw hart zou zeggen: Hoe zullen wij herkennen dat Yahweh het woord niet gesproken heeft? Wanneer die profeet in de Naam van Yahweh zal hebben gesproken en dat woord geschiedt niet en komt niet; dat is het woord dat Yahweh niet gesproken heeft; uit overmoed heeft die profeet dat gesproken; u zult voor hem niet vrezen.

Dat is altijd de maatstaf geweest voor de betrouwbaarheid van een profeet. Maar de woorden van Jezus waren wél van Jahweh, want ze kwamen uit. Vergelijk Handelingen 3:22-23:

Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere uw God zal u een Profeet zoals ik uit uw broederen verwekken. Naar Hem zult u luisteren, in alles wat Hij tot u spreken zal. En het zal geschieden, dat elke ziel die niet naar deze Profeet luistert, uitgeroeid zal worden uit het volk.

In deze toespraak van Petrus zien we niet alleen de bevestiging dat Mozes het over Jezus had, maar ook die vergelding waar Jezus het over had.

Daniël plaatste Jezus, de opstanding van de doden en de komst van het Koninkrijk in de tijd van de tien koningen en van het vierde beest. Op veel plaatsen in het Nieuwe Testament wordt bevestigd dat het inderdaad in die tijd, spoedig stond te gebeuren. Laten we eens dieper ingaan op de exacte tijdsaanduiding in het boek Daniël.

Daniël en de zeventig zevens

Daniël 9 bevat misschien wel de meest bijzondere profetie die ooit opgeschreven is. Hij is zo specifiek, dat hij volgens sommigen precies op de dag uitkomt. Ik zal niet zo ver gaan om dat te beweren, omdat het heel moeilijk te bewijzen is, al zou het me niets verbazen. Ik geloof in ieder geval dat het jaartal van de komst van Jezus exact voorspeld werd. Daniël 9:24:

Zeventig zevens zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, om de zonden te verzegelen, om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven.

De term 'zevens' is een ander woord voor 'weken' in het oude Hebreeuws. Uit andere teksten begrijpen we dat het hier om zeventig weken van jaren gaat, dus 70x7=490 jaar, waarna er een einde kwam aan Gods geduld met het genoemde volk. (Zie Genesis 29:27 en Leviticus 25:8, waar weken van jaren genoemd worden en verzen waar dagen in jaren worden uitgedrukt: Numeri 14:34 en Ezechiël 4:4-6.)

De 490 jaar moesten gerekend worden vanaf het moment dat het bevel werd gegeven om Jeruzalem te herbouwen. Reken je dat na, dan komt het precies uit in de jaren dat Jezus op aarde was. Aan het kruis werd iets volbracht, zoals Jezus zelf zei. Hij kwam om Zijn volk te verzoenen met God, en om eeuwige gerechtigheid aan te brengen. Dat heeft direct te maken met het Koninkrijk, waarin Jezus rechtvaardig regeert. In die tijd zou 'het gezicht en de profeet' worden verzegeld en de 'heiligheid van de heiligheden' gezalfd worden, wat inhoudt dat elke profetie zou worden vervuld in de Heilige: Jezus. Zie Lukas 21, waar ik enkele zinnen uit aanhaal:

Lukas 21:5-8:

En toen sommigen van de tempel zeiden dat hij met mooie stenen en toegewijde gaven versierd was, zei Hij: “Wat deze dingen aangaat die u hier ziet: er zullen dagen komen waarin geen steen op de anderen steen zal worden gelaten, die niet zal worden afgebroken.” En zij vroegen Hem: “Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en wat is het teken, wanneer deze dingen zullen geschieden?... En Hij zei: Zie toe, dat u niet verleid wordt; want velen zullen komen in Mijn Naam, en zeggen: Ik ben de Gezalfde; en de tijd is nabij gekomen, loop hen niet achterna.

Dus ze moesten geen mensen achterna lopen die zeiden dat het einde nabij gekomen was, totdat... (Lukas 21:20-22):

...wanneer u ziet dat Jeruzalem door legers omsingeld wordt, weet dan dat haar verwoesting nabij gekomen is. Laat dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen; en die in de stad zijn, daaruit trekken; en die op de velden zijn, dat zij in de stad niet in gaan. Want dit zijn dagen van wraak, waarin alles wat geschreven is, vervuld wordt.

Let op de sterke overeenkomst met Mattheüs 24. Lukas 21 loopt bijna helemaal parallel met dat hoofdstuk in Mattheüs, alleen de volgorde is anders. Hier vragen de leerlingen wanneer het zal gebeuren, dat er geen steen op de andere zal blijven staan. Jezus antwoordt: “wanneer Jeruzalem omsingeld wordt door legers, want dat zijn de dagen dat alles vervuld wordt wat geschreven is.” Dat is nogal een sterke uitspraak.

Merk op dat Jezus zei dat ze in de tijd voorafgaand aan Zijn komst, geen mensen achterna moesten lopen die zeiden dat de tijd nabij was. Dat zouden valse 'gezalfden' zijn. Toch hebben de apostelen stuk voor stuk in hun brieven gezegd dat de tijd nabij was, toen het écht dichterbij kwam. En zij waren géén valse profeten. Zij hadden de Geest en de gaven van God en hadden het recht om aan te geven dat de tijd nabij was, om Gods volk te waarschuwen. Jeruzalem is 40 jaar na de uitspraak van Jezus dan ook daadwerkelijk omsingeld en de tempel werd verwoest. Die omsingeling was het teken voor de naderende verwoesting. We mogen Jezus dan ook serieus nemen als Hij zegt dat dát het moment was waarop alles vervuld werd. Maar dat betekent ook dat aan het kruis nog niet álles volbracht was. Hij volbracht daar wel zijn missie als 'Mensenzoon', om Zijn volk vrij te kopen en om verzoening te bewerkstelligen en de weg naar de Vader vrij te maken, maar er moest nog veel meer gebeuren:

Bedenkt dat tijdens Zijn sterven slechts het voorhangsel in de tempel scheurde, zodat symbolisch de weg naar het Heilige der Heilige vrijgemaakt werd. Jezus verwierf het recht om de eeuwige geestelijke hogepriester te zijn, waardoor Zijn volk vanaf dat moment vrijmoedig toe kon treden tot de troon van genade (Hebreeën 4: 14-16). Maar dat was nog niet alles. Uiteindelijk moest het hele oude systeem van menselijk streven en het brengen van offers met de grond gelijk gemaakt worden, zodat de aanklager geen grip meer had op de mensen.

Opmerkelijk is ook dat de 490 jaar voorbij waren, maar dat het oordeel nog eens 40 jaar werd uitgesteld. Alsof God wilde zeggen: oké, ik geef je nog ruim de tijd om deze boodschap van herstel en verzoening in Jezus aan te nemen. Het kwam wel vaker voor dat mensen een periode van 40 jaar de tijd kregen om tot inkeer te komen. Bijvoorbeeld: Mozes was 40 toen hij vluchtte uit Egypte en 80 toen hij het volk uit Egypte mocht leiden. Daarna moest het volk 40 jaar door de woestijn dwalen, omdat het in eerste instantie niet op God wilden vertrouwen. In die 40 jaar stierven alle mensen die zo opstandig en ongelovig waren geweest. De periode van Jezus tot aan de vernietiging van de tempel wordt, zoals eerder gezegd, ook wel de 'tweede exodus' genoemd.

Dit principe van het geduld van God, zien we ook terug in de gelijkenissen. God is zeer geduldig, maar er komt wel een keer een einde aan. Petrus heeft het daar ook een keer over in één van zijn brieven.

2 Petrus 3:9-10:

De Heer is niet traag met het vervullen van de belofte (zoals sommigen dat zien), maar is geduldig met ons, niet willende dat er iemand verloren gaat, maar dat zij allen tot bekering komen. Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, waarin de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen zullen branden en vergaan, en de aarde en de dingen die daarop worden gedaan, zullen verbranden (versmelten).

God is wel heel geduldig, maar Petrus zegt dat er op een bepaald moment toch een einde komt aan 'hemel, aarde en elementen'. Wat bedoelt hij daarmee? Hoe begrepen zijn lezers dit? Eerst herhaalt hij Jezus' woorden dat Hij zou komen als een dief in de nacht. En dat mensen het zouden missen als ze niet zouden letten op de tekenen van de tijd. Dan zegt Petrus dat wanneer Jezus komt, de hemelen voorbijgaan en dat de elementen en de aarde (en wat daarop wordt gedaan) zullen verbranden. Een merkwaardige tekst, die veel mensen heeft doen geloven dat de hele aardbol in een vuurzee zal vergaan, die zo heet is, dat de scheikundige elementen erdoor uit elkaar vallen.

Eén aanwijzing om dit te doorgronden, vinden we in de betekenis van het woord 'elementen'. In het Grieks is dat 'stoicheia' (letters, beginselen, 'een rij van eerste dingen'). Dat woord vinden we zeven keer in het Nieuwe Testament; en het gaat beslist niet over de scheikundige elementen die wij nu kennen. Petrus gebruikt het twee keer in deze context (van vernietiging), maar we vinden het ook twee keer in Galaten (4:3 en 4:9), twee keer in Kolossenzen (2:8 en 2:20) en één keer in Hebreeën (5:12). In Galaten en Kolossenzen wordt het gebruikt in de betekenis van 'elementaire principes', de 'beginselen van de wereld', menselijke verzinsels, regels en wetten die hen gevangen hielden, dingen waarvoor ze gestorven waren (in de Gezalfde), waar ze niet naar terug moesten keren. Alleen in Hebreeën 5:12 wordt het woord in positieve zin gebruikt, als zijnde de eerste beginselen van het onderwijs van God. Het woord 'stoicheia' is daarom op zich neutraal van betekenis, maar wordt door Paulus en zeker ook hier door Petrus, gebruikt om de verkeerde invloed van werelds denken aan te duiden.

Er is in de oudheid wel een gebruik van dit woord dat op elementen van de schepping betrekking heeft. Plato gebruikt het woord namelijk om de basiselementen van de schepping: aarde, vuur, water en lucht aan te duiden. Als Petrus het echter op deze manier bedoelde, had hij moeten verklaren hoe vuur zelf in vuur (letterlijk: 'intense hitte') zou moeten vergaan. En een eigenschap van water is juist dat het vuur blust. Dat deze 'elementen' in vuur zouden vergaan klinkt verre van logisch. We kunnen bij 2 Petrus 3:10 het beste de betekenis gebruiken die Paulus aan het woord gaf (namelijk: de basisbeginselen van de wet), aangezien Petrus goed bekend was met de geschriften van Paulus. Hij noemt ze zelfs 'moeilijk te begrijpen' (2 Petr. 3:16).

Nu is het opmerkelijk te noemen dat op een bepaalde manier toch de vier elementen van Plato terug te vinden zijn in de tempel. Josephus beschrijft in zijn 'Oude geschiedenis van de Joden' (boek 3, hoofdstuk 7, paragraaf 5) dat de vier elementen werden vertegenwoordigd in de tempel: namelijk, door de eigenschappen van de doeken. Zo vertegenwoordigde het linnen de aarde, vanwege de plantvezels waarvan het gemaakt was; purper was een beeld van de zee, vanwege de kleurstof die uit een schelpdier kwam; het blauw was uiteraard de kleur van de lucht en scharlaken vertegenwoordigde vuur, ook vanwege de kleur. De elementen werden volgens hem ook gezien in de gewaden van de priesters. Zo verwijst het begrip 'elementen' op verschillende manieren naar het oude systeem van wetten en de tempeldienst.

Verder hebben we in deze tekst nog het woord 'vergaan' (in het Grieks wordt het woord 'luo' gebruikt), wat de betekenis heeft van 'losmaken' en 'ontbinden'. Dit woord wordt door het hele Nieuwe Testament (42x) gebruikt om aan te duiden dat iets wat vast zit wordt 'losgemaakt' (een schoen van een voet, een ezel van een touw of een tong van een stomme die wordt losgemaakt). Het wordt gebruikt voor iets dat 'ontbonden', 'opgeheven', of 'ongedaan gemaakt' wordt (een huwelijk, een vergadering of de gevolgen van iemands daden). We zien het bij het 'vrijlaten', of 'loslaten' van gevangenen, het 'verbreken' van een zegel en voor het 'nietig maken' of 'ontbinden' van een wet. Maar de meest opmerkelijke tekst waar we ditzelfde woord terugvinden is wanneer Jezus tegen Petrus(!) zegt dat Hij hem de sleutels van het Koninkrijk geeft. Dan zegt hij (Mattheüs 16:19):

Wat je bindt op aarde zal gebonden zijn in de hemel en wat je ontbindt in de hemel zal ontbonden zijn op aarde

Het woord voor 'ontbinden' is hetzelfde woord dat in 2 Petrus 3:10 is vertaald met 'vergaan' en wordt daar ook nog eens in verband gebracht met de woorden 'hemel en aarde'. Is het mogelijk dat Petrus bewust verwijst naar wat Jezus tegen hem zei? Hoe dan ook, nergens wordt dit woord in het Nieuwe Testament gebruikt om aan te geven dat er iets fysiek kapot gemaakt wordt. Er is slechts één tekst waar het de betekenis zou kunnen hebben van 'vernietigen' en dat is Johannes 2:19, waar de Joden denken dat Jezus het over de tempel in Jeruzalem heeft, maar waar hij over Zijn dood en opstanding spreekt: “Breek deze tempel af en ik zal hem in drie dagen weer oprichten.” Het lijkt erop dat Jezus bewust dit woord verkoos, in plaats van het gebruikelijke woord voor vernietigen, omdat het een dubbele betekenis had. De tempel werd door de Romeinen inderdaad letterlijk helemaal uit elkaar gehaald. Toen de tempel platgebrand werd smolt het goud en lekte het tussen de stenen van het fundament. Om het goud er tussenuit te halen moest wat er nog stond steen voor steen worden afgebroken. Omdat Jezus het op deze manier zei, hadden Zijn luisteraars niet direct door dat Hij het over Zichzelf had. Later begrepen Zijn volgelingen pas dat Hij Zichzelf vergeleek met de tempel. Dit is ook weer een treffende parallel met de woorden van Petrus. Wat namelijk 'ontbonden' moest worden, waren de beginselen van de wet, die belichaamd werden door de aardse tempel.

Er was veel misgegaan tegen de tijd dat Jezus kwam. Maar Petrus liet zien dat het afgelopen was met 'hemel en aarde'; althans wat het Joodse volk betrof. Het hele systeem van de verworden, aardse, ongeestelijke, dode leer, vol van eigengerechtigheid, de 'beginselen van de wet', de 'boom van kennis van goed en kwaad', moest worden verbrand! Het oordeel kwam op de leiders met hun schijnheiligheid, verdorven religie en eigenmachtig en dwangmatig opgelegde principes, waar Jezus ook zo boos om kon worden. We hebben het zien gebeuren toen de tempel, die het ultieme symbool van de oude Joodse wetten en regels was geworden, verbrandde in het jaar 70. Jezus waarschuwde de Joodse leiders regelmatig voor dit komende oordeel. Hij hield ze nadrukkelijk verantwoordelijk voor het feit dat ze de mensen allemaal dingen oplegden die niets meer te maken hadden met wat God wilde. Het was werelds, duivels, doods en goddeloos geworden. De tempel, die de aanwezigheid van God moest vertegenwoordigen, was een aanstootgevend iets geworden. God wilde dat mensen ongedwongen en vrij bij Hem konden komen. Daarom scheurde Hij het voorhangsel, het dikke gordijn dat voor de Ark van het Verbond hing, van boven tot onder doormidden op het moment dat Jezus stierf. God wilde geen scheiding; Hij was klaar met dat 'hokje' in een gebouw. De tempel was een symbool van vervreemding en scheiding geworden, maar God stond op het punt om voorgoed daarmee af te rekenen. De plaats waar 'hemel en aarde' elkaar moesten ontmoeten was nog slechts een toonbeeld van verstikkende menselijke regels en wetten. God was er helemaal klaar mee. In plaats van een gebouw in een stad wilde Hij de mens als woning en een gemeenschap van geliefde, eigen kinderen als stad: Het Nieuwe Jeruzalem, waarin God Zelf Zijn eigen Tempel zou bouwen, waar altijd licht en vrede zou zijn; een 'nieuwe hemel en aarde'. Het einde van het oude lijkt zo bot en ruw, maar het was iets heerlijks in Gods ogen. Eindelijk zou de weg vrij zijn. Het oude zou definitief afdoen en het nieuwe zou helemaal tot zijn recht kunnen komen. In een later hoofdstuk ga ik verder in op het begrip 'hemel en aarde'.

Terug naar Daniël, die de aanloop tot dit geweldige moment voorspelde. Vanaf hoofdstuk 9, vers 25 geeft Daniël een meer gedetailleerde beschrijving van die 490 jaren, beginnend bij het bevel tot herbouw van Jeruzalem. Ze worden opgesplitst in 7x7, 62x7 en 1x7 jaren. Laten we die drie stukken eens apart bekijken, want het geeft exact weer wat er in die periode gebeurde:

25 Weet dan en begrijp: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden.

De eerste 7x7=49 jaren hebben betrekking op de periode vanaf het moment dat de opdracht gegeven werd om Jeruzalem te herbouwen, in het jaar 456 v. Chr., tot de voltooiing van de herbouw. Het was in het twintigste regeringsjaar van Artachsasta (zie Nehemia 2) dat deze Koning toestemming gaf om Jeruzalem te herbouwen.

(Over de precieze datum van dat twintigste regeringsjaar zijn niet alle geleerden het eens, omdat er in de loop der jaren zoveel veranderd is aan kalenders en het terugrekenen niet eenvoudig is. Sommigen komen op 457 of 458 v. Chr., maar voor deze bespreking maakt dit mijns inziens niet zoveel uit.)

De volgende 62 zevens geven een totaal van 483 jaar; het moment dat een gezalfde, een vorst zou komen (mijns inziens kan dat niemand anders zijn dan Jezus). Rekenen we van 456 v. Chr. 483 jaar verder (Bedenk dat er geen jaar 0 is geweest, we springen gelijk van 1 v. Chr. naar het jaar 1), dan zitten we in het jaar 27. Dat is het jaar waarin Jezus begon met zijn bediening (als het jaar 456 v. Chr. voor het bevel tot herbouw juist is).

We kunnen lang en breed praten over de exacte datum van de opdracht tot herbouw, maar het is nagenoeg onmogelijk om het precies te weten te komen. De verschillen zijn niet groot, hooguit een paar jaar. Dat het uitkomt bij de bediening van Jezus is in ieder geval zeker. Dat we het niet met 100% zekerheid kunnen vaststellen, wil natuurlijk niet zeggen dat de profetie niet accuraat is. Ik geloof van wel. En als de berekening er 2 jaar naast zit, dan is de accuraatheid alsnog groter dan 99,5%! Ik hou het er daarom op dat die 483 jaar, de 69 zevens, precies uitkomen op het begin van Jezus' bediening. Vooral ook omdat de volgende details precies beschrijven wat er toen gebeurde:

26 En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is (of: niet voor hemzelf); en het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten, maar zijn einde zal zijn in de overstroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen, waartoe vast besloten is.

Dezelfde gezalfde uit vers 25 wordt 'afgesneden' (letterlijke betekenis) en dat 'niet voor hemzelf', is een meer voor de hand liggende vertaling, het Hebreeuws heeft twee betekenissen. Het volk van de vorst die komen zal is óf het volk van één van die heersers waar Daniël eerder een visioen van had, óf het volk van de vorst Jezus, die Jeruzalem en de tempel zou vernietigen. Het waren tenslotte de Joden die in opstand kwamen en de Romeinen uitdaagden tot de confrontatie, wat ze uiteindelijk het leven en hun mooie stad en tempel zou kosten. Met deze beschrijving kunnen dus zowel Israël als de Romeinen bedoeld zijn. Dat de stad en het heiligdom te gronde werden gericht is in ieder geval een feit. En tot het einde toe was er strijd, zoals we ook gezien hebben in de geschiedenis. Dat einde was 40 jaar later toen Titus, de zoon van keizer Vaspasianus, met zijn Romeinse legioenen een einde maakte aan de opstand van de Joden. Vergeet niet dat deze profetie gericht is tot Israël, zoals we zagen in vers 24: “Zeventig zevens zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, om de zonden te verzegelen, om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven.”

Dan gaat Daniël die laatste 7 jaar van de 490 jaar in meer detail beschrijven. Het gebeurt wel vaker in profetieën in de Bijbel, dat er eerst een overzicht gegeven wordt en dat het daarna verder wordt uitgewerkt. Wat ook veel gebeurt, is dat een bepaalde gebeurtenis van verschillende kanten belicht wordt. Bijvoorbeeld van een religieuze of een politieke kant.

27 En Hij zal het verbond voor velen versterken, een week lang; in de helft van de week zal Hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.

Zoals Daniël hier zegt, werd het verbond met 'velen' versterkt. Hoogst waarschijnlijk een verwijzing naar Israël. Dit was gedurende een week van jaren. Na drie en een half jaar, de tijd die Jezus onder de Joden was en hen het goede nieuws van Zijn komende Koninkrijk bracht, werd Hij als een volmaakt offer geslacht en verving Hij alle slachtoffers en spijsoffers. Hierna benadrukt Daniël nog een keer dat de verwoester zal komen en dat die tot de voleinding zou blijven (de uiteindelijke verwoesting was 40 jaar later). De laatste drie en een half jaar worden niet uitgelegd, maar daarvan vinden we een sleutel in Handelingen 7, 8 en 9. De apostelen verkondigden nog 3,5 jaar het evangelie onder de Joden en toen werd Stefanus door de hen gestenigd. Dit gebeurde onder toeziend oog en met goedkeuring van de hogepriester, nadat Stefanus hen nogmaals op het hart had gedrukt dat zij en hun voorouders verantwoordelijk waren voor het doden van de rechtvaardigen. Maar nog wilden zij zich niet bekeren en verwierpen de boodschap. In het volgende hoofdstuk lezen we dan ook hoe Filippus een schatbewaarder uit 'morenland' (Ethiopië) mag dopen op zijn geloof in Jezus. Het evangelie was nu ook voor de heidenvolken. Hoofdstuk 9 beschrijft de bekering van Saulus, een fanatieke vervolger van de christenen (Joodse volgelingen van Jezus). Deze Saulus kreeg later de naam Paulus en zou het evangelie van het Koninkrijk ook onder de heidenen gaan brengen. Daarna gaf God Petrus een visioen van zowel reine en onreine dieren, die Petrus moest slachten en eten. Hiermee maakte God duidelijk dat Hij ook de 'onreine' heidenen had geaccepteerd. Vervolgens stuurde God hem naar het huis van Cornelius, een Romeinse centurion, om daar het evangelie te brengen (zie Handelingen 10). “God nam een volk, voor zijn naam vanuit de heidenen, naar de woorden van de profeten... de overblijfselen... waarover [de naam van de Heer] is uitgeroepen... die tot God terugkeren” (Handelingen 15:14-20). Tevens staat er dat de vervallen tent van David weer werd opgebouwd. David had namelijk voor de terugkeer van de buitgemaakte Ark van het Verbond een tent opgespannen. Bij het inwijden van de tent zong hij een lied, waar de volgende woorden in voorkwamen (1 Kronieken 16: 23 en24):

Zingt voor Jahweh, u, de hele aarde, boodschapt Zijn heil van dag tot dag. Vertelt Zijn eer onder de heidenen, Zijn wonderwerken onder alle volken.

Dat was het verlangen van David en daarin vertolkte hij Gods hart. God had de verdwaalde Israëlieten niet verworpen, want Hij stond nog steeds met open armen voor ze klaar. En elke Israëliet die zich bekeerde was van harte welkom. Dat was het einde van de 490 jaar van Daniël 9. De profetie voorspelt nog wel dat de strijd tot het einde zou doorgaan. Dat 'einde' was het definitieve einde van de aardse tempel en de aardse hoofdstad van het verbond: Jeruzalem. Gods tent, Davids vervallen tent, zou vanaf dat moment beschikbaar zijn voor alle mensen.

Omdat de laatste 3,5 jaar niet in detail worden beschreven, maar in Openbaring wel weer sprake is van 3,5 jaar verdrukking, is het ook mogelijk dat deze 3,5 jaar na de 40 jaar genade en verkondiging vervuld werden. Dit is met name een goede optie omdat de belegering van Jeruzalem precies 3,5 jaar duurde.

Een interessant detail: Toen Petrus Jezus vroeg hoeveel keer hij zijn broeder moest vergeven, daarbij suggererend dat zeven keer wel genoeg zou zijn, antwoordde Jezus dat hij zeventig maal zeven maal, dat is 490 maal, moest vergeven (zie Mattheüs 18:21). Jezus verwees hier mogelijk (in mijn ogen zeer waarschijnlijk) naar de profetie van Daniël. Het getal zeven geeft symbolisch een volledigheid aan, dus vergeving moet tot het uiterste gaan. Maar zoals ook God zijn volk 490 jaar de tijd gaf om zich te bekeren, komt er wel een punt waarop vergeving niet meer mogelijk is. De maat is een keer vol.

Daniël en het einde

Na in hoofdstuk 10 en 11 nog eens uitgebreid in te zijn gegaan op dingen die plaatsvinden tijdens die 490 jaar, komt Daniël in hoofdstuk 12 weer bij 'het einde' terecht. Deze keer met de details die we ook kennen uit de boodschap van Jezus (hoofdstuk 12 vers 1):

En in die tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen van uw volk staat, het zal een tijd van benauwdheid zijn zoals er niet eerder geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot aan die tijd; en in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.

Klinkt dat bekend? Jezus had het over een 'grote verdrukking, zoals er nog nooit geweest is', in Mattheüs 24:21, nadat de discipelen hem vroegen wanneer de tempel zou worden vernietigd. Jezus plaatste het in hun tijd.

Zo zie je dat Daniël 12:1 verbonden is met Mattheüs 24 en Openbaring 20. Dan 12:2:

En velen van hen die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot schande en tot eeuwige afkeuring.

Dat lijkt weer veel op wat Jezus zei in Johannes 5:25, dat de doden Zijn stem zouden horen en zouden leven. En vervolgens in Joh 5:28, dat allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen. Jezus sprak veel over het oordeel en de manier waarop Hij dat deed lijkt zeer veel op hoe Daniël het hier zegt.

Tegen Daniël wordt gezegd het boek van zijn profetieën te verzegelen, tot de 'tijd van het einde', met de belofte dat de kennis uiteindelijk zal toenemen en dat mensen het zullen gaan ontdekken. De tijd dat het boek openbaar gemaakt werd, moet nog voor dat 'einde' zijn geweest, anders had het geen zin om te profeteren. En dat klopt. Jezus onthulde in Mattheus 24 dat die tijd nabij gekomen was. Het einde van die 490 jaar komt overeen met de tijd dat Jezus begon met het verkondigen van het Koninkrijk en de aankondiging van 'de tijd van het einde'. Vergeet niet dat Johannes in Openbaring 22:10 wordt gezegd zijn boek niet te verzegelen, omdat de tijd nabij is. Zeshonderd jaar van Daniël naar Jezus is volgens de tekst een lange tijd. Lang genoeg om een boek te laten verzegelen. Openbaring is bijna 2000 jaar geleden geschreven, dus als die woorden niet verzegeld moesten worden omdat de tijd nabij was, kan het nooit zo zijn dat die woorden nog steeds moeten uitkomen.

Daniël krijgt nog een aanwijzing wanneer al deze dingen tot een einde zullen komen. In vers 7 lezen we dat het zou zijn na een periode van “drie en een half jaar, wanneer de macht van het heilige volk verstrooid is.” (Drie en een half werd toen ook wel geschreven als 'een tijd, tijden en een halve tijd' en zo is het ook in sommige vertalingen overgenomen.) Kennen wij een periode van 3.5 jaar waarin grote verdrukking was en waarin de macht van een heilig volk verstrooid werd? Ja, dat was tijdens de opstand van de Joden, waarover Flavius Josephus schreef. Keizer Nero gaf bevelhebber Vespasianus de opdracht om de Joodse opstand de kop in te drukken. Het beleg duurde 3.5 jaar (66-70) en het was een verschrikkelijke tijd.

Toen Daniël vroeg hoe het zou aflopen, werd hem het volgende gezegd (vers 10-12):

Velen zullen gereinigd, wit gemaakt en gelouterd worden; maar de goddelozen zullen goddeloos handelen en geen van de goddelozen zullen het begrijpen, maar de verstandigen zullen het begrijpen. En van die tijd af, tot het dagelijkse offer zal worden weggenomen, en de verwoestende gruwel opgesteld is, zullen duizend tweehonderd en negentig dagen zijn. Gelukkig is hij, die wacht en komt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen. Maar u, ga heen tot het einde, want u zult rusten en zult opstaan in uw beschikking, aan het einde van de dagen.

Daniël zou 'rusten', dat is een ander woord voor sterven, en weer opstaan aan het einde. Dat is de 'opstanding van de doden' waar ook Paulus in 1 Korinthiërs 15 over spreekt en uitlegt dat er een nieuw, geestelijk lichaam zal zijn, wanneer Jezus het Koninkrijk vestigt. Velen zullen gered worden, goddelozen zullen het niet begrijpen, maar verstandigen zullen het kunnen doorgronden, wordt Daniël toevertrouwd. En ten overvloede wordt nogmaals verteld dat het zal zijn wanneer het dagelijks offer stopt en de gruwel van verwoesting er is (ook wel genoemd: gruwel die tot verwoesting leidt), waar in hoofdstuk 9 over gesproken werd. Het is dezelfde gruwel waar Jezus over sprak toen Hij uitlegde op welke tekenen zijn leerlingen moeten letten, om te kunnen weten wanneer het einde van de tempel zou aanbreken (Mattheus 24:15, Marcus 13:14, Lukas 21:20). En een gruwelijke oorlog was het, met gruwelijke verwoestingen! Je kunt het allemaal lezen in 'De Joodse Oorlog' van Flavius Josephus. Hij schreef dat eind juli 66 na Chr. (3,5 jaar vóór de val van Jeruzalem, de halve jaarweek van Dan 9:27) de dagelijkse offers gestopt zijn (De Joodse Oorlog 2.17.2). Josephus hoort niet bij de geïnspireerde schrijvers van de Bijbel, maar hij schetst wel een duidelijk beeld van de tijd en cultuur waarin de Bijbelse geschiedenis plaatsvond. Hij schreef verder dat het bloed van Joden en vreemdelingen op het altaar en tempelplein lag (De Joodse Oorlog 5.1.3). We kunnen daarin die 'gruwel' zien, temeer omdat in Lukas 21:20 in dezelfde context niet over een 'gruwel' gesproken wordt, maar een omsingeling door legers. De heilige plaats van verzoening was een plaats van oordeel en gruweldaden geworden. Deze gruwelen leidden tot de verwoesting van Jeruzalem en de tempel. Daniël krijgt zelfs nog precies het aantal dagen door dat het beleg van Jeruzalem zou duren: 1290. Dat is iets meer dan 3.5 jaar. En dat mensen die het daarna nog anderhalve maand (1335-1290 dagen) uithouden, gelukkig zijn. Overigens wordt er in Daniël 11:31 óók over een gruwel gesproken, maar die leidde niet tot het einde. Die profetie gaat mogelijk over de tijd dat Antiochus Epiphanes in 168 v. Chr. een varken offerde op het altaar van de tempel in Jeruzalem. Ik zeg 'mogelijk' omdat Jezus Zelf maar over één gruwel spreekt.

Die 3.5 jaar komen we ook weer tegen in Openbaring, wat opnieuw een aanwijzing is dat het boek Openbaring (hoofdstuk 12) ook spreekt over die periode. In vers 1 van dat hoofdstuk zien we een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Kijken we in Genesis 37, dan zien we dit beeld terugkomen in een droom van Jozef. Hij zag zijn vader Jacob en zijn moeder en twaalf broers als zon, maan en twaalf sterren, voor hem buigen. Jacob werd later Israël genoemd en is de stamvader van het volk. De vrouw in dit eerste vers moet mijns inziens Israël zijn. Vergelijk deze twee teksten eens:

En de vierde afgezant blies op een bazuin, en een derde deel van de zon werd geslagen, en een derde deel van de maan, en een derde deel van de sterren; (Openbaring 8:12)

En de vier afgezanten werden ontboden, die bestemd waren voor dat uur, die dag en maand en jaar, opdat zij het derde deel van de mensen zouden doden. (Openbaring 9,15)

Dan lijkt het voor de hand te liggen dat de zon, de maan en de sterren in dit geval een beeld zijn van Israël, waarvan een derde deel ten tijde van de Joodse oorlog tussen 66-70 omkwam.

Dat beeld wordt versterkt door de volgende verzen. De vrouw was namelijk zwanger en baarde een mannelijke zoon en werd achtervolgd door een draak met zeven koppen en tien horens. Dit is weer dat beeld van de heersers uit de tijd van het einde, waar Daniël over sprak: de Romeinen (anderen zien hierin de Joodse opstandelingen – de zeloten). De staart van de draak trok een derde van de sterren (de kinderen van Israël) met zich mee en wierp ze op aarde. Een beeld dat aangeeft dat een derde van Israël heulde met de Romeinen. Het is ook mogelijk om deze gebeurtenissen helemaal binnen de Joodse gemeenschap uit te leggen. Waarbij alles draait om de opstandige Joden (zeloten) met hun leiders. Hoe dan ook, de draak ging voor de vrouw staan, om het kind te verslinden, zodra het geboren werd. En zij baarde een zoon die “al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troon.” Dat is overduidelijk een beeld van Jezus; voortgekomen uit het Joodse volk en opgenomen in de hemel. En de vrouw vluchtte de woestijn in, waar God een plaats voor haar bereid had. Denk aan Mattheüs 24:16, waar Jezus zijn volgelingen waarschuwt om te vluchten naar de bergen en zij vluchtten tijdens de oorlog inderdaad over de Jordaan de woestijn in, naar Pella.

Het was overigens helemaal niet logisch om bij een aanval weg te vluchten van een goed ommuurde stad. De eerste gedachte die de mensen in die tijd hadden als ze een leger zagen aankomen, is zichzelf terugtrekken in de sterk ommuurde vesting. Maar Jezus gebood hen precies het tegenovergestelde te doen. De mensen die deze opdracht gehoorzaamden werden gered en degenen die zich veilig waanden in de stad, kwamen om. Dat veel mensen toch in de stad bleven was de schuld van een zekere Jochanan ben Levi (ook wel Johannes van Giscala genoemd). Het zou onder normale omstandigheden een goede tactiek geweest zijn om je te verschansen in de stad en daar te teren op de voedselreserves die lagen opgeslagen voor noodgevallen, totdat het vijandige leger zou afdruipen. Echter, deze 'man van wetteloosheid' of 'man van zonde' zoals hij ook wel door Paulus genoemd werd (2 Thessalonicensen 2), verzamelde duizenden zeloten om zich heen, nam het tempelcomplex in en verbrandde de voedselreserves. Hij deed zich voor als een messias, maar gedroeg zich als een tiran. Paulus schreef in zijn brief aan de Thessalonicensen dat er nog iemand was die deze man in de weg stond. Dat was Ananus, de toenmalige hogepriester. Ananus kon vanwege zijn invloed nog enigszins de vrede bewaren, maar toen Ananus uit de weg geruimd was, konden Ben Levi en de zeloten hun gang gaan. Vanaf dat moment was het hek van de dam. Vele historici geloven dat dit voor Jeruzalem het begin van het einde was. Ben Levi en zijn zeloten waren met hun opstand de belangrijkste aanstichters van de uiteindelijke vernietiging van Jeruzalem. We kunnen veel over deze gebeurtenissen lezen in 'De Joodse Oorlog' van Josephus, boek 4. Het beeld dat Openbaring voor ons schetst, van grote opschudding en 'een derde deel van de mensen' dat omkwam, is zeker niet overdreven. Zo bevestigt de geschiedenis de profetieën.

Veel volgelingen van Jezus gingen gelukkig wél de stad uit en Johannes voegt er nog aan toe dat God 'de vrouw' (de trouwe gelovigen) in de woestijn 1260 dagen zou voeden. Dat is dertig dagen korter dan de 1290 dagen in de profetie van Daniël, maar het hoeft natuurlijk niet zo te zijn dat de vluchtelingen tijdens het hele beleg in de bergen waren. Tevens noemt Johannes hier Michaël, die strijdt tegen de draak. Daniël heeft het ook over Michaël, wat de parallel met Daniël weer versterkt.

Het is opmerkelijk dat Johannes het vervolgens heeft over de grote draak, de oude slang, verstrooier (diabolos) en aanklager (satanas) genaamd, die de hele wereld (oikoumene – gemeenschap, samenleving) misleidt en samen met zijn afgezanten (angelos – engelen) op aarde geworpen werd. (Openbaring 12:9 – Hier ligt mogelijk een parallel met Lukas 10:18 waar Jezus zegt dat Hij de satan, dat is de 'tegenstander' de 'aanklager', als een bliksem uit de hemel zag vallen. Als het hier om dezelfde gebeurtenis gaat, kunnen we dit vers in Openbaring ook op grond daarvan synchroniseren met de tijd dat Jezus op aarde rondliep. Je zou kunnen zeggen dat er een geestelijke macht achter de kwaadaardige heersers van die tijd zat, die door hen heen achter de vrouw (Israël) en haar zoon (Jezus) aan zat: de eeuwenoude aanklager, de verstrooier, de vernietiger, die het altijd al gemunt had op het volk van God. Maar Michaël won! (Zowel in Openbaring als in Daniël zien we de 'vorst' , 'overste' of 'prins' Michaël verschijnen. Sommige commentatoren denken dat hiermee Jezus bedoeld wordt.) En de heerlijkheid, de kracht en het Koninkrijk kwam. Daar, in die tijd, was de overwinning in handen van de Gezalfde en de aanklager van Zijn broeders werd gevloerd (Openbaring 12:10). Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis. En zij hebben hun leven niet liefgehad tot in de dood (vers 11). In diezelfde tijd zou de verstrooier rondgaan in grote woede, 'wetende dat hij weinig tijd heeft' (vers 12). Opnieuw zegt Johannes dat de vrouw in veiligheid gebracht werd in de woestijn. Een 'tijd, tijden, en een halve tijd', drie en een half jaar dus.

Heel hoofdstuk 12 van Openbaring gaat duidelijk over diezelfde tijd van 3.5 jaar waar Daniël over sprak, waarin Gods volk veilig in de woestijn mocht verblijven. Dit zal voor sommigen een ware openbaring zijn. Dat was het voor mij in ieder geval wel.

Daniël heeft zeer gedetailleerde visioenen te zien gekregen en die zijn exact uitgekomen. Al kunnen we van mening verschillen over enkele details en de betrokken personen, de gebeurtenissen zijn overduidelijk met exacte tijdstippen en tijdsduur aangeduid. Al deze zaken hebben betrekking op de tumultueuze tijd van grote opschudding en ellende, maar ook van miraculeuze uitredding en voorzienigheid, in de laatste dagen van de Joodse tempel en de invloed van de wet. Maar hoe zit het eigenlijk met die mysterieuze 'satan'. Wat was zijn rol in dit alles en wat zegt de Bijbel over de invloed van geestelijke wezens in de eindtijd?


218