Satan en engelen

Nergens zul je in de Bijbel het beeld vinden dat je krijgt wanneer je 'satan' intikt bij Google: een wezen met een rode kop, hoorns, enge ogen, een staart en bokkenpoten, tronend in de hel, met een drietand in zijn klauw. Het woord 'satan' komt met enige regelmaat in de Bijbel voor. Het is een Hebreeuws woord en betekent 'vijand', 'aanklager' of 'tegenstander'. Het woord komt in de Hebreeuwse teksten van het Oude Testament in de verschillende vormen 27 keer voor, waarvan 14 keer in Job, waar God hele gesprekken met 'de satan' heeft. In het Nieuwe Testament komt het woord 36 keer voor. Het wordt zowel in het algemeen voor 'tegenstander' gebruikt, alsook voor een geestelijk personage met de naam Satan; die onder andere in Openbaring 12:9 en 20:2 zinnebeeldig wordt aangeduid met 'duivel', 'slang' en 'draak', waar wellicht het enge beeld vandaan komt.

De eerste keer dat 'satan' voorkomt in de Bijbel is in Nummeri 22:21,22:

Toen stond Bileam in de morgen op, zadelde zijn ezelin en hij trok heen met de vorsten van Moab. Doch de toorn van God werd ontstoken, omdat hij heentoog; en de Afgezant van Jahweh stelde Zich op in de weg, hem tot een tegenpartij; ...

Het woord 'tegenpartij' is het Hebreeuwse woord 'satan'. Dus de eerste keer dat dit woord in de Bijbel voorkomt is als beschrijving van de Afgezant van Jahweh (de 'Engel van de HEERE', zoals het in de Statenvertaling staat). Deze term wordt vaker gebruikt in de Bijbel, wanneer God rechtstreeks tot mensen spreekt. De Afgezant van Jahweh spreekt namens God.

In Nummeri 22:31 lezen we:

Toen zei de Afgezant van Jahweh tot hem: “Waarom hebt u uw ezelin nu driemaal geslagen? Kijk, Ik ben uitgegaan, u tot een tegenpartij, omdat deze weg van Mij afwijkt.

God zelf trad op als een 'satan'. Hij stond op tegen Bileam, omdat Hij het niet goed vond wat Bileam deed.

In 1 Koningen 11:14 lezen we:

Dus Jahweh wekte een tegenpartij op voor Salomo, Hadad, de Edomiet; hij was van het koninklijke geslacht in Edom.

Hier wordt in het Hebreeuws hetzelfde woord 'satan' gebruikt voor een man, genaamd Hadad, die door God wordt opgezet tegen Salomo (zie ook vers 25).

In Job zien we 'satan' 14 keer genoemd, maar altijd met het lidwoord 'de' ervoor (Hebreeuws: ha-satan), dus is het in dat boek geen eigennaam. Het moet daar dan ook vertaald worden met 'de tegenstander'. Hij vraagt God of hij Job moeilijkheden mag bezorgen, om hem te testen. Zolang alles goed gaat met Job is het makkelijk om God lief te hebben, maar als het moeilijker wordt, zal hij dan niet God vervloeken? En God staat toe dat deze tegenstander Job op de proef stelt, maar hij mag hem niet doden. Aan het einde van de beproeving, waarbij Job alles wat hem dierbaar is op aarde verliest, is Job echter niet van gedachten veranderd en hij prijst God nog steeds, ondanks alles. Hierna geeft God hem alles wat hij verloren had weer terug, zelfs het dubbele van wat hij daarvoor had. Het wonderlijke van dit verhaal is dat Job weliswaar God blijft eren, maar ook nergens de schuld aan 'de satan' geeft. Hij zegt zelfs “Jahweh heeft gegeven, Jahweh heeft genomen, gezegend zij de naam van Jahweh.” Wat velen zouden toeschrijven aan (de) satan, wordt door Job met eerbied aan God toegeschreven.

In het Bijbelboek Zacharia (3:1,2) zien we ook weer 'de satan' (met het lidwoord) die de hogepriester Jozua beschuldigt, maar God verdedigt Jozua. Hier heeft deze tegenstander iets in te brengen tegen een mens, maar zijn argumenten houden geen stand. God heeft een ander idee over deze man. Ook hier zien we weer dat deze 'tegenstander' nooit meer macht heeft dan God hem toestaat. Het lijkt erop dat het maar om één geestelijk wezen gaat, al krijgen we in het eerste boek van Henoch (hoofdstuk 69) een opsomming van 5 satans. Maar omdat velen dit boek niet officieel als onderdeel van de Bijbel accepteren, laten we dit even voor wat het is.

In het Nieuwe Testament wordt Satan wél vaker als één specifieke geest gezien, vergelijkbaar met de 'antichrist', waarvan Johannes in zijn brieven zegt dat het een geest is die in mensen (de wereld) werkt. In het geval van 'de geest van de antichrist', zoals Johannes hem noemt, gaat het om mensen die geleid worden door een 'satanische' of 'duivelse' geest.

Johannes is overigens de enige Nieuwtestamentische schrijver die het woord 'antichristos' gebruikte. Het is een Grieks woord, dat 'tegen/tegenover de Gezalfde' of 'in plaats van de Gezalfde' betekent. Johannes gebruikt dit woord alleen in zijn brieven (1 Joh. 2:18, 2:22, 4:3 en 2 Joh. 1:7) en niet in het boek Openbaring, zoals soms wel gedacht wordt. Dat men dit denkt komt omdat deze 'antichrist' gelijk gesteld wordt met 'het beest' waarover Johannes wel spreekt in Openbaring. Johannes schreef dat zijn lezers gehoord hadden dat deze antichristos zou komen; dat er al vele antichristen waren opgestaan uit hun midden en dat ze daaraan konden zien dat zij leefden in het laatste uur. Hij zei dat deze mensen deel van hen hadden uitgemaakt maar dat ze er nooit echt bij hadden gehoord, anders zouden ze wel bij hen gebleven zijn. Hij maakte ook duidelijk dat deze antichristos een leugenachtige geest was, die ontkende dat Jezus “in het vlees gekomen” was en dat hij de Vader en de Zoon verloochende. Typische kenmerken van de zogenaamde 'gnostiek' in de eerste eeuw. Alles bij elkaar lijkt het mij duidelijk dat het om mensen uit die tijd ging en dat Johannes hun aanwezigheid zag als een aanwijzing dat het einde naderde. De veel verkondigde notie dat 'de antichrist' uit de brieven van Johannes een toekomstige dictatoriale wereldleider moet zijn, lijkt mij daarom niet juist.

Waar het woord 'satan' of 'duivel' staat hoeven we mijns inziens niet altijd aan één geestelijk wezen te denken. Het kan ook een rol zijn die iemand speelt in een situatie. Zo noemt Jezus Petrus 'satan' in Mattheüs 16:23, terwijl Hij hem even daarvoor had geprezen voor zijn inspirerende woorden. Het was niet Petrus die Satan in eigen persoon was, maar wat hij zei was een aanstoot voor Jezus. Een mens kan één moment geïnspireerd worden door goddelijke wijsheid en het volgende moment iets zeggen dat een ander tegenstaat, mogelijk geïnspireerd door een geestelijke macht. Petrus was dus niet ineens Satan, maar hooguit door hem beïnvloed.

In de context van Romeinen 16:17-20 spreekt Paulus over mensen die verdeeldheid zaaien en zegt hij direct daarop dat God binnenkort 'de satan' (met lidwoord) onder hun voeten zal verpletteren. Zou het kunnen zijn dat hier ook niet over een geestelijk wezen wordt gesproken, maar over mensen, al dan niet geïnspireerd door een geest? Dan zouden we moeten lezen: 'de oppositie'.

In het Nieuwe Testament hebben vertalers veelal verkozen het woord 'satan' letterlijk over te nemen (al dan niet met hoofdletter) en niet het woord met 'tegenstander', 'oppositie' of 'aanklager' te vertalen. Mogelijk is deze keuze bepaald door het feit dat dit woord door de schrijvers zelf, vanuit het Hebreeuws, letterlijk is overgenomen in het Grieks. Dat is voor mij een reden om te geloven dat de Nieuwtestamentische schrijvers het woord als begrip gebruikten dat zij kenden uit hun geschriften en dat ze er zelf een bepaald beeld bij hadden.

Jezus noemt 'de satan' en 'Beëlzebul' in één adem in Mattheüs 12:26,27:

...indien de satan de satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan? En indien Ik door Beëlzebul de duivels uitwerp, door wie werpen uw zonen ze dan uit? Daarom zullen die uw rechters zijn.

Hier geeft Hij de overste van de demonische wereld specifiek de naam Beëlzebul (letterlijk: heer van de vliegen) en is 'satan' ook weer een algemene term. Het is niet zo dat ik hier de realiteit van een boosaardig geestelijk wezen ontken, maar dat we voorzichtig moeten zijn met termen als 'satan' en 'duivel'. Het zijn geen eigennamen, zoals Beëlzebul, maar vaak gaat het met name in het Nieuwe Testament wel degelijk om één of meer (geestelijke) tegenstanders.

Het woordgebruik is niet altijd zo ondubbelzinnig als het lijkt. In een aantal gevallen gaat het mogelijk om tegenstand van Joodse leiders, roddelaars, lasteraars, valse leraars, en dergelijke. Maar werden zij daarbij, net als door de geest van de 'antichrist', beïnvloed door iets geestelijks? Misschien door één of meerdere demonische wezens? Hoe maken we dat onderscheid? Alleen door goed naar de tekst te kijken, hun culturele context in de gaten te houden en niet te snel een conclusie te trekken. Het kan helpen om overal waar '(de) satan' staat, '(de) tegenstander' of 'tegenstanders' te lezen.

Zo is er ook het woord 'engel', dat van het Griekse woord 'angelos' komt en niets anders betekent dan 'boodschapper' of 'afgezant'. Het kan om een afgezant uit de geestelijke wereld gaan, maar het kan ook gewoon een mens zijn met een boodschap. Gebruik in gedachten de vertaling, dat haalt het woord uit de mystieke, vage sfeer en plaatst het in een meer begrijpelijk kader. De context moet dan uitmaken of het om een geestelijk of aards wezen gaat. Ik lees woorden als engel, duivel en satan meer als begrippen of titels en laat de tekst voor zichzelf spreken.

Het woord 'duivel' is in het Grieks het woord 'diabolos'. Dit komt van het Griekse woord 'ballo', 'gooien'. Het zou gezien kunnen worden als iemand die met woorden naar een ander gooit, lastert of kwaadspreekt. Dit woord komt in het Nieuwe Testament ongeveer net zo vaak voor als satan (38 keer) en wordt gebruikt als aanduiding voor hetzelfde geestelijke wezen of voor mensen die roddelen of lasteren. Ook daar waar 'duivel' staat, moeten we uit de context bepalen of het om een geestelijk persoon gaat of om een mens die kwaadspreekt. Over het algemeen kunnen we wel stellen dat de schrijvers van het Nieuwe Testament de overtuiging hadden dat roddelaars, lasteraars, kwaadsprekers, aanklagers en verleiders de geest van de satan, de duivel of de antichrist hadden. Uiteindelijk maakt het niet eens zoveel uit of het om mensen met een geestelijke gesteldheid ging, of dat het werkelijk een geestelijk wezen was dat hen inspireerde; we zien in Openbaring wat zijn (of hun) einddoel was. Maar daarover later meer.

Dan is er nog het Griekse woord 'poneros', dat is 'kwaadaardig' of 'slecht' en ook wel vertaald met 'de boze'. Dit woord en de afgeleiden ervan, zien we soms in verband met de woorden satan en duivel en bij boosaardige geesten, maar het is meer een algemeen woord om slechtheid of kwaadaardigheid uit te drukken.

Overigens heeft de leider van boze geesten niet 'Lucifer', wat wel eens verondersteld wordt. Lucifer is een Latijns woord dat letterlijk 'lichtbrenger', 'lichtdrager' of 'morgenster' betekent. In de Bijbel wordt de duivel nergens Lucifer genoemd. We komen het tegen in de Latijnse vertaling van Jesaja 14:3-20, waar het gaat over de koning van Babylon. Hij had een hoge positie en veel aanzien als de 'morgenster', maar door zijn hoogmoed kwam hij ten val. Dit gedeelte wordt wel eens gezien als een beschrijving van Satan (de duivel). Dit is echter zeer discutabel en het Latijnse woord voor 'morgenster' gebruiken als naam voor de aanvoerder van boze geesten is dan ook zeer vergezocht. Daar komt nog bij dat in 2 Petrus 1:19 Jezus ook de 'Morgenster' genoemd wordt. Het zou tegenstrijdig zijn, zeker voor iemand als Petrus, die het boek Jesaja heel goed kende, om Jezus dezelfde bijnaam te geven als Satan.

Bij het lezen van alle teksten over (de) satan, duivel, slang, draak of 'boze' in het Nieuwe Testament krijg ik sterk de indruk dat er specifiek in die tijd en in die wereld een duivelse, demonische geest actief was die bij tijd en wijlen verschillende namen kreeg, zoals 'Beëlzebul' of 'Satan'. Zo geven wij mensen ook wel bijnamen die iets van hun karakter of uiterlijk weergeven, zoals 'Baas', 'Dolle', 'Kuifje', 'Lange Jan', enzovoort. Er was een specifieke tegenstander in de 'tijd van het einde', die overwonnen moest worden: Tegenstander, met een hoofdletter. Jezus noemde hem Beëlzebul, anderen noemden hem Duivel, de Boze, of Satan. Lees nu eens wat Paulus zegt in 2 Korinthiërs 4:4:

...in wie de god van deze eeuw het verstand verblind heeft, namelijk van de ongelovigen, opdat het licht van het Evangelie van de heerlijkheid van de Gezalfde, Die het Beeld van God is, hen niet zou beschijnen...

Blijkbaar was er specifiek in die eeuw (in dat tijdperk) een 'god' die mensen verblindde. We kunnen hier mijns inziens wel aannemen dat het om dezelfde 'tegenstander' gaat, de 'satan'. We kunnen hier ook Efeziërs 6:12 naast leggen:

Want wij hebben niet te strijden tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de autoriteiten, tegen de wereldheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.

Paulus zag in dat er heersers waren die specifiek bevochten moesten worden in die tijd, in hun duisternis. Vergelijk dit eens met Mattheüs 24:29:

En onmiddellijk na de verdrukking van die dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de machten van de hemelen zullen bewogen worden.

Zoals we eerder gezien hebben, zijn zon, maan en sterren beelden van heersende machten. Volgens Jezus zouden die vallen bij de vernietiging van Jeruzalem. Als dit dezelfde machten zijn waar Paulus over sprak (wat ik heel waarschijnlijk acht), dan waren die specifieke machten slechts in dat tijdperk actief en zouden ze vernietigd worden aan het einde van dat tijdperk.

Zie 1 Petrus 5:8:

Wees nuchter en waakzaam; want uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een briesende leeuw, zoekend wie hij kan verslinden;

Petrus bemoedigt zijn lezers hierna (in vers 10), dat de Gezalfde hen na een korte tijd van lijden zou versterken en bevestigen.

Openbaring 12:12:

... Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft.

De geestelijke macht waarmee zij van doen hadden, was nog maar een korte tijd toebedeeld. In vers 10 wordt hij de 'beschuldiger van de broeders' genoemd. Uit dergelijke teksten concludeer ik dat deze grimmige geest verbonden was met de wet en op basis daarvan de mensen voor het goddelijke gerecht kon dagen.

Satan zou tevens spoedig onder de voeten van de gelovigen komen, kijk maar eens naar Romeinen 16:20:

En de God van de vrede zal de satan binnenkort onder uw voeten verpletteren.

Openbaring 20:10:

En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.

Ik denk dat deze gebeurtenis plaatsvond tijdens de vernietiging van de tempel in Jeruzalem, het centrum van de vervolging van de ware gelovigen in die tijd. Toen 'hemel en aarde' verging en er een einde kwam aan de vernietigende macht van de wet. De enige reden dat deze satan de mensen kon aanklagen was de aanwezigheid van de wet. Maar toen de wet met alle attributen (in de tempel) voorbij ging, was er helemaal geen plaats meer voor de aanklager. Hij had al geen recht meer om mensen aan te klagen, omdat het bewijsstuk uitgewist was (Kolossenzen 2:14). Ik sluit niet uit dat er nog steeds demonische geesten zijn, maar de aanklager die verbonden was met de Joodse wet is niet meer.

Hoe zit dat eigenlijk met die 'poel van vuur en zwavel'? In de laatste verzen van Openbaring 20 zien we dat mensen werden geoordeeld op grond van wat er in de boeken stond; en dat zij die niet in het boek van leven stonden, in de 'poel van vuur' werden geworpen. Dus dat betekent dat de mensen die er wel in stonden, niet in dat vuur terecht kwamen. Wat betekent het om in die 'poel van vuur' terecht te komen?

Er zijn veel plaatsen in de Bijbel waar het woord 'vuur' voorkomt. Meestal is het in de zin van een oordeel, een beproeving of een loutering. We hebben gauw de neiging om het als iets negatiefs te zien, maar dat is denk ik niet nodig. God gebruikt vuur voornamelijk om iets verkeerds weg te branden, zodat het goede overblijft. Het is niet Gods bedoeling om domweg alles in dat vuur te laten vergaan. Het doel van vuur is loutering, heiliging, opruimen, ontdoen van dingen die geen stand houden. Als God en vuur in één zin voorkomen is het niet dat Hij er behagen in schept om ons pijn te doen (al doet het op zich wel even pijn), maar om ons vrij te maken van dingen die ons in de weg staan om Hem te dienen. Goed om dit in gedachten te houden wanneer je het woord 'vuur' in de Bijbel leest.

Vuur is een middel om te louteren; dat is een proces waarbij goud of zilver zuiver wordt gemaakt. Mensen worden gelouterd, gereinigd, en getest in vuur. Vuur vernietigt, maar in Bijbelse context alleen dat wat vernietigd móét worden. Dat wat door het vuur heen gaat, komt er aan de andere kant beter uit. Met uitzondering van dat wat door en door slecht is. Het woord 'vuur' komt 74 keer voor in het Nieuwe Testament, waarvan 26 keer in Openbaring. Het wordt gebruikt om een letterlijk vuur te beschrijven, zoals een kampvuur, of een stad die in brand staat, of die keer dat leerlingen van Jezus vuur uit de hemel wilden afroepen. Meestal wordt het echter in figuurlijke of geestelijke zin gebruikt, zoals 'het vuur van de Heilige Geest', een 'vuur dat loutert of beproeft' en in gelijkenissen waar vuur het nutteloze of slechte verbrandt. In Openbaring vinden we zowel vuur op aarde, in de vorm van brand waarin mensen omkomen, als vuur in figuurlijke zin of in de geestelijke wereld. Zo zien we een afgezant met voeten als vuurkolommen en een man op een wit paard met ogen als een vuurvlam. Het begrip 'poel van vuur', of letterlijk 'meer van vuur', komt 6 keer voor vanaf Openbaring 19, waar we het voor het eerst lezen. In Openbaring 19:20 worden 'het beest' en 'de valse profeet' in het meer geworpen dat brandt van vuur en zwavel.

De toevoeging 'zwavel' doet vermoeden dat het over een figuurlijk of geestelijk vuur gaat. Zwavel werd namelijk gebruikt door schrijvers in die tijd om zuivering en toetsing aan te duiden. In Openbaring 14:9-10 vinden we ook een verwijzing naar de combinatie 'vuur en zwavel', waarmee volgelingen van het beest 'gemarteld' of 'gepijnigd' worden. Dat is op zich een goede vertaling, maar volgens het woordenboek van Thayer geeft het woord dat daar gebruikt wordt in de eerste plaats 'testen' of 'beproeven' aan. Daarnaast kan het in figuurlijke zin ook gebruikt worden voor 'onder druk zetten' en 'martelen'. Dan zien we in Openbaring 20:10 dat de duivel (de aanklager) bij het beest en de valse profeet in het meer van vuur gegooid wordt, waar ze op dezelfde manier onder druk gezet worden. Daar wordt namelijk weer hetzelfde woord gebruikt als in hoofdstuk 14. De toevoeging is echter dat dit 'tot in tijden van tijden' of 'eeuwen van eeuwen' gebeurt, wat vertaald wordt met 'tot in eeuwigheid'. Daar hebben we mijns inziens van doen met iets geestelijks en het lijkt mij niet waarschijnlijk dat dit op mensen duidt die eeuwig branden in een letterlijk vuur, maar met het kwaad dat voor altijd en eeuwig vernietigd zal zijn.

In Openbaring 20:15 komt ook iedereen die niet in het boek van leven staat, in het meer van vuur terecht. Zoals we gezien hebben, gaat dat over mensen die niets van recht en gerechtigheid willen weten. In dat boek staan is geen kwestie van willekeur of toeval. God zegt niet: “Oeps, Ik ben er één vergeten in het boek te zetten”. Je staat er automatisch in als je verlangt naar Gods gerechtigheid en daar naar handelt. Tot slot wordt er in Openbaring 21:8 nog een rijtje mensen met slechte eigenschappen genoemd. Hun plaats is ook in dat 'meer van vuur'.

Wat ik met dit alles wil aangeven is, dat er mogelijk iets te zeggen is voor een 'vagevuur', waar katholieken ook in geloven. Een vuur, waar mensen getoetst, gelouterd en beproefd worden, maar waar ze uiteindelijk volkomen gezuiverd uit komen. Dat het vuur er altijd zal zijn, zegt wellicht iets over de eeuwige noodzaak van een louterend vuur.

Dood en Hades (de plaats waar de doden zijn) werden ook in de poel van vuur geworpen. Dat is de tweede dood, lezen we in Openbaring 20:14. Daarmee komt er definitief een einde aan de dood, want wat in zijn geheel geen nut meer heeft (omdat Jezus de dood overwonnen heeft) zal volkomen vergaan in het vuur. Maar wat van eeuwigheidswaarde is, komt er ongeschonden en zelfs nog puurder uit dan het voorheen was (o.a. 1 Petrus 4:12 spreekt over die vuurproef waar je beter van wordt). Jezus bevestigt dat wie op Hem vertrouwt zal leven, zelfs al is hij gestorven (Johannes 11:25). Het leven gaat door, omdat Hij een einde heeft gemaakt aan de dood. Ons lichaam is slechts een tijdelijk vervoermiddel om ons te kunnen verplaatsen in deze wereld.

Dit zijn dingen waar nog een heel boek over geschreven zou kunnen worden. Genoeg stof tot nadenken in ieder geval.


224