De Bijbel gaat niet over ons maar over het oude Israël

Is Jezus voor ons in deze tijd gekomen? Gaat de Bijbel over ons? Kort antwoord: Nee, de Bijbel gaat over het oude Israël. Nu kun je twee dingen doen: stoppen met lezen en denken: 'die is gek', of je leest door en gaat zien waarom de onderstaande teksten stelselmatig genegeerd en weggeredeneerd worden.

Laten we beginnen met de kernteksten waar men in het huidige christendom liever niet over praat, waaruit we eigenlijk maar één conclusie kunnen trekken: Jezus kwam slechts naar Zijn eigen volk, Israël.

De afgezant die in een droom aan Jozef verscheen, zei met betrekking tot zijn aanstaande vrouw Maria (Mattheüs 1:21):

En zij zal een Zoon baren, en u zult Hem de naam JEZUS geven; want Hij zal Zijn volk verlossen van hun zonden.

Er staat niet dat hij ook anderen zou verlossen.

Petrus zei in Handelingen 5:31:

Deze [Jezus] heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en redder, om Israël bekering en vergeving van zonden te brengen.

Israël dus. Een ander volk wordt hier niet genoemd.

In Mattheüs 15:24 vinden we de meest duidelijke uitspraak, nota bene van Jezus zelf:

Maar Hij antwoordde: Ik ben niet [tot iemand anders] gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis van Israël.

En ja, ik weet het, de dochter van de vrouw tegen wie hij dat zei werd genezen, maar dat maakte haar nog geen erfgenaam of deel van de verlossing van Israël. Mensen van andere volken kunnen blijkbaar wel geloof hebben en dingen van God ontvangen, zonder deel uit te maken van het 'verlossingsplan'. Ik zeg dus niet dat God niets met ons te maken wil hebben en dat we de Bijbel wel weg kunnen gooien, wat mij wel eens verweten wordt. En als je wilt weten wat de Bijbel werkelijk over deze dingen te zeggen heeft, lees dan door.

Om de Bijbel te begrijpen moet je kijken naar dingen als doelgroep en context: aan wie, waar, wanneer en waarom is het geschreven? Dan zie je waarom de boeken en brieven in de Bijbel niet aan óns geschreven zijn, maar aan de Joden en de onder de volken verstrooide Israëlieten van de eerste eeuw. Jezus kwam naar eigen zeggen voor het herstel van Israël. Alles draait in de Bijbel om Israël, haar val en haar verlossing. De boodschap van Jezus is geworteld in de profetieën van het Oude Testament (de Joodse 'Tenach'). Dat wil echter niet zeggen dat het niets voor ons te betekenen heeft, maar daar kom ik nog op terug.

Veel mensen zijn vandaag bang voor (of zien juist uit naar) het 'einde van de tijd'. De 'wederkomst van Jezus op de wolken' is een begrip geworden in de christelijke wereld, met alle doemscenario's eromheen. De 'tekenen van de tijd', zoals oorlogen, geruchten van oorlogen, aardbevingen, verkilling van de liefde en vermeerdering van kennis, worden aangehaald als bewijzen dat 'het einde' in onze tijd zou moeten plaatsvinden, maar dat blijkt anders te zitten. Daar gaa ik het ook uitgebreid over hebben.

Er zou volgens velen een 'opname van de gemeente' moeten gaan plaatsvinden, waarbij velen in grote vertwijfeling achterblijven. Een inspiratie voor fantasierijke films en boeken. Maar als je de Griekse tekst nader gaat onderzoeken, zie je andere dingen, die ik graag voor je op een rijtje zet.

Dan is er 'de opstanding der doden' die door velen wordt gezien als een toekomstige fysieke opstanding van alle overleden gelovigen, maar ook dat is niet zo duidelijk als het lijkt, zoals je zult zien.

Wat personen als 'de antichrist', 'het beest' en de 'mens der wetteloosheid' gaan doen hoeft geen angst in te boezemen, omdat dit allang verleden tijd is.

De hele wereld zou eerst moeten worden bereikt met het evangelie en dan komt 'het einde' met vernietigend oordeel. Maar de schrijvers van het Nieuwe Testament zeggen iets heel anders. Net als de teksten over het 'Nieuwe Jeruzalem'. Gaat dat over een letterlijke stad die zichtbaar neerdaalt uit de hemel? Nee. Dit document gaat over deze zaken, dus lees vooral verder.

Begrijpend lezen

Om de Bijbel goed te kunnen begrijpen is het belangrijk om te zien waar en wanneer de tekst geschreven is. Maar je moet ook uitzoeken aan wie het geschreven is en waarom. Hoe begrepen die mensen de tekst? Er zijn veel dingen die wij vandaag de dag anders zien of anders begrijpen. Zo kunnen er specifieke bewoordingen zijn die de schrijver gebruikte. Waren er misschien bepaalde uitdrukkingen die zij toen gebruikten, waar wij eerst kennis van moeten nemen? We willen er niet onze eigen draai aan geven, maar we willen weten wat de schrijver bedoelde. En wat staat er eigenlijk in de oorspronkelijke taal? Wat begrepen de mensen in die tijd wanneer er een bepaald woord gebruikt werd?

Zo hebben we dan de volgende aandachtspunten bij het lezen van teksten:

Context - waar en wanneer is het geschreven?

Doelgroep - aan wie is de tekst gericht en wat kunnen we daarvan leren?

Bewoordingen - zitten er bepaalde zegswijzen, of woordspelingen in die niet letterlijk vertaald kunnen worden, of anders begrepen moeten worden?

Oorspronkelijke taal - wat zijn de betekenissen van de woorden en wat is dan de juiste vertaling? Een vraag die ik altijd stel is deze: kan de schrijver het ons zelf uitleggen? Zijn er andere plaatsen waar hij dezelfde woorden gebruikt?

Het Nieuwe Testament is geschreven in Koinè Grieks, dat in gebruik was van ongeveer drie eeuwen voor Christus, tot drie eeuwen erna. Het is niet al te moeilijk om de basisprincipes te leren. Grieks leren is echter één ding, maar begrijpend lezen is iets anders. Daar komt de wetenschap van tekstinterpretatie om de hoek kijken.

Er zijn grofweg 4 methoden om (in ons geval Bijbelse) teksten te benaderen:

- Letterlijk (de meest directe betekenis van de tekst wordt gezocht in de context van de tijd en cultuur waarin hij geschreven is; de tekst wordt als volledig historisch correct gezien)

- Moreel (bepalend welke lessen eruit kunnen worden geleerd)

- Allegorisch (mensen en gebeurtenissen worden als 'typebeelden' geïnterpreteerd; de tekst wordt symbolisch gezien)

- Mystiek (de tekst verwijst naar dingen die op een 'hoger vlak' plaatsvinden, in de geestelijke wereld of dingen die nog moeten gebeuren; hierbij wordt bijvoorbeeld de nadruk gelegd op het voorspellende karakter van de tekst of de betekenis van getallen in de tekst)

Natuurlijk kun je niet naar eigen inzicht een methode kiezen om een tekstgedeelte uit te leggen, maar moet per tekstdeel gezocht worden naar de oorspronkelijke bedoeling van de schrijver, door de tekst in zijn geheel te bestuderen, in de context. Uitstekende hulpmiddelen hierbij zijn http://www.e-sword.net en http://www.biblehub.com .

E-Sword is ook als gratis app voor smartphone of tablet te krijgen en biedt de Bijbel aan in onder andere Hebreeuws (OT), Grieks, Latijn, Duits, Nederlands (SV) en verschillende Engelse vertalingen. Verder zijn er bij deze app ook veel gratis commentaren, woordenboeken en ander studiemateriaal beschikbaar.

Houd in de gaten dat de Bijbelse teksten geschreven zijn aan mensen in het Midden-Oosten, van grofweg 3500 tot bijna 2000 jaar geleden, met eigen taalgebruik en zegswijzen. Het waren geen Nederlanders.

Hoe gaan we daarbij te werk? Laat de schrijvers van de tekst zichzelf verklaren. Dat kan eenvoudig door woorden en zinnen te vergelijken met andere teksten uit dezelfde tijd (liefst van dezelfde schrijver) waar dezelfde woorden en zinnen voorkomen.

Waar de schrijvers van het Nieuwe Testament teksten aanhalen uit de Tenach (het Oude Testament), komen ze sterk overeen met de huidige versies van de Septuaginta (de Griekse vertaling van de Tenach, van ongeveer 2 eeuwen voor Christus). Het komt niet in alle gevallen 100% overeen, waaruit je zou kunnen afleiden dat de versie die men toen had niet helemaal dezelfde is als die we nu hebben. Het kan ook zijn dat de schrijvers van toen de Tenach uit hun hoofd kenden en die ter plekke vertaalden. De Griekse teksten onderling komen in ieder geval sterker overeen dan de Griekse aanhalingen en de Hebreeuwse teksten. Dat kun je goed zien wanneer je de aangehaalde tekst in het Nieuwe Testament, de Septuaginta én de Hebreeuwse teksten naast elkaar legt. De Hebreeuwse tekst wijkt vaak behoorlijk af van wat er aangehaald wordt, terwijl de Septuaginta nauwelijks afwijkt. We kunnen in veel gevallen dus volstaan met de voor handen zijnde Griekse teksten. Er zijn tussen de Griekse versies ook kleine verschillen, die soms een andere betekenis hebben. Zoals een komma in de ene tekst en het woordje 'en' in de andere. Dat kan veel uitmaken in de betekenis. Het is echter zelden zo dat een zin totaal iets anders betekent in de verschillende fragmenten, maar het komt wel voor. Er zijn enkele delen die later lijken te zijn toegevoegd, maar dat staat in vertalingen en verklaringen meestal duidelijk vermeld.
De site http://www.biblehub.com biedt de mogelijkheid om Griekse manuscripten per tekstdeel naast elkaar te vergelijken, voor wie zich daar meer in wil verdiepen.

Bedenk steeds dat de schrijvers Joden waren en dus ook dachten als Joden en niet als Grieken. Het is bij wijze van spreke Grieks op z'n Hebreeuws. Al zien we ook af en toe typisch Griekse denkbeelden in de tekst naar voren komen, zoals het idee dat de mens bestaat uit geest, ziel en lichaam (1 Thessalonicensen 5:23). De Joden zagen slechts de 'innerlijke' en de 'uiterlijke' mens.

In de Bijbel vinden we veel geschiedenis, maar ook gedichten, klaagliederen, lofliederen, gelijkenissen, profetieën, openbaringen, waarheden en wijsheden. Veel verschillende soorten tekst, elk met hun eigen doel. Je kunt een profetie niet altijd lezen alsof het letterlijk zo zal gebeuren, omdat er vaak veel beeldspraak en grootspraak in zit. En een loflied kun je niet altijd lezen als een letterlijke waarheid, al zitten er soms wel waarheden in verwerkt. Bomen die in hun handen klappen en bergen die juichen zijn natuurlijk geen dingen die je letterlijk moet nemen.

Schrijfstijl is sterk bepalend voor de aard van de tekst. Zo heeft profetie vaak een symbolisch karakter; het moet iets duidelijk maken. Zoals de allegorie van de zwerm sprinkhanen in Openbaring 9. Ze kwamen oorlog voeren en hadden de afgezant (engel) uit de afgrond tot koning, wiens naam (Apollyon) vernietiging betekent. (Ik gebruik overigens consequent het woord 'afgezant' in plaats van 'engel', omdat dit de betekenis is van het Griekse 'angelos' en omdat het woord lang niet altijd een hemels wezen aanduidt.) De beelden in een allegorie zijn vaak fictief, maar ze hebben wel betrekking op werkelijke, fysieke of geestelijke gebeurtenissen. Het gaat in Openbaring 9 over een letterlijke oorlog, maar die wordt natuurlijk niet uitgevochten door paardachtige sprinkhanen met vrouwenhaar en leeuwentanden, die kronen en harnassen dragen, zoals het beschreven staat. Het gaat over heersers en strijdmachten met bepaalde kenmerken die vergeleken kunnen worden met de eigenschappen van de genoemde elementen.

Ik gebruik in plaats van Christus consequent de titel Ingewijde. Het Hebreeuwse woord voor 'ingewijde' of 'gezalfde' is Meshiach (wij spreken dat uit als 'Messias'). Het Griekse woord is Christos (wij spreken dat uit als 'Christus'). Op zich geen bijzonder titel. Priesters en koningen werden destijds gezalfd, dat is geïnaugureerd, geïnstalleerd of ingewijd. God noemt zelfs de Perzische koning Cyrus Zijn ingewijde (Jesaja 45:1). Maar Jezus is volgens de Bijbel dé Ingewijde (Koning én Priester) voor altijd (Hebreeën 7:3 en Openbaring 11:15 - letterlijk: tot in tijden van tijden).

We komen in de Bijbel vaker woorden tegen die niet vertaald zijn, maar 'vernederlandst' (bij gebrek aan een beter woord). Ik gebruik in gedachten dan de vertaling, dat haalt het woord uit de mystieke, vage sfeer en plaatst het in een meer begrijpelijk kader. De context moet dan uitmaken wat de schrijver bedoelde. Zo zijn er de woorden messias/christus (ingewijde), discipel (leerling), apostel (zendeling, denk aan het woord 'post', dat heeft dezelfde oorsprong), engel (afgezant), duivel (aanklager) en satan (tegenstander). Ik lees ze meer als begrippen of titels en laat de tekst verder voor zichzelf spreken.

Vertalingen laten vaak maar één kant van de tekst zien en zijn helaas vaak beïnvloed door een bepaalde leer. Ik heb de Bijbel op vele manieren uitgelegd zien worden, maar vind dat een benadering van eschatologie waarin de tijdsbepalingen in de tekst serieus worden genomen nog onderbelicht is. Deze tijdsbepalingen wijzen erop dat de 'eindtijd' plaatsvond in de eerste eeuw na Christus. Veel mensen kiezen een benadering waarbij het uitkomen van veel Bijbelse profetieën met betrekking tot de 'eindtijd' nog wordt verwacht. Er zijn binnen die twee zienswijzen meerdere stromingen en iedere stroming of leer heeft wel iets waar ik het mee eens kan zijn, of juist niet. Mijn voorkeur gaat uit naar een consistente eschatologie, wat inhoudt dat we begrippen en tijdsaanduidingen serieus nemen en consequent lezen in de context van de cultuur waarin ze geschreven zijn. Dat geeft een duidelijk totaalplaatje en laat overduidelijk zien dat het hele verhaal over het oude Israël gaat en niemand anders.

De teksten die ik aanhaal komen gedeeltelijk uit de Statenvertaling, die ik heb gemoderniseerd om ze beter leesbaar te maken. Ik heb het Grieks er naast gelegd om daar waar nodig een eigen vertaling te geven. Ik heb daarbij de methode gehanteerd van 'vrije vertaling', om het meer te laten overkomen als gesproken tekst.


Het nieuwe verbond was alleen voor Israël

Hier volgt het verhaal zoals we het in de Bijbel vinden. Of je het nu gelooft of niet en of het allemaal echt gebeurd is of niet... dit is de context:

Jezus stond op een dag met zijn leerlingen bij de tempel en hij verkondigde dat van die tempel geen steen op de andere gelaten zou worden op de dag van het oordeel (zie Mattheüs 24:3). Die tempel was voor de Joden het centrum van hun godsdienst. Jeruzalem was de plaats waar God aanbeden werd. In de brief aan de Hebreeën lezen we het volgende (waarschijnlijk slechts enkele jaren voor de vernietiging van de tempel geschreven - Hebreeën 8:13):

Als Hij zegt: 'Een nieuw verbond', zo heeft Hij het eerste oud gemaakt; en wat nu oud en verouderd gemaakt is, is de verdwijning nabij.

Het eerste verbond, met als fysieke vertegenwoordiging de tempel en de verbondsstad Jeruzalem, gesloten met Israël, stond op het punt te verdwijnen. Dat verbond was nog niet voorbij toen dit geschreven werd, maar er zou spoedig een einde aan komen (het was nabij). Uit dergelijke teksten in het Nieuwe Testament is het duidelijk dat er een overgangsperiode was. Een periode waarin de kinderen van Israël die nog onder het oude verbond leefden, zich tot hun Middelaar konden keren voor verzoening met God (Hebreeën 9:15). opstanding en hemelvaart van Jezus waren nog niet het hele verhaal. Jezus had een aantal belangrijke profetieën vervuld, maar nog niet allemaal. Om het goede nieuws compleet te maken, moesten nog enkele profetieën vervuld worden: het voorbijgaan (de vernietiging) van het oude en de vestiging van nieuwe, het Koninkrijk van God. Jezus had het in zijn gelijkenissen ook vaak over die overgangsperiode. Hij sprak altijd tegen volksgenoten, over hun verleden en hun toekomst. God had een verbond gesloten met Israël. Dat verbond zou voorbij gaan en hij zou een nieuw verbond met hen sluiten. We zien hier niets over een verbond met de hele wereld.

Paulus schreef in Romeinen 13:11-12 het volgende over de verwachting waarin zij toen nog leefden:

En dit zeg ik, te meer omdat wij weten in welke tijd we leven, dat de tijd is aangebroken dat wij nu uit de slaap ontwaken; want de redding is nu dichterbij dan toen wij eerst tot geloof kwamen. De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken van de duisternis, en aandoen de wapenen van licht.

Hij geeft aan dat ze de opstanding uit de dood verwachtten. (Dood werd wel vaker vergeleken met 'slaap'.) De redding was nabij. Niet de redding die Jezus al aan het kruis had bewerkstelligd, maar de bevrijding van het oude 'lichaam van de dood' (Romeinen 7:24). Bijna de hele brief aan de Romeinen gaat over deze overgang:

Telkens weer benadrukte Paulus dat hij uitzag naar de verlossing van het oude: van de slavernij aan de wet die de zonde laat zien en veroordeelt, naar de volledige vrijheid van de 'zonen van God', het ontwaakte en herstelde Israël (Romeinen 8:19). De nacht was bijna voorbij, hij zag licht aan de horizon.

In Galaten 4:24-26 lezen we dit:

... want er zijn twee verbonden; het ene van de berg Sinaï, die tot slavernij leidt... en komt overeen met het Jeruzalem dat nu is... Maar het Jeruzalem dat boven is, dat is vrij en is de moeder van ons allen.

Sinaï, Jeruzalem, 'de moeder van ons allen'. Wanneer Paulus over 'ons' spreekt, heeft hij het over het toenmalige Israël. Hoe vaak worden tegenwoordig door christenen Bijbelteksten aangehaald, alsof ze voor hen bedoeld zijn?

Het Jeruzalem dat er toen was zou er niet lang meer zijn. Het werd in het jaar 70 door de Romeinen vernietigd en de tempel werd helemaal platgebrand en gesloopt. Maar men keek uit naar een nieuw, hemels Jeruzalem en het voorbijgaan van het corrupte. En daarin zien we het doel van de vernietiging: afrekenen met het oude. Het oude was een verbond waarbij beide partijen (God en Israël) zich aan een reeks voorwaarden moesten houden. Een overeenkomst, een akkoord, een verdrag, waarbij het volk zélf moest kiezen op basis van een lijst met regels. En als één van die regels overtreden werd, dan was er straf en vergelding, wat alleen maar goedgemaakt kon worden met een offer. Geen enkel ander volk werd verplicht om offers te brengen voor de God van Israël.

In de Bijbel zien we dat God wilde dat Zijn volk voor Hem een koninkrijk van priesters zou zijn (Exodus 19:6):

En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn.

Zij zouden mensen zijn die rechtvaardig regeren op aarde en voor anderen op de bres staan. Mensen die rechtstreeks met God konden communiceren en leven vanuit een open relatie met Hem. Een grote opdracht, met een grote verantwoordelijkheid. Ze wilden echter niet dat God direct tot hen zou spreken, maar dat Mozes, oudsten, priesters en koningen hen zouden vertellen wat ze moesten doen. God moest maar door leiders, regels en wetten spreken, niet rechtstreeks; dat vonden ze eng. Ze waren zo ver afgedwaald van de God van hun voorouders Abraham, Izaäk en Jakob, dat ze beefden van angst toen ze bij die berg stonden. Het idee dat Hij rechtstreeks tot hen zou spreken, was te veel voor ze. De bedoeling was dat ze een volk van koningen en priesters zouden zijn voor de rest van de wereld, zo zegt de tekst. Maar ze hadden nog te veel een slavenmentaliteit. Na veel omzwervingen komen we bij het gedeelte dat wij het 'Nieuwe Testament' noemen, waar Jezus het verlangen van God waar kon maken door een volk van koningen en priesters voort te brengen (zie 1 Petrus 2:9,10):

Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zou verkondigen de uitmuntendheid van Hem, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.

Jullie, die eertijds geen volk waren, maar nu Gods volk bent; die eertijds geen genade ontvingen, maar nu genade hebben ontvangen.

Petrus spreekt hier tegen 'verdwaalde schapen van Israël', blijkt uit zijn aanhef (1 Petrus 1:1), die in hun tijd werden verzameld vanuit de volken, wat hij nog eens benadrukt door Hosea 1:7-12 aan te halen. God zegt daar dat Hij Israël niet meer genadig zou zijn en dat zij Zijn volk niet meer zouden zijn, maar er zou een tijd komen dat zij wél weer Zijn volk zouden zijn en dat ze wel weer genade zouden ontvangen. De titel 'koninklijk priesterschap' was duidelijk weggelegd voor Israël en de logische conclusie is dus dat dit ook door Petrus tegen niemand anders gezegd werd dan dat volk.

Het hele verhaal begint bij Adam en Eva in de tuin. Daar was er al die keuze: ze konden leven vanuit een systeem van regels en wetten (dat was de boom van kennis van goed en kwaad) óf ze konden eten van de boom van leven en samen met God, als partners, heersen over de aarde. Ze kozen er uiteindelijk voor om het zélf te gaan doen en te oordelen naar hun eigen inzicht. Maar dat had wel consequenties. Als ze waren blijven leven in afhankelijkheid van hun Schepper en Vader, dan had Hij ze liefdevol kunnen leiden en leren hoe ze moesten leven. Maar ze kozen voor regels en dwongen God in de positie van oordelende Rechter. En dat zorgde gelijk voor ellende. De eerste moord werd al gepleegd door één van hun zoons, Kaïn, die zijn broer Abel haatte omdat God het offer van Abel wél accepteerde en dat van hem niet (zie Genesis 4:4-8). De eerste afrekening vanwege een religieus dispuut. Is dit eerste verhaal een metafoor, of echt gebeurd? We weten het niet, maar het thema is duidelijk en wordt voortgezet door de hele bijbel als de geschiedenis van Israël. Zij kozen later in feite voor hetzelfde, toen ze bij de berg Sinaï stonden en Gods aanbod van persoonlijke relatie afwezen. In Exodus 19:6 en 11 zei God dat hij hen allemaal koningen en priesters wilde maken en rechtstreeks tot hen allemaal wilde spreken. Daarna gaf God de 'tien geboden' (zoals men ze vaak noemt). Maar in 20:18 en 19 zien we dat ze bang werden, afstand namen en aan Mozes vroegen om namens God tot hen te spreken. In vers 20 zien we dat Mozes nog probeerde ze over te halen, maar ze bleven afstand houden. Ze leefden nog in de slavenmentaliteit die ze hadden opgedaan in Egypte. Ze hadden toen al de status van zonen van God kunnen krijgen, maar als we verder lezen in de Bijbel, zien we dat Jezus dit probleem voor hen kwam oplossen. Hij zou in staat zijn om Zijn volk in een persoonlijke relatie met God te brengen en tot de status van 'het zoonschap' te verheffen. Dit wordt ook wel het 'nieuwe verbond' of 'het nieuwe testament' genoemd. Paulus werkt dit thema van slavernij uit in Romeinen 6.

Het oude verbond (testament) hing aan elkaar van voorwaarden en regels. Als men zich daar niet aan hield moest men de consequenties dragen. Leven en dood hingen af van de mate waarin zij in staat waren om zich aan die regels te houden (Deuteronomium 30:16-18):

Want ik gebied u heden, Jahweh uw God lief te hebben, in Zijn wegen te wandelen en Zijn geboden te houden en Zijn inzettingen en Zijn rechten, opdat u zult leven en vermenigvuldigen en Jahweh uw God u zegent in het land waar u naar toe gaat, om dat te erven. Maar indien uw hart zich zal afwenden en u niet horen zult en u gedreven zult worden dat u zich voor andere goden buigt en die dient; Zo verkondig ik u heden, dat u voorzeker zult omkomen; u zult de dagen niet verlengen op het land waar u over de Jordaan naar toe gaat, om daarin te komen, dat u het erfelijk bezit.

Velen zien de God van de Bijbel als een wrede God. Maar ik kijk daar anders naar. Het probleem lag mijns inziens niet zo zeer bij God maar bij het volk en de keuzes die zij maakten. Niet alleen het volk droeg namelijk de consequenties, maar ook God Zelf werd door de keuze van het volk gedwongen om dit voorwaardelijke, tweezijdige akkoord na te leven. Hij moest straffen uit gaan delen. Toch zie je in de hele wet genade en vergeving doorschemeren. In de wet waren overal clausules opgenomen, die een voordeel opleverden voor de armen en de onderdrukten. En als de wet (die op zich perfect was) nauwgezet werd nageleefd, zou het goed gaan met het volk. Helaas was het kennelijk niet mogelijk om volledig de volmaakte wetten van God te houden. Dat zien we steeds weer in de geschiedenis van Israël. God wilde daarom al vanaf het eerste begin een éénzijdig verbond afsluiten, waarbij alles van Hém uitgaat. Het werd een meerjarenplan met als doel: een nieuw en blijvend verbond. Was er geen andere mogelijkheid? Misschien wel, maar dit is hoe het opgeschreven is.

Het oude verbond, een verdrag dat leidde tot geweld en bloedvergieten, kon maar op één manier worden ontbonden: door gelijkwaardige tegenactie. “Oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet...” (Exodus 21:24). Voor elke misstap was een bijpassende straf en dáárvoor kwam volgens de schrijvers van het Nieuwe Testament uiteindelijk Jezus: de enige Jood in de geschiedenis die volledig gevuld was met de Geest van God en totaal zonder zonde leefde.

Paulus stelt de 'eerste Adam' tegenover de 'laatste Adam', in 1 Korinthiërs 15:22:

Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.

En als deze Christus naar eigen zeggen alleen voor de verloren schapen van Israël kwam, dan is het woordje 'allen' in dit verband natuurlijk 'allen van Israël'. Wat Adam wilde bereiken door te eten van de boom van kennis, maar waarin hij hopeloos faalde, lukte Jezus wel. Hij kwam om een nieuw, volmaakt verbond te sluiten. In Jezus werden de wet en de profetieën helemaal vervuld, zoals hij zelf zei in Mattheüs 5:17:

Denk niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen.

De wet en de profeten waren er voor Israël, dus hiermee wordt weer bevestigd dat dit een voltooiing was van hun strijd met 'de zonde'. Hij bracht het volmaakte en laatste offer. Met dat éne offer was in één keer aan alle eisen van de wet voldaan, zodat niemand die onder het oude verbond leefde nog bij Hem in het krijt zou staan. Iedereen zou in één klap vergeven en met God verzoend worden, volgens Paulus (Romeinen 10:4):

Want de Ingewijde is het einde van de wet, waardoor iedereen die gelooft (vertrouwt op Hem) gerechtvaardigd wordt.

Iedereen van Israël natuurlijk, want daarvoor kwam hij. Een onvoorwaardelijk en onherroepelijk, eenzijdig aanbod. Er was voor de Joden, het volk dat leefde onder de wet, nu geen veroordeling meer dóór die wet. Heidenen, die nooit onder die wet geleefd hebben, worden niet veroordeeld op basis van de wet. Hier passen wij in het verhaal. Onze acceptatie is niet afhankelijk van onze goedheid of inspanningen. Het is allemaal Gods genade en liefde en daar kunnen wij niets aan toevoegen. Je bent zelfs niet verplicht om je naaste lief te hebben als jezelf - wat volgens Jezus de opsomming van de wet was (Lukas 10:27). En die wet was alleen gegeven aan Israël. Wij kunnen mensen gewoon liefhebben, niet vanuit dwang. De Israëlieten werden in Jezus volmaakt en zo werden zij een voorbeeld voor ons (Efeziërs 2:4-6:)

Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met de Ingewijde; (door genade bent u gered), En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede geplaatst in de hemel in de Ingewijde Jezus;

Als er al iets voor ons overblijft dan is het dit: Wij mogen mijns inziens gewoon genieten van wie God is en leven vanuit Zijn liefde. De tijd van wet en oordeel was voor Israël en is voorbij.

Het verhaal was echter nog niet voorbij. Toen Jezus eenmaal het nieuwe verbond had gesloten - rechtstreeks met de Vader, zonder tussenkomst van mensen, maar als volmaakte Mensenzoon - moest er nog wel afgerekend worden met het oude systeem. En dat ging gepaard met veel weerstand en strijd, omdat er nog velen waren die het oude met hand en tand verdedigden. Door krampachtig vast te houden aan het fysieke Jeruzalem met de zichtbare, tastbare tempel, haalden de religieuze Joden het oordeel over zich, met alle ellende van dien. Jezus wees ze daar regelmatig op. Degenen die het Koninkrijk in al zijn kracht verwachtten, zagen in hoop en verlangen uit naar een nieuw begin. Met hun Verlosser waren ze overgegaan van geestelijk dood, naar geestelijk leven. De Joden verwachtten een messias die hen zou verlossen van hun onderdrukkers (op dat moment waren dat de Romeinen), om vervolgens een fysiek koninkrijk te vestigen. Maar Jezus zei iets anders (Johannes 18:36):

Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; als mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; maar nu is mijn Koninkrijk niet van hier.

Jezus maakte duidelijk dat Zijn Koninkrijk niet van 'deze wereld' was (in het Grieks de 'kosmos', de zichtbare, tastbare orde, formatie van wetten en regels), maar van de hemel (geestelijk en ontastbaar).

In Maleachi 3:1-2 staat het volgende:

Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal; plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die u zoekt, namelijk de Afgezant van het verbond, die u begeert. Zie, Hij komt, zegt de Heer van de Heerscharen. Doch wie kan de dag van zijn komst verdragen, en wie zal bestaan als Hij verschijnt, want Hij zal zijn als het vuur van de smid en als het loog van de bleker.

Enerzijds klinkt dit dreigend, want Maleachi vraagt zich af wie zal kunnen standhouden als Hij verschijnt met vuur. Maar er zit ook verwachting in: “de Afgezant van het verbond, die u begeert”. Dit gedeelte wordt aangehaald in Mattheüs 11:10, Markus 1:2,3 en Lukas 1:76. Johannes de doper wordt geïdentificeerd als deze afgezant en uiteraard is Jezus de Heer die naar Zijn tempel komt (in Israël, in Jeruzalem). Jezus noemt Johannes de Elia waar Maleachi in 4:5 over spreekt (Mattheüs 11:14). Johannes wilde zelf geen Elia genoemd worden (Johannes 1:21), maar hij trad wel op in de geest en de kracht van Elia (Lukas 1:17), om de kinderen van Israël weer tot God te laten keren en tot herstel te brengen. Het komt naast deze voorbeelden wel vaker voor dat een profetie die een letterlijke vervulling lijkt te moeten krijgen, in het Nieuwe Testament vervuld wordt in een persoon zoals in Johannes, in Jezus, of in een groep personen: de ekklesia, het 'lichaam van Jezus', ook wel 'het ware Israël' genoemd. Hierover later meer.

Maleachi 3 gaat nog even door met het schilderen van een contrast tussen de slechte en de goede mensen, tussen hen die God wel dienen en hen die God niet dienen. Dan volgt in hoofdstuk 4 vers 1 en 2 iets dat zo uit de mond van Jezus had kunnen komen:

Want zie, die dag komt, brandende als een oven. Dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de komende dag zal ze in vlam zetten, zegt de Heer der heerscharen, Die van hen noch wortel, noch tak zal overlaten. Voor u, daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon van gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en u zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren.

Een prachtige belofte voor de trouwe Joden, die naar de verlosser uitkeken en Hem met open armen ontvingen. Maar degenen die Hem afwezen, hadden niet zo'n mooi vooruitzicht. God geeft te midden van dit soort profetische boodschappen van oordeel altijd de mogelijkheid tot uitkomst. Zo lezen we in Jesaja 10:22:

Want ofschoon uw volk, o Israël, is gelijk het zand van de zee, zo zal een overblijfsel daarvan wederkeren; de verdelging is vast besloten, overvloeiende met gerechtigheid.

Volgens Jesaja was het volk Israël, zoals beloofd aan Abraham, gelijk geworden aan het zand van de zee. Toch zou er maar een gedeelte overblijven. Paulus benadrukt dit in Romeinen 9, 10 en 11, waar hij beschrijft wie tot het 'ware' Israël behoorden. Dat waren degenen die op God vertrouwden, de ware kinderen van Abraham, Izaäk en Jacob. In Romeinen 9:22-29 definieert Paulus dat overblijfsel dat niet vernietigd zal worden, namelijk de dragers van Gods genade, vanuit de Joden en vanuit de volken. Dit versterkt hij door drie profetieën aan te halen die gaan over verstrooiing van Israël onder de volken. Slechts een gedeelte, een overblijfsel van de toenmalige Joden waren echte Israëlieten (vers 27). Om te voorkomen dat er een haat tegen etnische Joden zou ontstaan, benadrukt hij dat God Zijn volk niet verstoten heeft (Romeinen 11:25-26):

Want ik wil niet, broeders, dat jullie dit verborgene onbekend is (opdat jullie niet wijs zullen zijn in eigen ogen), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de volken ingegaan zal zijn. En op deze manier zal geheel Israël gered worden, zoals geschreven is: “De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden van Jakob (Israël) afwenden.”

Paulus haalt hier Jesaja 59:20 aan (in de letterlijke bewoordingen van de Septuaginta, de LXX, de Griekse vertaling van de Torah; in het Hebreeuws is deze zin namelijk anders). Heel Israël zou dus gered worden door het proces van gedeeltelijke verharding, totdat alle trouwe Israëlieten uit de volken gevist waren. Zo zou heel Israël gered worden, niet alleen de mensen die vonden dat ze God al dienden in het land Israël, die vervolgens hun Messias aannamen, maar ook de verdwaalde schapen onder de volken. De mensen die vervreemd waren van hun God; de 'verloren zonen'. Paulus hoopte dat degenen die hun Messias nog niet wilden aannemen uiteindelijk jaloers zouden worden als ze zagen dat God genadig was voor die afvalligen, die weglopers (Romeinen 10). Hoofdstuk 10 van Romeinen is overigens een gedeelte dat verwarrend kan zijn als je het leest in een vertaling waarin men heeft geprobeerd de tekst op een populaire manier 'duidelijk te maken' voor de lezer. Je ziet juist dan grote misverstanden ontstaan. Paulus maakt in dit hoofdstuk bijvoorbeeld onderscheid tussen 'de Jood' en 'de Griek'. Ga je dat vertalen met 'Joden en andere mensen' (basisbijbel.nl), dan krijg je de indruk dat ieder ander mens op aarde deel kon hebben aan de vrijspraak van schuld als gevolg van de overtreding van de wet. Maar Paulus spreekt in de drie hoofdstukken 9, 10 en 11 over zijn broeders en zijn volksgenoten (letterlijk 'van dezelfde afkomst'). De 'Griek' in hoofdstuk 10 moet er dan één van diezelfde afkomst zijn, anders slaat die uitspraak nergens op. Dit wordt duidelijker als je de geschiedenis kent. Joden waren erg afkerig van de volksgenoten die gedurende de eeuwen voorafgaand aan die tijd waren afgedwaald en zich vermengd hadden met de omringende volken. Wat hen betreft waren deze weglopers gelijk aan die volken en hadden ze geen deel meer aan de beloften van God voor Israël. God had Paulus echter iets anders laten zien. Er zou geen onderscheid meer zijn tussen 'Jood' en 'Griek'. God had ze allemaal geaccepteerd. Daarom haalt Paulus in hoofdstuk 9:25 Hosea 2 aan, die sprak over het weer aannemen van de afgedwaalde kinderen van Israël. Dat was het goede nieuws dat Paulus mocht brengen en in die context staat het woord 'Griek'.

Romeinen 10:17-21

Zo is dan het geloof uit het horen en het horen door het Woord van God, Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de hele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden van de wereld. Maar ik zeg: Heeft Israël het niet begrepen? Mozes zegt eerst: Ik zal jullie tot jaloersheid verwekken door hen die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal ik jullie tot boosheid wekken. En Jesaja zegt het nog duidelijker: Ik ben gevonden door degenen die Mij niet zochten; Ik ben geopenbaard aan hen die naar Mij niet vroegen. Maar tegen Israël zegt Hij: De hele dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en weerspannig volk.

Vers 18 is een directe aanhaling van Psalm 19:4 en legt een verband met hoofdstuk 1 en 2 van Romeinen: dat de schepping getuigt (“de hemelen getuigen van de heerlijkheid van God” Ps.19:2). In vers 19 oppert Paulus dat Israël het misschien niet begrepen heeft en dat er een ander volk moet komen om ze tot jaloersheid te wekken en dat God gevonden zal worden door hen die Hem niet zochten. Hierbij wordt vaak gedacht aan andere volken buiten Israël, maar is dat ook wat Paulus bedoelt? Er ligt een verband met Jeremia 16, waar beschreven wordt hoe Israël verdreven werd naar andere landen en andere goden ging dienen. Vers 16 spreekt over vissers die God zal sturen om Zijn verdreven volk weer terug te halen uit die landen. Dat thema zien we ook weer bij Jezus terugkomen, die zijn leerlingen vissers van mensen zou maken. Dan staat er in Jeremia 16:19:

O Heer! Mijn kracht en mijn hulp, mijn toevlucht in kwade dagen; tot U zullen de volken komen van de einden van de aarde en zeggen: “Hoe verkeerd was het dat onze vaderen afgoden verwierven, waar geen voordeel uit te halen viel.” (vrij vertaald uit LXX)

Die volken die zouden komen waren dezelfde verstoten Israëlieten, die tot afgoderij waren vervallen.

Jesaja beschrijft hoe hij wordt aangesteld om 'Jacob' (Israël) weer bij elkaar te brengen vanuit de volken. In de Griekse vertaling wordt het woord 'diaspora' gebruikt, wat duidt op 'de verstrooiing', een veelgebruikte term voor de Israëlieten die uit het land verdreven waren en onder de omringende volken woonden (Jesaja 49:1-6, enkele gedeelten, mede uit het Grieks):

Luister naar Mij, eilanden en luister, volken van verre! Jahweh heeft Mij geroepen ... En nu zegt Jahweh, Die Mij Zich van moeders buik af tot een knecht geformeerd heeft, dat Ik Jakob tot Hem zou terugbrengen; maar Israël zal zich niet laten verzamelen; toch zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van Jahweh en Mijn God zal Mijn Sterkte zijn. Verder zei Hij: Het is iets groots om mijn knecht genoemd te worden, om de stammen van Jakob op te richten, en om de verstrooiden in Israël terug te brengen; Ik heb U gegeven om en verbond van een generatie, een licht voor volken te zijn, om Mijn uitredding te zijn tot aan het einde van de aarde.

Dit gaat niet over evangelisatie onder niet-Israëlieten, maar dat zij van de einden van de aarde teruggebracht zouden worden. Terug van weggeweest. Dat zij een licht voor de volken zouden zijn, moet in de context van hoofdstuk 48 gelezen worden. Daar staat in vers 20:

Ga weg uit Babel, vlucht weg van de Chaldeeën, verkondig met de juichende stem, laat het horen, brengt het nieuws tot aan het einde van de aarde en zeg: Jahweh heeft Zijn knecht Jakob verlost!

God wilde dat Israël overal ging verkondigen dat zij verlost waren, niet om de volken te redden, maar om te laten zien hoe machtig de God van Israël was. Het was geen uitnodiging voor andere volken om tot die verlossende Redder te komen. De uitredding die verkondigd moest worden volgens Jesaja 49 was de uitredding van Israël. Zowel het Hebreeuwse woord voor 'aarde' (eretz) als het vertaalde Griekse woord (gé) in dat stukje betekenen 'land'. Dat verwijst meestal niet naar de hele wereld. Daar waren zij ook niet mee bezig. Het moest gewoon overal verkondigd worden waar ze kwamen. Het was geen opdracht om de hele aardbol over te gaan en Jan en alleman binnen te halen. Het verhaal ging de hele toenmalige wereld over, het hele midden oosten en alle landen rondom de Middellandse zee. Israël werd verlost toen Cyrus de grote Babylon overwon. Dat was in de zesde eeuw voor Christus. Vergelijkbare bewoordingen vinden we in Handelingen 13:47, waar zendelingen ook een licht voor de volken zouden zijn. Israël was weer verstrooid onder de volken en moest weer gered worden. Zij moesten terugkeren naar hún God. Ook daar was het geen oproep om de volken tot geloof te brengen maar de verloren schapen van Israël uit de volken te halen.

Jesaja 49 heeft dezelfde strekking, dezelfde bewoordingen als in Romeinen 10:18. Waarom zou Paulus het daar over iets anders hebben dan het verstoten, verstrooide volk? Zijn hart ging uit naar zijn verloren volksgenoten.
Daarop volgt Romeinen 10:19, waar het nog duidelijker wordt. Het is bijna letterlijk de profetie van Mozes in Deuteronomium 32:21 en in Hosea 1 en 2 vinden we dezelfde woorden terug, wanneer een deel van Israël door God “niet mijn volk” wordt genoemd. Dat 'niet mijn volk' zou 'het volk' tot jaloersheid brengen. Dus hen die in het land gebleven waren, werden tot jaloersheid gebracht doordat God het verloren volk weer terugbracht, wat Hij ook beloofd had aan Hosea.
In Romeinen 10:20,21 haalt Paulus ook nog Jesaja 65 aan, dat over het herstel van Israël gaat. De focus ligt op dat deel van Israël dat geen Israël meer was, maar 'heidens' geworden was, dat is: onder de volken verstrooid.

God zou alle trouwe Israëlieten aannemen - Paulus noemt ze elders de 'eerstelingen', wat verwijst naar de eerste opbrengst van de oogst - die we ook weer in Openbaring tegenkomen - en daarna met hen ook de andere gelovige Israëlieten uit de volken, die als 'wilde olijftakken' geënt worden op de olijfboom (Israël). Zo werd volgens Paulus heel Israël behouden: de hele 'olijfboom' (een beeld van Israël), de twee stammen die in het land waren gebleven (ook wel 'Juda' genoemd) en de tien stammen die verstrooid waren onder de volken (ook wel 'Efraïm' genoemd). In Handelingen 26 lezen we het verhaal van Paulus die voor koning Agrippa moet verschijnen, waar hij ook benadrukt dat de belofte van God voor alle twaalf stammen gold.

De hogepriester had er al over geprofeteerd toen ze in beraad gingen over het lot van die 'wonderdoener' (in Johannes 11:47-52):

De leiders van de priesters en de Farizeeën riepen de raad bijeen en zeiden: Wat zullen wij doen? want deze man doet veel wonderen. Als wij Hem zijn gang laten gaan, zullen ze allemaal in Hem geloven. Dan komen de Romeinen en nemen ons onze positie en ons volk af. En een van hen, Kajafas, die dat jaar hogepriester was, zei tegen hen: "Jullie begrijpen het niet en bedenken niet dat dit gunstig voor jullie kan uitpakken; dat één man sterft voor het volk en niet het hele volk ten onder gaat." Hij zei dit niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij dat Jezus zou sterven zou voor het volk. En niet alleen voor dat volk, maar dat Hij ook de kinderen van God die verstrooid waren bijeen zou brengen.

Jezus kwam voor de getrouwen uit Zijn volk. Niet alleen het volk in het land, maar ook voor hen die verstrooid waren onder de andere volken. Petrus schreef aan die 'vreemdelingen' die verspreid waren in het buitenland, toen hij het volgende zei (1 Petrus 1:3-7):

Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus de Ingewijde, Die ons naar Zijn grote barmhartigheid wedergeboren heeft doen worden tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus de Ingewijde uit de dood. Tot een onvergankelijke, en ongeschonden, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u. Die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de redding, die bereid is om geopenbaard te worden in de laatste tijd. Hierin verheugt u zich, al wordt u nu een korte tijd (zo het nodig is) bedroefd door vele verzoekingen; Opdat de beproeving van uw geloof, die veel kostbaarder is dan goud, dat vergaat, maar door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, eer en heerlijkheid, bij de openbaring van Jezus de Ingewijde...

Ze gingen 'door het vuur heen', maar zouden er gelouterd uit komen. Deze mensen waren ooit geboren uit Abraham, Izaäk en Jakob (later Israël genoemd), maar ze vervielen in afgoderij en werden verstrooid; ze werden zelfs beschouwd als gelijk aan de vreemde volken. Maar Gods plan was om ze een 'wedergeboorte' te geven en Israël te herstellen. God wilde alle kinderen van Israël weer bij elkaar hebben en dat is precies waarvoor Jezus kwam. Hij handelde het oude contract af, door de schuld af te betalen en sloot voor hen een nieuw verbond met God. Dat is wat er staat. Meer niet.

Alleen Israëlieten werden schapen genoemd

Het volk Israël was in de tijd van Jezus niet alleen in het land Israël zelf, maar ook in grote getalen onder de volken verstrooid of 'uitgezaaid', omdat ze zich niet zo best gedragen hadden. Deze 'verstrooiing' wordt ook wel de 'diaspora' genoemd. In Johannes 7:35, Jacobus 1:1 en 1 Petrus 1:1 komt dit Griekse woord 'diaspora' voor. De vertaling kan verschillen. Dit is een begrip dat het best getoond kan worden aan de hand van een aantal teksten uit de joodse Tenach (ons 'oude testament').

Deuteronomium 4:27:

En Jahweh zal u verstrooien onder de volken;

En opnieuw in Deuteronomium 28:64:

En Jahweh zal u verstrooien onder alle volken,

Jeremia 29:18,19 laat hetzelfde thema zien:

En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met honger en met de pest; en Ik zal ze overgeven tot een walging voor allen koninkrijken van de aarde, tot een vloek en tot een schrik, tot een aanfluiting en tot een bespotting onder al de volken waar Ik ze heen gedreven zal hebben; Omdat zij naar Mijn woorden niet geluisterd hebben, spreekt Jahweh...

Micha 5:6,7:

En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken...

Ja, het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de volken...

En dan Zacharia 10:9:

En Ik zal hen onder de volken zaaien, en zij zullen Mij gedenken in verre oorden; en zij zullen leven met hun kinderen, en wederkeren.

Dat klinkt sommigen wellicht bekend in de oren, want toen Jezus kwam wilde hij dat zijn goede nieuws onder die volken bekend gemaakt werd (Marcus 13:10):

En het Evangelie moet eerst gepredikt worden onder al de volken.

De woorden Israël en joden worden soms door elkaar gebruikt, maar er was een deel van Israël in het land, maar ook een deel van Israël onder de volken, dat wordt nog wel eens vergeten. Deze mensen werden ook wel vergeleken met verloren of verstrooide schapen. Zie bijvoorbeeld Jeremia 23:1:

Wee de herders die de schapen van Mijn weide ombrengen en verstrooien! zegt Jahweh.

En Jeremia 50:6:

...Mijn volk waren verloren schapen,...

Jesaja 43:6:

Wij dwaalden allemaal als schapen...

God zegt in Ezechiël 34:6:

Mijn schapen dolen op alle bergen en op alle hoge heuvels. Ja, Mijn schapen zijn verstrooid over de hele aardbodem en er is niemand die er naar vraagt en niemand die ze zoekt.

En hij laat er geen twijfel over bestaan wie die schapen zijn in dat hoofdstuk (Ezechiël 34:30,31):

... zij zullen weten, dat Ik, Yahweh hun God, met hen ben en dat zij Mijn volk zijn, het huis van Israël, zo spreekt de Heer Yahweh. Jullie, Mijn schapen, de schapen van Mijn weide, jullie zijn mensen en Ik ben jullie God, spreekt de Heer Yahweh.

In het tweede vers zegt hij dat de profetie gericht is aan de herders van Israël, wat het beeld van Israëlieten als 'schapen' benadrukt. Ze zouden verstrooid worden, maar God zou ze ook weer gaan opzoeken (Ezechiël 34:11):

Want zo zegt de Heer Jahweh: Zie, Ik, ja Ik, zal naar Mijn schapen vragen en zal ze opzoeken.

En Jeremia 23:3:

En Ik zal het overblijfsel van Mijn schapen Zelf vergaderen uit alle landen waarheen Ik ze verdreven heb...

God zou de verloren schapen van Israël verzamelen vanuit alle windrichtingen. Bijvoorbeeld in Jesaja 11:12:

En Hij zal een banier oprichten onder de volken en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooiden uit Juda vergaderen van de vier einden van de aarde.

En in Jesaja 60:4:

Hef uw ogen op en kijk om u heen, ze zijn allen vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, ...

Jeremia 31:10:

Hoor het woord van Jahweh, u volken! en verkondig op verre eilanden en zeg: Hij, Die Israël verstrooid heeft, zal hem weer vergaderen en hem bewaren als een herder zijn kudde.

Nogmaals Mattheüs 15:24:

Maar Hij antwoordde: Ik ben niet [tot iemand anders] gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis van Israël.

Jezus vertolkte het hart van God. Hij vertelde ook de prachtige gelijkenis van het verloren schaap, die iedereen met een beetje christelijke achtergrond wel kent (Mattheüs 18 en Lukas 15). Hij zou tot het uiterste gaan om elk schaap te zoeken (zie ook Mattheüs 24:31):

En Hij zal Zijn afgezanten uitzenden met groot bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen verzamelen vanuit de vier windstreken, van het ene uiterste onder de hemel tot het andere uiterste.

Jezus maakte Zijn leerlingen 'vissers van mensen' (Mattheüs 4:19). De vergelijking haalde Hij mogelijk uit Jeremia 16:16:

Zie, Ik zal veel vissers zenden, spreekt Jahweh, die zullen hen vissen; en daarna zal Ik veel jagers zenden, die zullen op hen jagen, van alle bergen en van alle heuvels, ja, uit de kloven van steenrotsen.

In Lukas 13:28-29 zegt Jezus dat ze van het oosten, het westen, het noorden en het zuiden zullen komen om deel te nemen aan het Koninkrijk van God, met Abraham, Izaäk, Jakob en alle profeten. Dat het om het vinden van de kinderen van Abraham ging, blijkt wel uit meer teksten, zoals de bekering van Zacheüs in Lukas 19:9,10:

Jezus zei: Vandaag heeft in dit huis redding plaatsgevonden, omdat ook hij een zoon van Abraham is. Want de Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.

Natuurlijk kent ook iedereen het verhaal van de verloren zoon. Die gelijkenis is overduidelijk gericht tot de achtergebleven zoon (de mensen in Juda en met name de Joodse leiders). Zij keken met grote minachting neer op de Israëlieten die het veilige huis hadden verlaten, zich met de goddeloze volken hadden vermengd en hun erfenis hadden verspeeld. Maar God zou ze herstellen. Voor hen die menen dat Lukas geen Jood was: Over Lukas wordt wel eens gezegd dat hij een Griek was, wat automatisch mensen uit andere volken deel maakt van het evangelie. Lukas is wellicht een Griekse naam, hij was waarschijnlijk ook een Griek, maar dat zegt niets over zijn werkelijke afkomst. Er waren veel Joden Griek geworden in de eeuwen ervoor. Dit is terug te vinden in de boeken van de Makkabeeën. Lucas laat bijvoorbeeld de engel tegen Zacharias, de toekomstige vader van Johannes zeggen: (Lukas 1:17) "En hij zal velen van de kinderen van Israël bekeren tot de Heer, hun God. En hij zal voor Hem uitgaan, in de geest en de kracht van Elia, om te bekeren de harten van de vaders tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de wijsheid van de rechtvaardigen, om voor de Heer te bereiden een toegerust volk." Over Jezus laat hij zeggen: (Lukas 1:32,33) "Deze zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid, en Zijn Koninkrijk zal oneindig zijn." Lukas zegt niets over andere volken en is helemaal gericht op Israël. Zoals ook in de lofzang van Maria: (Lukas 1:54,55) "Hij heeft Israël, Zijn knecht, opgenomen; opdat Hij de barmhartigheid gedacht (gelijk Hij gesproken had tot onze vaderen, namelijk tot Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid." Zijn boodschap was duidelijk gericht aan Israëlieten.

Heel lang was Israël geleid door slechte herders en velen waren verstrooid onder de volken, maar Jezus kwam om hen te zoeken, net zoals God in de Tenach had gezegd naar de schapen te gaan zoeken. Niet alleen de overgebleven stammen (Juda en Benjamin) in het land waar Hij op dat moment rondliep, maar ook de tien andere stammen, die ver weg waren (Johannes 10:14-16):

Ik ben de goede Herder en Ik ken de Mijnen en wordt door de Mijnen gekend. Zoals de Vader Mij kent, zo ken Ik ook de Vader en Ik zet Mijn leven in voor de schapen. Ik heb nog andere schapen, die niet van dit erf zijn; deze moet Ik ook leiden. En zij zullen Mijn stem horen en het zal één kudde met één Herder zijn.

De hogepriester van het jaar dat Jezus gekruisigd werd, zei ook iets opmerkelijks (Johannes 11:51-52):

... hij profeteerde dat Jezus zou sterven voor het volk. En niet alleen voor dat volk, maar ook dat Hij de kinderen van God die verstrooid waren bijeen zou brengen.

We zien Paulus iets dergelijks schrijven aan de Efeziërs (2:11-17):

... eens de volken in het vlees... onbesnedenen genoemd... vervreemd van het burgerschap van Israël... Maar nu zijn jullie die eens ver weg waren, in de Ingewijde Jezus en door Zijn bloed, dichtbij gekomen. Want Hij is onze vrede. Hij Die de twee tot één heeft gemaakt en de scheidingsmuur die ertussen stond heeft ontbonden. Door Zijn vlees heeft Hij de vijandschap teniet gedaan, [namelijk die van] de wet van geboden en regels; zodat Hij de twee in Zichzelf tot één nieuw mens zou maken en vrede zou bewerkstelligen. Om beiden in één lichaam te verzoenen met God, door het kruis, waar Hij de vijandschap doodde. En Hij kwam en heeft door het evangelie vrede verkondigd aan jullie die ver weg waren en aan hen die dichtbij waren.

Een zeer essentieel gegeven, dat steeds weer terugkomt in de brieven van de zendelingen (apostelen). Verzoening met God en het bij elkaar brengen van al Zijn kinderen, de kinderen van Israël en niemand anders.

We zien vaak het woord 'heidenen' in Nederlandstalige bijbels. Dat is een vertaling van het Joodse woord 'gojim' en het Griekse woord 'ethné' dat 'volken' of 'naties' betekent. Er kan verwarring ontstaan, omdat het woord 'heiden' de betekenis van 'niet-gelovigen' heeft gekregen. In mijn vertalingen gebruik ik dan ook consequent 'volken', omdat het woord 'heidenen' voor mij een te exclusieve lading heeft. Ik gebruik liever de alledaagse betekenis van woorden. Afhankelijk van de context kan dit woord gelezen worden als volken buiten Israël, Israël zelf, of verstrooide Israëlieten onder de volken. De kinderen van Israël zouden vanwege hun ongeloof en ongehoorzaamheid verstrooid worden onder de volken en dat is ook meerdere keren gebeurd. Velen van hen lieten zich inlijven in de omringende volken en onder de Grieken kwam het zelfs voor dat Joden hun besnijdenis door een chirurgische ingreep ongedaan lieten maken (Grieks: epispasmos - dit gebeurde in de Hellenistische periode, enkele eeuwen voor en ook nog in de eerste eeuw na Christus). Voor de Joden in Israël waren deze 'onbesnedenen' onder de volken net zo slecht als de volken zelf. Over de scheiding tussen Israël en Juda werd al door de profeet Zacharia gesproken (Zacharia 11), waar God twee stokken brak en er vijandschap tussen de broeders kwam. Daarom was er veel weerstand tegen de verspreiding van het goede nieuws onder de volken; zij waren immers onrein en ongelovig. Dát was de vijandschap die Jezus teniet gedaan heeft door Zijn offer. Ze waren wellicht verstoten, maar nog steeds kinderen van Abraham. Uiteindelijk zouden ze zich echter niet kunnen beroepen op hun afstamming, maar op het geloof van Abraham. En dan met name het geloof van Jezus, die Zichzelf voor dat doel gaf. Bedenk ook dat verzoening alleen maar kan plaatsvinden tussen partijen die eerder uit elkaar gegaan zijn. God had geen verbond met de rest van de mensheid. Hij had een relatie met Israël. Die werd verbroken en werd in de 'laatste dagen' weer hersteld.

Paulus spreekt over hen onder de volken in Romeinen 9:1-5 (en de hoofdstukken die daarop volgen). Van hen (de Israëlieten – niet van ons) waren de aanneming tot zonen (de erfenis), de heerlijkheid, het bondgenootschap met God, het rechtswezen (de wetgeving) en de beloften (vers 4). Hij zag de tijd waarin hij leefde als de 'volheid van de tijd', waarin God Zijn Zoon had gezonden om hen die geboren waren onder de wet, vrij te kopen (Galaten 4:4-5). Zelfs zij die helemaal afgedwaald waren en zich niet meer aan de wet hielden, nooit meer naar Jeruzalem kwamen en zelfs de Hebreeuwse taal niet meer spraken. Ondanks dat hadden ze nog steeds een besef van de wet, omdat die niet uit hun hart en geweten was verdwenen (zie Romeinen 2:14,15):

Want als de volken, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen die in de wet staan, zijn zij voor zichzelf een wet. Ze laten zien dat de wet in hun hart geschreven is, waarvan hun geweten getuigt en hun redenaties hen onder elkaar beschuldigen of vrijspreken.

God had er van oudsher voor gezorgd dat de wet op hun hart geschreven stond. Een wet die alleen aan Israël gegeven was. Zoals onder andere Jesaja zei (51:7):

Luister naar Mij, jullie die de gerechtigheid kennen, volk in wiens hart Mijn wet is!

Zij waren ook het enige volk dat God had uitgekozen, zo lezen we in Amos 3:1,2:

Hoor dit woord dat Jahweh tegen jullie spreekt, huis van Israël! Tegen elke stam die Ik uit Egypte heb geleid: Uit alle stammen van de aarde heb Ik alleen jullie erkend; daarom zal Ik jullie straffen voor al jullie ongerechtigheden.

Mozes zei het al heel duidelijk bij het herhalen van de wet, in Deuteronomium 4:7-8:

Want welk groot volk is er, dat zo bijgestaan wordt door goden, als wij door onze God Jahweh, wanneer wij Hem aanroepen? En welk groot volk is er, dat zulke rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze hele wet, die ik vandaag aan jullie voorleg?

En in Deuteronomium 7:6:

Want jullie zijn een heilig volk voor Jahweh, jullie God; die jullie heeft uitgekozen, zodat jullie Zijn eigendom zouden zijn, vanuit alle volken die op de aardbodem zijn.

Koning David herhaalt het nog eens in Psalm 146:19-20:

Hij maakt Jakob (Israël) Zijn woorden bekend, aan Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten. Dat heeft Hij voor geen ander volk gedaan en Zijn rechten, die kennen zij niet. Halleluja!

Met de wet in het hart en als uitverkorenen van God, waren zij het middelpunt van Gods affectie en correctie. En Hij zou er dan ook alles aan doen om ze weer voor Zich te winnen.

Ook Petrus zag de verdwaalde schapen terugkeren, zo lezen we in zijn eerste brief (1 Petrus 2:25):

Want jullie waren als dwalende schapen; maar zijn nu bekeerd tot de Herder en Opziener van jullie zielen.

Petrus sprak tegen de Israëlieten in de verstrooiing (1 Petrus 1:1) en benadrukte dat Paulus in al zijn rondzendbrieven ook schreef aan diezelfde mensen (zie 2 Petrus 3:15,16). Paulus schreef ook niet zomaar aan iedere 'heiden', maar aan mensen van de belofte: zijn eigen volk, zoals we later zullen zien.

Het zijn dit soort sleutelteksten die de toon zetten voor het werk van Jezus. Dit is het totaalplaatje, wat veel christenen niet lijken te zien en zichzelf er zonder blikken of blozen bij rekenen. God wild Zijn kinderen (ISRAEL) bijeen brengen onder één Leider, de Ingewijde, de Messias, de Christus.


Tijdsindicaties en context (de eerste eeuw en niet verder)

Jezus kwam met de focus op het herstel van Israël. Net zo belangrijk als dit uiteindelijke doel, was het tijdsbestek.

Jezus sprak regelmatig over de spoedige komst van het Koninkrijk. Het Koninkrijk was al daar waar Hij was, zoals we kunnen lezen in Mattheüs 12:28.

...als ik door de Geest van God demonen uitwerp, dan is het Koninkrijk van God over jullie gekomen...

Mensen konden zien dat er demonen uitgedreven werden, dat lammen gingen lopen en blinden gingen zien. Hij deed daar al het het werk van de Koning, maar er moesten nog een aantal dingen gebeuren voordat Hij het Koninkrijk daadwerkelijk in ontvangst kon nemen. Een gegeven dat we in veel van Zijn vergelijkingen terug zien komen. De timing van de komst van het Koninkrijk is iets dat de context bepaald voor veel gebeurtenissen die er omheen zouden plaatsvinden.

De context is de totale omgeving waarin iets zijn betekenis krijgt. Hierbij kan zowel letterlijk 'tekst' worden bedoeld als een situatie of betrokken personen. De context van de Bijbel is dus de gehele tekst, maar ook de achtergronden van die tekst, de tijd waarin het zich afspeelt en de gebeurtenissen zelf. Wanneer we de Bijbel willen begrijpen, zullen we dat eerst goed voor ogen moeten hebben. Het speelde zich allemaal af in een bepaalde tijd, onder mensen met een specifiek referentiekader. Het gaat hier om teksten die bijna 2000 jaar oud zijn, of ouder, wanneer het om profetieën uit het Oude Testament (de Joodse Tenach) gaat.

De eerste keer dat het Koninkrijk genoemd wordt in het Nieuwe Testament, is wanneer Johannes de doper het aankondigt met de woorden die we vinden in Mattheüs 3:2:

Bekeer je, want het Koninkrijk van de hemelen is dichtbij gekomen.

Jezus zei hetzelfde in Mattheüs 4:17.

Van toen af aan begon Jezus te prediken en te zeggen: “Bekeer je, want het Koninkrijk van de hemelen is dichtbij gekomen.“

En in Mattheüs 16:27-28 zei Hij het volgende, om duidelijk te maken dat het niet al te lang meer zou duren voordat Hij zou komen, om daadwerkelijk als Koning te worden aangesteld:

Want de Mensenzoon zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met Zijn afgezanten, en dan zal Hij iedereen vergelden naar zijn daden. Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen die hier staan, die de dood niet zullen proeven, totdat zij de Mensenzoon zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.

Sommigen van hen die daar stonden zouden niet sterven, voordat ze Jezus hadden 'zien komen in Zijn Koninkrijk'. Anderen zouden dus al gestorven zijn. Dat betekent dat het niet direct daarna kon zijn, maar ook dat het niet veel meer dan een generatie kon duren, voordat Jezus zou komen in de heerlijkheid van Zijn Vader. En dat is ook precies wat Jezus zei (in Mattheüs 24:34):

Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.

Dat zei Jezus naar aanleiding van de vraag van Zijn leerlingen in Mattheus 24:3:

Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn en wat zal het teken zijn van Uw komst en van de voltooiing van het tijdperk?

(De 'voltooiing van het tijdperk' is een letterlijke vertaling uit het Grieks. Hier ga ik later dieper op in.) Deze vraag kwam van mensen die leefden in de eerste eeuw van onze jaartelling, in Israël. Een land dat overheerst werd door de Romeinen. Een overheersing waar die mensen maar al te graag van verlost wilden worden. Ze zagen in Jezus dan ook een man die deze verlossing zou kunnen brengen, in de vorm van een opstand en een machtsovername. Maar in plaats daarvan zei Jezus iets dat ze helemaal niet wilden horen. Jezus zei namelijk dat hun geliefde tempel helemaal met de grond gelijk gemaakt zou worden, en dat Jeruzalem vernietigd zou worden! Dat het tijdens dat geslacht (in die generatie) heeft plaatsgevonden, is ondertussen geschiedenis, want we weten dat Jeruzalem in het jaar 66 door de Romeinen belegerd werd en dat de tempel in het jaar 70 volledig vernietigd is. Later meer hierover; op dit moment wil ik slechts de context schetsen.

(Ik hoor wel eens zeggen dat de tempel niet helemaal vernietigd is, omdat de klaagmuur er nog staat. Deze muur maakte echter deel uit van de ommuring van het tempelcomplex en niet van de tempel zelf, dus kunnen we nog steeds zeggen dat de tempel helemaal vernietigd is. De andere muren die nu overeind staan zijn in de 16e eeuw door de Ottomaanse Sultan Suleyman als een teken van zijn macht en welgezindheid herbouwd; deels op de oude resten van de vernietigde muren.)

Sommigen denken dat de term 'dit geslacht' betrekking heeft op het Joodse 'ras' of zelfs alle Israëlieten door de eeuwen heen, maar dat komt niet overeen met de uitspraak van Jezus dat het zou plaatsvinden tijdens het leven van sommigen die daar stonden.

Overigens wordt in Mattheüs 24:34 het Griekse woord genea gebruikt, dat generatie betekent. Als het om 'soort' of 'ras' ging had er genos gestaan.

Nog een belangrijke tijdsindicatie vinden we in Mattheüs 10:23:

Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vlucht naar de andere; want voorwaar zeg ik u: U zult uw reis door de steden van Israël niet geëindigd hebben, voordat de Mensenzoon gekomen zal zijn.

Hij sprak tegen de mensen om Hem heen, wat blijkt uit de woorden 'u' en 'uw' (meervoud). En zij zouden nog niet eens heel Israël rondgegaan zijn, voordat de Mensenzoon kwam. Dit betekent ook dat Jezus zich richtte op Israël en niet op de rest van de wereld. Dit bevestigde Hij onder andere toen er een Kanaänitische vrouw bij Hem kwam om te vragen of Hij haar bezeten dochter wilde genezen (Mattheüs 15:24):

Ik ben niet gezonden, anders dan tot de verloren schapen van Israël.

De vrouw vroeg of ze dan in ieder geval nog wat 'kruimels van hun tafel zou mogen eten', waarop Jezus aan haar verzoek voldeed en haar prees om haar geloof en gaf haar wat ze verlangde, maar betrok haar niet in het verlossingsplan van Israël. Jezus ging wel vaker in op specifieke verzoeken van mensen uit andere volken, zoals een Romeinse legerleider (Mattheüs 8:5-13), maar Zijn focus lag op Israël. God heeft oog voor ieder die verlangt naar gerechtigheid en genezing, maar God was met Israël iets bijzonders van plan. Dit vinden we in vele teksten bevestigd, zoals in het boek Openbaring, waar Jezus dingen zei die duidelijk voor Joden (Gods dienstknechten) in die tijd bedoeld waren. Waarom zou Hij hen bemoedigen en waarschuwen en zeggen dat het niet lang meer zal duren, als dat helemaal niet zo zou zijn? Johannes moest het volgende doorgeven (Openbaring 1:1-3):

Openbaring van Jezus de Ingewijde, die God Hem gegeven heeft om Zijn dienstknechten te laten zien wat spoedig moet geschieden, en Hij heeft die door Zijn afgezant gezonden en aan Zijn dienstknecht Johannes te kennen gegeven. Deze heeft van het Woord van God getuigd en van het getuigenis van Jezus de Ingewijde, alles wat hij gezien heeft. Zalig is hij die leest en zijn zij die horen de woorden van de profetie, en die in acht nemen wat daarin geschreven staat, want de tijd is nabij.

Verderop wordt dit nogmaals gezegd (Openbaring 3:11):

Zie, Ik kom spoedig; houd vast wat u hebt, opdat niemand uw kroon neme.

En nog drie keer (in Openbaring 22:7, 12 en 20):

Zie, Ik kom spoedig; gelukkig is hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart.

En zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is met Mij, om een ieder te vergelden naar zijn werken.

Die deze dingen getuigt zegt: Ja, Ik kom spoedig.

De andere schrijvers van het Nieuwe Testament waren al even duidelijk in hun bewoordingen over het spoedig naderende einde van het oude en de komst van het nieuwe: het Koninkrijk van God en Jezus de Ingewijde.

Jacobus sprak over de laatste dagen waarin zij leefden, dat de komst van de Heer nabij was en dat 'de Rechter' voor de deur stond (Jacobus 5:3,7-9 ):

... u hebt schatten vergaderd in de laatste dagen... Dus wees geduldig, broeders, tot de komst van de Heer. Kijk, de landman wacht de kostelijke vrucht van het land geduldig af,... Weest u ook geduldig, versterk uw harten; want de komst van de Heer is nabij. Zucht niet tegen elkaar, broeders, opdat u niet veroordeeld wordt; kijk, de Rechter staat voor de deur.

Dit zijn woorden met een zeer verwachtingsvol karakter. Zo zien we in de brief aan de Hebreeën ook dat de schrijver Jezus zeer spoedig verwachtte (Hebreeën 1:1, 9:26 en 10:37):

God, voortijds vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon;

...maar nu is Hij eenmaal in de voleinding van de tijden geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijn offer.

Want: Nog een zeer korte tijd en Hij, Die op het punt staat te komen, zal komen, en niet op zich laten wachten.

We lezen dat Paulus in 1 Korinthiërs 10:1-11 zegt:

Ik wil niet, broeders, dat jullie onwetend zijn, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;...
En deze dingen zijn hen allemaal overkomen tot een voorbeeld voor ons; en zijn beschreven tot waarschuwing aan ons, op wie het einde van de eeuwen is gekomen.

'Onze vaders' en 'voor ons' slaat hier duidelijk op Israël, Paulus' lezers, die het einde zouden gaan meemaken. Volgens veel moderne uitleggingen zou Paulus het evangelie naar de andere volken gebracht hebben en waren de mensen in Korinthe echte 'heidenen'. Ik zie dat niet zo. Daarover later meer, ik wil nu eerst nog iets meer 'grondwerk' doen. We horen Paulus hier in ieder geval zeggen dat de tijd aangebroken was voor zijn doelgroep.

Petrus in 1 Petrus 1:20:

Die van tevoren gekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden ter wille van u,...

En 1 Petrus 4:7:

Het einde van alle dingen is nabij, wees dan nuchter, waak en bid.

Johannes (in zijn brief 1 Johannes, hoofdstuk2, de verzen 18-20):

Kinderen, dit is het laatste uur; ...

Een 'uur' is niet echt gedefinieerd in deze context, maar het is in ieder geval geen hele lange tijd.

Dan is er nog Judas 17 en 18:

Maar geliefden, denkt u aan de voorspelling van de zendelingen van onzen Heere Jezus de Ingewijde; Dat zij u gezegd hebben, dat er in de laatste tijd spotters zullen zijn, die naar hun goddeloze begeerlijkheden zullen wandelen.

Hiermee impliceert hij dat zijn lezers (de 'geliefden') moesten uitkijken voor de spotters die in 'de laatste tijd' zouden komen. De tijd die door Petrus 'deze laatste tijd' genoemd werd. De schrijver van de Hebreeënbrief sprak van 'deze laatste dagen' en Johannes van 'dit laatste uur'. Deze waarschuwing was voor mensen van die tijd, voor degenen aan wie de brief geadresseerd was.

Paulus laat er in 1 Korinthiërs 7:27-31 ook geen gras over groeien, wat betreft de verwachting van een spoedig einde... ik pak er een paar punten uit:

...bent u nog niet getrouwd, zoek geen vrouw... Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd nog maar kort is; laten zij die vrouwen hebben, zijn alsof ze die niet hebben;... want het uiterlijk van deze wereld gaat voorbij.

Er is nog maar een 'korte tijd', zegt hij, zo kort zelfs dat je maar niet moet trouwen! Stel dat dit nu nog steeds zou gelden, dan hebben de afgelopen paar duizend jaar heel wat broeders iets doms gedaan...! Ik heb me altijd verbaasd over dit stukje, totdat ik ging zien dat het te maken had met de 'tijd van het einde', de tijd waarin het nieuwe verbond van kracht werd, doordat het oude op het punt stond voorgoed voorbij te gaan. Dit zou gepaard gaan met een heleboel akelige gebeurtenissen. Mannen met gezinnen zouden veel meer zorgen hebben dan mannen die niet getrouwd waren. De 'broeders' waar Paulus tegen sprak, werden aangemoedigd om al hun energie te stoppen in de verkondiging van het evangelie, want er was volgens Paulus nog maar weinig tijd.

Het 'uiterlijk van deze wereld' waar Paulus het over had is niet lang nadat hij dit schreef voorbij gegaan. Het Grieks zegt 'to schéma tou kosmou toutou'; dat is 'de uiterlijke verschijningsvorm van deze wereld', doelend op de wereld zoals zij die toen kenden en die in een korte tijd drastisch op z'n kop gezet zou worden. En daar komt nog bij dat als ze nog volgens dat oude systeem verbonden zouden aangaan met elkaar, dat nog maar heel kort zou duren. Die korte tijd is ondertussen allang voorbij. Maar als dat Koninkrijk van Jezus de Ingewijde al is aangebroken, waarom zijn er dan zoveel mensen er nog naar uitzien? Daar kom ik nog op terug.

Conclusie: Alle schrijvers van het Nieuwe Testament waren er van overtuigd dat ze vlakbij 'het einde' waren en middenin 'de laatste tijd', 'de laatste dagen' en 'het laatste uur' zaten. De rechter, Jezus, stond op het punt te komen om Zijn Koninkrijk te vestigen! De teksten die hierboven genoemd zijn, laten stuk voor stuk zien dat men in die tijd, in de eerste eeuw van onze jaartelling, verwachtte dat Jezus spoedig zou komen. Er zijn nog veel meer teksten te noemen, maar op dit punt wil ik slechts laten zien dat elke schrijver minstens één keer te kennen gaf dat het niet lang meer zou duren en dat ze middenin de afrondingsfase zaten. Dit is een sterke aanwijzing dat de teksten mogelijk weinig tot niets met ons te maken hebben.

In het Nieuwe Testament zullen we geen andere tijdsaanduidingen voor de komst van Jezus vinden, dan spoedig, aanstaande, weldra en dergelijke. De context is het Israël tijdens de Romeinse overheersing, vanaf de bediening van Jezus de Ingewijde, tot aan 'het einde', dat niet lang op zich zou laten wachten. Er wordt bij mijn weten nergens de indruk gewekt dat het nog duizenden jaren zou kunnen duren, voordat het aangekondigde Koninkrijk zou aanbreken. Het oude zou spoedig voorbij gaan, in die tijd, in de eerste eeuw van onze jaartelling. Dat is de context waarin het Nieuwe Testament geschreven is. Het komende oordeel zou een einde maken aan het oude en het nieuwe zou spoedig komen. Dit lezen we in veel profetieën, het wordt veel aangehaald door de schrijvers van het Nieuwe Testament.

Doelgroep (de 'wij' van toen zijn niet de 'wij' van nu)

Van de vier aandachtspunten context, doelgroep, bewoordingen en de taal ga ik nu verder in op de doelgroep. Ik gebruik hiervoor een gedeelte uit 1 Thessalonicenzen 4.

Natuurlijk kunnen we van teksten uit de Bijbel iets leren en het toepassen op ons eigen leven, maar bij het vinden van de bedoeling van de schrijver is het bepalen van de doelgroep sterk van invloed. Een belangrijk onderdeel van de verwachting van de nieuwtestamentische schrijvers is bijvoorbeeld de term 'opstanding van de doden'. De doden zouden worden opgewekt en altijd bij Jezus zijn. Hierbij moeten we ook goed in de gaten hebben dat het in het Nieuwe Testament bij 'doden' over het algemeen niet om fysieke doden gaat, maar om geestelijke doden. Paulus schreef er veel over, in o.a. 1 Korinthiërs, Romeinen 5-8, Efeziërs 2, Kolossenzen 2 en 1 Thessalonicenzen. In de brief aan de Thessalonicenzen is hoofdstuk 4 een gedeelte dat mijns inziens een aantal van de meest controversiële en verkeerd begrepen verzen bevat. Veel mensen betrekken deze verzen namelijk op de christenen van vandaag. Paulus sprak in die brief echter niet over ons, maar over wij en u (hijzelf, de andere zendelingen en de Thessalonicenzen). Het is duidelijk dat hij verwachtte dat zij die opstanding op korte termijn zouden meemaken en hij wilde hen daarmee bemoedigen. Bekijk 1 Thessalonicenzen 4:13-18 eens in dat licht:

Doch, broeders, ik wil niet, dat u onwetend bent ten aanzien van degenen die ontslapen (gestorven) zijn, opdat u niet bedroefd bent, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, evenzo zal ook God degenen die ontslapen zijn in Jezus, meebrengen met Hem. Want dat zeggen wij u door het Woord van de Heer, dat wij, die levend zullen overblijven tot de komst van de Heer, degenen die gestorven zijn niet zullen voorgaan. Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van een belangrijke afgezant (in het Grieks: archangelos), en met de bazuin van God nederdalen vanuit de hemel; en die in de Ingewijde gestorven zijn, zullen eerst opstaan; Daarna zullen wij, die levend overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd bij de Heer zijn. Zo dan, vertroost elkaar met deze woorden.

Door verschillende vertalingen en interpretaties is deze tekst iets heel anders gaan betekenen dan wat Paulus er mijns inziens mee bedoelde.

Er zijn velen die in deze tekst een plotselinge 'opname' van gelovigen zien, ergens in onze (nabije) toekomst. Velen zouden dan letterlijk uit graven komen, opstijgen in de lucht en daar een ontmoeting hebben met de Heer. Wereldwijd zouden deze opgewekte gelovigen door miljoenen christenen gevolgd worden om ook Jezus in de lucht te ontmoeten en vervolgens met Hem naar de hemel te gaan. Dit zou dan gepaard gaan met een gigantisch rampenscenario, omdat bijvoorbeeld plotseling vele auto's en vliegtuigen zonder bestuurder zouden zitten, mensen die sterven op de operatietafels omdat chirurgen ineens weg zijn, baby's die uit hun bedjes verdwijnen en kleine kinderen die alleen nog hun kleertjes voor de wanhopige moeders in de speeltuin achterlaten... In de film 'Left Behind' roept Chloe met betraand gezicht uit: “de God waar mijn moeder over praatte, zou nóóit zoiets doen!” Ik denk dat ze gelijk heeft.

Bedenk dat Paulus het niet over ons in deze tijd had, maar over hen daar in die tijd, in de eerste eeuw. Dat blijkt uit de woorden 'wij, die levend overgebleven zijn, samen met hen'. Waarom zou Paulus hier ineens 'wij' in een soort algemene zin bedoelen, als in 'wij christenen door de eeuwen heen'? Dat lijkt mij niet logisch, want hij doet dat elders ook niet. Als hij het had over zij en wij, dan waren dat mensen uit die tijd. Zij die nog leefden zouden degenen die gestorven waren niet voorgaan. Dat betekent dus dat de gestorvenen zouden opstaan, vóór hen die toen nog leefden. En, zoals we al gezien hebben, wordt er door zowel Paulus als de andere schrijvers van brieven steeds gesproken over een spoedige komst. Zij leefden in die 'hoop' (verwachting) dat de doden net als Jezus levend zouden worden gemaakt. Een hoop en verwachting die we terugvinden in de woorden van de profeet Hosea (6:1-3):

Komt en laat ons wederkeren tot Jahweh, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden. Hij zal ons na twee dagen levend maken; op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven. Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om Jahweh te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de late regen en vroege regen van het land.

Jezus stond drie dagen na Zijn kruisiging op uit de dood. Zo werd werd het volk in Jezus op de derde dag opgewekt, zoals Paulus zegt in o.a. Efeziërs 2:6:

En [God] heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in de hemel in Jezus de Ingewijde.

Door de Heilige Geest waren ze dus al levend gemaakt, maar de lang verwachtte 'opstanding van de doden' moest nog plaatsvinden (zoals we zojuist zagen in 1 Thessalonicenzen 4); en dat zou spoedig gebeuren. Dit blijkt overigens ook uit Handelingen 24:15:

...Hebbende hoop op God, welke dezen ook zelf verwachten, dat er een opstanding van de doden zal zijn, van zowel rechtvaardigen als onrechtvaardigen.

In deze tekst uit de Statenvertaling zien we het niet direct, maar wat vertaald is met 'zal zijn' is het Griekse woord 'mellein' (van 'melló'). Dit woord heeft niet echt een duidelijke vertaling, maar geeft altijd iets aan dat op het punt staat te gebeuren. Hier kunnen we alvast een stukje woordstudie doen, waaruit blijkt hoe hoog de verwachting was en dat de doelgroep daadwerkelijk het Israël van die tijd moest zijn. Het woord komt veel voor in het Nieuwe Testament. Hier volgen teksten waarin het in verschillende vormen voorkomt en waarbij ik vrij vertaald aangeef hoe het gebruikt wordt:

Matt. 2:16 - waar Herodes van zins is de pasgeboren koning (Jezus) op te sporen.

Matt. 17:22 - waar Jezus op het punt stond verraden te worden.

Luk. 7:2 - waar de dienstknecht van de centurion bijna dood was.

Luk. 9:44 - waar Jezus zegt dat Hij binnenkort zal worden overgeleverd.

Luk. 19:4 - waar Jezus op het punt staat de boom met Zacheüs voorbij te lopen.

Luk. 22:23 - waar de leerlingen zich afvragen wie Jezus zou gaan verraden; dat was diezelfde avond nog.

Joh. 6:15,71 - waar Jezus opmerkt dat ze hem spoedig gevangen zouden nemen/ verraden (vers 71).

Joh. 7:39 - waar mensen die geloven de Heilige Geest zouden ontvangen.

Joh. 11:51 - waar de hogepriester voorspelt dat Jezus binnenkort zou sterven.

Hand. 3:3 - waar Petrus en Johannes op het punt staan de tempel in te gaan.

Hand 5:35 - "mannen van Israël bedenk wat je van plan bent met deze mannen te doen..."

Hand. 11:28 - waar Agabus een op handen zijnde hongersnood voorspelt, zodat ze kunnen gaan hamsteren.

Hand. 12:6 - waar Herodus Petrus nog diezelfde nacht van plan was voor te brengen.

Hand. 16:27 - waar de gevangenisbewaarder zichzelf op het punt staat van kant te maken.

Hand 18:14 - waar Paulus op het punt staat zijn mond te openen.

Hand. 20:3 - waar een boot op het punt staat te vertrekken naar Syrie.

Hand. 20:30 - waar mensen huilden omdat ze Paulus spoedig niet meer zouden zien.

Hand. 21:27 - waar zeven dagen bijna voorbij waren.

Hand. 27:30 - waar zeelieden op het punt staan de ankers uit te gooien...


Zo zijn er nog tientallen voorbeelden, maar het is nu wel duidelijk welke lading het woord in alledaagse beschrijvingen heeft. Hetzelfde woord wordt echter ook in de volgende teksten gebruikt:

Mat. 16:27 - waar Jezus zegt dat de Mensenzoon spoedig komt, in de heerlijkheid van Zijn Vader.

Luk. 3:7 - waar Johannes waarschuwt voor de wraak die spoedig zou komen.

Luk. 21:28 - waar Jezus zegt dat deze dingen (alle tekenen die Hij noemde, inclusief de verwoesting van de tempel) spoedig zouden plaatsvinden!

Rom. 8:18 - het lijden van deze tijd weegt niet op tegen de heerlijkheid die binnenkort in ons (Paulus en zijn lezers) geopenbaard wordt.

Kol. 2:16-17 - voedselwetten, feesten, nieuwe maan en sabbat waren een schaduw van wat spoedig komende was.

Heb. 6:5 - ze hebben een voorproefje mogen ervaren van de tijd die spoedig komen gaat.

Heb. 10:1 - de wet is een schaduw van de dingen die op het punt staan te gebeuren.

Heb. 13:14 - wij zoeken een stad die op het punt staat te komen (het hemels Jeruzalem).

Op. 1:19 - de dingen die u hebt gezien, de dingen die zijn en de dingen die binnenkort gaan gebeuren.

Op. 3:10 - het uur van verzoeking dat op het punt staat over de hele wereld (oikoumene) te komen...

Dat alles werd geschreven in die tijd en aan de mensen van die tijd, met een zeer spoedige vervulling in gedachten. Zij waren de doelgroep, niet wij. Als je er verschillende Nederlandse vertalingen bij pakt, zie je hoe vertalers soms met een bepaalde achterliggende gedachte vertalen en niet altijd de meest voor de hand liggende vertaling gebruiken. Omdat veel vertalers er vanuit gaan dat bepaalde dingen nog in een (verre) toekomst moeten gebeuren, hebben ze het woord 'melló' (en de verschillende vormen ervan) niet krachtig genoeg vertaald, waardoor mensen vandaag de dag zelfs nog het idee hebben dat ze zichzelf erin kunnen lezen. Men maakt er dan vaak van dat het zéker zal gebeuren, of het wordt helemaal niet vertaald. En dat terwijl het woord een zeer krachtige tijdsaanduiding is voor een aanstaande gebeurtenis. Gelukkig hebben we tegenwoordig de mogelijkheid om in de computer te zoeken naar elke plaats waar een woord voorkomt, zodat we zelf kunnen nagaan hoe bepaalde woorden door dezelfde schrijver of in andere geschriften uit die tijd gebruikt werden. Het kost tijd en moeite, maar het loont wel. Het geeft ook heel veel rust om te mogen weten dat je niet bij elke tekst hoeft te denken: “O, gaat dit over mij? Maar hoe dan? Staat mij nog grote verdrukking en veel lijden te wachten?” Nee, wees gerust, het gaat niet over jou. Wij mogen aan onze eigen relatie met God bouwen. We hoeven niet in een krampachtige verwachting te leven van allerlei vormen van ellende en vernietiging die aan Israël voorspeld werden.

Belangrijk is ook het woordje 'hoop'. De opstanding was hun hoop en dat is beter te vertalen met 'verwachting', omdat wij het woord vaak gebruiken voor dingen die we niet zo zeker weten... “ik hoop het...” Nee, de Bijbelse hoop was veel meer een zekerheid van iets dat in dit geval spoedig zou komen. Wat voor 'vertroosting' zou het anders zijn geweest voor de zwaar vervolgde Thessalonicenzen, als het allemaal nog duizenden jaren zou duren, voordat deze woorden waarheid zouden worden? “Dus, vertroost elkaar met deze woorden.” Daar spreekt verwachting uit. Een verwachting die we door het hele Nieuwe Testament heen zien. Het uitzien naar iets dat spoedig moest gebeuren. Maar er is meer.

Dit stukje doet namelijk vermoeden dat de mensen die stierven tussen Jezus' hemelvaart en Zijn komst, nog naar het dodenrijk gingen. Jezus had wel 'krijgsgevangenen' meegenomen uit het dodenrijk (Efeziërs 4:8-10), maar het dodenrijk was er nog wel (Openbaring 20:13-15). Ik zie het zo, dat de mensen die stierven in de zware vervolgingen van die tijd (onder Nero, maar vooral ook onder de extremistische Joden van die tijd), nog naar het dodenrijk gingen en dat zij bij het laatste gericht over het oude systeem - de ondergang van het oude Jeruzalem en de tempel - definitief naar de hemel konden. Daarna gingen alle overgebleven rechtvaardigen direct naar de hemel, zonder eerst in het dodenrijk terecht te komen. Jezus had al gezegd dat de 'doden' zijn stem zouden horen en zouden leven (Johannes 5:25-29). En dat waren niet alleen fysieke doden, maar ook mensen die nog in hun lichaam rondliepen en geestelijk dood waren. Hoe konden anders 'doden' hun 'doden' begraven (Mattheüs 8:22; Lukas 9:60)? In 1 Korinthiërs 15 gaat Paulus nog verder in op deze opstanding uit de dood, maar daarover later meer. Dit stukje in Thessalonicensen is geschreven ter bemoediging van de vervolgde christenen in die tijd. Zij zouden de komst van Jezus samen met hun reeds gestorven broeders en zusters meemaken. Dit blijkt ook uit het woordgebruik in deze passage.


Bewoordingen (ze schreven allemaal over hetzelfde)

Er is nog een belangrijk element dat meespeelt bij het begrijpen van de Bijbel. De schrijvers van het Nieuwe Testament waren tijdgenoten. Ze spraken dezelfde taal en gebruikten dezelfde bewoordingen. Hoe belangrijk dat is, wil ik hier illustreren. Wat Paulus namelijk in dat controversiële stukje in de brief aan de Thessalonicenzen zegt over hun hoop en verwachting, loopt qua woordgebruik parallel aan wat Jezus zei in Mattheüs 24, dat gaat over de vernietiging van de tempel en Zijn komst. Het is alsof Paulus de woorden van Jezus herhaalt en benadrukt dat het nu toch echt niet lang meer zal duren. Dezelfde thema's en woorden die we daar zien, komen ook in 1 Thessalonicenzen voor. Kijk maar naar het thema 'Zijn komst', wat meerdere keren voorkomt

1 Thess. 1:10:

...en uit de hemelen zijn Zoon te verwachten, die Hij uit de doden opgewekt heeft, Jezus, die ons verlost van de komende toorn.

1 Thess. 2:19:

Want wie is onze hoop of blijdschap of erekrans voor onze Heer Jezus bij zijn komst, wie anders dan u?

1 Thess. 3:13:

...om uw harten te versterken, zodat zij onberispelijk zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Heer Jezus met al zijn heiligen.

1 Thess. 5:23:

En de God van de vrede Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard bij de komst van onze Heer Jezus de Ingewijde.

De overeenkomsten tussen 1 Thessalonicenzen 4-5 en Mattheüs 24 zijn opmerkelijk. Paulus gebruikt in Thessalonicenzen dezelfde bewoordingen. Ik heb er 13 gevonden:

1

Jezus verschijnt persoonlijk

Matt. 24:30

1 Thess. 4:16.

2

Komt uit de hemel

Matt. 24:30

1 Thess. 4:16.

3

Met een geroep

Matt. 24:30

1 Thess. 4:16.

4

Vergezeld door afgezanten (engelen)

Matt. 24:31

1 Thess. 4:16.

5

Met een bazuin van God

Matt. 24:31

1 Thess. 4:16.

6

Uitverkorenen worden verzameld

Matt. 24:31

1 Thess. 4:17.

7

In de wolken

Matt. 24:30

1 Thess. 4:17.

8

Op een onbekend tijdstip

Matt. 24:36

1 Thess. 5:1,2.

9

Als een dief in de nacht

Matt. 24:43

1 Thess. 5:2,4.

10

Het komt voor ongelovigen onverwachts

Matt. 24:37-39

1 Thess. 5:3.

11

Zwangere vrouwen worden genoemd

Matt. 24:19

1 Thess. 5:3.

12

Gelovigen moeten waakzaam zijn

Matt. 24:42

1 Thess. 5:6.

13

Niet dronken maar nuchter zijn

Matt. 24:49

1 Thess. 5:7.

Merk op dat de overeenkomsten heel hoofdstuk 24 beslaan en niet alleen het eerste deel. Ik heb sommigen horen zeggen dat de vraag van de leerlingen aan het begin van hoofdstuk 24 in tweeën gesplitst kan worden, dus dat ze eigenlijk twee afzonderlijke vragen stelden, die door Jezus ook in twee delen werd beantwoord. Men legt de overstap naar het tweede antwoord dan ergens bij vers 36. Daarna zou het niet meer over de val van Jeruzalem gaan, maar over het einde van de wereld in de toekomst. De overeenkomsten met o.a. dit hoofdstuk in Thessalonicensen, maken dit voor mij een zeer onwaarschijnlijke optie, nog afgezien van de indruk die de vraag van de leerlingen op mij maakt. Want zoals ik het lees gaat het hen maar om één ding, en dat is de vraag wanneer hun geliefde tempel eraan gaat. Ik krijg niet de indruk dat ze op dat moment zo bezorgd waren over het einde van planeet aarde. Dit wordt nog duidelijker als we kijken naar de parallelle passage in Lukas 21:5-7, waar dezelfde vraag van de leerlingen net iets anders wordt geformuleerd:

En toen sommigen van de tempel zeiden dat hij met mooie stenen en offergaven versierd was, zei Hij: “Wat deze dingen aangaat die jullie hier zien, er zullen dagen komen waarop niet één steen op de andere steen gelaten zal worden, die niet zal worden afgebroken. En zij vroegen Hem: "Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn en waaraan kunnen wij zien wanneer deze dingen zullen geschieden?”

Het antwoord dat Jezus geeft in Lukas 21 is nagenoeg hetzelfde als het antwoord dat wij in Mattheüs 24 zien. In Lukas 21 is de volgorde van de dingen die Jezus zegt zelfs anders. Dit laat voor mij geen twijfel over dat zij maar één vraag in gedachten hadden: wanneer gaat de tempel eraan, wanneer gaat dat gebeuren? Het antwoord van Jezus is in het verslag van Lukas ook korter, maar het heeft dezelfde inhoud, inclusief de opmerking dat 'hemel en aarde' voorbij zullen gaan. Dit brengt veel mensen er toe het antwoord van Jezus te zien als iets dat veel breder is dan alleen de vernietiging van de tempel en Jeruzalem. Het hoeft echter niet het geval te zijn dat Jezus het hier over 'hemel en aarde' heeft zoals wij die woorden zouden gebruiken. Verderop vertel ik meer over de Joodse beeldspraak die hierin besloten ligt.

In Mattheüs 24 en 25 voorspelde Jezus dat Hij zou terugkomen in die generatie om de gelovigen te verzamelen en bij hen te komen in Zijn Koninkrijk. In 1 Thessalonicenzen 4-5 sprak Paulus over dezelfde komst die de gelovigen zou verzamelen. De conclusie lijkt mij duidelijk: 1 Thessalonicenzen 4-5 gaat over precies dezelfde verschijning (met wolken, in de lucht, een verzameling van gelovigen en een oordeel over de ongelovigen) als in Mattheüs 24. Zo zien we dat overeenkomsten met andere tekstgedeelten uit dezelfde tijd een belangrijke aanwijzing kunnen verschaffen over de betekenis ervan.

1 Thessalonicenzen 5:1-6:

Maar over de tijden en de gelegenheden broeders, is het niet nodig dat men u schrijft. Want u weet zelf heel goed, dat de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht. Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een spoedig verderf hun overkomen, als de barensnood van een zwangere vrouw; en zij zullen er geenszins aan ontkomen; Maar u, broeders, u verkeert niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou overvallen. U bent allemaal kinderen van het licht, en kinderen van de dag; wij zijn niet van de nacht, noch van de duisternis. Laat ons dan niet slapen, zoals de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn.

Paulus en de Thessalonicenzen verwachtten nog lichamelijk aanwezig te zijn bij Jezus' komst.

De zinsnede “zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een spoedig verderf hun overkomen”, lijkt een echo te zijn uit Jeremia 6, waar over de inwoners van Jeruzalem geprofeteerd wordt. In die profetie denken de mensen van Jeruzalem ook dat het allemaal wel goed zit, maar ze zijn rebels en opstandig en God probeert ze tot de orde te roepen. Ze willen echter ondanks alles niet luisteren en God verwerpt hen uiteindelijk. Omwille van de voortgang zal ik niet het hele hoofdstuk aanhalen, maar lees het eens in dit verband, je zult zien dat er verrassend veel overeenkomsten zijn.

Ook de bazuin komt vaker voor. Het was een instrument dat gebruikt werd om mensen op te roepen, te verzamelen of om iets aan te kondigen. Het komen van Jezus met bazuingeschal wordt door Paulus direct in verband gebracht met de 'opstanding van de doden'. Het is daarom waarschijnlijk dat Jezus het in Mattheus 24 over diezelfde gebeurtenis heeft. Paulus spreekt ook over het blazen van de bazuin in 1 Korinthiërs 15:52:

Op een moment, in een ogenblik, met de laatste bazuin, die zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.

In dat gedeelte geeft hij de Korinthiërs dezelfde bemoediging die de Thessalonicenzen ontvingen. Wat dat 'veranderen' inhoudt wil ik later nog een mogelijke verklaring voor proberen te geven.

Dat deze mensen bemoediging nodig hadden, blijkt ook wel uit de tweede brief aan hen. In 2 Thessalonicenzen 1:4-10 zien we namelijk dat Paulus op vergelijkbare wijze schrijft. Het gaat in die brief specifiek over de vervolging die ze te verduren kregen en hij wilde hen bemoedigen met de belofte dat hun onderdrukkers zullen worden gestraft.

...dat wij zelf trots over u spreken in de Gemeenten van God, over uw volharding en geloof in alle vervolgingen en verdrukkingen die u verdraagt; Een bewijs van Gods rechtvaardige oordeel, dat u het Koninkrijk van God waardig geacht wordt, waarvoor u ook lijdt; zo is het dan ook rechtvaardig dat God de verdrukking zal vergelden, [met name] hen die u verdrukken; En u, die verdrukt wordt, te verkwikken samen met ons, in het openbaar worden van de Heer Jezus vanuit de hemel, met de afgezanten die Zijn kracht [zichtbaar maken]; Met vlammend vuur wraak uitoefenend over degenen die God niet kennen, en over degenen die het evangelie van onze Heer Jezus de Ingewijde niet gehoorzaam zijn. Zij zullen straf te verduren krijgen, het eeuwig verstoten zijn van de aanwezigheid van de Heer en van de heerlijkheid van Zijn kracht, wanneer Hij zal komen op die dag, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en geëerd te worden door allen die geloven (ook omdat u ons getuigenis hebt geloofd).

Deze bemoediging heeft ook weer dezelfde herkenbare elementen, verkwikking (Grieks: 'anesis' - vrijheid, rust, opluchting, ontspanning - van 'aniémi', wat iets in zich heeft van 'laten gaan' of 'terugsturen'), aangevuld met het zeer prominent aanwezige thema van vergelding, dat Jezus meerdere malen benadrukte in de gelijkenissen in het vervolg van Mattheus 24 (hoofdstuk 25). Als ik dit gedeelte lees, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat Paulus deze vergelding in een nabije toekomst verwachtte voor zijn medegelovigen die toen, daar, in de grote verdrukking leefden waarvoor Jezus zijn volgelingen had gewaarschuwd. Wat Paulus zegt over de komst van de Heer, in heerlijkheid en kracht, met afgezanten en oordeel, ligt dan ook duidelijk in het verlengde van Mattheus 24 en verwijst gezien de context (de vraag van de leerlingen) onvermijdelijk naar de verwoesting van Jeruzalem, niet naar iets dat nog duizenden jaren in de toekomst zou moeten plaatsvinden, maar iets wat in het jaar 70 daadwerkelijk gebeurd is. Ik denk dat mensen die vandaag nogmaals een grote verdrukking en vernietiging van een (herbouwde) Joodse tempel verwachten, zichzelf nodeloos ongerust maken. En als wij hierin een bemoediging zouden lezen om verlost te worden van een nog komende verdrukking, voegen we daar nog een onnodige laag aan toe. De verkwikking was voor de volgelingen van Jezus in die tijd, in de grote verdrukking en vervolging door fanatieke Joden en de Romeinen die op hun manier probeerden de onlusten de kop in te drukken.

Eeuwig?

Dan moeten we nog even kijken naar het woord 'eeuwig'. In het Grieks wordt meestal het woord 'aion' gebruikt en in het Hebreeuws 'olam'. De vertalers van de Septuaginta, de Griekse vertaling van de Tenach, hebben het woord 'olam' ook meestal vertaald met 'aion'. We kunnen dus aannemen dat hiermee dezelfde gedachte wordt vertolkt. Nu is ons begrip van eeuwig iets anders dan de betekenis van olam en aion. Wij denken aan een periode die nooit eindigt, maar die gedachte werd niet met olam en aion overgebracht. We moeten meer denken aan een 'onbepaalde tijd'; een periode waarvan we het einde nog niet kunnen inschatten. In theorie zou dat oneindig kunnen zijn, maar het is zeker in een aantal gevallen duidelijk dat de schrijvers van de Bijbelteksten niet op die manier naar hun toekomst keken. Ik ga hiervoor bewust naar de eerste boeken van de Bijbel, omdat hier de toon gezet wordt voor deze woorden in zowel Hebreeuws als Grieks. Neem bijvoorbeeld Genesis 6:3, waar God volgens de Statenvertaling zegt: “Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens.” In het Hebreeuws staat daar olam, maar in de Septuaginta staat zelfs geen 'aion'; zij vertaalden het simpelweg met “Mijn geest zal niet bij deze mensen blijven.”

In Exodus 3:15 komt ook olam voor, vertaald met aion in de Septuaginta, waar het wordt verduidelijkt met 'generatie op generatie'. Het is pas aannemelijk dat er echt 'eeuwig' bedoeld wordt, wanneer er een woord aan toegevoegd wordt, zoals bijvoorbeeld in Exodus 15:18. Hier wordt gezegd dat Yahweh eeuwig regeert. Het woord olam wordt gevolgd door w'ed, wat zoiets betekent als 'en door' of 'en verder'. De Septuaginta vertaalt hier 'in de aion en tot aion en dan nog'. Zij vonden dus dat dit heel sterk vertaald moest worden, door drie woorden te gebruiken om een onbevattelijk lange tijd aan te geven. Kennelijk was één keer aion gebruiken voor hen niet genoeg om een eeuwigheid aan te geven. Hetzelfde geldt voor olam.

In Exodus 21:6 zien we het woord olam wanneer gezegd wordt dat een knecht zijn meester na een bepaald ritueel 'eeuwig' zal dienen (Statenvertaling 'eeuwiglijk' - Grieks 'tot in de aion'). Het is duidelijk dat hiermee bedoeld wordt 'tot aan zijn dood', of 'voor zolang het fysiek mogelijk is'. Maar dat de woorden olam en aion op zich niet met 'eeuwig' vertaald kunnen worden lijkt mij duidelijk.

Exodus 31:16,17 spreekt over het houden van de sabbat als zijnde een 'eeuwig' verbond en een 'eeuwig teken' in 'hun generaties'. Zoals ik in dit boek laat zien kwam er aan hun generaties een einde, dus ook deze olam/aion is niet oneindig. Hetzelfde kunnen we zeggen van Exodus 32:13, waar het land (Kanaän) aan Israël beloofd wordt 'tot in de aion', 'le-olam'.

We kunnen op deze manier de hele Tenach doorlopen, maar telkens komt dit principe naar voren. Het is niet zonder meer gerechtvaardigd om deze twee woorden met 'eeuwig' of 'eeuwigdurend' te vertalen. En zelfs met een toevoeging gaat het slechts om een onbevattelijk lange tijd.

Te zeggen dat Paulus het in 2 Thessalonicensen 1:9 over een eeuwigdurende straf had, is dus niet zonder meer geoorloofd. Het lijkt mij goed om dit in gedachten te houden, wanneer je in een vertaling het woord 'eeuwig' leest. De kans is groot dat het om een onbepaalde tijd gaat en niet iets dat oneindig is.

Opname en opstanding (hebben niets met ons te maken)

Een volgend belangrijk principe bij het interpreteren van de Bijbel, is een goed begrip van de oorspronkelijke taal en de diepgang van bepaalde woorden. Het Nieuwe Testament is geschreven in het Grieks, niet in het Nederlands.

Ik herhaal 1 Thessalonicenzen 4:13-18 nog even:

Doch, broeders, ik wil niet, dat u onwetend bent ten aanzien van degenen die ontslapen (gestorven) zijn, opdat u niet bedroefd bent, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, evenzo zal ook God degenen die ontslapen zijn in Jezus, meebrengen met Hem. Want dat zeggen wij u door het Woord van de Heer, dat wij, die levend zullen overblijven tot de komst van de Heer, degenen die gestorven zijn niet zullen voorgaan. Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van een belangrijke afgezant (archangelos), en met de bazuin van God nederdalen vanuit de hemel; en die in de Ingewijde gestorven zijn, zullen eerst opstaan; Daarna zullen wij, die levend overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, om de Heer te ontmoeten, in de lucht; en zo zullen wij altijd bij de Heer zijn. Zo dan, vertroost elkaar met deze woorden.

Kijken we hier bijvoorbeeld naar de woorden 'wij die overblijven' (vers 17). Dat is in het Grieks maar één woord, perileipomenoi. Dit woord komt maar twee keer voor in het Nieuwe Testament en alleen in dit hoofdstuk van deze brief. De betekenis is op zich wel duidelijk, al kunnen we niet vergelijken hoe Paulus het elders gebruikt. We kunnen het in twee stukken delen: 'Peri' betekent 'rond' en 'leipo' betekent 'achterblijven'. Dus wij die 'rond zijn blijven hangen' zou zelfs een correcte (weliswaar zeer vrije) vertaling kunnen zijn. Waar het om gaat is dat Paulus de mensen van Thessaloniki, die nog rondliepen op aarde, vertelde dat ze zich geen zorgen hoefden te maken over de mensen die omgekomen waren in de verdrukking. Blijkbaar deden ze dat. En dit plaatst de tekst wederom in die tijd.

Het woord 'komst' is hier het Griekse woord 'parousia' dat 24 maal voorkomt in het Nieuwe Testament en heeft meer de betekenis van 'aanwezigheid' of 'verschijning' dan 'komen', waarvoor het Grieks ook een ander woord heeft (erchomai). Dus: 'de verschijning van onze Heer' is een mooiere vertaling. Daar waar het in combinatie met 'de Heer' gebruikt wordt, staat het verder overal consequent in het teken van 'op Zijn plaats komen', in het Koninkrijk, met het oordeel, om straffen én beloningen uit te delen. Een verschijning die volgens Jacobus 5:8 'nabij' was (Grieks: 'engiken', van 'engizo' = naderen, dichtbij komen). Het is overigens maar de vraag of je dit woord kunt gebruiken om aan te duiden dat Jezus naar de aarde komt. Iemand kan net zo goed blijven waar hij is, en toch op zijn plaats komen of zijn positie innemen. De leerlingen vroegen namelijk in Mattheüs 24:3 naar 'het teken van Uw komst', waar hetzelfde Griekse woord 'parousia' staat. Veel mensen denken bij die vraag aan een nog toekomstige 'wederkomst van de Ingewijde'. Mag ik voorstellen dat het niet eens bij de leerlingen opkwam dat Hij wég zou gaan, laat staan dat Hij weer terug moest komen? Zelfs bij het laatste avondmaal, in de laatste uren die ze met Hem doorbrachten hadden ze nog geen besef van Zijn heengaan (Johannes 16:17). Ze verwachtten dat Hij het Messiaanse Koninkrijk kwam oprichten en de Romeinen het land uit zou jagen. Naar de hemel gaan en later weer terugkomen was geen optie in hun belevenis. De enige verwachting die ze hadden is dat Hij nu wel snel het Koningschap op Zich zou nemen; vandaar het woord Parousia.

Dan is er de wonderlijke beschrijving van het 'opgenomen' worden om Hem te 'ontmoeten' in de lucht. Dit is het stukje wat veel mensen er toe brengt een letterlijke 'opname' te verwachten zoals ik hierboven beschreef, met het hele rampenscenario erbij. De woorden 'zullen worden opgenomen' komen van het Griekse woord 'harpagesometha' (van het woord 'harpazo'). Paulus gebruikt datzelfde woord in 2 Korinthiërs 12:2-4, waar hij 'een man' beschrijft (waarschijnlijk zichzelf) die werd 'opgenomen' in het paradijs en daar onuitsprekelijke woorden hoorde. Het is een woord dat Paulus slechts 3 maal gebruikt, waarvan 2 maal in 2 Korinthiërs 12, in de zin van: tijdelijk uit het lichaam, in een geestelijke omgeving geplaatst worden. De derde keer dat hij het woord gebruikt is in dit hoofdstuk (1 Thessalonicenzen 4), om de ontmoeting met Jezus te beschrijven. Het is niet helemaal duidelijk of het in 2 Korinthiërs om een visioen of buitenlichamelijke ervaring ging, want Paulus zegt dat hij niet zeker weet of het in het lichaam of erbuiten was. Hoe dan ook, een visioen, een vervoering of een uittreding, het was een geestelijke ervaring. Het woord 'harpazo' wordt ook door andere schrijvers gebruikt. Mattheüs, Lukas, Johannes en Judas gebruiken het in verschillende vormen en voor uiteenlopende situaties. Mattheüs spreekt over het 'grijpen' of 'nemen' van het Koninkrijk, door daadkrachtige mensen. Dit kan ook op een geestelijke manier worden geïnterpreteerd. Op andere plaatsen wordt hetzelfde woord gebruikt voor het 'wegnemen', 'meenemen', 'arresteren' of 'wegrukken' van mensen of dingen. Maar ook dan wordt het soms in overdrachtelijke zin gebruikt. Zoals: 'niemand kan ze uit mijn hand rukken', of 'mensen uit het vuur rukken' (redden van de ondergang). Het woord moet dus in de context bekeken worden waarin het wordt gebruikt. Paulus gebruikte het alleen in overdrachtelijke, geestelijk zin, zoals in 2 Korinthiërs 12, wat we nog duidelijker zullen zien wanneer we het 'ontmoeten in de wolken', nog iets verder onderzoeken.

Het woord 'ontmoeten' is namelijk eveneens bijzonder, want dat is het Griekse woord 'apantesin', dat slechts 3 keer voorkomt in het Nieuwe Testament. Eén keer in het gedeelte dat we hier bekijken (1 Thessalonicenzen 4:17) De andere twee keer wordt het gebruikt in een situatie waar mensen iemand tegemoet gaan die naar hen toe komt. Niet iemand die hen komt halen (Matt 25:6; Hand 28:15). Dus hier wordt een situatie beschreven van mensen die Jezus tegemoet gaan om Hem binnen te halen, om Hem te verwelkomen. Het woordgebruik in Thessalonicensen suggereert dat zij die achtergebleven waren, samen met hun overleden broeders en zusters, de Heer in de geest (een visioen of geestelijke ervaring buiten het lichaam) zouden verwelkomen en dat Hij bij hen zou komen. Dit doet mij denken aan de woorden van Jezus in Johannes 14:3:

En als Ik wegga om een plaats voor jullie voor te bereiden, kom ik weer terug en zal jullie tot Mij nemen, zodat jullie kunnen zijn waar Ik ben.

Jezus was in de geest al bij God, maar Zijn leerlingen nog niet. Hij zou weggaan en weer terugkomen om hen tot Zich te nemen. Het woordgebruik suggereert dat dit 'tot Mij nemen' een geestelijke lading had, dat ook zij zouden zijn waar Hij op dat moment al was. Ze hoefden dus niet van de aarde te verdwijnen om bij Hem in de hemelse gewesten te zijn. Paulus spreekt hier over in Efeziërs 2:6:

...en heeft ons tezamen opgewekt en tezamen een plaats gegeven in de hemelse gewesten in de Ingewijde Jezus.

Is het in dit verband moeilijk voor te stellen dat Jezus 'kwam', dat mensen werden 'opgenomen' en dat er zichtbaar niets veranderde? De gedachte dat het in 1 Thessalonicensen om het 'verdwijnen' of 'wegrukken' van hedendaagse of toekomstige gelovigen zou gaan is mijns inziens in ieder geval niet juist, omdat de focus volledig op de gelovigen uit die tijd ligt, in een voor hen toekomstige, maar wel aanstaande gebeurtenis. De meest voor de hand liggende interpretatie laat geen plotseling verdwijnen van christenen in onze tijd toe. Met de wetenschap dat men in die tijd, spoedig, de 'verschijning van de Heer' verwachtte, kunnen we mijns inziens geen andere conclusie trekken. Dit houdt tevens in dat de zogenoemde 'opstanding van de doden' in diezelfde tijd moest plaatsvinden (Daniël 12:2). Hier ga ik later nog iets verder op in.

Het woord 'wolk' of 'wolken' zien we in de Bijbel bij meerdere schrijvers in verband staan met Gods komst of geestelijke aanwezigheid en ook vaak met oordeel (letterlijk: scheiding maken - om het goede en het kwade van elkaar te scheiden). Zo was God in een wolk bij de Israëlieten, toen zij door de woestijn dwaalden. Een wolk vulde de tempel van Salomo, bij de inwijding. In Psalm 18 zien we in vers 13 de 'wolken' in poëtische vorm een onderdeel vormen van Gods macht en kracht in het oordeel over Davids vijanden. En bijvoorbeeld in Jesaja 19:1 zien we Jahweh op een 'snelle wolk' naar Egypte komen om hen te straffen. In Jesaja 20 zien we dat Assyrië het middel was dat God gebruikte om tegen Egypte op te treden. Wanneer we dus lezen dat Jezus zou komen op de wolken, dan zouden we dat logischerwijs moeten lezen zoals de mensen uit die tijd het zagen. Zeker als Jezus het woord Zelf in combinatie met het begrip 'oordeel' gebruikt. We moeten niet de denkfout maken dat met de komst van Jezus ineens alle woorden een andere betekenis kregen. Het waren Joden in die tijd, bekend met hun geschriften en goed bekend met het taalgebruik.

Het woord wolk komen we ook tegen bij Zijn hemelvaart (in Handelingen 1:11). Wanneer Hij wordt opgenomen in de hemel, onttrekt een wolk Hem aan het gezicht van de volgelingen die om Hem heen staan. Het woord voor 'opgenomen' is in het Grieks 'epérthe', van 'epairo', wat 'verheffen' betekent. Wij gebruiken het woord ook wel in overdrachtelijke zin. Wij zeggen bijvoorbeeld 'in hoogheid verheven'. Epairo wordt in het Grieks meestal ook op die manier gebruikt, bijvoorbeeld voor het 'opheffen van de ogen', het 'verheffen van de stem', het 'oprichten van het hoofd' en het 'zichzelf verheffen' tegen of boven een ander. De eerste betekenis van dit woord is dus niet zo zeer dat Jezus werd opgetild in de lucht (al zal dat ook wel gebeurd zijn, want ze keken omhoog nadat het gebeurd was), maar dat Hij werd verheven naar (en verdween in) de geestelijke wereld, onttrokken aan het gezicht door 'de wolken van de hemel'. De betekenis staat dus beide interpretaties toe. Hij werd opgetild, opgeheven, verheven, letterlijk en in overdrachtelijke zin. Vervolgens wordt hen door twee mannen in het wit verteld dat Jezus op dezelfde manier zal komen als ze hem hebben zien gaan. Ze moesten hierbij wellicht denken aan de tekst uit Daniël 7:13:

Verder zag ik in de nachtelijke visioenen, en zie, er kwam Iemand met de wolken van de hemel, als een mensenzoon, en Hij kwam tot de Oude van dagen, en Hij werd aan Hem voorgeleid. En aan Hem werd gegeven heerschappij, eer en het Koninkrijk, zodat [mensen van] alle volken, natiën en talen Hem zouden eren; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet vergaan.

Jezus had hen al op vele manieren verteld dat Hij naar de Vader zou gaan om het Koninkrijk van Hem in ontvangst te nemen, om daarna terug te keren en af te rekenen met Zijn tegenstanders. We hebben al gezien dat hij daarvoor niet voor hun ogen zichtbaar aanwezig hoefde te zijn. Al is hiermee een fysiek verschijnen nog steeds niet uitgesloten, dan nog is het iets dat allang heeft plaatsgevonden.

De leerlingen moeten vast ook gedacht hebben aan het moment dat Jezus ondervraagd werd door de hogepriester (zoals we kunnen lezen in Markus 14:60-63). Jezus zei niets, totdat de hogepriester vroeg of Hij de beloofde Ingewijde, de Gezegende, Gezalfde van God was. Jezus antwoordde:

Ik ben het. En jullie zullen de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God, en komen met de wolken van de hemel.

De hogepriester scheurde zijn kleren, wat een teken is van afschuw, waarop ze Jezus als een godslasteraar bestempelden en ter dood veroordeelden. Zij kenden de profetie uit Daniël 7 heel goed, en het 'zitten naast God' en 'komen op de wolken' zijn tekenen van goddelijkheid. Jezus stelde Zichzelf gelijk aan God, die volgens de Joodse geschriften vaak zinnebeeldig werd voorgesteld als 'komende met wolken'. Zo zou Hij komen, in goddelijke macht en heerlijkheid. Dit is een belangrijke sleutel om de uitspraken van Jezus te begrijpen.

Om weer terug te komen bij de tekst in 1 Thessalonicenzen 4: hier zegt Paulus dat Jezus zou komen in wolken, zoals Jezus het Zelf omschrijft in Mattheüs 24:30: met grote kracht en heerlijkheid, in oordeel over Zijn vijanden. (Letterlijk staat er in het Grieks overigens niet 'in de wolken', het woord 'de' staat er niet expliciet).

Paulus zegt daar ook dat zij Hem tegemoet zouden gaan in de 'lucht'; het laatste woord dat ik in verband met de tekst uit 1 Thessalonicenzen 4 wil behandelen.

Bedoelde hij met 'lucht' de 'atmosfeer' boven ons, of misschien iets anders? Hij gebruikte het woord twee keer in 1 Korinthiërs 9:26 en 14:9:

Ik vecht niet als iemand die in de lucht slaat...

en

...als u niet duidelijk spreekt, hoe zal men begrijpen wat er gezegd wordt? U zult zijn als iemand die in de lucht praat.

Hij gebruikt het daar in spreekwoordelijke zin: 'in de lucht slaan' en 'in de lucht praten'. Echter, in Efeziërs 2:2 zien we dat hij het woord gebruikt op een vergelijkbare manier als in Thessalonicenzen:

En u heeft Hij mede levend gemaakt, omdat u dood was door de misdaden en de zonden; waarin u voorheen gewandeld hebt, naar de tijd van de wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid;

Daar spreekt hij in vergelijkbare context over een 'overste', een persoon, een 'geest' die in de 'lucht' is. Het lijkt mij waarschijnlijk dat hij daar over Satan (de tegenstander) spreekt. Gaat het daar over iemand die daadwerkelijk in het zichtbare luchtruim zweeft? Nee, het gaat over de geestelijke atmosfeer, een geest die werkt in ongehoorzame mensen. Dan is het wederom logisch om aan te nemen dat Paulus het in Thessalonicenzen ook heeft over Jezus in geestelijke vorm in de geestelijke atmosfeer. We zien hier ook een duidelijke indicatie dat Paulus met 'dood' niet bedoelde dat ze fysiek dood waren, want dode mensen wandelen niet, maar dat ze het leven van God niet in zich hadden en dat Hij hen vervolgens levend had gemaakt. (De term 'tijd van de wereld' is overigens in het Grieks 'oióna tou kosmou toutou', het tijdperk van deze wereld, waarmee Paulus doelt op de verbondswereld van de Joden, in het tijdperk dat op zijn eind liep. Hierover later meer.) Alles bij elkaar lijkt de nadruk in de brief aan de Thessalonicenzen op een geestelijk verschijnen en een geestelijke ontmoeting te liggen, niet op een fysieke gebeurtenis. Wederom moet ik hierbij wel zeggen dat dit niet uitsluit dat er fysiek iets gebeurde met de volgelingen. Net als Jezus fysiek veranderde en waarschijnlijk ook fysiek in de hemel verdween, is het mijns inziens heel goed mogelijk dat in de enorme chaos van de grote verdrukking en de vernietiging van Jeruzalem, de trouwe volgelingen van Jezus die overgebleven waren, daadwerkelijk verdwenen. Hier hebben we echter geen enkele aanwijzing voor, behalve de beschrijving van Handelingen 2, waar Jezus fysiek opgenomen wordt in de hemel. Kortom, nadruk ligt duidelijk op het geestelijke aspect, maar dat daarbij een fysiek element een rol speelde kan ik niet uitsluiten.

Paulus bemoedigde de Thessalonicenzen met de geruststelling dat zij de doden niet zouden voorgaan wanneer Jezus kwam om Zijn getrouwe volgelingen te verzamelen en Zijn Koninkrijk te vestigen in hun midden, in de geestelijke gewesten. Hij plaatste de opstanding van de doden duidelijk in hun tijd. Het was ook hún opstanding, niet onze opstanding. Israël had een verwachting, een hoop, dat was hun herstel, de hereniging, het thuiskomen bij hun God. Paulus spreekt erover tegen stadhouder Felix in Handelingen 24:15:

Hebbende hoop op God, welke dezen ook zelf verwachten, dat er een opstanding van de doden zal zijn, van zowel rechtvaardigen als onrechtvaardigen.

In Handelingen 26:6 noemt hij het ook 'de belofte, die aan de voorvaderen gegeven is', en in 28:20 'de hoop van Israël'. We vinden het in Daniël 12:2 en in Jesaja 25:7,8; 26:19. In Hosea 13 zien we dat Efraïm (een deel van Israël) stierf, maar in vers 14 zegt Hosea dat God hen zal vrijmaken van de dood. Een gedeelte dat door Paulus bijna letterlijk uit de Septuaginta wordt aangehaald in 1 Korinthiërs 15:55: “Waar, o dood, is uw prikkel? Waar o Hades is uw overwinning?” In Romeinen 8 (met name vers 11) legt hij uit dat dit door de Geest zou gaan gebeuren. Geen vloek meer, geen veroordeling meer en geen dood meer. Deze hoop zou eindelijk en zeer spoedig gestalte krijgen.

Ik heb wel horen zeggen dat het een 'dwaalleer' zou zijn als je zegt dat de opstanding van de doden reeds in de tijd van de eerste christenen heeft plaatsgevonden. Men haalt dan 2 Timotheüs 2:17-18 aan:

En hun woord zal woekeren, als kanker - waaronder Hymeneüs en Filetus - die van de waarheid zijn afgeweken en zeggen dat de opstanding reeds geschied is en brengen sommigen van het geloof af

Ook hier moeten we weer gebruik maken van de vier belangrijke principes om teksten te begrijpen (context, doelgroep, bewoordingen en taal). De tweede brief van Paulus aan Timotheüs wordt gezien als een afscheidsbrief, omdat hij Timotheüs toevertrouwt dat de tijd van zijn heengaan is aangebroken. Paulus is waarschijnlijk onthoofd ergens tussen het jaar 64 en 67, waarna hij zich voegde bij de zielen onder het altaar, die onthoofd waren voor het getuigenis van Jezus (zie Openbaring 6:9). Hij heeft de brief dus nog vóór de verwoesting van Jeruzalem en de tempel geschreven. Jezus gaf (bijvoorbeeld in Mattheüs 24 en 25) aan dat Zijn komst zou zijn wanneer die verwoesting zou plaatsvinden. Dat houdt tevens in dat het oordeel en de opstanding ook in die tijd moest worden verwacht, zoals blijkt uit de overeenkomsten die ik hiervoor beschreef. De komst van de Heer, de ondergang van Jeruzalem, de opstanding van de doden en het oordeel zien we hand in hand gaan. Er wordt in het Nieuwe Testament ook maar van één komst gesproken en dat is die komst in oordeel over de levenden en de doden.

Als nu de tempel en Jeruzalem nog onaangetast zijn en er lopen twee heren rond die verkondigen dat de opstanding al heeft plaatsgevonden, dan zijn deze mannen een dwaalleer aan het verspreiden. Dat is de eenvoudige en duidelijke reden waarom Paulus Timotheüs voor hen waarschuwt. Als wij nu, vandaag, ver ná de verwoesting van de tempel en het oordeel over Jeruzalem, zeggen dat de opstanding reeds heeft plaatsgevonden, is dat iets heel anders. En gezien de tijdsbepalingen in de betreffende teksten, lijkt het mij overduidelijk dat we dat station al gepasseerd zijn. Het is echter voor veel mensen moeilijk te verteren dat het misschien niet om een fysiek opstaan van dode lichamen gaat. Dat komt waarschijnlijk omdat het door een aantal vooraanstaande kerkleiders wel zo gebracht is. Het woord voor 'opstanding' wordt weliswaar een aantal keer gebruikt in verband met het letterlijk levend worden van een dood lichaam, maar dan wordt dat specifiek vermeld. Paulus gebruikt het woord verder altijd in verband met een geestelijke opstanding, een geestelijk levend worden voor, door en mét Jezus (zoals in de voorbeelden die ik aanhaalde uit Efeziërs 2). Het idee van een grootschalige herrijzenis van vleselijke, met onze aardse zintuigen waarneembare lichamen, is een vrij breed geaccepteerde gedachte. Maar wat ik hier probeer te laten zien is dat dit absoluut niet overduidelijk zo in de Geschriften staat. Eerder het tegenovergestelde. Het hele gebeuren zou in hun tijd plaatsvinden en het zou een geestelijke aangelegenheid zijn, met de toevoeging dat een fysiek veranderen van de overgebleven volgelingen niet uitgesloten is. Het lijkt er op dat zij actief uitzagen naar een fysieke verandering van de levende volgelingen (1 Johannes 3:2):

Geliefden, wij zijn kinderen van God, maar het is nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn. Maar wij weten, dat als Hij geopenbaard zal zijn, wij aan Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is.

Maar eerst weer even terug naar de opstanding van de doden. Wanneer we in het stukje in 2 Timotheüs 2 tussen de regels door lezen, kunnen we ook nog opmerken dat men zelfs geen fysieke opstanding verwáchtte. Anders had Paulus met betrekking tot de dwaalleer van die twee mannen gewoon kunnen zeggen: “kijk maar om je heen... zie jij ergens een grote menigte mensen rondlopen die uit de dood zijn opgestaan? Zie jij ergens opengebroken graven? Zie je wel, deze mannen hebben ongelijk!” Maar dat Zei Paulus niet. Waarom zouden mensen van hun geloof afgebracht worden door twee mannen die een fysieke opstanding verkondigen, welke zichtbaar, aantoonbaar, overduidelijk nog niet heeft plaatsgevonden? Dat is niet logisch. Men verwachtte blijkbaar iets anders. En als men deze mannen zou geloven, dan zou hen dat passief maken, misschien teleurgesteld dat ze het gemist hadden. Zo brachten zij mensen van hun geloof en verwachting af.

Paulus heeft het ook over de opstanding in 1 Korinthiërs 15. Daar besteedt hij er een heel hoofdstuk aan om aan de christenen in Korinthe duidelijk te maken dat ze geen fysieke opstanding in een aards lichaam moesten verwachten, maar een geestelijke opstanding in een hemels lichaam. De eerste 34 verzen besteedt hij aan het gegeven dat er wel een opstanding moet zijn, want anders zou het hele geloof in Jezus geen zin hebben. Hij is toch teruggekomen uit de dood en door velen gezien? Vanaf vers 35 gaat hij dieper in op de vraag hoe de doden terugkomen en met wat voor lichaam. Hij noemt het zelfs dwaas om die vraag te stellen. Als je iets zaait, krijg je toch niet hetzelfde zaadje terug? Je krijgt iets nieuws. Zo wordt een vergankelijk lichaam gezaaid en staat een onvergankelijk lichaam op. Je zaait schaamte en krijgt er heerlijkheid voor terug. Je zaait in zwakte en krijgt kracht terug. In 1 Korinthiërs 15:44 zegt hij vervolgens:

Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam.

Eerst kwam het natuurlijke (aardse, ongeestelijke), daarna het onstoffelijke, geestelijke. Hun aardse vader was Adam (wat letterlijk aarde / stof betekent). En zo zouden zij ook zijn als Degene die van de hemel was; dus geestelijk en onstoffelijk. Paulus gebruikte voor 'natuurlijk' het woord 'psychikon' (ziels), dat verwijst naar aards of dierlijk leven, zonder inspiratie. Het woord voor 'geestelijk' is 'pneumatikon': beademd, geïnspireerd, levend gemaakt door God. Dit schijnt nog een extra helder licht op het gedeelte over de 'opname' uit 1 Thessalonicenzen 4. Deze opname staat rechtstreeks in verband met de opstanding van de doden en heeft dus alles te maken met het worden als Jezus, de Heer die Geest is, (Hij die de adem, de inspiratie van God heeft en geeft) en vrijheid brengt. Dat vinden we in 2 Korinthiërs, waar Paulus de tegenstelling tussen het leven vanuit de wet van Mozes en het leven met Jezus uitlegt. Mensen die onder de wet wilden leven konden de heerlijkheid van de aanwezigheid van God, die afstraalde van het gezicht van Mozes, niet verdragen; daarom moest Mozes zijn gezicht bedekken, maar... (2 Korinthiërs 3:17-18):

...de Heer is de Geest; en waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid. En wij allen, die met onbedekt aangezicht de heerlijkheid van de Heer als in een spiegel aanschouwen, worden naar datzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van de Geest van de Heer.

Van de heerlijkheid van de wet, naar de heerlijkheid van het Koninkrijk van Jezus, waarin vrijheid, genade en volledige vervulling zou zijn. Paulus sprak er ook over in de hoofdstukken 6 en 7 van de brief aan de Romeinen. Hij benoemt daar alle beperkingen en moeiten van het aardse lichaam van de wet en eindigt met de woorden (Romeinen 7:24-25):

...wie zal mij verlossen uit dit lichaam van de dood? Ik dank God, door Jezus de Ingewijde, onze Heer...

Wat is dat 'lichaam van de dood' en hoe werd hij daarvan verlost? Daar gaat hij in hoofdstuk 8 verder op in, door het leven in de Geest te beschrijven, waarin geen veroordeling en dood meer is. Maar het gaat nóg verder, want er moest nog meer heerlijkheid geopenbaard worden. Er moest nog een uiteindelijke vervulling komen van het verbond met Israël. hoofdstukken en verzen waren in de oorspronkelijke tekst van de Bijbel niet aanwezig. De hele brief aan de Romeinen kun je daarom als één geheel lezen. Dan wordt duidelijk wat Paulus eigenlijk wilde zeggen. Alles werkt toe naar een climax. Het loont de moeite om de hele brief eens zelf door te lezen, maar ik wil er hier in de bespreking van 'de opstanding van de doden' nog één stuk uitlichten. Het is voor velen een bekende tekst waar Paulus een verwachting beschrijft van iets dat op het punt stond te gebeuren (Romeinen 8:18-23):

Want ik blijf erbij, dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet te vergelijken is met de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden. Want het schepsel, als met opgeheven hoofd, verwacht de openbaring van de zonen (erfgenamen) van God. Want het schepsel is aan zinloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om de wil van Hem, die het aan de ijdelheid onderworpen heeft; in de hoop dat ook het schepsel zelf vrijgemaakt zal worden van de dienstbaarheid aan de verderfenis, tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. Want wij weten, dat het hele schepsel tezamen zucht en tezamen als in barensnood is tot nu toe. En niet alleen dit, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf, zeg ik, zuchten in onszelf, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam.

In de Statenvertaling is dit gedeelte op zich niet slecht vertaald, maar we moeten toch weer gaan kijken naar de achtergrond van bepaalde woorden. Wij missen veel als we geen onderzoek doen naar de herkomst en het gebruik van de sleutelwoorden in dit stukje tekst.

Er staat namelijk een belangrijk Grieks woord mellousan, dat afkomstig is van het woord melló, dat we al behandeld hebben. Het staat in de oorspronkelijke tekst vóór het woord 'heerlijkheid' en betekent 'aanstaande' of 'spoedig komende'. In de eerste zin moet daarom zoiets staan als: “De heerlijkheid die spoedig in ons geopenbaard zal worden.” De uitspraak is verwachtingsvol, omdat het niet lang meer zou duren voordat die openbaring kwam.

Het woord 'schepsel' is goed vertaald. Dat is het Griekse woordje ktisis, wat zowel 'schepsel' als 'schepping' kan betekenen. Wat betekent het hier? Dat moet blijken uit de context, want op zich kan het beide betekenissen hebben. Maar ik denk dat 'schepsel' de juiste vertaling is, omdat het overeenstemt met de rest van dit stuk. Het 'schepsel' is dat wat God geschapen heeft, namelijk: zijn volk Israël. Kijk maar eens naar Jesaja 43:1 en 15:

Maar nu, zo zegt Jahweh, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israël! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij...

Ik ben Jahweh, uw Heilige; de Schepper van Israël, uw Koning.

God schiep Israël en zijn volk was in de tijd van Paulus onderworpen aan 'zinloosheid' (Grieks mataiotés ). Een woord dat drie keer voorkomt in het nieuwe testament. Hier in Romeinen, in Efeziërs 4:17 en in 2 Petrus 2:18. Het betekent 'doelloos', 'ongepast', 'zinloos' of 'ijdel' en gaat altijd over mensen en niet over de schepping als geheel (met dieren, bomen, bergen en zeeën). Dit is de eerste aanwijzing dat het inderdaad niet over de hele schepping gaat, maar over Israël. Wellicht wil het al genoeg zeggen dat Paulus de volgende drie hoofdstukken wijdt aan het herstel van Israël, maar ik wil hier aantonen dat het woordgebruik deze interpretatie volledig ondersteunt.

Het volgende woord is namelijk 'vrijgemaakt'; het Griekse woord elutheroó. Het komt 7x voor. In Johannes 8:32-36 wordt het twee keer gebruikt om te zeggen dat de waarheid vrij zou maken en dat wie door de Zoon vrijgemaakt was, waarlijk vrij zou zijn. In Romeinen 6:18 en 22 spreekt het twee keer over vrij zijn van zonde. In Romeinen 8:2 gaat het over Jezus die hen vrij maakte van de wet, net als in Galaten 5:1, waar de lezer nog werd aangespoord om zich dan niet weer een juk van de wet te laten opleggen. Zo kunnen we vaststellen dat het woord enkel gebruikt wordt voor het vrijkomen van het juk van de zonde en de wet. Dat was ook wat God Israël beloofd had. Hij zou ze vrijmaken en de wet op hun hart schrijven (zie Jeremia 31:31-34). Zij waren onder de wet en werden daarvan bevrijd. In tegenstelling tot andere volken die de wet niet hadden en daar dus niet van bevrijd hoefden te worden. Die hoefden zich slechts tot God te keren. Andere volken vielen niet onder die wet en konden dus ook niet volgens die wet konden worden veroordeeld (Romeinen 4:15):

Want de wet werkt toorn; want waar geen wet is, daar is ook geen overtreding.

Verder met Romeinen 8:18-23. De woorden 'dienstbaarheid aan de verderfenis' zijn de vertaling van het Grieks douleias tés phthoras. Het eerste woord komt 5x voor en betekent altijd 'slavernij' of 'gebondenheid' van mensen, niet van dingen (zie Romeinen 8:15, Galaten 4:24, 5:1 en Hebreeën 2:15). Het tweede woord betekent letterlijk 'vergankelijkheid' en is neutraal, dus het kan zowel voor mensen als dingen worden gebruikt. Het gaat met deze uitspraak dus over mensen die gebonden waren aan de vergankelijkheid.

Het schepsel (Israël) zou dus verlost worden van vergankelijkheid en zinloosheid, vrijgemaakt van slavernij en aangenomen worden als kinderen van God. De periode waarin Paulus werkte wordt dan ook wel eens de tweede exodus genoemd. Evenals de eerste exodus duurde ook deze periode 40 jaar. Paulus zei dat zij onder die slavernij hadden geleden, zelfs zij die de 'eerstelingen van de Geest' hadden, tot op dat moment!

...ook wijzelf, zeg ik, zuchten in onszelf, verwachtende de aanneming tot kinderen...”

Blijkbaar was de tijd aangebroken dat dit lijden voorbij zou zijn en de heerlijkheid aan hen geopenbaard zou worden. Hadden zij nog geen 'verlossing' dan? Was er nog geen verlossing door het bloed van Jezus? Jawel, maar Paulus spreekt hier specifiek over de 'verlossing van hun lichaam', die nog aanstaande was. Daar is taalkundig ook iets mee aan de hand, want het bevestigt dat het hier om één lichaam gaat: de gemeente van ware gelovigen. In de woorden 'ons lichaam' is 'ons' meervoud en 'lichaam' enkelvoud (soma). Als hij de opstanding van individuele lichamen had bedoeld dan had hij wel 'onze lichamen' (somata) gezegd, zoals hij deed in 1 Korinthiërs 6:15: “...dat uw lichamen leden van de Ingewijde zijn”, sprekend over het 'lichaam van de Ingewijde', bestaande uit individuele lichamen van mensen.

Het is mijns inziens duidelijk dat de gelovige Israëlieten als één lichaam met Jezus bij Zijn openbaring tot volkomenheid zouden komen; dat het ware, gelovige Israël (dat haar vertrouwen op de Ingewijde stelde) zou opstaan uit de dood (de vergankelijkheid, de slavernij) en haar erfenis in ontvangst zou nemen. Iets waarop Paulus in de daaropvolgende 3 hoofdstukken uitgebreid ingaat.

Een gedeelte waar deze uiting van verwachting ook weer gepaard gaat met een duidelijke uitspraak over de geestelijke aard van sterven en opstaan uit de dood, is Kolossenzen 3:1-4:

Als u dan met de Ingewijde opgewekt bent, zoek dan ook de dingen die boven zijn, waar de Ingewijde aan de rechter hand van God zit. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want u bent gestorven, en uw leven is met de Ingewijde verborgen in God. Wanneer de Ingewijde, Die ons leven is, geopenbaard wordt, dan zult u ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.

Paulus sprak over een geestelijk sterven en een geestelijke opstanding die toen al actueel was, maar er was daarnaast nog iets waar hij naar uitzag. Hij had de verwachting van de openbaring van de Ingewijde. De vervulling daarvan vinden we uitgebreid beschreven in het boek met de toepasselijke naam 'De openbaring van Jezus de Ingewijde'. En dat was een verwachting die op korte termijn in vervulling zou gaan. In Genesis 3 zien we dat Adam de levensadem van God (het geestelijke leven) verliest, door zijn onafhankelijkheidsverklaring. Door te kiezen voor een leven onder de wet, in plaats van een leven vanuit een relatie met God. Paulus zei dan ook dat de letter (van de wet) doodt en uiteindelijk teniet zou worden gedaan, maar dat de Geest van God levend maakt. En hij sprak de verwachting uit dat zij de heerlijkheid van God zouden gaan weerspiegelen (2 Korinthiërs 3). God had de mens gewaarschuwd dat het eten van de boom van kennis van goed en kwaad zou leiden tot een onmiddellijke dood (Genesis 2:17):

Maar van de boom van kennis van goed en van kwaad, daarvan zult u niet eten; want ten dage dat u daarvan eet, zult u de dood sterven.

Adam stierf die dag niet lichamelijk, hij stierf pas honderden jaren later, maar hij verloor die dag wel het leven van en met God. In Jezus werd dit leven echter weer voor zijn nakomelingen beschikbaar. Jezus gaf Zijn leven vrijwillig om leven te geven aan Zijn geliefde volk. De boom van kennis leidde, evenals de later onder leiding van Mozes aan Israël gegeven wet, tot de dood. Jezus plantte zichzelf in de aarde en bracht vrucht voort, dat tot leven (opstanding uit de dood) leidde. Hij noemde zichzelf in Johannes 12:24 een zaad (om precies te zijn een graankorrel) dat in de aarde zou vallen en zou sterven, waarna Hij veel vrucht zou voortbrengen. Laat ik dat vrij vertalen: Jezus werd door Zijn sterven en opstanding uit de dood een boom van leven. Deze vergelijking lijkt mij geoorloofd, omdat Jezus zichzelf ook vergeleek met een wijnstok (Johannes 15) en in Openbaring 22 de levensboom weer bloeide in het nieuwe Jeruzalem. Wie zou eten van die Boom, zou leven en niet sterven. Ik denk dat wij nu, in deze tijd, ons lichaam verlaten en doorleven in Zijn aanwezigheid. Wij hoeven niet meer te wachten op een fysieke 'opstanding uit de dood'. Als er al een fysiek element in die opstanding zat, dan was het iets dat plaatsvond bij 'het einde' en dat was de vernietiging van Jeruzalem en de Tempel. Door het afschaffen van 'de dood', leven we nu al en zullen we blijven leven, zelfs al gaat ons lichaam dood.

Het blijkt uit hun brieven dat Johannes, Jacobus, Petrus en Paulus verwachtten dat 'het einde' (het oordeel, de 'dag van de Heer', met de 'verschijning' van de Heer in Zijn Koninkrijk, de 'opname' van de gelovigen inclusief de 'opstanding van de doden') spoedig zou komen. Volgens sommigen was er ook een fysiek veranderen van de volgelingen bij de komst, waarbij ze daadwerkelijk werden opgenomen in de hemel, maar daarover hebben we te weinig feitelijke informatie en het lijkt mij ook niet logisch, anders zou de Bijbel wel bol gestaan hebben van de verwachting dat dit daadwerkelijk zou gebeuren. Men kan hooguit speculeren dat we die informatie niet hebben omdát ze er niet meer waren. Iedereen was óf omgekomen óf opgenomen. Meer dan een miljoen mensen werden gedood in de opstand en dan kun je jezelf afvragen of het wel opviel dat er in die chaos ook nog mensen verdwenen. De mensen die overbleven zouden dan ongelovigen geweest zijn, die er geen enkele behoefte aan hadden om christelijke geschriften te produceren; ze hadden het namelijk veel te druk met de wederopbouw van het land. Zoals gezegd zie ik in eerste instantie een geestelijke vervulling en zelfs als er toch een fysieke opname in de tekst gelezen moet worden, dan heeft die al plaatsgevonden. Maar de totale afwezigheid van enige aanwijzing daarvoor maakt dat scenario onwaarschijnlijk.

Samenvattend moeten we deze dingen goed in de gaten houden, bij het onderzoeken en interpreteren van de Bijbel: Wat is de context? Wat is de doelgroep? Wat zijn de specifieke bewoordingen? En wat staat er in de oorspronkelijke taal?

Openbaring van Jezus (niet voor ons maar voor Israël)

Openbaring is het laatste boek in onze bijbels. Het is een boeiend boek, vol symboliek. We lezen van wonderbaarlijke wezens, 'afgezanten' (engelen), vreemdsoortige situaties, ontzagwekkende rampen en gruwelijke gebeurtenissen, lofliederen, klaagliederen, veldslagen, nederlagen en uiteindelijk een grote overwinning. Maar het hoofddoel vinden we gelijk in de eerste zin. Het boek begint namelijk met de volgende woorden:

De openbaring van Jezus de Ingewijde, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienstknechten te tonen de dingen, die spoedig moeten gebeuren

Dit is het thema, uitgewerkt in een reeks allegorische verhalen met Jezus in de hoofdrol. Het Griekse woord voor openbaring is 'apokalupsis', wat letterlijk betekent dat er een bedekking wordt weggenomen, net als bij het onthullen van een standbeeld. Het boek kan dus ook 'De onthulling van Jezus de Ingewijde' genoemd worden.

Dat er een bedekking was, waardoor de Joden van toen (de dienstknechten van God) Jezus niet zagen zoals Hij was, blijkt bijvoorbeeld uit 2 Korinthiërs 3:13-18. Paulus zegt daar dat voor de 'kinderen van Israël' de ware betekenis van hun geschriften verborgen was, maar dat ze Jezus door de Heilige Geest zouden kunnen zien zoals Hij werkelijk was.

Het woord 'apokalupsis' komt 26x voor in het Nieuwe Testament. Een mooi voorbeeld is Lukas 17:20-37. De Farizeeën vragen Jezus daar wanneer het Koninkrijk van God komt. Jezus geeft een heel uitgebreid antwoord. Je kunt het Koninkrijk niet zien, je kunt het niet aanwijzen, maar de dag dat de Mensenzoon geopenbaard wordt (apokaluptetai - vers 30), zal een dag van vurig oordeel zijn.

De dingen die Johannes te zien kreeg moesten spoedig plaatsvinden. Dit blijkt uit zijn gebruik van de Griekse woorden tachei en tachu, die ook elders in de Bijbel gebruikt worden om aan te geven dat dingen in een korte tijd of gauw gebeuren. Daarbij richt Johannes zich direct tot een groep mensen in de eerste eeuw en wekte daarmee de verwachting dat het niet lang meer zou duren.

De context van dit boek komt sterk overeen met de 'rede van de laatste dingen' in Mattheüs 24 en 25, Markus 13 en Lukas 21. De overeenkomsten tussen de verslagen van de Mattheüs, Markus en Lukas zijn duidelijk. In het evangelie van Johannes vinden we echter nergens iets dat lijkt op zo'n rede, maar het boek Openbaring staat er vol mee en dat is hoogst waarschijnlijk van de hand van dezelfde Johannes. We kunnen Openbaring dan wellicht zien als Johannes' versie van die rede. Hij heeft feitelijk een apart boek gewijd aan het einde van de oude dingen en het begin van het nieuwe; meer dan de andere evangelisten bij elkaar. Hij stond naar eigen zeggen van alle leerlingen het dichtst bij Jezus. Hij was Jezus' beste vriend. En bij wie kun je beter je hart uitstorten dan bij degene die je het meest vertrouwt? Jezus had zo'n goede band met Johannes, dat Hij hem zelfs ná Zijn dood, opstanding en hemelvaart nog bezocht, om zeer gedetailleerd uiteen te zetten wat er nog stond te gebeuren. Johannes ziet Jezus, de Mensenzoon, geopenbaard worden in al Zijn macht en majesteit, om af te rekenen met Zijn vijanden en om Zijn eeuwigdurende Koninkrijk te vestigen.

In het eerste hoofdstuk lezen we over een visioen waarin Johannes Jezus ziet, de verheven Ingewijde in al zijn glorie en koninklijke waardigheid, wandelend tussen zeven kandelaren. We lezen dat het boek aan zeven gemeenten is gericht, die gesymboliseerd worden door die zeven kandelaren. Niet langer is er slechts één kandelaar met zeven armen, in een statische tempel in Jeruzalem. Het licht is verspreid over de wereld. De Geest van God wordt gezien als zeven geesten. Niet langer vervult Hij slechts en enkeling, maar hij versterkt en verlicht velen.

We lezen van zeven gemeenten, zeven brieven, zeven sterren, zeven zegels, zeven schalen, zeven heuvels, zeven afgezanten en nog meer zevens. Door het hele boek Openbaring heen zien we specifieke getallen voorkomen, zoals 2, 3, 7, 12, en 1000. Twaalf staat voor de twaalf stammen van Israël en de twaalf zendelingen (apostelen). Duizend staat voor een groot getal, een volledigheid of een lange periode. Zeven geeft in de Bijbel ook vaak iets van 'het totaal' of volledigheid aan. Je zou kunnen zeggen dat Openbaring met al die zevens een absolute en totale vervulling laat zien van de hele Bijbelse geschiedenis. Temeer omdat bijna alles wat we lezen in Openbaring al eerder in de Bijbel genoemd wordt. Het is de aankondiging van het einde van een tijdperk en het begin van een nieuwe tijd.

Johannes krijgt in het volgende te horen (Openbaring 1:19):

Schrijf de dingen die u gezien hebt, de dingen die zijn en dat wat direct na die dingen gaat gebeuren.

Het Griekse woord dat ik met 'direct na' heb vertaald is mellei, van het woord melló, waarmee een direct gevolg wordt aangeduid. Ik heb al laten zien dat dit gegeven, de verwachting van een spoedig, snel, haastig en binnenkort plaatsvinden op vele plaatsen in het Nieuwe Testament voorkomt.

In de volgende twee hoofdstukken (2 en 3) dicteert Jezus zeven brieven aan de zeven gemeenten in Asia, het westen van het huidige Turkije: Efeze, Smyrna, Pergamus, Thyatira, Sardis, Filadelfia en Laodicea. Hierin worden persoonlijke instructies gegeven.

Vanaf hoofdstuk 4 gaat het visioen verder met een blik in de geestelijke wereld. We zien de troon van God en de hele schepping die Hem eert. Dit wordt beschreven in prachtige symbolische taal. Symboliek kan soms lastig te interpreteren zijn, maar als je de rest van de Bijbel en het gebruik van de beeldtaal een beetje leert kennen, is het vaak wel duidelijk. Dan zien we zware oordelen over het land komen, elk oordeel volgend op het openen van elk van zeven zegels van een boekrol. De zegels konden alleen geopend worden door Jezus, die vergeleken wordt met een leeuw én een lam, dat eruit zag alsof Het geslacht was. Het lam had zeven hoorns en zeven ogen, die de 'zeven Geesten van God' voorstelden. Hoorns zijn in het Joodse denken een beeld van kracht (denk aan de hoorns van een stier). Met ogen zien we en 'zeven ogen' betekent dan dat Hij alles ziet. Zeven geesten staat voor 'volledigheid van geest', dus moet je niet denken aan letterlijk zeven afzonderlijke geesten maar meer iets in de zin van alomtegenwoordigheid, of de grootste en meest prominente geest. Bedenk ook dat de menora, de olielamp in de tempel, zeven armen had. Het is alsof deze Openbaring ons wil zeggen dat het licht van Gods Geest niet meer beperkt is tot één plaats in een afgesloten ruimte ergens in een stad, maar nu overal, onder de mensen is. Jezus is de absolute koning (leeuw) en nederige dienaar (lam), Die Zichzelf heeft opgeofferd. Hij was waardig om de boekrol van zijn zegels te ontdoen, want Hij had voor de Israëlieten uit alle geslachten, stammen, talen en volken betaald met Zijn bloed. Hij heeft het recht om recht te spreken en te oordelen.

We zien vervolgens het openen van zeven zegels, wat de gebeurtenissen voorafgaand aan de vernietiging van Jeruzalem opsomt. Dan volgt het blazen van zeven bazuinen en het uitgieten van zeven schalen waarmee in toenemende mate de ellende van Joodse oorlog van AD66-70 wordt beschreven. Drie keer zeven, waarmee weer een volledigheid wordt aangegeven. Ergens tussendoor hoort Johannes ook nog zeven donderslagen. Daarvan mag hij echter niets zeggen. In totaal zijn er dus vier zevens, waarvan er drie worden uitgewerkt. Dit doet mij denken aan een gedeelte uit Leviticus. God had Zijn volk duidelijk gewaarschuwd, dat Hij hen ernstig en volkomen (zevenvoudig) zou straffen als zij zich niet aan Zijn geboden zouden houden en hardnekkig zouden blijven zondigen, zo lezen we in Leviticus 26: 18-33 (ik licht er enkele zinnen uit):

En als u na deze dingen nog niet wilt luisteren, zal Ik er op overgaan, om u zevenvoudig voor uw zonden te tuchtigen. Want Ik zal de trots van uw kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper... En als u tegen Mij ingaat en niet naar Mij wilt luisteren, zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen laten komen... Ik zal u zevenvoudig voor uw zonden slaan. Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de wraak van het verbond wreken zal, zodat u in uw steden vergaderd zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en u zult in de hand van de vijand overgegeven worden... Ik zal u zevenvoudig over uw zonden tuchtigen. Want u zult het vlees van uw zonen eten, en het vlees van uw dochters zult u eten... En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; ... Ja, Ik zal dat land verwoesten... Ik zal u onder de volken verstrooien; ... en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestenij zijn.

Vier maal zegt God dat Hij ze zevenvoudig zal straffen als ze koppig blijven zondigen. Twee keer wordt de zeven direct gevolgd door het woord 'slaan'. Hij zal hun land en steden verwoesten en ze verstrooien onder de volken. En dat is ook precies wat Flavius Josephus, een Joodse geschiedschrijver uit de eerste eeuw, in zijn boek 'De Joodse Oorlog' vertelt. De Joden werden volgens hem in het jaar 70 na Chr. volkomen verslagen en verstrooid. Een gruwelijk detail waarvan Josephus bericht is dat de Joden die naar Jeruzalem gevlucht waren, tijdens het beleg zo wanhopig werden van de honger, dat ze daadwerkelijk hun eigen kinderen opaten. Hij beschrijft nog meer zaken die verrassend veel lijken op de voorspellingen in Openbaring.

Het is opmerkelijk dat Johannes in het boek Openbaring vier keer zeven slagen beschrijft: in zeven zegels (Openbaring 6), zeven bazuinen (Openbaring 8), zeven donderslagen (Openbaring 10) en zeven schalen (Openbaring 16). Van de zeven donderslagen weten we niet wat ze inhielden, omdat Johannes niet toegestaan werd om erover te schrijven, maar in het licht van het geheel kunnen we aannemen dat het ook hier om 'slagen' ging. Deze 'slagen' worden ook wel 'plagen' of 'straffen' genoemd. Het woord voor 'straf' heeft in de Bijbel vrijwel altijd een disciplinaire functie. Er wordt wel gezegd dat elke slag in de disciplinaire maatregel tot doel heeft om de overtreder tot inkeer te brengen. Maar zelfs na de laatste slag (zo lezen we in Openbaring 16:21), vervloekten de mensen God nog steeds. Ze waren onverbeterlijk. En hiermee is de toon van Openbaring gezet: het gaat over een volledig en rechtvaardig oordeel over het goddeloze Israël, uitgebeeld in allerlei allegorische voorstellingen.

Gelukkig eindigt het daar niet mee. Er zit een positieve wending in, anders zou dit een heel depressief verhaal worden. Houd in gedachten dat Gods oordeel altijd tot doel heeft om het goede en het kwade te scheiden; om het beste naar voren te halen en het verkeerde af te voeren. Niet alle Israëlieten waren slecht. Velen van hen gingen in hun lang verwachte Meshiach geloven en kwamen niet om in het oordeel. Het woord 'oordelen' (in het Grieks: krima) betekent 'vaneen scheiden', 'onderscheid maken' of 'selecteren'. De goede en de slechte mensen werden gescheiden en het werd duidelijk wie de ware Israëlieten waren.

Nu iets over de hoofdrolspelers die in paren in het boek worden geïntroduceerd. We zien natuurlijk Jezus als Overwinnaar en God de Schepper. Dan volgen er nog een aantal markante typebeelden in tweetallen. Er worden twee steden genoemd. Het oude Jeruzalem, dat de geestelijke namen Sodom, Egypte en Babylon krijgt; het is de stad van de aarde, die vol is van ongerechtigheid. De andere is het nieuwe Jeruzalem; het komt uit de hemel en is vol van heerlijkheid. Dan zijn er twee beesten. De één komt uit de zee en de ander van het land. De zee symboliseert in de Bijbel de 'volken'. Het land is een symbool voor Israël, wat ik verderop zal uitwerken. We zien twee misleiders: de 'draak' (de slang, de duivel, Satan) en de 'valse profeet'. Zij symboliseren de aanklagers. De 'oude slang', een satanische geest die al sinds het paradijs de mensen probeert te verleiden om te leven vanuit eigengerechtigheid, wetten en regels en dan de 'valse profeet', die samenwerkt met het eerste beest en probeert de mensen vanaf de aarde te verleiden. Vervolgens zijn er twee getuigen. Zij symboliseren de wet en de profeten. Tot slot zijn er de twee vrouwen. De één is een ontrouwe vrouw en rijdt op het beest uit de zee en komt zinnebeeldig overeen met de eerste stad, de ander is een trouwe vrouw, die komt uit de hemel en is gelijk aan de tweede stad. Zo zien we dat de symboliek ook kan overlappen. De eerste stad en de ontrouwe vrouw vertegenwoordigen het ontrouwe, rebelse Israël, met het aardse Jeruzalem als hoofdstad. De tweede stad en de trouwe, gehoorzame vrouw vertegenwoordigen de nieuwe bruid van de Ingewijde. Hierin zien we alle getrouwe Israëlieten die God willen dienen en verlangen naar Zijn gerechtigheid.

Het hele boek lijkt wel een 'Game of Thrones', een strijd tussen de machten van de aarde en de machten van de hemel. Door te begrijpen wat de rol van de spelers is in dit gevaarlijke machtsspel, kunnen we inzicht krijgen in de betekenis van alle symboliek, fantastische wezens en vreemdsoortige karakters. Daarbij zijn er ook nog delen die 'overlappen', net als een film waar we af en toe terug gaan in de tijd en dan weer vooruit. Daarom probeer ik Openbaring ook niet vers voor vers uit te leggen, maar ik wil ik laten zien hoe we al die typebeelden kunnen plaatsen. Als we dat kunnen, en wanneer we een samenhangend totaalplaatje hebben, dan zijn de details veel makkelijker een plek te geven in het grote geheel.

Je gaat bij een groot, complex schilderij ook niet proberen elk detail te begrijpen, voordat je weet wie het geschilderd heeft, wanneer en onder welke omstandigheden het ontstaan is en wat het totale plaatje voorstelt. En zelfs als je het totaalplaatje hebt is het nog niet altijd mogelijk om te achterhalen waarom de schilder net op die ene plek dat specifieke verfstreepje heeft geplaatst. Maar als je afstand neemt van het schilderij en je bekijkt het geheel, met het opschrift, binnen de omlijsting die ervoor gekozen is, dan weet je in ieder geval wel waar het over gaat; ondanks dat je niet weet hoe je sommige details moet duiden of verklaren...

Het thema van Openbaring is duidelijk dat Jezus de Ingewijde geopenbaard wordt in een reeks oordelen en een uiteindelijke machtsovername. Een belangrijke, zelfs cruciale vraag om de context te kunnen achterhalen is dan ook: wanneer zou dat alles plaatsvinden?

We zagen al dat het boek Openbaring als het ware geflankeerd wordt door tijdsbepalingen. Wanneer zouden die dingen geschieden? Spoedig. Weldra. De tijd is nabij. (Op.1:1-3) “Ik kom spoedig,” zei Jezus (Op.22:20). Als het dan allemaal 'spoedig' zou geschieden, dan lijkt het niet waarschijnlijk dat het vandaag, tweeduizend jaar later nog moet gebeuren. Natuurlijk kunnen er vandaag nog wel dingen gebeuren die lijken op dingen die genoemd worden in Mattheüs 24 en 25, Markus 13, Lukas 21 en het boek Openbaring, maar niet meer die specifieke dingen die voorspeld werden, want dat zou 'spoedig' gebeuren, in die tijd.

Vind je dit te kort door de bocht? Dan zullen we de eerder genoemde principes van doelgroep, context, vergelijking van woorden en betekenis van de grondtaal toepassen...

Het woord dat door Johannes gebruikt wordt voor 'weldra' en 'spoedig' is 'tachu', zoals in de eerste zin van het boek. Dat Griekse woord betekent in deze en in alle andere vormen snel, vlot, vlug, haastig, zonder uitstel, plotseling, gauw. Het wordt nergens gebruikt voor iets dat eens, in een mogelijk verre toekomst, plotseling of snel gaat gebeuren. Zo wordt het echter wel door sommigen geïnterpreteerd, om de profetieën in de toekomst te kunnen plaatsen. Johannes zelf gebruikt het woord in deze vorm wanneer hij vertelt dat Lazarus was overleden. Jezus gaat op weg naar de zussen van Lazarus, Martha en Maria. Toen Maria hoorde dat Hij eraan kwam stond ze snel (tachu) op om Hem te ontmoeten. Ze bleef dus niet nog een poos zitten om daarna snel te vertrekken. Ze ging direct op weg.

Het woord tachu is afkomstig van tachus en verwant aan tachinos

Tachus komt maar één keer in die vorm voor: Jacobus 1:19 als tegenstelling: Snel in het luisteren en langzaam in het spreken.

Er zijn verschillende vormen

- tacheós (haastig - 10x), het gebeurt op dat moment en met haast

- tachiné (spoedig - 1x), binnenkort, heel snel

- tachinén (snel - 1x), neutraal, afhankelijk van context

- tachion (met snelheid - 4x), vaak in de betekenis van eerder dan...

- tachista (snelste - 1x), zo snel mogelijk, overtreffende trap

- en tachei (in een korte tijd, vlot - 8x, waarvan 2x in Openbaring, altijd met het woordje 'in' ervoor: 'in snelheid'), dit geeft iets aan waar haast bij is, aandrang. Het kan in Openbaring goed vertaald worden met 'binnenkort'.

> tachu (gauw - 12x, waarvan 6x in Openbaring in verband met de komst van Jezus), net als in Nederlands kan dit gebruikt worden als 'Kom/ga gauw!', 'Ik kom gauw', 'Gauw op zijn teentjes getrapt' of 'Maak het gauw in orde'. Context is dus vooral bij dit woord belangrijk. Het gaat er in Openbaring om dat dit woord gebruikt wordt wanneer Jezus tegen DIE mensen zegt: ik kom gauw. Te zeggen dat Jezus bedoelde dat hij ooit eens in een verre toekomst 'snel' of 'gauw' zou komen is in ieder geval erg ver gezocht en zou van geen belang zijn voor de mensen aan wie het geschreven is. Wat zou het voor zin hebben gehad om de mensen te schrijven het gauw zou komen, als het pas honderden jaren na zijn dood zou gaan gebeuren?

Het woord 'nabij' is het Griekse woord 'engus' en Johannes gebruikt het vaak. Elke keer betekent het gewoon 'dichtbij', 'nabij', 'vlakbij' of 'naast'. Er is geen ruimte voor twijfel: Deze dingen zouden weldra, snel, spoedig, in een voor Johannes nabije, naaste toekomst geschieden.

Zoals ik al eerder liet zien, lezen we op veel plaatsen in het Nieuwe Testament dat het Koninkrijk op het punt stond door te breken. Jezus had het er veel over, zo lezen we in de evangeliën. In Handelingen 1 zien we dat hij Zich na Zijn opstanding nog 40 dagen lang vertoonde aan vele volgelingen en met hen sprak over het Koninkrijk. Zij vroegen hem, vlak voordat Hij werd opgenomen in de hemel, wanneer het Koninkrijk zou komen. Hij zei dat de Vader dat voor Zich zou houden en dat zij kracht zouden ontvangen om het goede nieuws aan de hele wereld te vertellen. Eerder Had Jezus al gezegd dat die verkondiging eerst moest plaatsvinden, voordat het einde kon komen. Dat 'einde' zou gepaard gaan met de komst van het Koninkrijk, waarvan ik onder het kopje 'het einde van de wereld' meer zal vertellen. Het boek Handelingen verhaalt verder over de zendelingen, die de hele wereld over gaan om het goede nieuws van de komst van het Koninkrijk te verkondigen, zoals Jezus ze had opgedragen, in de verwachting dat het spoedig zou plaatsvinden en dat ze het zelf nog zouden meemaken. Zo zegt Paulus in Handelingen 14:22, nadat hij gestenigd was en voor dood achtergelaten was:

Om de zielen van de leerlingen te versterken en vermanen, zodat zij in het geloof zouden blijven, en “dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods.

Met 'wij' wordt in dat gedeelte natuurlijk de aanwezige leerlingen en Paulus zelf bedoeld. We zien het boek Handelingen eindigen met Paulus die nog steeds het Koninkrijk verkondigt. Hij zou het voorspelde einde zelf niet meer op aarde meemaken; wel het einde van zijn eigen aardse leven, want ook hij stierf een martelaarsdood in de grote verdrukking waarin ze leefden. In Openbaring 6:9-11 zien we echter dat die martelaren (waarvan ik denk dat Paulus deel uitmaakte) gewroken zullen worden; en ook wanneer.

En toen Hij het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen van hen die gedood waren om het Woord Gods, en om het getuigenis dat zij hadden. En zij riepen met luide stem, en zeiden: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet bij degenen, die op de aarde wonen? En aan een ieder werden lange witte gewaden gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een korte tijd rusten zouden, totdat ook het aantal van hun mededienstknechten en hun broeders, die gedood zouden worden net als zij, volmaakt zou zijn.

Ook daar wordt weer over een een korte tijd gesproken, totdat er een bepaalde volledigheid bereikt is. Wij zouden zeggen: tot de maat vol is. En dat zou spoedig zijn. Dit werd overigens opgeschreven door Johannes, die in het eerste hoofdstuk van het boek Openbaring zichzelfdeelgenoot in de verdrukking” noemt.

Paulus heeft het er ook over, in 1 Thessalonicenzen. 2:14-16:

Want u, broeders, bent in het voetspoor getreden van de Gemeenten van God die in Judea zijn, in de Ingewijde Jezus; u hebt hetzelfde te lijden gehad van uw eigen medeburgers, zoals zij van de Joden; die ook de Heer Jezus gedood hebben, en hun eigen profeten; en ons hebben vervolgd, en God niet behagen, en vijandig tegen iedereen zijn; En verhinderen ons te spreken tot de volken, om ze te redden; waardoor zij te allen tijde de maat van hun zonden vol maken. En de toorn is over hen gekomen tot het einde.

Paulus was rechtstreeks geïnspireerd door Jezus, die ook de leiders uit zijn tijd verantwoordelijk hield voor het geestelijk welzijn van Zijn volk. Jezus ging dan ook regelmatig tegen ze tekeer omdat ze zo corrupt waren, in de hoop dat er nog enkelen tot inkeer zouden komen. Want God wilde niet dat er iemand van Zijn volk verloren zou gaan (2 Petrus 3:9). Op een bepaald moment maakte Hij het ze zeer duidelijk dat de maat inderdaad vol was (Lukas 11:44-52):

Wee u, Schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, u lijkt op graven die niet openbaar zijn; en de mensen die er overheen wandelen weten het niet. En een van de wetgeleerden zei: Meester! als U deze dingen zegt, is dat smaad! Maar Hij zei: Wee ook u, wetgeleerden! want u belast de mensen met lasten die te zwaar zijn om te dragen, en zelf raakt u die lasten met geen vinger aan. Wee u, want u bouwt de graven van de profeten, en uw voorouders hebben ze gedood. Zo getuigt u dat u mede behagen hebt aan de werken van uw voorouders; want zij hebben ze gedood, en u bouwt hun graven. Waarom ook de wijsheid van God zegt: Ik zal profeten en zendelingen tot hen zenden, en van hen zullen zij sommigen doden, en sommigen zullen zij wegjagen, opdat van dit geslacht afgeëist worde het bloed van al de profeten, dat vergoten is van de grondlegging der wereld af. Van het bloed van Abel, tot het bloed van Zacharia, die gedood is tussen het altaar en het huis Gods; ja, zeg Ik u, het zal afgeëist worden van dit geslacht! Wee u, wetgeleerden, want u hebt de sleutel van de kennis weggenomen; uzelf bent niet ingegaan, en die ingingen, hebt u verhinderd.

De maat was vol. Dát geslacht (ook wel vertaald met 'die generatie') van leiders zou gaan meemaken dat het bloed van de martelaren van hen zou worden opgeëist. Dat is waar het grootste gedeelte van Openbaring over gaat. De maat was vol voor Jeruzalem en voor alle goddeloze Joden die niet tot inkeer wilden komen. Merk op dat Jezus begint bij het bloed van Abel, zoon van Adam, de eerste mens die koos voor een leven onder de wet (kennis van goed en kwaad). Abel was de eerste mens die het slachtoffer werd van een religieus dispuut. We lezen in Genesis 4 dat hij schaapherder werd en zijn broer Kaïn landbouwer. Ze brachten beiden een offer (waaruit blijkt dat ze al iets van wetten, schuld en het brengen van offers kenden); Kaïn van de opbrengst van zijn land en Abel een dier van zijn kudde. Er lijkt op het eerste gezicht niets mis met wat zij deden, maar God ziet altijd ons hart aan en niet wat we doen (1 Samuël 16:7). Hij accepteerde het offer van Abel, maar het offer van Kaïn niet. Kaïn werd boos en doodde zijn broer Abel. Beiden verrichtten een religieuze handeling, maar de broer die de verkeerde motieven had werd verteerd door een ongecontroleerde woede tegen zijn rechtvaardige broer. Ook Zacharia werd om religieuze redenen vermoord, tussen het altaar en het huis van God. Het bloed van al die rechtvaardigen zou in die generatie opgeëist worden. De maat was vol.

Lukas gebruikte het woord 'geslacht' of 'generatie' meerdere keren en bedoelde daar daadwerkelijk die generatie mee; niet het 'geslacht van Joodse leiders in het algemeen' of 'het hele Joodse volk door alle generaties heen' zoals wel eens wordt gezegd. Hij gebruikt dat woord voor het eerst in hoofdstuk 1 vers 48-50, waar Maria God looft en zegt dat alle generaties haar vanaf dat moment gelukkig zullen prijzen en dat Zijn barmhartigheid is van generatie tot generatie. Probeer je eens voor te stellen wat Jezus met datzelfde woord bedoelde, toen Hij het over de “ongelovige en perverse generatie” had (Lukas 9:41). Bedoelde Hij daar alle Joden in alle tijden mee? Of de uitspraak “dit verdorven geslacht zoekt een teken en krijgt alleen het teken van Jona... en de mannen van Ninevé zullen het veroordelen...” (Lukas 11:29-32); ging dat over alle toenmalige en toekomstige Joden? En zou Jezus (volgens Lukas 17:25) echt door alle Joden van alle tijden worden verworpen? Zoek eens alle teksten op waar dit woord gebruikt wordt en kijk wat het meest voor de hand liggende gebruik ervan is. Lees bijvoorbeeld Hebreeën 3:7-19, dat spreekt over een 'generatie' (in vers 10 - hetzelfde woord). Dat gedeelte gaat over de mensen die veertig jaar met Mozes door de woestijn trokken. In die context wordt het woord duidelijk gebruikt om één generatie van 40 jaar aan te geven. Zo kunnen we een vergelijking maken met de veertig jaar tussen Jezus' hemelvaart en Zijn oordeel over dat geslacht; de veertig jaar die volgden op bovengenoemde woorden uit Lukas 11. Dit geeft ons een aardige indicatie wanneer Openbaring geschreven moet zijn: ergens tegen het einde van die 40 jaar (rond 65 na Chr.)

Het klinkt verschrikkelijk, die aankondigingen van de komende toorn, maar God is zo genadig en geduldig, zelfs voor de volkomen verdorven en corrupte leiders, dat Hij ze nog een half leven lang de tijd gaf om zich te bekeren. In het licht van de totale geschiedenis is dat misschien kort, maar in die veertig jaar konden de zendelingen de hele toenmalig bekende wereld bereiken en werd het hele Nieuwe Testament, zoals wij dat nu kennen, geschreven. De tijd was relatief kort, maar lang genoeg om iedereen ruimschoots de tijd te geven zich te bekeren.

We kunnen concluderen dat Jezus zei dat het niet lang meer zou duren, dat Paulus er eveneens duidelijk over was en dat de tekst van Openbaring vele indicaties bevat dat het spoedig zou gaan gebeuren. Waarom denken velen dan tóch nog dat het boek Openbaring voorspellingen bevat voor vandaag of voor ónze nabije toekomst?

Het boek Openbaring gaat niet over onze toekomst

Mensen die geloven dat de Bijbel over hen gaat, hebben er baat bij dat Openbaring ergens in de jaren 90-96 geschreven is, tijdens de regering van Domitianus Caesar. Dat zou namelijk betekenen dat het boek niet kan gaan over de vreselijke gebeurtenissen in Israël, in het jaar 70, maar over iets dat later zou gebeuren. Aangezien er sinds die tijd geen periode is geweest waarin alles precies voldoet aan de dingen die in Openbaring beschreven zijn, moet het dus nog plaatsvinden. Het is daarmee een heel belangrijk punt bij het begrijpen van het boek. Als het boek namelijk geschreven is vóór de val van Jeruzalem, dan hebben we een sterke aanwijzing dat het daarover gaat en niet over gebeurtenissen ná het jaar 70 of zelfs in onze toekomst.

Om te beginnen is de datering in de jaren 90-96 zeer discutabel, omdat die gebaseerd is op een dubbelzinnige beschrijving van Irenaeus (140 AD tot 202 AD), geciteerd door Eusebius, de kerkhistoricus, in 325:

Wij zullen ons echter niet blootstellen aan het risico om een definitieve uitspraak te doen over de naam van de Antichrist, want als het nodig was dat zijn naam duidelijk moet worden onthuld in deze huidige tijd, dan zou het aangekondigd zijn door hem die de openbaring ontving. Want het is nog niet erg lang geleden dat hij gezien is, bijna in onze tijd, aan het einde van Domitianus' regering.

Deze uitspraak is van Irenaeus, geciteerd door Eusebius, maar Irenaeus verwees weer naar Polycarpus, die vermoedelijk Johannes zou hebben gekend. Er zijn hier dus drie mensen bij betrokken, gescheiden door drie eeuwen. Omdat het 'van horen zeggen' is, wordt de betrouwbaarheid op zich al minder. (Die, hoorde van die, hoorde van die...) In het citaat zien we het stukje “het is nog niet erg lang geleden dat hij gezien is,” wat in de oorspronkelijke taal dubbelzinnig is ('hij' kan namelijk ook met 'het' vertaald worden). De zin kan slaan op de Openbaring die niet lang geleden gezien is, maar het kan ook betekenen dat Johannes nog niet lang geleden gezien is. En dan is het nog maar de vraag over welke ziener het hier gaat. Heeft Irenaeus het wel over Johannes, de schrijver van het ons bekende boek Openbaring? Daar komt bij dat Irenaeus niet altijd even betrouwbaar was in zijn vermeldingen van feiten omtrent personen. Jezus zou volgens hem op z'n 50e nog op aarde rondgelopen hebben (Against Heresies, 2:22:4-6). Dit is duidelijk in tegenspraak met de geschiedenis. Deze dingen maken het lastig om Irenaeus op dat punt als betrouwbare bron te zien. Vervolgens was Domitianus ook nog eens de tweede geboortenaam van keizer Nero, die omkwam in 68. Dit maakt dat de verwijzing naar Domitianus ook op Nero zou kunnen slaan. Belangrijker nog, is de opmerking van Johannes in de aanhef van Openbaring (1:9):

Ik, Johannes, die ook uw broeder ben, en deelgenoot in de verdrukking, en in het Koninkrijk, en in de volharding in Jezus de Ingewijde, was op het eiland, genaamd Patmos, om het Woord Gods, en om de getuigenis van Jezus de Ingewijde.

Uit deze woorden blijkt dat er ten tijde van het schrijven van Openbaring een vervolging van gelovigen gaande was. Er is echter geen hard bewijs uit de geschiedenis dat Domitianus structureel gelovigen vervolgd heeft, hooguit incidenteel. Nero daarentegen begon na het verlies van de Slag bij Beth Horon in 66 in Judea fanatiek Joden en christenen te vervolgen. En vergeet niet dat christenen ook al door de Joden vervolgd werden (denk daarbij aan Paulus, voorheen Saulus, die ook tamelijk fanatiek achter christenen aan zat - Handelingen 8:1-3). De grote verdrukking begon echter onder Nero, die bekend werd om zijn extreem brute christenvervolging en de wreedheden die hij tegen hen beging. Zo liet hij bijvoorbeeld gevangen christenen in teer dopen en in brand steken, om ze als verlichting te laten dienen tijdens zijn feesten. Dit alles plaatst het schrijven van Johannes in de tijd vóór het jaar 70, omdat christenvervolging door de Joden en de Romeinen voornamelijk plaatsvond in de periode tussen Jezus' hemelvaart en de vernietiging van Jeruzalem.

De verklaring van Irenaeus is schijnbaar het enige harde bewijs dat gebruikt kan worden om de “late datum” te ondersteunen. Het werd van generatie op generatie doorverteld, echter zonder dit te onderzoeken in het licht van het boek Openbaring zelf. Als je de boeken van de vroege christelijke schrijvers gaat lezen wordt ook al snel duidelijk dat er in de eerste eeuwen van de christelijke kerk al onenigheid was over de uitleg van de dingen die Johannes schreef. Daarom is het zo belangrijk om de tekst zelf goed onder de loep te nemen en elke interpretatie, hoe oud ook, kritisch te bekijken. Gelukkig hebben we vandaag het Internet en kunnen we al die documenten met enkele muisklikken naast elkaar leggen, om ze te vergelijken.

Het is in dit verband wel interessant om te vermelden dat in de Syrische versie van het Nieuwe Testament, voor het eerst gepubliceerd door Deuteronomium Dieu in 1627, en daarna in de Londense Polyglot, wordt aangegeven dat het Nero was die Johannes verbande: “De openbaring die God gaf aan de heilige Johannes de evangelist op het eiland Patmos, waarheen hij werd verbannen door Nero Caesar.” Dit is opgetekend in één van de oudst bekende vertalingen van het Nieuwe Testament. Als het klopt wat Dieu schreef, dan moet het boek Openbaring vóór het jaar 68 geschreven zijn. Natuurlijk kan ook dit een verkeerde interpretatie zijn, maar wat is dan het verschil tussen een interpretatie uit 1627 en één uit 325? Beiden zijn historische bronnen die gebruik maken van overlevering. Dus deze benadering geeft ons geen zekerheid. We kunnen beter kijken naar de tekst zelf en daar onze conclusies uit trekken.

Hier volgen een aantal punten waaruit we kunnen opmaken dat Openbaring begin jaren 60 van de eerste eeuw geschreven is en dat het grotendeels gaat over het oordeel dat Jeruzalem trof in het jaar 70.

De zeven koningen

De belangrijkste aanwijzing vinden we in Openbaring 17:10:

En het zijn ook zeven koningen; vijf zijn gevallen, één is nu, en de andere is nog niet gekomen, en wanneer hij komt, zal hij een korte tijd blijven.

Dit klopt precies met de zeven eerste heersers van het Romeinse rijk en de regeringsperiode van de 'één is nu': keizer Nero (en niet de latere Domitianus, wat ook blijkt uit Openbaring 1:9, zoals ik hiervoor heb beschreven).

Dit zijn de zeven heersers:

“vijf zijn gevallen…” Julius Caesar (49-44v.C. officieel geen keizer, maar wel de eerste heerser), Augustus (27v.C.-14n.C.), Tiberius (14-37n.C.), Caligula (37-41n.C.), en Claudius (41-54n.C.)

één is nuNero (54 - 68 NC);

en de andere is nog niet gekomen, en wanneer hij komt, zal hij een korte tijd blijven” Galba (juni 68 -januari 69 n.C.), een regeringsperiode van slechts 6 maanden, een korte tijd dus!

Dit is op zich al voldoende om het boek Openbaring te dateren vóór het jaar 68, de dood van Nero. Maar er is nog veel meer over te zeggen.

Zeven kerken in Azië

De zeven kerken die in Openbaring genoemd worden, waren gevestigd in bestaande steden in de eerste eeuw van onze jaartelling. Maar wanneer schreef Johannes aan deze kerken? De boodschap aan de kerk van Philadelphia (Openbaring 3:7-13) verschaft meer inzicht. In vers 10 en 11 zegt Jezus dit:

Omdat u Mijn woord van geduldige volharding bewaard hebt, zal Ik ook u bewaren uit het uur van de beproeving, dat over de gehele wereld komen zal, om te beproeven, die op de aarde wonen. Zie, Ik kom spoedig; houd vast wat u hebt, opdat niemand uw kroon afneemt.

De beproeving kwam over de 'hele wereld' (het Griekse woord oikoemene, dat is het Romeinse Rijk) en dan met name de gelovigen, want daaraan is deze brief gericht. Jezus vertelde hen dat Hij spoedig zou komen en dat ze moesten standhouden. En zoals gezegd vond de eerste vervolging van christenen plaats onder Nero Caesar in 64 na Christus. Daarom moet Openbaring geschreven zijn voor die tijd. Mede vanwege de afwezigheid van grootschalige vervolging na de veronderstelde late datum van schrijven (het jaar 95). De geschiedenis geeft ons geen verslagen van structurele christenvervolging kort na die tijd, maar wel degelijk in de jaren voorafgaand aan de vernietiging van de tempel in het jaar 70.

Het is overigens opmerkelijk dat er een brief gericht is aan Laodicea, maar niet aan Kolosse en Hiërapolis. Deze drie steden lagen dicht bij elkaar in het zogenaamde 'drie-stedengebied'. In het jaar 60 werden zij vernietigd door een aardbeving (Myth and geology, Luigi Piccardi, W. Bruce Masse, p 95-105). De enige stad die herbouwd werd was Laodicea (Tacitus, annalen 14:27). Er waren in die tijd veel aardbevingen, zoals Jezus had voorspeld. Deze historische feiten dragen bij aan de betrouwbaarheid van het Nieuwe Testament en helpen bij het dateren van de brieven.

De tempel opmeten

Een belangrijk punt uit Openbaring 11:2:

En mij werd een stok gegeven, een soort meetlat; en de afgezant stond en zei: Sta op, en meet de tempel van God en het altaar, en degenen, die daarin aanbidden. En laat het voorhof buiten beschouwing, dat buiten de tempel is, en meet dat niet, want het is aan de volken gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden.

Vergelijk dit met Lukas 21:24:

En zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal door de volken vertreden worden, totdat de tijden van de volken vervuld zullen zijn.

Jezus voorspelde het, Johannes herhaalt het. Dit gaat over de belegering van Jeruzalem tussen 66 en 70, met als climax de verwoesting van de tempel. Het gaat niet over een tempel en een stad in de geest, want die kunnen niet vertrapt worden door volken. Daar komt nog bij dat Johannes een tijd noemt die precies overeen komt met de lengte van de belegering: 42 maanden. De cryptische omschrijving 'totdat de tijden van de volken vervuld zullen zijn' geeft aan dat ze een beperkte tijd hadden om deze taak uit te voeren. Dit wordt ook bevestigd door Jezus in Mattheüs 24:22:

En als die dagen niet ingekort werden, zou niemand behouden worden; maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen ingekort worden.

Jezus sprak daar eveneens over de vernietiging van de tempel. Als Johannes opgedragen wordt om de tempel op te meten en een deel niet te meten, omdat het aan de volken gegeven is die het 'zullen gaan vertreden', dan moet de tempel er nog gestaan hebben! En dat was vóór het jaar 70, want toen werd Jeruzalem 42 maanden belegerd en tot slot werd de tempel verwoest. Anders gezegd: als het boek Openbaring ná het jaar 70 geschreven zou zijn, dan had Johannes toch zeker vermeld dat de tempel al verwoest was. De volkomen verwoesting van hun geliefde tempel was zo onvoorstelbaar ingrijpend voor de Joden, dat een Jood die in de jaren erna over de tempel schreef toch niet kon verzwijgen dat die machtige constructie niet meer overeind stond? Hij had op z'n minst kunnen zeggen dat Jezus' voorspelling uitgekomen was: dat er geen enkele steen van de tempel op de andere zou blijven staan (Mattheüs 24:2).

De 'stammen van de aarde'

Kijk eens in Openbaring 1:7:

Ziet, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle stammen van de aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, Amen...

Velen zullen direct zeggen dat dit nog niet gebeurd is, want nog niet elk oog (niet iedereen op de hele aarde) heeft Jezus zien komen op de wolken. Maar gaat het wel over de 'hele aarde' en gaat het wel over zichtbaar komen op wolken? Johannes haalde beelden en profetieën aan uit de Joodse Tenach, die wij kennen als het Oude Testament. Kijk eens naar Zacharia 12:10-11:

Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen Mij aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over Hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig zoon, ja zij zullen over Hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene. Te dien dage zal in Jeruzalem de rouwklacht groot zijn….

Het 'huis van David' verwijst naar de Israëlieten. Zij waren degenen die Hem zouden aanschouwen. De Israëlieten waren verdeeld in stammen, die over de hele toenmalige wereld verspreid waren. Dus de rouwklacht en het weeklagen over Degene die zij doorstoken hebben zou heel goed te maken kunnen hebben met de verwoesting van Jeruzalem en de tempel in die dagen. Zij die Jezus liefhadden jammerden over het verlies van de Leider, van wie ze hadden gehoopt dat Hij hen zou verlossen van de Romeinen. Het was in de tijd van Jezus de enige Zoon van God, die ze doorstoken hadden, dat alle stammen van Israël weeklaagden over het verlies van hun stad en hun tempel. Het was Jezus die kwam om dat oordeel uit te voeren. Dit wordt nog duidelijker wanneer we zien dat Jezus dezelfde terminologie gebruikte toen Hij sprak over die specifieke gebeurtenis (Mattheüs 24:30):

...en dan zullen alle stammen van de aarde wenen (weeklagen), en zij zullen de Mensenzoon zien, komende op de wolken van de hemel met grote kracht en heerlijkheid.

Alle stammen der aarde, daar worden mijns inziens de stammen van het land Israël mee bedoeld en niet de hele aarde, zoals wij die kennen. Het woord voor 'aarde' is hier namelijk het Griekse woord , dat wel vaker beter met 'land' vertaald kan worden. Wij geven ons woord 'aarde' ook verschillende betekenissen, zoals 'wereldbol' of 'landbouwgrond'. Zo hebben de Griekse woorden in het Nieuwe Testament ook vaak meerdere betekenissen en moet je kijken naar de context. Als er staat 'stammen van ...', dan is '...het land' een betere vertaling. De aarde als geheel is niet verdeeld in 'stammen', maar 'volken' en als dat hier bedoeld was, dan zou het er ook zo gestaan hebben. Zelfs al zou je hier 'de hele aarde' lezen, dan zou het alsnog gaan over de stammen van Israël (het huis van David), die verstrooid waren over de toen bekende aarde.

Telkens weer zien we dat het over Israël gaat en het oordeel dat hén te wachten stond; niet de vernietiging van de hele aarde. Het was hún wereld die instortte. Direct na deze woorden zei Jezus (Mattheüs 24:34):

Voorwaar Ik zeg u: dit geslacht (deze generatie) zal geenszins voorbij gaan voordat dit alles is geschiedt

Hij had het over dit geslacht of deze generatie; beide vertalingen zijn mogelijk. Het is duidelijk dat hij naar hen verwees die bij hem stonden en niet sprak over iets dat in de verre toekomst met Zijn volk zou gaan gebeuren.

Profetieën en overeenkomsten

We zagen dat Zacharia 12:10-11 door Jezus wordt aangehaald in Mattheüs 24:30 en dat het weer terugkomt in Openbaring 1:7. Hij verwees hier nog een keer naar, toen hij voor de raad stond (in Mattheüs 26:64):

Ik zeg u: Van nu aan zult u de Mensenzoon zien, zittende aan de rechter hand van de kracht (van God), en komende op de wolken van de hemel.

Het is verhelderend om het hele boek Zacharia eens in dit licht te lezen. Je zult zien dat er veel sterke overeenkomsten zijn met het boek Openbaring. Het is alsof Johannes een soort uitgebreide versie van de visioenen van Zacharia te zien heeft gekregen. Ik zal hier in het kort de treffende overeenkomsten met onder andere het boek Openbaring laten zien:

Zacharia 1 spreekt over een man op een rood paard, gevolgd door rode, bruine en witte paarden. Dit heeft veel weg van Openbaring 6, waar vier paarden genoemd worden met verschillende kleuren.

Zacharia 2 beschrijft een man die met een meetsnoer Jeruzalem gaat opmeten. In Openbaring 11 lezen we dat de tempel wordt opgemeten en in Openbaring 21 worden de maten van het nieuwe Jeruzalem gegeven. Zacharia 2 beschrijft daarnaast dat vele volken worden toegevoegd en dat God in het midden van Zijn volk zal wonen, wat we in Openbaring 21 ook weer beschreven zien.

Zacharia 3 beschrijft bekende beelden uit Openbaring, zoals de Satan, als tegenstander, en iemand die voor de Afgezant van God staat en schone kleren krijgt.

Zacharia 4 toont een gouden kandelaar met zeven lichten en een oliekruik, met de mededeling dat het allemaal door de Geest van God zal gebeuren, en dat twee olijfbomen voor de Heer en de hele aarde staan. Ik denk daarbij gelijk aan Jezus die tussen de zeven kandelaren wandelt in Openbaring 1 en de twee getuigen in Openbaring 11.

Zacharia 5 beschrijft een vliegende boekrol met vervloekingen, en vrouwen met vleugels. In Openbaring 4 wordt een boekrol geopend, wat vreselijke dingen tot gevolg heeft. In Openbaring 12 krijgt een vrouw vleugels om te vluchten.

Zacharia 6 beschrijft weer 4 paarden met verschillende kleuren, zoals in Openbaring 6. Maar nog interessanter is dat hier gesproken wordt over een Man die de tempel van Jahweh zal bouwen en Hij zal zitten en heersen op Zijn troon en de mensen die gehoorzaam zijn zullen mee helpen bouwen. Dit lijkt veel op de rode draad van Openbaring, dat Jezus op de troon zit en heerst met zijn trouwe dienaren.

Zacharia 7 bevat geen overeenkomsten.

Zacharia 8 spreekt over vele volken die zullen komen en smeken om met Israëlieten te mogen optrekken, omdat God met hen is (Openbaring 21).

Zacharia 9 bevat een opvallende voorspelling waar ik verderop in dit boek dieper op in ga. Het gaat over de Koning die zal komen, rijdende op een ezelsveulen. Dat is precies wat Jezus deed, toen Hij Jeruzalem werd binnengehaald als een koning. Tevens wordt er gesproken over bliksem en een bazuin die God zal blazen. Herkenbare beelden die we door heel het boek Openbaring heen zien.

Zacharia 10 spreekt van de valse profeten en dat God boos is op de herders (de leiders) van het volk en dat Hij ze zal straffen. Het straffen van goddeloze heersers is ook een thema in Openbaring. Dit is met name omdat Jezus de leiders (herders) van Israël er direct op aansprak dat zijn hun straf niet zouden ontlopen in het gericht over Jeruzalem, waar het volgens mij ook over gaat in Openbaring.

Zacharia 11 Is een intrigerend hoofdstuk dat laat zien hoe Israël en Juda gescheiden werden, gesymboliseerd door twee stokken die gebroken werden. Paulus verwijst hiernaar in o.a. Efeziërs 2, waar de twee weer samengevoegd worden door het werk van de Ingewijde. Het bevat tevens een wonderlijke profetie met 5 specifieke details in het verraad van Jezus door Judas (vers 12 en 13). En wederom zien we hier hoe boos God is op de herder die niet goed voor zijn schapen zorgt.

Zacharia 12 bevat de twee reeds besproken verzen (10 en 11) die door Jezus Zelf worden aangehaald met betrekking tot het oordeel over Jeruzalem: dat ze Hem zullen zien, Die zij doorstoken hebben, en over Hem zullen weeklagen.

Zacharia 13 bevat ook weer een profetie die Jezus op zichzelf betrok. De wonden in Zijn handen en de Herder die geslagen wordt, waarop de schapen verstrooid worden (Mattheüs 26:31). Direct daarna zegt Zacharia dat twee derde van het land zal omkomen. Dat lijkt ook sterk op de oordelen in het boek Openbaring. Maar er zal één derde overblijven, dat door God wordt gelouterd met vuur, als zilver en goud. Dit lijkt weer sterk op het restant van Israël, waar Jesaja meerdere keren over spreekt. Dit restant zien we in het symbolische getal van 144.000 trouwe Israëlieten in Openbaring 7 en 14.

Tot slot wordt in Zacharia 14 weer gesproken over het oordeel dat Jeruzalem zal treffen. Maar Jahweh zal voor ze strijden en Zijn voeten zullen 'in die dagen' op de Olijfberg staan, die vervolgens in tweeën splijt en er een pad ontstaat, zodat het volk kan vluchten naar de bergen. Dat is ook precies wat Jezus Zijn volgelingen aanraadde om te doen, wanneer ze de 'gruwel van de verwoesting', de vijandige legers zouden zien komen. In die dagen is natuurlijk niet echt de Olijfberg in tweeën gespleten, maar dit is symbolische taal. God maakte dat ze veilig voor de ellende konden vluchten naar de bergen. Er was vlak voor de belegering ook een wonderlijk moment dat het leger zich tijdelijk en schijnbaar zonder reden terugtrok, wat de trouwe volgelingen van Jezus de gelegenheid bood om te vluchten (Flavius Josephus, Joodse oorlog, II, XIX, 6,7). Dat zou het moment geweest kunnen zijn waarop deze profetie in vervulling ging.

Een interessant detail in Zacharia14 is dat er gesproken wordt over het neerzetten van voeten. Wanneer God in profetische taal Zijn voeten ergens neerzet, zegt dat iets over een betrokkenheid en ingrijpen van Zijn kant. Zoals in Micha 1:3-4, waar God 'op de hoogten treedt', en daardoor 'bergen smelten' en 'dalen splijten'(!), wat natuurlijk niet letterlijk gelezen moet worden.

Volgens de traditionele overlevering zijn Christenen in de tijd van het beleg van Jeruzalem naar Pella in de bergen gevlucht, aan de overkant van de Jordaan. Erg aannemelijk, want Jezus had het ze zelf gezegd. Het was de enige manier om te ontkomen aan de gruwelijke ondergang van Jeruzalem. En dat alles zou zijn 'in die dagen'. God zorgde ervoor dat ze die kans kregen.

Opmerkelijk is wat er daarna gebeurt (Zacharia 14:8-9):

Ook zal het te dien dage geschieden dat er levende wateren uit Jeruzalem zullen vloeien, de helft daarvan naar de oostzee, en de andere helft naar de achterste zee; zij zullen in de zomer en in de winter winter stromen. En Jahweh zal tot Koning over het hele land zijn; te dien dage zal Jahweh één zijn, en Zijn Naam één.

En in vers 16 van Zacharia 14 staat dat wie nog overgebleven zijn, vanuit de volken jaarlijks naar Jeruzalem zullen optrekken om het Loofhuttenfeest te vieren. (Overigens is dit een tekst waarin door velen wordt gelezen dat alle volken en naties jaarlijks naar Jeruzalem zullen optrekken; maar dat staat er niet. Dit gaat mijns inziens over de ware Israëlieten die nog over zijn gebleven; een thema dat steeds weer terugkomt in profetieën.) Er staat in de volgende verzen ook nog eens dat er op hen die dat niet doen geen regen zal vallen. Welnu, toen Jezus in Jeruzalem was om dit Loofhuttenfeest te vieren (in Johannes 7:2 'het feest van de Joden' genoemd) deed Hij een opmerkelijke uitspraak, die je alleen kunt begrijpen in de context van dit feest en Zacharia 14. Het was in die tijd de gewoonte dagelijks water te plengen in de tempel en te bidden om regen. Op het hoogtepunt van het feest presenteerde Jezus zichzelf als de vervulling ervan (Johannes 7:37-39):

En op de laatste dag, de grote dag van het feest, stond Jezus op en riep: Als iemand dorst heeft, kom dan bij Mij en drink. Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. (En dit zei Hij van de Geest, die zij die in Hem geloven ontvangen zouden; want de Heilige Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.)

In Johannes 4:20-24 had Jezus al gezegd dat men God niet meer in Jeruzalem zou aanbidden, maar in de Geest. In Jezus is dit feest vervuld en in Hem konden vanaf toen alle ware Israëlieten van uit de volken als één volk opgaan naar het Nieuwe Jeruzalem, om het Loofhuttenfeest te vieren in de Geest. Ik denk dat het grootste gedeelte van de profetieën van Zacharia betrekking hebben op gebeurtenissen rond het jaar 70, vergezeld van enkele specifieke profetieën over Jezus, wat het hele gebeuren ook daadwerkelijk 'in die dagen' plaatst. Mensen die vinden dat de Olijfberg een keer echt, letterlijk moet splijten, missen hier mijns inziens het totaalplaatje en de symbolische kracht van het beeld. De overeenkomsten tussen onder andere Mattheus 24, Lukas 21, Openbaring en Zacharia zijn zo sterk dat het mijns inziens wel om hetzelfde moet gaan.

Dan nog iets over het 'komen op wolken'. We kunnen dit zien in dezelfde context als het 'staan op bergen' en 'neerdalen' van God in het Oude Testament. De hogepriester en consorten wisten heel goed wat Jezus bedoelde toen Hij dat aanhaalde. Het was duidelijk dat Jezus zich identificeerde met God Zelf en de 'Mensenzoon' uit Daniël 7:13; dat was godslastering in hun ogen. Zij wisten wat het betekende; als God komt met kracht, op de wolken van de hemel, dan is het echt menens. Het 'komen op de wolken' was een bekend begrip en stond in verband met een komen van God, met macht en oordeel. Jesaja 19:1 spreekt over een komend oordeel over Egypte:

Zie de Here rijdt op een snelle wolk en komt naar Egypte; dan beven de afgoden voor Hem en het hart van Egypte versmelt in hun binnenste.

Ezechiël 30:3,4 zegt het volgende met betrekking tot het oordeel over Egypte:

Want nabij is de dag, ja, nabij is de dag van de Heer, een dag van wolken, een uur van de volken zal het zijn. Een zwaard zal in Egypte komen…

Het is belangrijk om deze 'apocalyptische taal' te begrijpen, voordat je het boek Openbaring kunt begrijpen. De doelgroep die deze boodschap hoorde, wist waar het over ging. De dag van de Heer, komende in, op of met de wolken, en de zon, de maan en de sterren die worden verduisterd betekende voor hen heel iets anders dan voor ons. Wolken, zon, maan en sterren worden in apocalyptische (letterlijk: onthullende) geschriften vaak gebruikt als symbolen, zoals in Ezechiël 32:7:

Wanneer ik u uitblus, bedek ik de hemel en verduister ik de sterren; de zon overdek ik met wolken, en de maan doet haar licht niet schijnen.

Dit gedeelte spreekt over de zon, maan en sterren om dat komende oordeel over Egypte aan te kondigen. Zoals deze hemellichamen heersen over dag en nacht, wordt hiermee symbolisch de heersende autoriteiten over volken bedoeld. In het oordeel gaat dan het licht van het betreffende volk uit en heerst de duisternis.

Zie, de dag van de Heer is nabij, meedogenloos, met verbolgenheid en brandende toorn, om de aarde tot een woestenij te maken en haar zondaars van haar te verdelgen. Want de sterren en de sterrenbeelden doen hun licht niet stralen, de zon is bij haar opgang verduisterd en de maan laat haar licht niet schijnen.

In dit gedeelte uit Jesaja 13:9,10 gebeurde er op zich niets met de zon, maan en sterren, ze bleven gewoon hun licht geven. Het is beeldspraak, om het komende oordeel over Babel te symboliseren.

Wie kent het verhaal van Jozef niet, die een bijzondere droom had (Genesis 37:9):

Nu heb ik weer een droom gehad, en zie, de zon, de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer.

De zon stelde Jozefs vader voor, de maan zijn moeder en de elf sterren waren zijn oudere broers. Zij waren autoriteiten boven Jozef, maar in de droom werden de rollen omgedraaid. Het was een profetische droom, omdat het werkelijkheid werd toen Jozef aan de macht kwam in Egypte.

Dan zijn er nog gedeelten als Richteren 5:20, waar strijdende koningen vergeleken worden met sterren. En zie Jesaja 34:4, daar rolt de hemel op en vallen de sterren naar beneden, maar het gaat om Gods oordeel dat neerkomt op Edom. In Joel 2:2 bij het naderen van een machtig volk (...verder in vers 10:) beven hemel en aarde en worden zon, maan en sterren verduisterd. In Amos 8:9 wordt voorspeld dat op het middaguur de zon onder zal gaan. Die beeldspraak wordt verklaard in vers 10, waar we zien dat het gaat over een feeststemming die overgaat in rouw. Amos had het daar al eerder over in hoofdstuk 5:19-20 van hetzelfde boek.

Na deze voorbeelden is het misschien makkelijker om te begrijpen wat er in het apocalyptische geschrift Openbaring met zon, maan, sterren en wolken bedoeld wordt. Zo kun je misschien horen wat de Joden hoorden toen Jezus aankondigde dat Hij zou komen op de wolken en dat zon, maan en sterren zouden verduisteren; namelijk, dat dit gepaard zou gaan met een oordeel. Jezus gebruikte exact dezelfde taal als de profeten uit de Tenach (de Joodse bijbel) tegen Zijn doelgroep, de Joden (en met name de Joodse leiders).

Om dit punt af te ronden, nog even iets over de tijdsbepaling in Openbaring 1:7. De tekst zegt iets over hen die Hem hebben doorstoken: de Joden van toen. Dat zijn niet de Joden die vandaag leven, dat waren de Joden die toen leefden en hun Messias gekruisigd hadden. Jezus had wel voor ze gebeden dat God het ze niet zou aanrekenen omdat ze niet wisten wat ze deden. Maar degenen die Hem zouden blijven afwijzen en hun toevlucht zouden blijven zoeken bij het oude (de tempel, de wetten en hun 'heilige stad'), zouden omkomen in de tragische gebeurtenissen van het jaar 70, wanneer de volken de stad en het heiligdom zouden vertreden. Het was geschreven door hun eigen profeten, maar ze wilden het niet weten. Kortom, die sterke overeenkomsten tussen de profeten van de Tenach, de woorden van Jezus en het boek Openbaring zijn weer een reden om te geloven dat het geschreven moet zijn vóór de tijd van het oordeel in het jaar 70.

De 'dronken hoer' en het bloed van de heiligen

Waar werd het bloed van de profeten en zendelingen vergoten? Kijk eens in Openbaring 17:6:

...en ik zag een vrouw (vers 3)... En ik zag, dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen, en van het bloed van de getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, toen ik haar zag, met grote verwondering.

En 18:24:

En in haar is gevonden het bloed van de profeten en van de heiligen, en allen die gedood zijn op de aarde.

Het woord 'aarde' is hier weer 'gé', het land. Het is steeds weer van belang om te zien welk woord in de brontekst gebruikt wordt voor aarde of wereld. Bij dit woord (), moet je altijd goed naar de context kijken, omdat het bijna net zo breed inzetbaar is als ons woord 'aarde' (grond/land, vaste grond of planeet aarde - al had men destijds nog geen begrip van de planeet zoals wij die nu kennen). Johannes was zeer verwonderd toen hij de vrouw zag, waarschijnlijk omdat hij al een idee had waar dit naar toe zou gaan en het nog niet durfde te zeggen, maar het werd voor hem uitgelegd in 17:18:

En de vrouw, die u gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde.

Deze 'grote stad' wordt meerdere keren 'Babylon' genoemd in de hoofdstukken 17 en 18. De term 'de grote stad' komen we vaker tegen in Openbaring (bijvoorbeeld 11:8):

En hun dode lichamen zullen liggen op de straat van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook onze Heer gekruisigd is.

Een belangrijke aanwijzing: 'alwaar onze Heer gekruisigd is'; dat kan alleen maar Jeruzalem zijn. Verder zien we dat de stad geestelijk als Sodom en Egypte geworden is. Dit is wederom een beeld uit het Oude Testament, waar Jeremia (23:14) namens God zegt:

...ze zijn mij altezamen als Sodom geworden

Er is geen andere duidelijke tekst, bijvoorbeeld in het Oude Testament, die Jeruzalem direct met Egypte vergelijkt, maar de Joden werden wel vaak gewaarschuwd om niet terug te keren naar de gebruiken van Egypte, waar ze vele jaren als slaven geleefd hadden. In Openbaring zien we dat dit toch gebeurd is. Met deze dingen in het achterhoofd is het dan ook niet vreemd om te zien dat het afvallige, overspelige Jeruzalem ook vergeleken wordt met Babylon. Babylon wordt in Openbaring ook 'de grote hoer' en 'de moeder der hoeren' genoemd. Dat is nogal heftig, maar geen vreemde uitspraak voor een Jood die zijn 'bijbel' (Tenach) kende. Meerdere malen wordt Israël in het Oude Testament vergeleken met een 'hoer'. Nu moeten we wel even stilstaan bij de betekenis van dat woord 'hoer' (Hebreeuws 'zanah' en Grieks 'porné' - van het Griekse woord hebben wij het woord porno). In het Hebreeuws, maar vooral in de Joodse cultuur, had het niet in de eerste plaats de betekenis van prostituee, 'een vrouw die haar lichaam verkoopt voor seks', maar voornamelijk een ontrouwe vrouw. Een vrouw die het verbond met haar man had verbroken. In die zin wordt het ook in Openbaring gebruikt. En bijvoorbeeld in Jesaja 1, dat over Jeruzalem gaat, lezen we in vers 21 heel specifiek:

Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid herbergde daarin, maar nu doodslagers.

Daar staat betrouwbaarheid (trouw) tegenover het 'hoer' (ontrouw) zijn. Dit maakt het onwaarschijnlijk dat het om een ander 'Babylon' zou gaan. Er was vóór Openbaring maar één stad die ooit getrouwd is geweest met God; en dat is Jeruzalem. Het geografische Babylon had geen verbondsrelatie met God. Jezus benadrukte ook dat Jeruzalem ontrouw was geworden en de stad was waar profeten gedood werden, in Lukas 13:34:

Jeruzalem, Jeruzalem! u die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen bijeen willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugelen vergadert; en u hebt niet gewild?

Dat is precies wat Openbaring zegt over 'Babylon'. Mattheüs 23:29-37 laat hetzelfde zien en daar houdt Jezus de Joden verantwoordelijk voor het doden van de profeten en de zendelingen. Hij verklaarde dat zij de kinderen van hun vaders waren die ook de profeten hadden gedood. Vervolgens zei Jezus in vers 32, dat zij de zonden die hun vaders waren begonnen, zouden voltooien. Zie vers 35, waar Hij zegt:

...opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde,...

Het Griekse woord voor 'de aarde' is weer 'gé', 'het land'. En daarna uitte Hij de ondertussen bekende woorden (vers 36-37):

Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht. Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn.

Jezus hield hen verantwoordelijk voor “al het rechtvaardige bloed dat vergoten is op de aarde”. Dit is vergelijkbaar met wat Stefanus tegen de Joodse raad zei (Handelingen 7:51-52):

Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u weerstaat altijd de Heilige Geest; net als uw voorouders, zo ook u. Wie van de profeten hebben uw voorouders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die tevoren verkondigd hebben de komst van de Rechtvaardige, van Wie u nu verraders en moordenaars geworden bent.

Even daarvoor haalt Stefanus Jesaja 66 aan, wat ook sterke overeenkomsten vertoont met Openbaring. Uit deze passages moeten we logischerwijs afleiden dat 'de grote stad' in Openbaring het Jeruzalem was van de generatie van Jezus. De rebelse stad waar Jezus zo bedroefd over was, waar Hij het oordeel over uitsprak. Daar waar de profeten en heiligen vermoord waren. De eens getrouwe stad, die als Babylon, Sodom en Egypte geworden was, vol van afgoderij.

Openbaring 18 gaat helemaal over die grote stad. Hierin zien we de afval beschreven die Jeruzalem door had gemaakt. Zo erg zelfs dat het een woonplaats van demonen was geworden. Geheel in overeenstemming met wat Jezus over de stad en haar leiders had gezegd. Hij noemde de leiders 'kinderen van de duivel' (Johannes 8:44) en dreef tijdens Zijn rondgang door het land bij velen demonen uit. In de Tenach lezen we over de hoogtijdagen van Jeruzalem, met name onder David en Salomo, maar dat de stad langzaam afgleed tot het niveau waarvan we lezen in het Nieuwe Testament. Het is dus niet vreemd dat we hier in Openbaring 18 een soort climax bereiken, vlak voor de vernietiging van de stad. In vers 4 worden de trouwe kinderen gezegd uit haar weg te gaan. Jezus waarschuwde in Mattheüs 24:15-17 dat ze naar de bergen moesten vluchten wanneer ze de verwoestende gruwel zouden zien op de 'heilige plaats' (de tempel in Jeruzalem). In vers 5 herinnert God zich haar overtredingen. Dat is volledig in lijn met de waarschuwingen door de eeuwen heen, dat God haar de vele overtredingen van de wet zou aanrekenen, wat Jezus regelmatig benadrukte. In vers 8 en 9 wordt het vuur voorspeld dat Jezus had aangekondigd door middel van een gelijkenis in Mattheüs 22. In de gelijkenis werden moordzuchtige genodigden voor het bruiloftsfeest (beeld van afvallig Israël) door de koning (beeld van God) vernietigd en hun stad werd in brand gestoken. De geestelijke leiders werden boos van dit soort gelijkenissen, want ze wisten heel goed dat het over hen ging. Dan volgt er een klaagzang en in vers 21 wordt gezegd dat deze 'grote stad', die nu openlijk met 'Babylon' wordt vergeleken, 'nooit meer gevonden' zal worden. En tot nu toe is die prachtige stad, met haar sterke muur en twaalf machtige poorten, nooit meer herbouwd. Er staan nog huizen, het heet nog Jeruzalem en de Islamitische sultan Suleyman heeft weliswaar in de 16e eeuw een deel van de muren en de moskee laten restaureren, maar het is nooit meer geworden wat het was. Het hoofdstuk eindigt met de verklaring dat in deze stad het bloed van de profeten en de heiligen gevonden was en allen die in het land waren afgeslacht. De heilige stad, de hoer, de overspelige, die dronken was van het bloed van de heiligen, was geworden als Babylon.

Dat er zo'n duidelijk verband ligt tussen het voorspelde oordeel over Jeruzalem in Mattheüs 24 en de beschrijvingen van de ontrouwe, rebelse stad in Openbaring, waar het bloed van de heiligen vergoten is, bewijst wederom dat Openbaring geschreven moet zijn vóór Jeruzalem verwoest werd in het jaar 70. Jezus zei: 'in déze generatie' en aan Johannes openbaarde Hij: 'zeer binnenkort'; het oordeel over deze stad, die de profeten doodt (inclusief Hemzelf), en stenigt die tot haar gezonden zijn.

Hagelstenen en archeologie

Over stenigen gesproken: wat was volgens de wet van Mozes de straf op overspel (ontrouw)? Steniging! (Deuteronomium 22:22-24). Volgens de Joodse geschiedschrijver Josephus, in het boek 'De Joodse Oorlog', boek 5, hoofdstuk 6, werd Jeruzalem in de jaren 66 t/m 70 onder andere bekogeld met witgeverfde stenen kogels van 1 talent (twintig kilo), gelanceerd door de Romeinse katapulten. Dit feit is bevestigd door archeologische vondsten in Jeruzalem, officieel bekend gemaakt door de Israel Antiquities Authorities (IAA).

Is het mogelijk dat we hier te maken hebben met een significante parallel? Een zeer markante overeenkomst vinden we namelijk in Openbaring 16:21

En grote hagelstenen, elk ongeveer een talent zwaar, vielen uit de hemel op de mensen neer. Maar de mensen lasterden God vanwege de plaag van de hagel, want de plaag van de hagel was zeer groot.

Deze hagelstenen vielen op het 'grote Babylon', omdat God haar 'gedacht' en haar te drinken gaf uit de wijnbeker van Zijn boosheid. De woorden die daar gebruikt worden hebben te maken met het verbreken van het verbond, waarover ik onder punt 6 sprak. Het woord 'gedacht' is in het Grieks 'emnésthe', van het werkwoord 'mimnésko'. Dat woord komt 23 keer voor in het Nieuwe Testament en heeft telkens de betekenis van 'in gedachtenis brengen' of 'gedenken'. Het is een woord dat in deze context te maken heeft met het verbond dat God met Jeruzalem had. Hieruit blijkt eens temeer dat het in Openbaring niet gaat over het geografische Babylon, maar om de verbondsstad Jeruzalem. Er was een strenge voorwaarde opgenomen in dat verbond, zoals we zagen in de 4x7 slagen uit Leviticus 26. God gedacht dat verbond met Zijn volk en de voorwaarden met de bijbehorende consequenties, als Israël hardnekkig ongehoorzaam zou blijven.

Er is een groot verschil tussen het verbond waar God naar verlangde en het stugge verbond dat Israël met God had sinds de uittocht uit Egypte. God wilde een huwelijksverbond, een relatie, geen verdrag met strakke regels en voorwaarden, dat tot straf en dood zou leiden.

Zie voor het contrast Johannes 8:3-5, waar Jezus de wet overstemt met genade voor een op overspel betrapte vrouw. Hieruit blijkt dat God altijd oog heeft voor het individu. Daarom gaf Jezus ook duidelijke instructies aan Zijn volgelingen om de stad te verlaten en de bergen in te vluchten wanneer ze de legers zouden zien komen (Mattheüs 24:15, Marcus 13:14, Lukas 21:20). God was alleen boos op hen die hardnekkig bleven rebelleren.

De bergen vallen

Kort, maar krachtig: Vergelijk Openbaring 6:16:

...En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Val op ons, en verberg ons voor het aangezicht van Hem Die op de troon zit, en van de toorn van het Lam.

met Lukas 23:28-30, waar Jezus tegen de dochters van Jeruzalem spreekt over het komende oordeel over de stad:

En Jezus, Zich tot haar kerende, zei: Dochters van Jeruzalem! ween niet over Mij, maar ween over uzelf, en over uw kinderen. Want zie, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken die niet gebaard hebben en de borsten die niet gezoogd hebben. Dan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Val op ons; en tot de heuvelen: Bedek ons.

Deze gedeelten lijken veel op elkaar en op Mattheüs 24, waar het duidelijk over de verwoesting van Jeruzalem en de tempel gaat. Dit woordgebruik duidt erop dat het om dezelfde gebeurtenissen moet gaan, wat de woorden in Openbaring 6:16 vóór de val van Jeruzalem plaatst.

Het beest uit de zee

In Openbaring 13 wordt een beest beschreven met zeven koppen en tien hoorns. Op de hoornen stonden tien kronen en op de koppen godslastering. Dit beeld lijkt in enkele opmerkelijke details op het vierde beest dat beschreven wordt in het zevende hoofdstuk van Daniël. Dit vierde beest van Daniël is een beschrijving van het Romeinse rijk. Het had ook tien hoorns, waarvan drie werden uitgerukt (er bleven er dus zeven over) en daarvoor in de plaats kwam er één met grootspraak. Het beest in Openbaring had voeten als van een beer en tanden als van een leeuw en Daniël beschrijft dat het vierde beest alles vertrapte met zijn voeten en met ijzeren tanden alles vermaalde. De getallen komen overeen, de kronen, het gedrag. Kortom je kunt eigenlijk niets anders concluderen dan dat het hier om dezelfde macht gaat: het Romeinse rijk. Volgens sommigen zouden hiermee Joodse commandanten bedoeld kunnen zijn, waarvan degene met grootspraak Johannes van Gischala was. Volgens Daniël zou dit beest in ieder geval 490 jaar na de opdracht tot herbouw van Jeruzalem in beeld zijn, wat precies uitkomt bij de tijd van Jezus. Hier ga ik later nog dieper op in.

De verzwakte Johannes

Volgens Hiëronymus van Stridon was Johannes in het jaar 96 zo zwak, dat hij met moeite naar de kerk gedragen werd. Hij kon daar slechts enkele woorden tot de mensen spreken. Meestal in de trant van 'houd van elkaar, want dat is de belangrijkste opdracht van onze Heer', maar veel meer kwam er niet uit. Het ligt niet voor de hand dat een dermate verzwakte Johannes op die leeftijd nog de woorden te horen kreeg die we in Openbaring 10:11 lezen:

...U moet wederom profeteren voor vele volken, en natiën, en talen, en koningen.

Deze 10 punten, samen met de eerder genoemde tijdsbepalingen zijn zeer sterke aanwijzingen dat het boek Openbaring in ieder geval voor het grootste gedeelte over dezelfde dingen gaat als waar Jezus het over heeft in Mattheüs hoofdstuk 24. Dingen die 'spoedig' en 'weldra' moesten geschieden. De tijd was nabij. (Openbaring 1:1,3; 2:16, 3:11; 22:6,7,10,12,20). En wat was nabij? De openbaring, de onthulling van Jezus de Ingewijde, zo lazen we in de eerste zin van het boek Openbaring. Hij zou geopenbaard worden in majesteit en kracht. Hij zou het bloed van de martelaren vergelden en Zijn trouwe volgelingen belonen.

Dat de tijd nabij was, kunnen we ook nog zien aan een belangrijke opmerking aan het einde van het boek. Kijk maar eens naar Openbaring 22:10:

En hij zei tegen mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet; want de tijd is nabij.

Als de tijd nabij was, en het boek mocht niet verzegeld worden, hoe 'nabij' was het dan? Vergelijk dit eens met het boek Daniël in het Oude Testament. Ook Daniël moest profeteren over de tijd van het einde. We weten dat Daniël ongeveer 600 jaar voor de val van Jeruzalem profeteerde. En wat kreeg Daniël te horen? (12:4,9)

En u, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot de tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de kennis zal vermenigvuldigd worden...

En Hij zei: Ga heen, Daniël! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot de tijd van het einde.

Daniël moest het boek verzegelen, want het duurde nog zo'n 600 jaar voordat het allemaal in vervulling zou gaan. Johannes moest zijn boek niet verzegelen, want het zou nog een korte tijd duren! Die 'korte tijd' was dus zeker veel korter dan 600 jaar. Ik zou zeggen een paar jaar.

Ondanks de vele indicaties dat Openbaring gaat over het einde van de oude tempel en het oude Jeruzalem, het systeem dat corrupt was geworden, zijn er toch nog veel mensen die het moeilijk vinden om elk detail van het boek in die tijd te plaatsen (grofweg de eerste eeuw van onze jaartelling). Zij trachten met het boek in de hand voorspellingen te doen over dingen die ons nog zouden staan te gebeuren, zoals een derde wereldoorlog of grote rampen. En zij zien in hedendaagse natuurverschijnselen, rampen, hongersnoden en oorlogen, de tekenen die genoemd worden in de Bijbel.

Dat komt mogelijk omdat er naast de tijdsfactor ook een schaalfactor meespeelt. Men vindt het moeilijk om de 'korte tijd' te accepteren, omdat de gebeurtenissen in Openbaring een 'wereldwijd' en 'allesomvattend' karakter lijken te hebben. Tot nu toe heb ik laten zien dat Johannes openbaringen kreeg over een 'einde', maar dat was niet een einde dat ver in de toekomst lag. Ik ben bewust nog niet ingegaan op de vele details in het boek, omdat we meer gebaat zijn bij het totaalplaatje. Als we dat hebben, kunnen we de details invullen. Het boek is de 'Openbaring van Jezus de Ingewijde' en Hij kwam om ergens een eind aan te maken en iets nieuws te beginnen.


Hun wereld, niet onze wereld

Hoe zit het met de termen 'het einde van de wereld' en 'het einde van de tijd'? Is het niet zo dat de Bijbel spreekt over het einde van alle dingen, het vergaan van hemel en aarde in het laatste oordeel, het versmelten van de elementen, het wankelen van de hemellichamen, vallende sterren en het einde van de tijd? Soms lijkt het er wel op, maar we zullen zien dat de woorden wel eens iets anders zouden kunnen betekenen dan veel mensen denken. Daarbij speelt vaak de vertaling een belangrijke rol, maar ook de context. Wij zeggen dingen tegenwoordig anders dan een Griek of een Jood rond het begin van onze jaartelling. Zoals eerder gezegd: we moeten ons verplaatsen in een cultuur van tweeduizend jaar geleden. We moeten gaan kijken naar de context en het woordgebruik van die tijd.

Laten we eens kijken naar het woord 'wereld'. We vinden dat woord ook in een uitspraak van Jezus, waarin een tijdsbepaling zit voor Zijn komst. Dit haakt gelijk mooi in op het vorige gedeelte. We lezen in Mattheüs 24:1,2:

En Jezus ging uit en vertrok van de tempel; en Zijn leerlingen kwamen bij Hem om Hem op de gebouwen van de tempel te wijzen. En Jezus zei tegen hen: Ziet u niet al deze dingen? Waarlijk, Ik zeg: Hier zal niet een steen op de anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.

De leerlingen vroegen vervolgens (in vers 3):

Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en wat zal het teken zijn van Uw komst, en van de voleinding van de wereld?

Deze vraag komen we ook tegen in Markus 13:4, waar het zo staat:

Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En wat is het teken, wanneer deze dingen allemaal voleindigd zullen worden?

We zien dat de vraag één geheel is en niet onderverdeeld kan worden in 2 of 3 vragen, wat ik sommigen wel eens heb horen zeggen. Uit het parallelle gedeelte in Markus blijkt namelijk dat de leerlingen met 'deze dingen' zowel de vernietiging als de voleindiging bedoelden. In Markus zien we vervolgens slechts een samenvatting van Jezus' antwoord. Lukas zegt het met iets meer woorden en beperkt de vraag tot 'wanneer komt het Koninkrijk?' Maar Mattheüs geeft een uitgebreid verslag. Dat is ook de reden dat men vaak alleen deze tekst kent en aanhaalt met betrekking tot de 'laatste dagen'. Een belangrijke kernzin in het antwoord van Jezus is Mattheüs 24:14:

En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen.

Wat verstonden zijn toehoorders onder 'de (gehele) wereld' en 'alle volken'? Ten eerste moeten we kijken naar het Griekse woord dat hier met 'wereld' vertaald is. Er zijn vier Griekse woorden die met 'wereld' vertaald kunnen worden: 'gé', 'oikoumene', 'kosmos' en soms 'aion(os)'. Op zich kun je ze alle vier met 'wereld' vertalen, maar dan moet wel uit de context blijken op welke manier je 'wereld' bedoelt. Als wij zeggen 'niet zo schreeuwen, de hele wereld hoeft het niet te horen', dan bedoelen we natuurlijk de directe omgeving en niet de hele planeet waarop we leven. De mensen in Israël hadden 2000 jaar geleden ook nog geen besef van de planeet aarde zoals wij die nu kennen. Ze hielden zich niet bezig met het lot van China, Australië of Amerika. Ze gebruikten 'wereld' vaak in overdrachtelijke zin en keken meer naar dat wat ze kenden. Wij spreken bijvoorbeeld van de 'Engelssprekende wereld', 'een wereld van verschil', gebruiken de uitroep 'wát een wereld!', kennen het begrip 'wereldwijd' en zo voort. Context is hierin heel belangrijk en uiteindelijk bepalend voor een juiste vertaling of begrip. Zo is het in het Grieks van de Bijbel ook. Elk van die vier woorden kan weer in een bepaalde context gebruikt worden, waardoor het zijn eigen unieke betekenis krijgt. Wat we dus moeten doen, is kijken hoe de woorden elders in geschriften uit die tijd werden gebruikt; het liefst hoe de schrijver zelf het woord gebruikte. Als je dat leert zien, gaat er een wereld voor je open...

In Mattheüs 24:14 gebruikt Jezus het woord 'oikoumene', Het woord 'oikoumene' betekent 'wereld', in de zin van 'de maatschappij' of 'de gemeenschap'. Het komt van het Griekse woorden voor 'huis' en 'bewonen'. In het geval van de eerste eeuw, zou dit het beste gezien kunnen worden als de Romeinse wereld. Wij spreken immers ook over de 'wereld' die wij kennen, maar wij hebben internet en televisie, waardoor eigenlijk de hele wereld één grote gemeenschap of samenleving is geworden. Voor de mensen in de Bijbel was de 'oikoumene-wereld' veel beperkter.

Lees nu eens Romeinen 10:18, waar Paulus het heeft over de prediking van het evangelie:

Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden der wereld.

Het woord dat hier in de Statenvertaling vertaald wordt met 'aarde' is het Griekse woord 'gé' en het woord dat met 'wereld' vertaald wordt, is 'oikoumene'. Het woord 'gé' betekent 'aarde', in de zin van 'grond' of 'land'. Een betere vertaling in zou dit verband zijn: “...hun geluid is het hele land door gegaan, in alle lagen van de bevolking is het gehoord”. Dat is geen letterlijke vertaling, maar een interpretatie. Toch brengt het de betekenis beter over, dan wanneer je het letterlijk weergeeft.

Paulus bevestigt hier dat het evangelie inderdaad aan de hele toenmalige maatschappij verkondigd was. Dit is een behoorlijk belangrijk punt. Hoe vaak horen we niet zeggen dat het evangelie eerst over de hele wereld verkondigd moet worden, voordat Jezus terugkomt? Ten slotte had Jezus het erover dat het einde zou komen wanneer de hele oikoumene bereikt was. Maar Paulus zei dat de hele oikoumene al bereikt was toen hij de brief aan de Romeinen schreef; en dat was nog vóór de Joodse oorlog in het jaar 70, waarbij meer dan een miljoen Joden omkwamen, Jeruzalem werd ingenomen en de tempel werd vernietigd. Voor de mensen van die tijd was dit zeker iets dat als een einde gezien kon worden. Wij kunnen ons nu serieus afvragen of het terecht is te geloven dat het genoemde einde nog moet komen. En dan hebben we het nog niet eens gehad over wat er in de Bijbel precies met 'de komst van Jezus' bedoeld wordt. Hierover later meer.

Je ziet in vertalingen vaak dat er voor een groot deel letterlijk uit het Grieks vertaald wordt. Daar is iets voor te zeggen, maar hierdoor mis je bepaalde zaken, die met behulp van commentaren duidelijk moeten worden gemaakt. Op zich is het wel begrijpelijk dat men zo letterlijk mogelijk probeert te vertalen, want als je de betekenis probeert te vertalen (parafraseren), dan ga je soms onbewust je mening erin verwerken. Dat gebeurt helaas maar al te vaak in vertalingen. Dat komt omdat de betekenis van de oorspronkelijke tekst niet altijd even duidelijk is en dat deze vaak zelfs op meerdere manieren vertaald kan worden. Ik laat hier dan ook zien wanneer ik iets interpreteer en waarom.

Goed, we hebben gezien dat 'gé' en 'oikoumene' gebruikt kunnen worden om het land en de maatschappij aan te duiden, maar hoe zit het met 'kosmos'? Dat is toch de hele wereld, zoals wij die kennen? Wij gebruiken het woord vandaag zelfs voor het hele universum. Het is in dit verband belangrijk te beseffen dat men in de tijd van Jezus niet hetzelfde besef van de wereld had zoals wij nu. En als men woorden voor aarde of wereld gebruikte, was dat meestal in een context die ze nog konden bevatten.

In een bepaalde context kun je 'kosmos' inderdaad als de hele 'wereld' zien. En er zijn teksten in de Bijbel waar dat ook het geval lijkt te zijn. Al moeten we dan nog steeds bedenken dat men zich toen in Israël niet bezig hield met Japan of Alaska. Ze zagen het dan ook als iets dat wel allesomvattend was, maar in een bepaalde context. Lees maar eens in Kolossenzen 1:5,6:

Om de hoop, die voor u is weggelegd in de hemelen, van welke u te voren gehoord hebt, door het Woord van de waarheid, namelijk het Evangelie; dat tot u gekomen is, gelijk ook in de gehele wereld, en het brengt vruchten voort, gelijk ook onder u, vanaf de dag dat u het gehoord hebt, en de genade Gods in waarheid hebt leren kennen.

Hier staat in de Statenvertaling weer 'wereld', maar in het Grieks staat er 'kosmos'. Gaat het dan over de hele aardbol? Nee, want het evangelie was, toen Paulus dit schreef, nog niet aan de Eskimo's, de Aboriginals en de Indianen verteld; om maar niet te spreken van alle inheemse stammen die nú nog niet eens allemaal bereikt zijn. Toch spreekt Paulus in de verleden tijd: 'het evangelie, dat tot u gekomen is, net als in de gehele wereld'.

Jezus spreekt ook over het verkondigen aan de 'wereld' (het Griekse woord 'kosmos'), in Johannes 8:26:

Ik heb over jullie nog veel te zeggen en te oordelen. En Degene die mij gezonden heeft is betrouwbaar. En ik, wat ik van Hem gehoord heb, dat zeg ik in de wereld.

en in Johannes 18:20:

Ik heb vrijuit tot de wereld gesproken; Ik heb voortdurend in de synagoge geleerd en in de tempel, waar alle Joden bijeenkomen, en in het verborgene heb ik niets gesproken.

De context is hier duidelijk de wereld van de Joden, hun religieuze wereld (in hun synagogen en tempel) en niet de hele wereld zoals wij die nu kennen. Jezus was het Lam dat de zonde van die specifieke wereld wegnam (Johannes 1:29) en die Hij kwam redden van het oordeel (Johannes 3:17). Jezus kwam voor Zijn volk en de verloren schapen van Israël (Mattheüs 10:6 en 15:24). Het woord 'kosmos' betekent letterlijk 'orde' of 'een geordend geheel'. Het wordt vaak voor 'de schepping' (de orde van alle dingen) gebruikt en kan daarmee op de hele wereld slaan, maar zoals we hier zien kan het ook beperkt zijn tot Israël als geordend geheel. Zie bijvoorbeeld Johannes 1:29-31 en 1 Johannes 2:15-17:

De volgende dag zag Johannes Jezus naar zich toekomen en zei: Kijk het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt! ... aan Israël geopenbaard …

Heb de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; als iemand de wereld liefheeft is de liefde van de Vader niet in hem... En de wereld met al haar begeerten gaat voorbij, maar wie de wil van God doet, blijft in eeuwigheid.

Bedoelt Johannes hier dat de hele schepping, de aardbol voorbij gaat, of wordt er ook hier met 'wereld' (kosmos) de orde of het systeem van Israël bedoeld? Het eerste lijkt mij in de context niet aannemelijk; het tweede des te meer.

Vergelijk het eens met Galaten 4:3-5:

... toen wij nog kinderen waren, werden wij tot slaven gemaakt onder de eerste beginselen van de wereld (kosmos). Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God Zijn Zoon gezonden, geboren uit een vrouw, onder de wet, opdat Hij degenen die onder de wet waren verlossen zou en opdat wij de aanneming tot kinderen zouden verkrijgen.

In Kolossenzen 2:8,20 zegt Paulus dat men zich niet meer moest laten vangen door die 'beginselen van de wereld' (letterlijk: de elementen van de kosmos), dat waren de wetten en regels waardoor de Israëlieten destijds be- en veroordeeld werden. Dit blijkt uit de tegenstelling tussen de Zoon en de wet. En in Galaten 3:23, en 6:14 zegt hij nog meer over het contrast tussen hun vrijheid in de Ingewijde en de gebondenheid aan de 'wereld' (kosmos in 6:14), doelend op het houden van de wet en het beroepen op de besnijdenis. De hele brief aan de Galaten is een pleidooi om de genade die men ontvangen had in de Geest niet weer om te wisselen voor een leven onder de wet. Paulus vergelijkt het leven onder de wet met leven 'in het vlees' (besnijdenis) en 'in de wereld' (kosmos). Hij vermaant zijn lezers om te leven vanuit de Geest en de genade van God. Uit deze verzen blijkt dus dat we niet zomaar aan de hele aarde mogen denken wanneer we in het Grieks 'kosmos' lezen, maar eerder aan het religieuze stelsel van Israël. Paulus benadrukt dat spanningsveld nog eens in Romeinen 3:30,31, het hoofdstuk waar hij het heeft over de 'besnijdenis' en de 'on-besnijdenis' (Grieks: akrobustia). Die laatste term is in Het Boek bijvoorbeeld vertaald met 'andere mensen'. Maar daarmee wordt niet duidelijk om welke andere mensen het gaat. Paulus gebruikt het woord akrobustia 11 keer in hoofdstukken 2-4 van Romeinen. De mensen 'van de besnijdenis' waren zij die de wet koste wat het kost op de letter wilden volgen, inclusief besnijdenis. Paulus maakt duidelijk dat de letter doodt, dat zie je steeds weer in zijn teksten terugkomen. De Geest daarentegen maakt levend en bracht het volk Israël terug naar de essentie van de wet. De onbesnedenen waren de kinderen van Israël die, al dan niet verstrooid onder de volken, niet (meer) besneden waren, om wat voor reden dan ook. Die hoefden zich dus volgens Paulus niet alsnog te laten besnijden, omdat de Geest hen terug bracht bij het hart van God, de kern van hun wet. In tegenstelling tot wat de aards/werelds denkende leiders van hen verwachtten. Het is makkelijk verkeerd te lezen als je alleen hoofdstuk 3 zou lezen. Dan krijg je de indruk dat Paulus alle mensen, ook van andere volken, betrekt bij het evangelie. Maar het gaat om Israëlieten die afvallig geworden waren.

Het wordt ook benadrukt door Jezus Zelf in Johannes 15:18-25, waar Hij Zijn leerlingen duidelijk maakt dat de wereld (Grieks: kosmos) hen zou haten “...opdat vervuld zou worden wat in hun wet geschreven staat...” Hij trekt een directe parallel tussen de wettische Joodse leiders en het begrip 'de wereld' en dat zij zich zouden beroepen op hún wet.

In Johannes 1:10,11 zegt de evangelist dat Jezus in de wereld was, maar dat de wereld Hem niet erkende, dat Hij kwam tot het Zijne, maar dat de Zijnen hem niet hebben aangenomen. Een duidelijke parallel. Johannes gebruikt het woord kosmos wel 78 keer in zijn evangelie. Wanneer wij het lezen denken we al gauw dat Johannes de hele mensheid in gedachten had, maar deze teksten laten zien dat de context waarin hij het woord wereld gebruikte beperkt was tot zijn eigen volk. Zo horen we de Farizeeën in Johannes 12:19 zeggen dat de hele wereld achter Jezus aanliep. En tegen het einde, zoals we net al zagen in hoofdstuk 18:20, zegt Jezus dat Hij openlijk tot de wereld gesproken had, “...altijd in synagogen, in de tempel en waar de Joden samenkomen...” Het woord wereld had voor Johannes duidelijk de betekenis van de 'orde van Israëlieten', als ik het zo mag omschrijven.

Het zal voor de lezer langzaamaan wel duidelijk worden dat de verkondiging van het goede nieuws van Jezus in ieder geval in die tijd beperkt was tot de wereld van Israël. We vinden nog meer uitspraken over de verkondiging van het evangelie aan de 'hele wereld' in Markus 13:10, 16:15 en vlak voordat Jezus wordt opgenomen in de hemel, in Handelingen 1:8. In deze gedeelten worden drie van de genoemde Griekse woorden gebruikt, dat zijn 'kosmos', 'gé' en 'oikoumene'. Jezus gebruikte alle drie de woorden in verband met de verkondiging aan de hele wereld de hele aarde en door het hele land.

Maar er waren meer manieren waarop men over de toenmalige wereld sprak. Neem Markus 13:10:

En het Evangelie moet eerst gepredikt worden onder alle volken.

De zinsnede 'al de volken' is in het Grieks: 'panta ta ethné'. Paulus zegt het volgende in Romeinen 16:25,26:

Hem nu, Die in staat is u te bevestigen, naar mijn evangelie en de prediking van Jezus de Ingewijde, naar de openbaring van de verborgenheid, die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest, maar nu geopenbaard is en door de profetische Schriften, naar het bevel van de eeuwige God, tot gehoorzaamheid van het geloof, onder alle volken bekend is gemaakt; de enige wijze God zij door Jezus de Ingewijde de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen.

Het kan ons door de vertaling ontgaan, maar 'alle volken' is hier in het Grieks hetzelfde als in Markus 13:10, 'panta ta ethné'. We komen dit begrip ook tegen in Mattheüs 25:31,32, waar Jezus zegt dat alle volken voor Hem zullen verschijnen en dat hij de schapen van de bokken zal scheiden. Paulus zegt in deze brief aan de Romeinen dat aan de opdracht van Jezus (beschreven in Markus 13:10) reeds voldaan was. Het goede nieuws was onder alle omringende volken bekend gemaakt, maar niet de hele aarde zoals wij die nu kennen. Het woord 'onder' heeft nog een diepere betekenis, maar daarover later meer.

Kijk eens naar Markus 16:15:

En Hij zei tegen hen: Ga heen in de gehele wereld, predik het Evangelie aan de hele schepping.

Het woord voor de 'wereld' is hier weer de 'kosmos', die volgens Paulus bereikt was (zie Kolossenzen 1:6), en het woord voor 'schepping' is 'ktisis'. Hier zien we schepping en 'kosmos' in één adem genoemd. Paulus maakt in de brief aan de Kolossenzen gebruik van dit woord voor schepping, waardoor we wederom kunnen zien dat in zijn tijd al aan deze opdracht van Jezus voldaan was (Kolossenzen 1:23):

Indien u maar blijft in het geloof, gefundeerd en vast, en niet laat afbrengen van de hoop van het Evangelie, dat u gehoord hebt, dat gepredikt is aan elk schepsel dat onder de hemel is; waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben;

Het evangelie is aan elk schepsel onder de hemel verkondigd. En Paulus zei dit bijna 2000 jaar geleden al. Onder 'elk schepsel' verstaat Paulus dus niet elk mens op aarde. Dit heeft te maken met dat woordje 'onder' uit het eerder genoemde gedeelte in Romeinen 16.

Dan is er nog Handelingen 1:8, die ook vandaag de dag nog door veel mensen wordt gezien als 'de grote opdracht':

Maar jullie zullen de kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over jullie zal komen; en jullie zullen Mijn getuigen zijn, in Jeruzalem, in geheel Judea en Samaria, tot aan het uiterste van de aarde.

Kijken we nu nogmaals de woorden van Paulus er op na, in Romeinen 10:18:

Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden van de wereld.

In deze beide verzen wordt het Griekse woord gé gebruikt. De woorden 'gehele' en 'uiterste' zijn weliswaar verschillende woorden, maar zowel in onze taal als in het Grieks duiden ze op hetzelfde, namelijk de hele aarde. En eigenlijk kan dat woord gé ook in dit geval beter vertaald worden met 'land'. Het woord 'aarde' geeft ons in deze tijd een ander gevoel dan de mensen die het lazen in het Israël van 2000 jaar geleden. Dus Jezus zei dat ze tot de uitersten van de aarde moesten gaan en Paulus bevestigt dat dit gebeurd is. Zij hadden een missie en die is volbracht in hun tijd.

Niet lang na Jezus' woorden in Handelingen 1:8 werd de Heilige Geest uitgestort. Dit lezen we in Handelingen 2. De Joden vierden het Wekenfeest, ook wel Pinksteren genoemd en er waren veel mensen op de been. Handelingen 2:1-12:

En toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak, waren zij allen eendrachtig bijeen. En er kwam plotseling uit de hemel een geluid, lijkend op een geweldige gedreven wind en vervulde het hele huis waar zij zaten. En er verschenen vurige tongen die zich over ieder van hen verdeelden. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen te spreken in andere talen zoals de Geest hun gaf uit te spreken. En er waren Joden die te Jeruzalem woonden, godvruchtige mannen van alle volken die onder de hemel zijn. En toen dit geluid voorbij was, dromden de mensen samen en waren onthutst want een ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken. En zij waren allemaal uiterst verwonderd en zeiden tegen elkaar: Zie, zijn zij die daar spreken niet allen Galileërs? Hoe horen wij hen dan ieder in onze eigen taal waar wij mee opgegroeid zijn? Parthers en Meders en Elamieten en inwoners van Mesopotamië en Judea en Cappadocië, Pontus en Azië. Frygië en Pamfylië, Egypte en de delen van Libye, wat bij Cyrene ligt en uitlandse Romeinen, zowel Joden en Jodengenoten; Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen van de grote werken van God spreken. En zij waren allen zeer ontzet en werden vertwijfeld en zeiden tegen elkaar: Wat zou dit betekenen?

Wat dit betekent lijkt mij duidelijk. We krijgen hier een mooie opsomming van wat er verstaan werd onder 'alle volken die onder de hemel zijn'. Hier gebruikt Lukas dezelfde Griekse woorden die we vinden in Romeinen 16:26, waarin Paulus vaststelde dat alle (verloren schapen onder de) volken bereikt waren. Let op de woorden “er waren Joden” en verderop “Hoe horen wij hen dan ieder in onze eigen taal...?” (Ze waren zo ingeburgerd onder de volken, dat ze zelfs de talen van die volken spraken.) Het is dus niet zo vreemd dat al die Joden onder alle volken in de omgeving al snel bereikt werden met het evangelie. Veel mensen die op dat Wekenfeest aanwezig waren en de Galileërs in hun eigen taal hoorden spreken, kwamen tot geloof in Jezus. Daarna zullen zij ongetwijfeld de blijde boodschap hebben doorgegeven aan (de onder de volken verstrooide) familie en vrienden uit hun taalstreek. Het evangelie werd op deze manier met een razend tempo gelanceerd in hun wereld.

We kunnen nu met een gerust hart concluderen dat de schrijvers in de eerste eeuw (in ieder geval Mattheüs, Lukas en Paulus) met 'aarde', 'wereld' en 'elk schepsel' of 'alle volken onder de hemel' iets anders bedoelden dan wij in eerste instantie geneigd zijn te denken wanneer we het lezen. Tegelijk zien we dat deze mensen er van overtuigd waren dat aan Jezus' opdracht om het evangelie aan de hele wereld, de uitersten van de aarde, onder alle volken en aan de hele schepping te verkondigen, voldaan was!

In de vergelijking hieronder zie je de verzen waar de opdracht van Jezus met de Griekse woorden voor 'wereld', 'volken', 'schepping' en 'aarde', voorkomen, met de exacte vervulling ernaast:

Vergelijk Mattheüs 24:14

En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld (oikoumene) gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen.

...met Romeinen 10:18

Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden van de wereld (oikoumene).

Vergelijk Markus 13:10

En het Evangelie moet eerst gepredikt worden onder alle volken (panta ta ethné).

...met Romeinen 16:25,26 (Handelingen 2:5)

mijn Evangelie en de prediking van Jezus de Ingewijde... onder alle volken (panta ta ethné) bekend is gemaakt.

Vergelijk Markus 16:15

En Hij zei tegen hen: Ga heen in de gehele wereld (kosmos), predik het Evangelie aan de hele schepping.

...met Kolossenzen 1:6

...het Evangelie; dat tot u gekomen is, gelijk ook in de gehele wereld (kosmos); en het brengt vruchten voort...

Vergelijk Markus 16:15

En Hij zei tegen hen: Ga heen in de gehele wereld, predik het Evangelie aan de hele schepping (pasé té ktisei).

...met Kolossenzen 1:23

...het Evangelie, dat u gehoord hebt, dat gepredikt is aan elk schepsel (pasé té ktisei) dat onder de hemel is.

En vergelijk Handelingen 1:8

Maar u zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen, ... en u zult Mijn getuigen zijn, te Jeruzalem, in geheel Judea en Samaria en tot aan het uiterste der aarde (gé).

...nogmaals met Romeinen 10:18

Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde (gé) uitgegaan, en hun woorden tot de einden der wereld.

Sommige mensen worden op dit punt wat onrustig van binnen, want dit zou in de ogen van de oplettende lezer kunnen betekenen dat we nu niet meer hoeven te evangeliseren, omdat het dan allemaal al voorbij zou zijn. De grote opdracht is helemaal volbracht, dus wat valt er dan nog te doen voor ons? Het antwoord is vrij eenvoudig eigenlijk, want het goede nieuws waarover in de genoemde teksten gesproken wordt, is niet hetzelfde goede nieuws dat voor ons geldt. Mensen goed nieuws vertellen kan nog steeds, maar ik denk wel dat dit goede nieuws van een andere aard is dan de boodschap van de zendelingen voor Israël. Laten we niet meer ons eigen referentiekader gebruiken bij het interpreteren van een tweeduizend jaar oude tekst. De boodschap voor Israël hield in dat zij bevrijd (verlost) werden van de wet die hen zo lang alleen maar dood en verderf had gebracht. De wet waar zij na de uittocht uit Egypte zo gretig 'ja' op hadden gezegd, was onmogelijk helemaal te houden. Uiteindelijk bracht het alleen maar veroordeling en afscheiding van hun God. Het verhaal van Israël laat ons zien dat God dit nooit heeft gewild en dat Hij er in Jezus radicaal een einde aan heeft gemaakt, door de wet helemaal te vervullen met het laatste, volmaakte Lam dat alle andere offers voor Israël in één klap verving. Zeg maar dat Hij de rekening voor alle offers in één keer afbetaalde. Het goede nieuws voor ons is dat wij helemaal niets met die wetten te maken hebben, maar alleen nog met een liefdevolle God, die ons behandelt als kinderen en vrienden en niet als onderdanen die zijn volmaakte wet moeten houden. We hoeven zelfs niet zogenaamd 'gered' te worden van de zonde en de vloek als gevolg van die wet, want dat heeft helemaal niets met ons te maken. Dat is pas goed nieuws. Geen dwang, geen drang, geen oordeel en geen verdoemenis.

Het 'einde van de tijd', maar niet onze tijd

Zo is er in onze tijd ook een betekenis gegeven aan 'het einde'. Er wordt zelfs gezegd dat 'het einde van de tijd' nadert. Maar in de Bijbel zien we die bewoordingen niet terugkomen. Wat er wel staat vinden we onder andere in 1 Petrus 1:19,20:

Maar door het dierbaar bloed van de Ingewijde, als van een ongeschonden en onbevlekt Lam; Dat al gekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar voor u geopenbaard is in deze laatste tijden.

En Hebreeën 1:1:

God, die voortijds vele malen en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken heeft door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon

Zie ook Handelingen 2:15-20, waar Petrus de mensen toespreekt, nadat ze net de Heilige Geest hadden ontvangen en onder inspiratie van die Geest begonnen te spreken in alle talen van de mensen die voor het pinksterfeest in Jeruzalem waren samengekomen:

...dit is het, waarvan gesproken is door den profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren. En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp. De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en opzienbarende dag van de Heer komt. En het zal zijn, dat een ieder, die de Naam van de Heer zal aanroepen, gered zal worden.

Wanneer was die 'grote opzienbarende dag van de Heer'? In de 'laatste dagen'. En wanneer waren die laatste dagen? Op het moment dat Petrus zei: “dit is het”. Dat was bijna tweeduizend jaar geleden. En wat zou er daarna gebeuren? Bloed en vuur, rook en duisternis, met een maan als bloed. We hebben al gezien dat dit soort symboliek in de oren van Joden van de eerste eeuw klonk als een komend oordeel over heersende autoriteiten en een corrupte heersende orde (Grieks: kosmos). Het ging voor hen niet om een einde van de tijd en vernietiging van de aarde zoals wij die kennen. Ze wisten heel goed waar dit over ging. Petrus kort de tekst van Joël (hoofdstuk 2) behoorlijk in. De profeet spreekt met symbolen en waarschuwingen het volk toe. Hij zegt ten slotte dat het volk ontkoming kan vinden op de berg van God (Sion). Petrus betrekt dat in zijn toespraak op Jezus. De schrijver van het boek Hebreeën doet later hetzelfde (in Hebreeën 12:22-24):

Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden afgezanten; Tot de algemene vergadering en de Gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en de geesten van de volmaakte rechtvaardigen; en tot de Middelaar van het nieuwe verbond, Jezus...

Hier zien we een directe verwijzing naar Joël; en we zien een thema dat terugkomt in het boek Openbaring: het nieuwe Jeruzalem. De geestelijke stad, waar God aanbeden kan worden in geest en in waarheid. Zoals Jezus zei (in Johannes 4:21-24):

Jezus zei tegen haar: Vrouw, geloof Mij, de tijd komt dat jullie noch op deze berg, noch te Jeruzalem, de Vader zullen aanbidden. Jullie aanbidden wat jullie niet kennen. Wij aanbidden wat wij kennen, want de redding is uit de Joden. Maar de tijd komt, en is er nu al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en in waarheid; want de Vader zoekt mensen die Hem zo aanbidden. God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en in waarheid.

In het Nieuwe Testament zien we telkens weer dat het Koninkrijk komt in de geest, in waarheid, onzichtbaar, niet 'van deze wereld', maar hemels en geestelijk. Hierover zal ik verderop meer zeggen, maar voor nu is het belangrijk om te zien dat er gesproken wordt over 'nu' en 'dit is het'. Dat was toen al, in de eerste eeuw. Dat had betrekking op het oordeel, maar ook op de redding en de komst van het Koninkrijk. Is het niet vreemd te noemen dat er vandaag nog steeds geloofd wordt dat we in 'de laatste dagen' leven? Als die 'laatste dagen' toen waren, is het dan logisch te geloven dat die dagen nog steeds doortellen?

Jezus zei het heel duidelijk in Lukas 21:22:

...want dit zijn de dagen van vergelding, waarin alles wat geschreven staat, in vervulling gaat.

En dan de hamvraag: wát ging er precies in vervulling? 'Alles wat geschreven staat', is heel breed. Het gaat daar om alles wat geschreven staat met betrekking tot hetgeen in die context besproken werd. Deze constructie vinden we wel vaker in het Grieks. Zo zegt Paulus in Filippensen 4:13:

Ik ben in staat alle dingen te doen door de Ene, Die mij kracht geeft.

Dat betekent niet dat hij zomaar alles kon doen, maar dat hij kracht kreeg om de dingen te doen die hij daarvoor noemde: in voorspoed én in gebrek leven.

Zo moeten we ook kijken naar Lukas 21:22. Alle dingen die geschreven zijn: dat de tempel zou worden afgebroken, dat er valse 'ingewijden' (messiassen) zouden komen, oorlogen, oproer, aardbevingen, hongersnoden, epidemieën, tekenen aan de hemel, vervolgingen, verdeeldheid, zelfs binnen gezinnen, de belegering van Jeruzalem en haar verwoesting. Alles wat Hij daarvoor genoemd heeft en waar de profeten over geschreven hadden. Dát zou in vervulling gaan. De geschiedenis van Israël kwam tot een einde.

De voorspelling van 'bloed, vuur, rook, verduistering van hemellichamen, wonderen en tekenen' waren zeer actueel tijdens de belegering en vernietiging van Jeruzalem en de tempel in de jaren 66 tot en met 70. Geschriften uit de eerste eeuwen, van Flavius Josephus, Gaius Tacitus, Eusebius van Caesarea en teksten die toegeschreven worden aan namen als 'Pseudo-Hegesippus' en 'Sepher Josippon' doen verslag van oorlogen, hongersnoden, ziekten, aardbevingen, zelfbenoemde profeten en opstandelingen. De latere schrijvers verwijzen voornamelijk naar Josephus en Tacitus, die daarmee de belangrijkste bronnen vormen. Er werden imposante verschijningen waargenomen in de lucht, boven Jeruzalem in die tijd. Er werd een grote indrukwekkende gestalte gezien, strijdwagens, soldaten in pantser met vurige wapens, de tempel die plotseling verlicht werd door een schijnsel uit de hemel en men zag een gezicht van een man in de wolken. Er werd ook nog een 'ster' waargenomen in de vorm van een zwaard (waarschijnlijk een komeet) die een jaar boven de tempel zichtbaar was. Kunnen deze waarnemingen de tekenen zijn geweest waar Jezus het over had? (Zie Mattheüs 24, Markus 13 en Lukas 21.) Ik weet het niet, oordeel zelf...

Enkele voorbeelden:

(Flavius Josephus, 'De Joodse oorlog', Boek 6, hoofdstuk 5, sectie 3:) “Op de eenentwintigste dag van de maand Artemisias, verscheen een wonderbaarlijk en indrukwekkend fenomeen, ik veronderstel dat de verslaggeving ervan een fabel zou lijken, ware het niet verteld door degenen die het zagen en waren de gebeurtenissen die daarop volgden niet van dusdanig aanzienlijke aard dat zij dergelijke berichtgeving verdienen; want voor zonsondergang werden wagens en troepen van soldaten in hun pantser gezien, die rondreden onder de wolken, en ze omsingelden de steden.”

(Gaius Tacitus, 'Geschiedenissen', Boek 5.13:) “Er werden legertroepen gezien die streden in de lucht, een vurig schijnsel van wapenen. En de tempel werd verlicht door een plots schijnsel vanuit de wolken.”

(Eusebius, 'Kerkgeschiedenis', Boek 3, hoofdstuk 8, Sectie 1-6:) "En na het feest, slechts enkele dagen later, verscheen een grote geest in de lucht en wat daarmee in verband stond, zou een sprookje lijken, ware het niet verteld door ooggetuigen, gepaard gaande met lijden dat deze tekenen waardig is. Want voor zonsondergang verschenen er in de lucht, over het hele land, wagens en gewapende troepen die door de wolken reden en alle steden omsingelden."

(Flavius Josephus, 'De Joodse oorlog', Boek 6, hoofdstuk 5, sectie 2 en 3:) “Een ster in de vorm van een zwaard, stond boven de stad, samen met een komeet die een jaar lang gezien werd ... Op de achtste dag van de maand Xanthicus en op het negende uur van de nacht, scheen er een dermate helder licht rond het altaar en de tempel, dat het leek alsof het klaarlichte dag was.”

De conclusie lijkt mij voor de hand liggen, maar ik wil je uitdagen om het zelf te onderzoeken. Voor de ijverige student: lees de boeken van bovenstaande schrijvers maar eens. Er zijn daarin duidelijke overeenkomsten met het Nieuwe Testament van de Bijbel te vinden.

De aankondiging in Lukas 21:22 dat alles wat geschreven stond in vervulling zou gaan, was voor de Joden die daar stonden geen goed nieuws, dat was het einde van alles wat hen zo dierbaar was. Hun geliefde hoofdstad, hun tempel en hun tradities, hun hele 'wereld' (kosmos). Het zou allemaal tot een einde komen. Het was hún wereld die zou vergaan, niet de hele aardbol, maar voor hen was het erg genoeg.

Wanneer we het woord 'einde' op zich nog iets nader gaan bekijken, komen we ook tot interessante inzichten. Net als in onze taal zijn er in het Grieks verschillende synoniemen voor 'einde'. Wij kennen de woorden 'stop', 'voltooiing', 'afronding', 'grens', 'uiteinde', 'laatste' en dergelijke. We weten ook wat ze betekenen in een bepaalde context. Zo kent het Grieks de woorden 'telos' (einde), 'sunteleia' (voltooiing), 'akron' (uiterste), 'peras' (grens, limiet), eschatos (laatste) en 'kairos' (gezette tijd). Elk van deze woorden wordt gebruikt in verband met 'het einde' waar we het hier over hebben. Meestal worden deze woorden in een bepaald verband gebruikt. Bijvoorbeeld 'eschaté hóra' (het laatste uur) of 'eschatón tón hemerón' (de laatste dagen).

Voor het woord 'kairos' is niet echt een Nederlands woord te geven. We zouden het kunnen vertalen met woorden als 'seizoen' of 'gelegenheid'. Het geeft een afgerond tijdperk aan. Wel belangrijk om te begrijpen, want het wordt 86 keer gebruikt in het nieuwe testament. Jezus wees Zijn toehoorders erop dat ze de 'tijden' moesten onderscheiden (Mattheüs 16:3, Markus 13:33 Lukas 12:56, 19:44). Paulus had het ook regelmatig over die 'gezette tijd'. Het was niet zomaar een tijd. Het was de voltooiing van een tijd, een specifieke tijd van genade (Romeinen 11:5):

Zo is er naar de uitverkiezing van genade dan ook in deze huidige tijd een deel overgebleven.

Dat woordje 'tijd' op die plaats was niet zomaar een periode. Het was de gezette tijd, de 'laatste tijd' waarin ze toen leefden. Het was de tijd waarover hij ook sprak in Romeinen 8:18:

Want ik ga ervan uit dat het lijden van de huidige tijd niet te vergelijken is met de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden.

Het was een tijd met een specifiek doel. Het was de vervulling van de hoop van Israël: de opstanding vanuit de doden, het herstel, de wedergeboorte. Het was de tijd waarover de afgezant van God met Daniël sprak (in Daniël 8:17):

...dit visioen zal zijn tot de tijd van het einde.

Later ga ik verder in op de visioenen van Daniël. Voor nu wil ik laten zien dat hij het vooral over die 'tijd van het einde' had. Het woord voor 'einde' is hier 'peras' en dat betekent 'grens', 'limiet', 'het verste' of 'uiterste einde'. Deze term 'tijd van het einde' (kairou peras) komt weer terug in 8:19, 11:27, 11:35, 11:40 en 12:9. Daniël gebruikt hem dus 6 keer. In Daniël 9:27 komt de combinatie 'sunteleias kairou' voor, de 'voltooiing van de (gezette) tijd'. De leerlingen vroegen Jezus naar deze voltooiing, maar gebruikten de combinatie 'sunteleias tou aiónos'. Het woord 'aiónos' is vergelijkbaar in die zin dat het ook een tijdperk aangeeft met een duidelijk begin en een einde. Jezus antwoordde met een uiteenzetting waarin Hij als belangrijkste teken van de tijd de profetieën van Daniël gebruikte. Zoals we later zullen zien, blijkt uit de profetieën van Daniël dat de voorbestemde of gezette tijd voor het einde was vastgesteld en dat het nog 490 jaar zou duren, na een bepaald moment - de opdracht tot herbouw van Jeruzalem. Dit kwam precies bij de tijd van Jezus uit. Als deze uiterste limiet voor Israël gold, dan is de tijd van Jezus het einde van het religieuze stelsel van Israël. Het is niet juist om het woord 'peras' op zich als een absolute grens te zien, maar wel een absolute afronding of een uiterste van iets in een bepaalde context. Zo wordt het woord ook gebruikt om aan te geven dat de koningin van het zuiden van 'de einden van de aarde' kwam om naar de wijsheid van Salomo te luisteren (Mattheüs 12:42). Het gaat ook niet om dat éne woordje, want het komt maar 4 keer voor in het hele nieuwe testament, terwijl Daniël het in één boek wel 10 keer gebruikt. Het gaat meer om de combinatie van woorden, waardoor de context duidelijk wordt. In het nieuwe testament komen we vaker de woorden eschatos, telos en sunteleias tegen waar het gaat om het einde en de laatste dingen.

Zo gebruikt Johannes 'eschatos' bij de 'laatste dag' in Johannes 6:39,40,44,54, 11:24, 12:48 en het 'laatste uur' in 1 Johannes 2:18. De brieven van Petrus, Judas en Jacobus spreken er ook over. Hebreeën 1:2 geeft aan dat die tijd de 'laatste dagen' waren.

Het woord 'telos' wordt het meest gebruikt om 'het einde' aan te duiden (Mattheüs 10:22, 24:6,13,14, Markus 13:7,13, Lukas 21:9, Romeinen 10:4, 1 Korinthiërs 1:8, 10:11, 15:24, 2 Korinthiërs 3:13, 11:15, Philippenzen 3:19, 1 Thessalonicenzen 2:16, Hebreeën 3:6,14, 6:8,11, 1 Petrus 4:7 en Openbaring 2:26).

Het woord 'sunteleias' wordt het meest gebruikt door Mattheüs (13:39,40,49, 24:3 en 20) in de zin van 'voltooiing van het tijdperk'.


De wederkomst, anders dan je denkt

Jezus had het regelmatig over de 'komst' die Daniël voorspelde. Zo zagen we al in Mattheüs 16:27-28:

Want de Mensenzoon zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met Zijn afgezanten, en dan zal Hij iedereen vergelden naar zijn daden. Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen die hier staan, die de dood niet zullen proeven, totdat zij de Mensenzoon zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.

We hebben het al gehad over de tijdsaanduiding: dat sommigen nog niet dood zouden zijn bij Zijn komst. Het woord 'vergelden' kan ook gelezen worden als 'afrekenen', wat zowel positief (beloning) als negatief (oordeel/straf) kan zijn. Het is in dat licht opmerkelijk dat Jezus de eerste zin herhaalde toen Hij antwoord gaf op de vraag die Zijn leerlingen stelden over de vernietiging van de tempel (Mattheüs 25:31):

En wanneer de Mensenzoon komen zal in Zijn heerlijkheid, en alle heilige afgezanten met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid.

De 'troon van Zijn heerlijkheid' heeft met oordelen en vergelding te maken. Een koning op zijn troon geeft beloningen en straffen naar zijn goeddunken.

Het is eveneens opmerkelijk dat Jezus zei te komen in de 'heerlijkheid van zijn Vader'. Dit lijkt erg op wat hij zei in Johannes 5:19-22:

... voorwaar zeg Ik u: De Zoon kan niets uit Zichzelf doen, tenzij Hij het de Vader ziet doen; want wat Die doet doet de Zoon net zo. Want de Vader heeft de Zoon lief en toont Hem alles wat Hij doet. En Hij zal Hem grotere werken tonen dan deze, opdat gij u verwondert. Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend die Hij wil. En de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordelen aan de Zoon gegeven.

Zo Vader zo Zoon. De Zoon (Jezus) had op dat moment alle autoriteit van de Vader gekregen om de doden op te wekken en het komende oordeel over Jeruzalem uit te voeren. Twee dingen waarvan we al gezien hebben dat ze samen zouden gaan. En Hij zou dat alles doen op dezelfde manier als zijn Vader deed. En hoe oordeelde de Vader? En hoe kwam de Vader? Daarvan heb ik al voorbeelden gegeven, maar nu iets uitgebreider, zoals Jesaja 19:1,2,4:

Tegen Egypte: Kijk, Jahweh rijdt op een snelle wolk en Hij zal Egypte binnenkomen; en in Zijn aanwezigheid zullen de afgoden van Egypte beven; en het hart der Egyptenaren zal smelten in hun binnenste. Want Ik zal Egyptenaren tegen Egyptenaren opzetten, dat zij elkaar zullen bestrijden, ieder tegen zijn broeder en tegen zijn naaste, stad tegen stad, koninkrijk tegen koninkrijk ... En Ik zal de Egyptenaren overgeven in de hand van harde heren. En een strenge koning zal over hen heersen, spreekt Jahweh, Heer van de legers.

Jahweh komt Egypte binnen, rijdend op een wolk, met als gevolg dat de ze in verwarring tegen elkaar opstaan en overmeesterd worden. Dezelfde Jesaja bevestigt dat Jahweh de Vader is: “U bent toch onze Vader, ... U, o Jahweh bent onze Vader, onze Verlosser, Uw Naam van oudsher” (Jesaja 63:16).

En: “...Jahweh, U bent onze Vader, wij zijn klei en U onze Pottenbakker, wij zijn het werk van Uw handen.” (Jesaja 64:8)

De profeet Ezechiël spreekt (vermoedelijk) over datzelfde oordeel, wanneer hij het volgende zegt (Ezechiël 30:3,4,8,10,11):

Want de dag is nabij, ja de dag van Jahweh is nabij. Het zal een dag van wolken en een tijd van de volken zijn. En het zwaard zal over Egypte komen en er zal wanhoop zijn in Ethiopië, als de verslagenen zullen vallen in Egypte; want zij zullen alles wegnemen, en haar fundamenten zullen verbroken worden... En zij zullen weten, dat Ik Jahweh ben, als Ik een vuur in Egypte zal hebben gelegd, en al haar helpers zullen verbroken worden... Zo zegt de Heer Jahweh: Ja, Ik zal de rijkdom van Egypte doen ophouden, door de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel. Hij, en zijn volk met hem, de meest afschrikwekkende van de volkeren zullen aangevoerd worden, om het land te vernietigen; en zij zullen hun zwaarden tegen Egypte trekken, en het land met verslagenen vervullen.

Jahweh kwam door de hand van Nebukadnezar en ze zouden weten dat het Jahweh was die kwam, op een dag van wolken, om het land te vernietigen.

De profeet Nahum spreekt een profetie uit tegen Ninevé (Nahum 1:2-5):

God is jaloers en wreekt Zich; Jahweh wreekt, Jahweh is woedend. Jahweh zal wraak nemen op Zijn tegenstanders en Hij reserveert toorn voor Zijn vijanden. Jahweh is geduldig, maar heeft grote kracht en Hij houdt schuldigen geenszins voor onschuldig. De weg van Jahweh is in een wervelwind en in storm en de wolken zijn het stof van Zijn voeten. Hij bestraft de zee en maakt haar droog en Hij droogt alle rivieren op; Basan en Karmel verdorren, ook verdort de bloem van Libanon. De bergen beven voor Hem en de heuvelen versmelten en de aarde richt zich op voor Zijn aangezicht en de wereld en allen die daarin wonen.

Als God de Vader komt, is er geen genade voor de schuldigen, ook al is Hij nog zo geduldig en vriendelijk voor de onschuldigen. We zien dat ook Nahum spreekt over wind en wolken, het opdrogen van zee en rivieren, het beven van de bergen en het bewegen van de aarde. Het lijkt alsof de wereld vergaat, maar het is God die komt om slechts één stad, Ninevé, te straffen. Zo zou ook de Zoon komen om een oordeel te vellen over Jeruzalem. De reikwijdte van het oordeel lijkt enorm als je die profetieën leest, maar toch gaat het vaak slechts om een stad, een streek of een land. De taal geeft meer iets van intensiteit aan. Het oordeel is hard en onafwendbaar. Zoals in de volgende gedeelten uit Jesaja 34:1-10 (tegen Edom):

Kom dichterbij, volken, om te horen. En mensen, luister! ... Want Jahweh is boos op alle volken en woest op hun legers. Hij heeft hen volkomen vernietigd, Hij heeft ze aan slachting overgegeven... de bergen zullen smelten van hun bloed. En alle hemellichamen zullen verteren en de hemelen zullen opgerold worden als een boekrol en alle hemellichamen zullen naar beneden vallen zoals een blad van de wijnstok afvalt en zoals een vijg afvalt van de vijgenboom. Want Mijn zwaard ... zal als oordeel nederdalen op Edom ... Want het zal zijn de dag van de wraak van Jahweh, een jaar van vergeldingen om Sion recht te doen. En hun beken zullen in pek veranderd worden en hun stof in zwavel; ja, hun aarde zal tot brandend pek worden. Het zal des nachts of des daags niet uitgeblust worden, tot in eeuwigheid zal zijn rook opgaan; van geslacht tot geslacht zal het woest zijn en tot in eeuwigheid der eeuwigheden zal niemand daar doorgaan.

Het is bijna komisch om te lezen, als het niet zo triest was. Alles in overtreffende trap. Maar dat is iets wat we wel vaker zien in profetieën met oordeel over een vijand. Het is een soort provocatie in de hoogste versnelling. Boze mensen doen dat vandaag ook nog wel. Ze bedoelen het niet letterlijk, maar zeggen dingen als: “Ik trap je helemaal de grond in! Ik maak je zo totaal kapot dat je nooit meer overeind komt!” Het gaat erom dat ze door deze overdreven taal aangeven hoe erg ze het menen en hoe groot hun afkeer is. Dit is ook de taal die Jezus gebruikte in Mattheüs 24, met betrekking tot Zijn komst. De taal die Hij en Zijn toehoorders kenden van de oude profeten. Jezus was dé Profeet van de eindtijd. Zou Hij dan niet vergelijkbare taal gebruiken? Net als in Jesaja 13, waar de hemel geschud wordt, de aarde van zijn plaats komt en de hemellichamen geen licht meer geven, in het oordeel over Babylon. Nog enkele voorbeelden uit 2 Samuël 22, waar David het verslaan van Saul beschrijft:

... Banden van het dodenrijk omringden mij... toen riep ik Jahweh aan en riep tot mijn God en Hij hoorde mijn stem... Toen daverde en beefde de aarde; de fundamenten van de hemel bewogen en daverden, omdat Hij ontstoken was... Rook steeg op uit Zijn neus en een vuur uit Zijn mond... En Hij boog de hemel en daalde neer en donkerheid was onder Zijn voeten. En Hij voer op een cherub en vloog en werd gezien op de vleugels van de wind. En Hij zette duisternis rondom Zich als tenten, een koepel van donkere wateren, wolken van de hemel... Jahweh donderde vanuit de hemel en de Allerhoogste liet Zijn stem horen... En de diepe kolken der zee werden gezien, de grondvesten van de wereld werden onthuld door de bestraffing van Jahweh, door de wind van Zijn neus... met mijn God spring ik over een muur...Toen vergruisde ik hen als stof van de aarde; ik stampte ze, ik breidde hen uit als slijk op de straten...

Straffe taal, waar alles gigantische proporties aanneemt. Dat was de taal van de profeten. En wanneer Jezus over oordeel sprak, was dat niet veel anders. Dat was de taal waarmee men destijds aangaf hoe allesomvattend en compleet het handelen van God was. Als de Vader kwam, dan kwam Hij onherroepelijk en krachtig. En zo zou ook de Zoon volledig afrekenen met de oude wereld, om de rechtvaardigen recht te doen en een nieuwe wereld voor hen te maken. Moeten wij ons afvragen of Jezus zichtbaar op wolken zou komen? Zouden de zon en de maan echt verduisterd worden? Zouden sterren ter aarde vallen? In zekere zin wel, maar in de zin van stofwolken van aanstormende legers die de grond doen trillen, rookwolken die opstijgen uit een brandende stad en de leiders die van hun voetstuk vallen. Jezus deed wat Hij Zijn Vader had zien doen.

Nu nog iets meer over die belangrijke vraag van de leerlingen, die helaas vaak op een verwarrende manier vertaald wordt (Mattheus 24:3):

Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en wat zal het teken zijn van Uw komst, en van de voleinding van de wereld?

Dit komt uit de Statenvertaling. In de NBG vertaling is dit onveranderd overgenomen. De NBV komt iets dichter bij het Grieks. Daar staat “de voltooiing van deze wereld”. Het Griekse woord 'sunteleias' is inderdaad beter met 'voltooiing' te vertalen, maar de woorden voleinding en vervulling kunnen op zich ook gebruikt worden. Zoals je ziet gebruikt de NBV het woord 'deze' voor 'deze wereld'. Dat heeft meer betrekking op dat wat zij toen voor wereld aanzagen. En we hebben al gezien dat de mensen in die tijd een beetje anders tegen 'de wereld' aankeken dan wij. Ik heb laten zien dat er in het Grieks vier woorden zijn die met 'wereld' vertaald kunnen worden, afhankelijk van de context.

Tot nu toe hebben we de volgende woorden gezien: het woord 'gé' betekent aarde/grond/land, het woord 'oikoumene' staat voor de maatschappij / de samenleving en het woord 'kosmos' (letterlijk: formatie, ordening, schikking) staat voor wereld in de zin van de schepping of 'dat wat geformeerd is'. Het wordt ook gebruikt voor de orde van Israël, die ook Gods 'schepping' genoemd wordt. Deze drie woorden werden door de mensen in die tijd niet zo gebruikt dan hoe wij dat nu doen (minder omvangrijk) dat zagen we in andere teksten uit dezelfde tijd. Maar nu lezen we dit gedeelte in Mattheus 24:3. Hier staat nog een vierde woord dat eventueel met 'wereld' vertaald zou kunnen worden: 'aiónos'. Het woord betekent letterlijk 'eeuw' of 'tijdperk'. Het woord stamt af van een ouder woord dat 'adem' of 'leven' betekent. Griekstalige tijdgenoten gebruikten het woord voor een periode die door een mens in één leven te bevatten is. Dat is dus de voor hem of haar bekende 'wereld'. En alleen in die zin kan het met wereld vertaald worden: in de zin van 'dat wat wij kennen' of 'deze tijd'; als in: “wát een wereld” of “mijn wereld stort in”.

Verder is er in dat vers nog het woord 'parousia', dat met 'komst' vertaald wordt. Op zich niet verkeerd, maar het is meer dan dat. Het woord heeft de betekenis van speciale of bijzondere 'aanwezigheid'. Het werd gebruikt om aan te geven dat iemand met een bepaalde waardigheid of status zou komen, dus voor een specifiek doel aanwezig zou zijn. Bijvoorbeeld om een belangrijke overeenkomst te sluiten of om bepaalde zaken af te handelen, wat alleen kon worden gedaan in aanwezigheid van die persoon. Deze persoon komt dan niet als zichzelf, maar in een bepaalde hoedanigheid. Als een staatshoofd ergens verschijnt, dan is dat meestal voor een speciale gelegenheid. Dat is de betekenis van 'parousia'. Samenvattend kan deze vraag ook zo vertaald worden:

Wanneer gaan deze dingen gebeuren en waaraan zullen wij kunnen zien dat U komt om ervoor te zorgen dat deze eeuw (dit tijdperk) tot voltooiing (vervulling) komt?

Deze term, 'voleinding van de eeuw' of 'voltooiing van het tijdperk' (in het Grieks: 'sunteleias tou aiónos'), komt vaker voor in het Nieuwe Testament. Jezus gebruikte het toen Hij tegen Zijn leerlingen zei dat hij tot het einde bij ze zou zijn om de grote opdracht van de verkondiging van het goede nieuws te volbrengen (Mattheus 28:20), waarvan we gezien hebben dat Paulus de voltooiing in zijn tijd zag. Het komt drie keer voor in de gelijkenissen in Mattheus 13, waar Jezus het oordeel aankondigt over de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen, dat parallel loopt met het oordeel over Jeruzalem. Hierover later meer onder het kopje 'gelijkenissen'. We hebben het al gezien in Hebreeën 9:26, waar staat:

...maar nu is Hij eenmaal in de voleinding van de tijden geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijn offer.

Die voltooiing van de tijden (hier zelfs in meervoud, om het nog meer kracht bij te zetten), was toen 'nu'; en dat was niet lang voor de verwoesting van de tempel en van Jeruzalem. Het was 'nu' voor de lezers van die brief (denk aan het principe van de doelgroep). Het waren de Israëlieten wiens zonden door de wet werden veroordeeld en waarvoor Jezus het laatste offer bracht, aan het einde van hun tijdperk van de wet en de tempeldienst.

Nu we weten dat er vier woorden zijn die met 'aarde' en 'wereld' kunnen worden vertaald, kunnen we ook nog iets zeggen over de tekst van het boek Openbaring.

Er zijn slechts drie verzen in Openbaring die het woord 'kosmos' gebruiken, wat te maken heeft met een formatie of schepping. (In 11:15 waar het koninkrijk van de wereld het Koninkrijk van God en van de Ingewijde is geworden; in 13:8 zien we het Lam dat geslacht is vanaf de grondlegging van de wereld en in 17:8 zijn er namen die vanaf de grondlegging van de wereld geschreven zijn in het boek van het leven.) De toenmalige oude orde (kosmos) kwam onder de heerschappij van het volmaakte Lam: een nieuwe orde, een nieuw verbond een nieuwe formatie. God had een verbond met een volk, waarbij het brengen van offers centraal stond in de rituelen om vrij te komen van de schuld die men had door het overtreden van de wet. Eigenlijk meer een verdrag, een akkoord, een overeenkomst. De wet was de bepalende factor in dat oude verbond, waar beide partijen (de mens en zijn God) zich aan moesten houden. Dat was de 'orde' die voorbij ging, de 'kosmos' (de wereld) die zou vergaan en die plaats zou maken voor een verbond waarbij God het initiatief en de verantwoordelijkheid zou nemen.

Er zijn ook slechts drie verzen in Openbaring waarin 'oikoumene' gebruikt wordt, wat te maken heeft met de maatschappij, de Romeinse samenleving waarin de Israëlieten waren opgenomen. (In 3:10 komt verdrukking over de hele wereld; in 12:9 zien we Satan, de aanklager, die op de aarde geworpen wordt om de wereld te verleiden; in 16:14 de geesten die de wereld ingestuurd worden om koningen te verzamelen voor de strijd). In deze verzen gaat het dus om de omringende volken. Het woord kan dus ook met 'wereld' vertaald worden, maar heeft een hele andere lading dan 'kosmos'. Dit gaat niet om de orde die God had geschapen, maar de samenleving, de toenmalige Romeinse wereld.

Het woord 'aion(os)' wordt wel 28 keer gebruikt, maar niet voor 'wereld'. Het wordt uitsluitend gebruikt in de vorm 'aionas ton aionon', wat 'tijdperken van tijdperken' of 'eeuwen van eeuwen' betekent. Je zou kunnen zeggen: voor altijd en eeuwig. Maar ook dat hoeft in de taal van toen niet letterlijk een oneindigheid te betekenen. Het kan ook gelezen worden als een hele lange tijd, waarvan we het einde gewoon niet weten.

Dan heb ik het woord '' voor het laatst bewaard. Het woord dat in de meeste gevallen met 'het land' of 'de aardbodem' te maken heeft, wordt namelijk verreweg het meest gebruik: 82 keer. Het gaat te ver om alle verzen te bespreken die dit woord bevatten, maar door te weten waar 'kosmos' en 'oikoumene' gebruikt wordt, zoals hier boven genoemd, kun je zelf zien wanneer het woord 'aarde' of 'wereld' in de vertaling van 'gé' afkomstig is. Dat is in alle andere gevallen.

Wanneer je in Openbaring leest over 'de aarde', dan is dat dus in de meeste gevallen in de context van wat er op aarde gebeurt, wie er op de aarde (in het land) zijn, wandelen, handelen, regeren, vechten en kwaad doen, in tegenstelling tot wie in de hemel zitten, regeren, bidden, wachten en God loven. Er worden dingen beschreven die boven de aarde, op de aarde of onder de aarde gebeuren. Het woord wordt gebruikt om zee en land te onderscheiden. Er zijn wezens die in de hemel zijn en op aarde geworpen worden, mensen die op de aarde rondwandelen, mensen die vervolgd en gedood worden op aarde en vervolgens naar de hemel gaan om af te wachten tot hun dood gewroken wordt. Er zijn mensen die losgekocht zijn van de aarde, mensen die 'geoogst' worden van de aarde enzovoort. Kortom het duidt meer op het niveau waar mensen leven. En het geeft de verhoudingen aan tussen de verschillende niveaus. De aarde waar de mensen zijn, de hemel waar God is en onder de aarde, waar de duistere geesten zijn.

Het woord 'aarde' wordt dus vrijwel overal in Openbaring gebruikt in symboliek die iets te maken heeft met wat er op aarde gebeurt en puur als onderscheid tussen hemel en aarde of zee en land. Als je het totaalplaatje mist en je leest het 'op z'n Nederlands', kun je makkelijk denken dat het over de hele aarde gaat, zoals wij die nu kennen. Maar kijken we naar de rest van de symboliek en lezen we het in de context, dan zien we steeds weer dingen die te maken hebben met het land Israël; met name de stad Jeruzalem en wat daar gebeurde in de tijd rondom het jaar 70, toen het oordeel kwam en hemel en aarde vergingen voor de Joden die toen leefden.

Samengevat:

Er zijn vier Griekse woorden die vertaald worden met 'aarde' of 'wereld': kosmos, oikoumene, gé en aion(os). Helaas kun je niet zomaar zeggen dat een bepaald woord iets betekent in het Nederlands. Het staat altijd in een context.

- 'Kosmos' heeft meestal iets te maken met een ordening of formatie (bvb. de schepping, de wereld, dingen in een bepaalde samenhang, zoals de wereld van de Joden: hun wetssysteem, hun tempeldienst, hun verbond met God).

- 'Oikoumene' komt van een woord dat 'bewonen' betekent en heeft te maken met waar mensen wonen (bvb. samenleving, de wereld waarin zij leefden).

- 'Gé' betekent aarde (wereld), grond of land, afhankelijk van de context en het geeft een niveau aan (er op, er onder of er boven).

- 'Aion(os)' is afkomstig van een woord dat 'adem' of 'leven' betekent en heeft te maken met een periode in het leven van een mens of groep mensen. De Joden zagen twee tijdperken. De wereld vóór de Messias en de wereld erna. Het kan vertaald worden met 'eeuwig' in de context van de regering van de Messias in het nieuwe tijdperk, voor onbepaalde tijd (tot in eeuwigheid - aionas ton aionon - tijdperken van tijdperken, eeuwen van eeuwen...)

Kortom, vertalen is niet altijd zo eenvoudig, maar als je goed bekend bent met de context, kom je er wel uit. En het is zinvol om te weten waar een woord in je vertaling eigenlijk betrekking op heeft. In de Bijbel hebben deze vier woorden voor 'wereld' vrijwel overal iets te maken met de toenmalige bewoonde wereld, hun 'belevingswereld', het land Israël en het tijdperk waarin ze leefden en hun verhouding met God. Een tijdperk dat voorbij ging en waarvoor een nieuwe wereld, een nieuw tijdperk in de plaats kwam.

Het oordeel was voor Israël

Jezus sprak veel over het oordeel en alle ellende die daarmee gepaard zou gaan. Betekende de komst van Jezus en de vestiging van Zijn Koninkrijk alleen maar oorlogen en ellende, vergelding en oordeel? Wat betekent 'oordeel' eigenlijk in de Bijbel?

Wij denken bij het woord oordeel al gauw aan 'de toorn van God' en dat je zult 'branden in de hel'. Het Griekse woord voor oordeel is 'krisis' en betekent 'beslissing', 'scheiding' of 'oordeel'. In de vorm van een werkwoord betekent het in eerste instantie 'een beslissing nemen' of 'scheiding maken'. De gelijkenis van Jezus, die gaat over het scheiden van de schapen en de bokken (Mattheüs 24:31-46) is het meest duidelijke voorbeeld van 'oordelen' in de Bijbelse zin. God zet het goede apart om er iets moois mee te doen en heeft een andere bestemming voor dat wat niet goed is: de duisternis; dat is de afwezigheid van licht, dus waar God niet is. Ik geloof daarom dat iedereen die in het licht wil zijn, ook bij God zal komen en iedereen die door wil gaan met dingen die het daglicht niet kunnen verdragen, zullen automatisch in de duisternis belanden. Dat is dus een heel ander beeld dan de 'hel en verdoemenis' die ons wel eens voorgehouden wordt.

Adam en Eva werden in het begin verleid tot het 'eten van de boom van kennis van goed en kwaad'. De verleider zei: “jullie zullen als God worden, kennende goed en kwaad” (Genesis 3:5). Met die kennis konden ze zelf beslissen wat ze zouden doen en hadden ze God niet meer nodig. Althans, dat dachten ze. Helaas beoordelen mensen goed en kwaad vaak verkeerd, omdat zij niet het hele plaatje hebben. God heeft dat wel en behoudt daarom het recht tot een eindoordeel. Zo maakte Israël door zijn keuze God tot zijn rechter. Terwijl God zo graag een relatie met hem wilde. De keuze voor zelfstandigheid maakte dat God wetten moest geven en moest gaan oordelen. Zolang zij leefden in Zijn aanwezigheid, konden ze liefdevol gecorrigeerd worden, maar omdat ze zo hoogmoedig waren dat ze dachten het zelf wel goed te kunnen doen, door het houden van regels en wetten, kregen ze te maken met schaamte en schuld en moesten ze offers gaan brengen. Daarom is het zo belangrijk dat we nederigheid leren, om niet in dezelfde val te trappen, zoals Jezus zei (Mattheüs 11:29):

Neem Mijn juk op u, en leer van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw zielen.

Dit zei Hij direct na een verhandeling over de dag van het oordeel die over de Joden zou komen. Zelfs al zouden Joden zijn, verlost door onze Messias, dan hoeven geen oordeel over anderen te vellen, omdat Hij het volmaakte oordeel al geveld heeft. Jezus maakte duidelijk dat het gaat om hebben van een ontvankelijk, vrijgevig, gewillig en nederig hart. Voor zulke mensen is het Koninkrijk van God bestemd (Mattheüs 5). Als er nog iets voor ons is, dan is het dat soort principes. Het grote plaatje van de Bijbel is de verlossing van de kinderen van Israël van het oordeel dat over HEN kwam.


Het ware Israël, vóór Israël

Een belangrijke vraag kan nu gesteld worden: Hoe kon dat 'overblijfsel' van het volk nu ineens wél puur, heilig en rein zijn en blijven? Dat was voorheen niet mogelijk, want er kwam altijd wel weer ergens een kink in de kabel. Hoe zorgde God ervoor dat dit niet meer kon gebeuren? Konden mensen nu plotseling wel goed en kwaad scheiden en niet meer zondigen? Wij kunnen het toch ook nog steeds niet? De oplossing zit hem in de betekenis van het 'ware Israël' en de kracht van het Nieuwe Verbond.

Israël was Gods zoon, zoals Hij Zelf zei in Exodus 4:22:

Dan zult u tegen Farao zeggen: "Zo zegt Jahweh: 'Mijn zoon, Mijn eerstgeborene is Israël'".

En wederom in Hosea 11:1:

Toen Israël een kind was heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.

Dit wordt op Jezus toegepast in Mattheüs 2:13-15:

...de afgezant van de Heer verscheen aan Jozef in een droom en zei: "Sta op en neem het Kind en Zijn moeder en vlucht naar Egypte en blijf daar totdat ik het u zeg; want Herodes zal het Kind zoeken om Het te doden." Hij stond op, nam het Kind en Zijn moeder mee in de nacht en vertrok naar Egypte en bleef daar tot de dood van Herodes; opdat vervuld zou worden wat door de Heer gesproken is door de profeet (Hosea): "Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen."

God bevestigt dit in Matteüs 3:16-17:

En Jezus, toen Hij gedoopt was, klom op uit het water; en zie, de hemel werd voor Hem geopend, en hij (Johannes de doper) zag de Geest van God nederdalen als een duif en op Hem neerkomen. En er klonk een stem uit de hemel die zei: “Dit is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!”

Jezus werd door God uitgeroepen tot Zijn Zoon, net als Israël. Dit wordt nogmaals bevestigd wanneer we kijken naar de toevoeging 'eerstgeboren'. Israël wordt in Exodus 4:22 zo genoemd. In de Griekse vertaling van het Oude Testament (de Septuaginta) staat hier 'huios prototokos', wat letterlijk 'eerste zoon' betekent. De eerste (of eerstgeboren) zoon had destijds een belangrijke positie; hij was erfgenaam. Zoeken we in het Nieuwe Testament naar dit woord, dan zien we dat het 5x expliciet voor Jezus gebruikt wordt (Rom. 8:29 - over hen die gelijkvormig zijn aan de Zoon, de Eerstgeborene onder vele broeders; Kol. 1:15,18 - Hij is het beeld van God, de Eerstgeborene over de hele schepping, de Eerstgeborene vanuit de doden; Hebr. 1:5,6 - over Gods Eerstgeboren Zoon die door engelen wordt aanbeden; en Op. 1:5 - over Jezus de Ingewijde, de Eerstgeborene vanuit de doden, de Heerser over alle koningen van het land).

Direct nadat God Hem had uitgeroepen tot Zijn Zoon, ging Jezus 40 dagen de woestijn in, net zoals de Israëlieten vlak na hun uittocht uit Egypte 40 jaar in de woestijn waren. Daar werd Hij getest door de Duivel en Jezus gaf hem antwoord door teksten uit Deuteronomium aan te halen, een boek dat stamt uit die periode. Later kwam er weer zo'n stem uit de hemel, die bevestigde dat Jezus die Zoon was en dat Hij kwam om de wet en de profeten te vervullen, wederom bevestigend dat Hij het ware Israël is, de vervulling, de climax van een heel lang verhaal (Mattheüs 17:1-8):

En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, Jakobus en Johannes zijn broeder en bracht hen op een hoge berg alleen. En Zijn gedaante veranderde voor hun ogen en Zijn gezicht blonk als de zon en Zijn kleren werden wit als licht. En zie, door hen werden gezien Mozes en Elia die met Hem spraken. En Petrus zei tegen Jezus: "Heer het is goed dat wij hier zijn! Als U wilt, laat ons hier drie tenten maken, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia." Terwijl hij nog sprak, zie, een luchtige wolk overschaduwde hen; en er klonk een stem uit de wolk die zei: "Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem!" En de leerlingen, dit horende, vielen voorover en werden zeer bevreesd. En Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: "Sta op en vrees niet." En hun ogen opheffende, zagen zij niemand dan Jezus alleen.

Mozes en Elia vertegenwoordigden voor de Joden de wet en de profeten, hun hele Tenach, alle beloften en alles waar ze voor stonden; hun hele identiteit lag daarin opgesloten. Petrus zag Jezus op dat moment nog naast Mozes en Elia staan, alsof Hij zou worden toegevoegd aan deze twee sleutelfiguren uit hun geschiedenis. Maar God had iets anders in gedachten: DIT is mijn Zoon, luister naar HEM. Toen ze opkeken zagen ze dan ook niemand anders dan Jezus!

In Romeinen 5:12 e.v. lezen we dat door één mens (Adam) zonde en dood gingen regeren en dat door één mens (Jezus) die zonde weer ongedaan gemaakt werd. Want van Adam tot Mozes was er al kennis van goed en kwaad, waardoor de dood regeerde. Vanaf Mozes was er de wet die mensen veroordeelde. Maar Jezus maakte daar een einde aan en nam al die veroordeling op zich. Het complete oordeel over de hele geschiedenis van het volk, van Adam tot Jezus zelf, werd door Hem gedragen. En in Hem werd het beschikbaar voor iedere Jood die zijn vertrouwen op Hem stelde en niet op de wet. Want alleen IN HEM kwamen zij volledig tot hun recht.

Jezus Zelf was er ook heel duidelijk over. Tenminste als je de Joodse beeldspraak begrijpt van de opmerking die Hij maakte in Johannes 15:1

Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de tuinman...

Kijken we naar de profeet Jeremia, dan zien we dat hij Israël een wijnstok noemt (Jeremia 2:21 - het hele hoofdstuk gaat over Israël):

Ik had u toch geplant, een edele wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe bent u voor Mij dan veranderd in verbasterde ranken van een vreemde wijnstok?

En in Psalm 80:9 staat:

U hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de volken verdreven en hebt die (wijnstok) geplant;

Jezus noemde zichzelf niet zomaar de WARE wijnstok. Je kunt pas een échte of wáre wijnstok zijn als er ook een valse, onechte is. Tevens noemt Hij God Zijn Vader, waarmee Hij bevestigt dat Hij de Zoon is. Ik zou het de vervulling van het zoonschap van Israël willen noemen.

Toen de Israëlieten bij de berg Sinaï stonden zei God dat zij een koninklijk priesterschap zouden zijn (Exodus 19:5,6). Jezus is Koning en Priester geworden en in Hem kwam Israël pas echt tot haar doel (1 Petrus 2:5,9).

...door Jezus de Ingewijde... zijn jullie een uitverkoren volk, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat [God] toebehoort; opdat jullie de goedheid zouden verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.

Paulus zegt dat IN Jezus ALLE beloften van God aan Zijn volk 'ja en amen' zijn (2 Korinthiërs 1:19-20):

Want de Zoon van God, Jezus de Ingewijde, Die onder u door ons is gepredikt, namelijk door mij, en Silvanus, en Timotheüs, was niet 'ja' en 'nee', maar is geweest 'ja' in Hem. Want alle beloften van God die er zijn, zijn in Hem 'ja', en zijn in Hem 'amen', voor God tot heerlijkheid door ons.

Die beloften waren gegeven aan Israël, Gods zoon, Gods wijnstok. En we zien door het hele Nieuwe Testament heen de beloften in Jezus tot vervulling komen. Het lijkt erop dat God de identiteit van Israël in Jezus tot een climax bracht, om vervolgens al het oude in Hem te beëindigen en opnieuw tot leven te brengen. Hij belichaamde het hele oude Israël. Zo zei de profeet Hosea iets opmerkelijks met betrekking tot dit nieuwe leven (Hosea 6:2):

Hij zal ons na twee dagen levend maken en op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.

Is dit misschien waarom er van Jezus nadrukkelijk gezegd werd dat hij op de derde dag opstond uit de dood? Hij stierf en maakte zo een einde aan dat oude lichaam, zodat Hij kon opstaan in een nieuw leven, een nieuw lichaam, een nieuw Israël, de ware wijnstok. Zo konden een land, een natie en Sions kinderen in één dag geboren worden (de vervulling van Jesaja 66:8) zodat het van oudsher beoogde plan tot vervulling kon komen. En die goede boodschap werd gebracht aan alle kinderen van Israël die onder de volken verstrooid waren. Paulus vertelt dat hele verhaal in de hoofdstukken 1 t/m 11 van Romeinen, hoe dat oude lichaam niet in staat was om God te behagen, maar dat in Jezus een nieuw verbond tot stand kwam. Een verbond gesloten tussen God en Zijn Afgezant. Tussen God als Geest en de Mens die Hem vertegenwoordigde op aarde. Daar kan niemand meer tussenkomen. Het soort verbond dat God met Israël had moest nageleefd worden. Deed je dat niet, dan volgde er straf, vervloekingen en dood. Jezus was zonder zonden en was als enige in staat om aan alle eisen van de Joodse wet te voldoen, zoals Paulus zo mooi verwoordt in Galaten 3:13-16:

De Ingewijde heeft ons verlost van de vloek van de wet, Hij is een vloek geworden voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt. Opdat de zegening van Abraham tot de volken zou komen in de Ingewijde Jezus, en opdat wij de belofte van de Geest zouden verkrijgen door het geloof. Broeders, menselijkerwijs gesproken: zelfs een verbond dat bevestigd is tussen mensen doet niemand te niet en niemand voegt daaraan toe. Zo zijn nu de beloften aan Abraham en zijn zaad gegeven. Hij zegt niet: “En de zaden,” als van velen; maar als van één: “En uw zaad;” dat is de Ingewijde.

Paulus haalt hier overigens Jesaja 41:8 aan...

Maar u, Israël, Mijn knecht! Jakob, die Ik uitverkoren heb! het zaad van Abraham, Mijn liefhebber!

...en verleent ons de gunst van het diepere inzicht: Jezus was de Enige (dat éne Zaad, die éne Nakomeling) die het volmaakte verbond met God de Vader kon sluiten. Een verbond waardoor alle Israëlieten, mannen, vrouwen, slaaf of vrij, in het land of daarbuiten (verstrooid onder de volken), deelgenoot mochten zijn van de beloften die God aan Abraham gaf (Genesis 22:18):

En in uw zaad zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mij gehoorzaam bent geweest.

Verderop in hetzelfde hoofdstuk zegt Paulus namelijk dit (Galaten 3:26-29):

Want u bent allen zonen van God door het geloof in de Ingewijde Jezus. Want zij die in de Ingewijde gedoopt zijn, hebben de Ingewijde aangedaan. Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch slaaf noch vrije; daarin is geen man of vrouw; want u bent allemaal één in de Ingewijde Jezus. En als u van de Ingewijde bent, dan bent u Abrahams zaad, en erfgenamen van de beloften.

Sommigen denken onder andere op basis van deze tekst dat christenen Israël zouden hebben vervangen, maar Paulus zegt hier volgens mij dat zowel de Joden in het land als zij die verstrooid waren onder de volken (samengevat als 'Jood of Griek') deelgenoot waren van de zegen van Abraham (Genesis 22:18). Aan wie waren anders 'de beloften' gedaan? Wie waren de 'erfgenamen'? De beloften waren voor Israël en zij zouden worden aangenomen tot 'zonen' (Romeinen 9:4). Er waren in die tijd zelfs afstammelingen van Abraham die helemaal waren opgegaan in de omringende culturen. Zie bijvoorbeeld het apocriefe boek Tobias/Tobit hoofdstuk 13 en 1, 2, en 3 Makkabeeën, waar we zien hoe veel Israëlieten onder de omringende volken verstrooid werden en de Griekse cultuur overnamen. Vooral onder Antiochus IV Epiphanes. Het begon al bij 1 Makkabeeën 1:16:

En zij maakten zichzelf voorhuiden, en vielen af van het heilig verbond, en voegden zich bij de heidenen, en waren verkocht om het kwade te doen.

Maar wie, wat en waar ze ook waren, ze mochten deel uitmaken van de ware wijnstok, het ware Israël: Jezus de Ingewijde. Daarbij maakte etniciteit (Jood/Griek), geslacht (man/vrouw) of sociale status (slaaf/vrij) niet uit. Het enige wat zij hoefden te doen is in Hem geloven, dat betekent dat ze op Hem moesten vertrouwen en niet op hun wet (Galaten 2:16):

... wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt door zich aan wetten te houden, maar door het geloof van Jezus de Ingewijde...

Jezus had alles in Zichzelf vervuld, elke profetie en de hele wet. Daarvoor in de plaats kregen zij slechts één opdracht (Johannes 13:34):

Een nieuw gebod geef Ik u, dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u liefgehad heb, dat ook u elkander liefhebt.

Het woord dat hier gebruikt wordt voor 'nieuw' is kainos en betekent 'iets heel nieuws'. Het gaat om iets dat er daarvoor nog niet was. De hele wet werd door Hem gevangen en vervuld in één woord: LIEFDE. Bij de vraag van de Joden wat het belangrijkste gebod was, kregen ze een iets uitgebreider antwoord (Marcus 12:33):

... Hem lief te hebben met je hele hart, je hele verstand en je ziel en al je kracht; en je naaste lief te hebben als jezelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers.

En dat was nog voordat Hij de wet vervuld had. Na Zijn volmaakte offers waren de brandoffers en slachtoffers ook niet meer nodig. Wat betekent dat voor ons? Hetzelfde resultaat, maar zonder de geschiedenis. Wij hoeven niet gered te worden van de wet die de dood bracht door schuld. Wij mogen gewoon naar de liefdevolle Vader in de hemel gaan. Voor mij is dat het meest bevrijdende nieuws. Israël is door die hele geschiedenis heen gegaan om ons tot voorbeeld te zijn. Zo is Abraham daadwerkelijk een zegen geworden voor alle volken op de hele aarde. We mogen weten dat God gewoon van mensen houdt en genadig is, als een goede Vader. We hoeven ons niet te laten vangen of veroordelen door wetssystemen en regels. We mogen gewoon in vertrouwen onze hand in die van de Vader leggen en ons door Hem laten leiden.

Een nieuwe tempel voor Israël

Jezus zei (zo lezen we in Lukas 4:43):

Ik moet ... het Evangelie van het Koninkrijk van God verkondigen; want daartoe ben Ik gezonden

Het Koninkrijk van God brengen, dat was het hoofddoel van Jezus (Mattheüs 6:33)

... zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid...

Toen de leerlingen Jezus vroegen hoe ze moesten bidden, was de eerste zin: “Onze Vader in de hemel, laat Uw Naam worden geheiligd (apart gezet), laat Uw Koninkrijk komen en laat Uw wil gedaan worden!” Het gebed is langer, maar dat het komen van het Koninkrijk belangrijk was voor Jezus, zien we aan alles wat Hij onderwees. Je zou kunnen zeggen dat Zijn hele boodschap over de komst van het Koninkrijk ging.

Daniël (2:34) profeteerde er al over: Jezus, 'de steen die niet door mensenhanden was uitgehouwen' met Zijn Koninkrijk, zou alle andere voorgaande wereldheersers met hun koninkrijken teniet doen. Zijn Koninkrijk zou de hele aarde vervullen. Je zou kunnen zeggen dat dit vandaag nog gaande is. Er zijn overal op de wereld mensen die volgens de principes van het Koninkrijk van Jezus leven. Jezus zei dat heel duidelijk, zoals we lezen in Lukas 17:20-21:

De Farizeeën vroegen Hem wanneer het Koninkrijk van God zou komen. Hij antwoordde hen: “Het Koninkrijk van God komt niet zichtbaar. En men kan niet zeggen: Zie hier, of zie daar, want zie, het Koninkrijk van God is in uw midden.”

Het Koninkrijk kwam dus niet als een waarneembaar iets. In het Grieks staat er het 'oek meta parateréseós', dat is 'niet met waarneming'. Het heeft geen fysieke, tastbare aard. We kunnen het niet waarnemen met onze natuurlijke zintuigen, maar met die van onze geest.

Jezus zei ook (Johannes 18:36):

Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld...

En Paulus zei in 1 Korinthiërs 15:50:

vlees en bloed zijn niet in staat het Koninkrijk van God te beërven...

En in Romeinen 14:17:

Het Koninkrijk van God bestaat niet uit eten en drinken, maar uit rechtvaardigheid, vrede en vreugde in de Heilige Geest.

Jezus gaf ook duidelijk aan dat God niet meer aanbeden zou worden op een berg of in een stad (het toenmalige Jeruzalem), maar in “geest en in waarheid” (Johannes 4:21-24), wat later het 'hemelse' of het 'Nieuwe Jeruzalem' wordt genoemd in Hebreeën 12:22:

Maar jullie zijn gekomen bij de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem...

En Openbaring 21:2-3:

En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een luide stem uit de hemel zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen en zij zullen Zijn volk zijn en God Zelf zal bij hen en hun God zijn.

Dat is de kern van het goede nieuws. God die bij mensen woont, die in ons midden is. Hij is niet ver, Hij is dichtbij. In de geschiedenis van Israël zien we dat een systeem van wetten en offers niet werkt en dat moest worden afgebroken. Israël kreeg een nieuw leven in de geest van hun 'nieuwe stad' met een 'nieuwe tempel' van 'levende stenen' (1 Petrus 2:5), wat betekent dat God in mensen wil wonen en niet in een gebouw. Ik zeg het wel vaker in dit boek, de Bijbel is het verhaal van Israël, niet ons verhaal. Maar wij kunnen er wel Gods karakter door leren kennen. God wil gewoon heel graag bij ons zijn en een relatie met ons hebben. Velen kunnen daarvan getuigen, omdat ze lichamelijk genezing hebben ontvangen, visioenen hebben gezien, bevrijd zijn van depressie of andere mentale lasten. Waarom niet iedereen die dingen ervaart weet ik niet. Er zijn veel dingen waar ik geen antwoord op heb. En misschien komen we in ons korte bestaan hier op aarde nooit precies te weten hoe het zit. Maar boven alles blijft de boodschap van de Bijbel een hoopvol geluid in een soms onbegrijpelijke wereld. God is erbij.

Een mooi detail vinden we in Openbaring 21:16, waar staat dat de lengte, de breedte en de hoogte van het nieuwe Jeruzalem gelijk zijn. Het Heilige der Heiligen van de tempel was ook een kubus (1 Kon. 6:20). Daar was de aanwezigheid van God en er mocht slechts één keer per jaar een mens naar binnen: de hogepriester. Daarom was volgens het boek Hebreeën Jezus ook als enige volmaakte Hogepriester eens en voor altijd het hemelse heiligdom ingegaan en heeft Hij, zoals de wet voorschreef, Zijn bloed op het verzoendeksel in de hemel gesprenkeld. Daarmee was de hele Joodse wet vervuld en verzoening definitief. Daarna kwam Hij nog één keer naar beneden, om af te rekenen met 'de bokken' in het laatste oordeel. Tot die tijd hadden zij de Heilige Geest als een zegel, wachtend op de verlossing; de dag dat het voor iedereen, zowel de Joden in het land als de verstrooide Israëlieten in de rest van de wereld, mogelijk was om het oude achter zich te laten en rechtstreeks contact te hebben met God en met Hem te leven (Efeziërs 4:30). Een duidelijke les voor ieder mens, dat je nooit in de verleiding moet komen om een verdrag of een verbond met God te sluiten. Je moet niet proberen om jezelf te bewijzen of denken dat je iets kunt doen om een plaatsje in de hemel of een zegen te verdienen. Hij houdt van je zoals je bent.

Volgens het verhaal van de Bijbel moest de kennis van goed en kwaad weer in handen komen van Degene die er mee om kan gaan, zodat iedere Israëliet Hem afzonderlijk kon ervaren zoals Hij is: een liefdevolle partner (in de Bijbel zien we namelijk regelmatig het beeld van een huwelijk voorbij komen). God wilde geen aardse stad met een tastbare tempel, maar in een geestelijk Jeruzalem en een tempel die nooit meer stuk kon. Dit werd ook wel het 'lichaam' van Jezus genoemd. Zo schrijft Paulus in Efeziërs 3:8-11:

Mij, de allerminste van alle heiligen, is deze genade gegeven, om onder de volken het Evangelie te verkondigen van de onnaspeurlijke rijkdom van de Ingewijde. En allen te verlichten, dat zij mogen begrijpen, wat de gemeenschap van de verborgenheid is, die in [voorgaande] eeuwen verborgen is geweest in God, Die alle dingen geschapen heeft door Jezus de Ingewijde; Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt zal worden aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid van God; Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in de Ingewijde Jezus, onze Heer.

De 'gemeente' waar Paulus hier over spreekt is het Griekse woord 'ekklesia', dat 'eruit geroepen' betekent. Een specifiek Joodse term die duidt op alle 'geroepenen', de ware Israëlieten, van dichtbij en ver. De brief aan de Efeziërs is geschreven aan de mensen van de eerste gemeenten. Het was waarschijnlijk een rondzendbrief, omdat de naam Efeze in oudere manuscripten van de brief niet voorkomt. Hij was dus gericht aan alle gelovige Joden.

Dit is wat God wilde met Zijn volk, een gemeenschap, een koninkrijk van priesters, een lichaam dat Zijn veelkleurigheid laat zien en met Hem regeert; om samen iets moois te maken van deze aarde. Dit kun je ook zien in een groter perspectief, als een principe. Iets in het karakter van God. Hij wil een gemeenschap waarin niemand boven de ander staat en een ieder God persoonlijk kent, zoals Hebreeën 8:10,11 laat zien (een aanhaling uit Jeremia 31:33,34):

Want dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet leren een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder, zeggende: Ken de Heere; want zij zullen Mij allen kennen van de kleinste onder hen tot de grootste onder hen.

Let op dat dit overduidelijk geschreven is aan Israël. Wij kunnen onszelf dus niet zomaar in alle aspecten van hun geschiedenis plaatsen. Maar natuurlijk is God wel de Schepper van al het leven en gelden de basisprincipes ook voor ons. Waar het mijns inziens om gaat is dat Israël een voorbeeld voor de hele mensheid is. Zij was gebonden door een systeem van wetten en regels, met het brengen van offers om alle fouten weer af te kopen. In en door Jezus de Ingewijde werden zij daarvan bevrijd (Efeziërs 2:1-5):

...hoewel dood door overtredingen en zonde... door God in al Zijn liefde levend gemaakt met de Ingewijde...

Vanaf toen was het mogelijk voor het 'ware Israël' om een voorbeeld te zijn voor alle volken. Zij mochten als bruid van God anderen helpen om het hemelse Jeruzalem te zien (Openbaring 22:17:)

En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie er naar luistert mag zeggen: Kom! En die dorst heeft mag komen; en wie wil mag het water van het leven nemen om niet (gratis).

Zoals de Israëlieten van oudsher een zegen zouden zijn voor de volken om hen heen, zo is hun verhaal nu een zegen voor de hele wereld. Het Koninkrijk van de Ingewijde zou de hele aarde vervullen en wij mogen helpen om dat uit te dragen.


Daniël en de berg

Daniël was een Jood die in ballingschap naar Babylonië was gevoerd door Nebukadnezar II, in de tijd dat Jojakim koning was van Juda, ongeveer 600 voor Christus. Daniël kwam in de gunst bij Nebukadnezar doordat hij een droom voor hem uitlegde. De koning droomde over een groot beeld, opgebouwd uit verschillende metalen en klei. Het stelde opeenvolgende wereldrijken voor, die uiteindelijk allemaal voorbij zouden gaan, waarop het Koninkrijk van God al die rijken zou overtreffen. De koning wilde de droom aan niemand vertellen, maar Daniël kon niet alleen de droom herhalen; hij legde ook nog eens de betekenis uit.

In de droom zag de koning het grote beeld met een hoofd van goud, borst en armen van zilver, buik en lendenen van koper, benen van ijzer en voeten van deels ijzer en deels klei (Daniël 2:32).

Daniël legde uit dat het hoofd van het beeld de huidige koning Nebukadnezar van het Babylonische rijk voorstelde, gevolgd door het bovenlijf met armen van zilver, dat zouden de Meden (met koning Darius) en Perzen (met koning Cyrus) worden. Het koperen middel stelde het volgende rijk voor, de Grieken (onder Alexander de Grote). En de ijzeren benen waren het daaropvolgende rijk: de Romeinen. De tien tenen waren tien koningen van dat rijk, wat verder uitgelegd wordt in een latere profetie van Daniël. Ondertussen was dat Romeinse rijk verdeeld en vermengd met klei, dat was voor de Israëlieten een beeld is van gewone mensen. God maakte de eerste mens, Adam, uit klei - de elementen van de aarde - maar klei was ook een beeld van Israël als volk. Zie Jesaja 64:8:

...U bent onze Vader; wij zijn klei, en U bent onze pottenbakker, en wij zijn het werk van Uw handen

Het Romeinse rijk was inderdaad vermengd met de volken in de bezette gebieden (waaronder Israël), die ook nog een eigen bestuur hadden. In de tijd van die tien koningen zou volgens de droom een 'steen', die niet was gevormd door mensenhanden, het beeld omstoten en verbrijzelen. Daarna zou die steen groeien en een berg worden, die de hele aarde zou vullen. Met deze steen wordt het Koninkrijk van God bedoeld, dat de hele aarde zou vullen en dat eeuwig zou blijven bestaan. Dat is in het kort wat we in Daniël hoofdstuk 2 lezen. Jezus haalde enkele keren verzen uit Daniël aan, zoals ik later zal laten zien. Daarmee bevestigde Hij dat deze profetieën over Hem en Zijn tijd gingen. Jezus gebruikte namelijk de begrippen 'mensenzoon' (uit Daniël 7:13) en de 'verwoestende gruwel' (uit Daniël 9:27, 11:31 en 12:11). Hij sprak in Zijn gelijkenissen ook over het Koninkrijk dat geleidelijk aan groter zou worden (zie het gedeelte over de gelijkenissen), net als de berg in de droom van Nebukadnezar. Jezus maakte ook duidelijk dat Zijn Koninkrijk niet een politiek systeem zou worden, maar iets dat van binnenuit, in de harten van mensen zou groeien.

Over de identiteit van de tien koningen wordt gediscussieerd, omdat er meerdere mogelijkheden zijn. De eerste optie is dat het gaat over 7 Romeinse koningen (toen het Romeinse rijk nog een koninkrijk was), gevolgd door 3 keizers. Het rijk was tijdelijk een republiek, toen waren er geen koningen, maar daarna kwam Julius Caesar gevolgd door de keizers Augustus en toen Tiberius. Dat zijn in totaal tien heersers tot aan Jezus, want Hij begon met de verkondiging van het Koninkrijk onder het bewind van Tiberius (zie Lukas 3:1).

De tien 'tenen' kunnen ook de eerste tien heersers van het keizerrijk zijn: Julius Caesar, Augustus, Tiberius, Gaius, Claudius, Nero, Galba, Otho, Vitellius en Vespasianus. Al was Julius officieel geen keizer, hij was wel de eerste heerser van het keizerrijk. Onder Vespasianus, in het jaar 70, viel uiteindelijk Jeruzalem, wat een vervulling is van de belangrijkste profetieën van Jezus over de Joodse 'eindtijd'. Vespasianus is vooral een interessante kandidaat voor de tiende heerser, omdat onder zijn bewind de profetieën van Daniël definitief tot een einde kwamen. Er zijn daarna weliswaar nog meer keizers geweest, maar onder Vespasianus kwam voor de Joden het einde van het oude tempelsysteem en daarmee het begin van het geestelijke Koninkrijk van God, volgens de profetie. Dit vind ik zelf de meest voor de hand liggende verklaring.

Een derde mogelijkheid die door sommigen genoemd wordt is de verdeling van het Romeinse rijk in 10 provincies, elk geleid door een koning. Hier heb ik verder geen goede verwijzingen voor kunnen vinden. Hoe de tien heersers ook geïnterpreteerd moeten worden, dat het Koninkrijk zou worden gevestigd tijdens het Romeinse rijk en dat uiterlijk tijdens het bewind van Vespasianus het einde van het Joodse religieuze systeem kwam, is duidelijk. Een definitiever einde dan totale vernietiging kun je mijns inziens ook niet bedenken. Dus wat er daarna nog aan keizers kwam is niet van belang voor het visioen, want het Koninkrijk van God zou vanaf die tijd steeds groter worden en langzaam alles overnemen. Tevens wordt de tijd van het einde bevestigd door de tijdsrekening die we vinden in Daniël 9, zoals we verderop zullen zien.

Door het hele Nieuwe Testament heen zien we dat dit geestelijke, innerlijke Koninkrijk veel meer kracht en waarde heeft dan alle aardse Koninkrijken bij elkaar. En zoals het er nu uitziet is dat al bijna 2000 jaar bezig.

In hoofdstuk 7 beschrijft Daniël weer een visioen. Ditmaal met vier dieren die opstijgen uit de zee, wat in profetische taal betekent dat er vier machten opstaan uit de zee van volken. Het gaat hier in wezen om dezelfde vier rijken als in hoofdstuk 2, eindigend met een dier met tien horens; vergelijkbaar met de tien tenen van het beeld. Een interessante toevoeging is deze zin (Daniël 7:8):

Terwijl ik op die horens lette, zie, daartussen verhief zich een andere kleine horen, en drie van de vorige horens werden daarvoor uitgerukt; en zie, in die horen waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.

Dit heeft mogelijk betrekking op keizer Nero, omdat de drie keizers voor hem werden vermoord om de weg voor hem vrij te maken. Een andere interpretatie is dat dit gaat om Antiochus IV Epiphanes, die inderdaad behoorlijk tekeer ging tegen God en Israël. Hij kwam aan de macht van 175 tot 164 voor Christus en kwam daarmee tussen de zeven koningen en de drie eerste keizers in te staan. Wederom maakt het niet veel uit welke interpretatie de juiste is, want dit gedeelte wordt direct gevolgd door een uitgebreide beschrijving van de komst van Gods Koninkrijk met de opstanding van de doden (het geestelijk herstel van Israël). Hieruit kunnen we concluderen dat dit alles in die periode van Romeinse heersers geplaatst moet worden.


Daniël en de opstanding van de doden

De periode waarin de profetie in vervulling moest gaan staat volgens Daniël vast. Nu kunnen we kijken naar Daniël 7:9-10:

Terwijl ik bleef toekijken, werden tronen opgesteld, en een Oude van dagen zette Zich neder; zijn kleed was wit als sneeuw en zijn hoofdhaar blank als wol; zijn troon bestond uit vuurvlammen, de raderen daarvan uit laaiend vuur; en een stroom van vuur welde op en vloeide voor hem uit; duizendmaal duizenden dienden hem en tienduizend maal tienduizenden stonden vóór hem. Het gerecht zette zich neder en de boeken werden geopend.

De 'Oude van dagen' is in dit gedeelte niet een 'oud mannetje', zoals wij die term vandaag zouden gebruiken, maar iemand die al heel lang bestaat, in dit geval God zelf. Het thema van tronen, vuur (oordeel) en boeken zien we ook weer in Openbaring terugkomen Openbaring 20:4,12:

En ik zag tronen, en zij zetten zich daarop, en het oordeel werd hun gegeven... En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat van het leven; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.

En de tienduizend maal tienduizenden (ontelbaar veel dus), die voor de troon stonden, komen weer terug in Openbaring 7:9:

Hierna zag ik en zie, een grote menigte die niemand tellen kon, uit alle natiën en geslachten en volken en talen, staande voor de troon en voor het Lam, gekleed in lange witte gewaden en palmtakken in hun handen.

Zeer sterke overeenkomsten dus. De grote menigte uit alle volken, kan goed vergeleken worden met het volk van Israël, dat zou worden als het zand aan de zee, ontelbaar, omdat het verspreid was onder de volken. Maar God wist ze wel te vinden. Johannes zag in wezen hetzelfde als Daniël. En dat betekent dat ook dit gedeelte in het boek Openbaring moest plaatsvinden, of op z'n minst beginnen, tijdens het bewind van die 'tien koningen'.

Vergelijk dit eens met Daniël 12:1-3:

En in die tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen van uw volk staat, en er zal een tijd van benauwdheid zijn, zoals er nooit geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot aan die tijd toe. En in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. En velen van hen die in het stof van de aarde slapen zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven, en genen tot terechtwijzing, en tot eeuwige walging. En de wijzen nu zullen blinken als de glans van het uitspansel en de rechtvaardigen als de sterren, voor altijd en eeuwig.

Merk op dat het gaat over een volk ('sinds er een volk geweest is'). En in die tijd zal van 'uw volk' ieder verlost worden die in het boek staat. Deze periode van 'benauwdheid' wordt ook wel een tijd van grote 'verdrukking' of grote 'moeilijkheden' genoemd. Hierover sprak Jezus ook, toen Hij het had over de vernietiging van de tempel in Mattheus 24:21 (het hoofdstuk waarin meerdere keren Daniël aangehaald wordt). Er is in de jaren voorafgaand aan die vernietiging inderdaad een verdrukking van het Joodse volk geweest, die zijn weerga niet kende. Jezus zei zelfs dat het nooit meer zo erg zou worden. Het was nog nooit gebeurd dat er in Israël zoveel Joden in zo'n korte tijd, op zo'n gruwelijke manier zijn afgeslacht. Als je de beschrijvingen van Flavius Josephus leest (in 'De Joodse Oorlog'), kun je geen andere conclusie trekken dan dat die gebeurtenis ongeëvenaard is, zelfs niet door de Holocaust. Men kan beargumenteren dat de Holocaust erger was, omdat er meer mensen omgekomen zijn, maar dat waren gruweldaden tegen vele mensen van over de hele wereld verspreid, niet specifiek in Israël en Jeruzalem, waar het volgens de profetieën allemaal moest plaatsvinden. Zoveel gruweldaden, ellende en doden in zo'n korte tijd in de stad Jeruzalem; dat had nog nooit plaatsgevonden en hebben we sindsdien ook niet meer gezien in Israël.

En 'het boek', waarover gesproken wordt, wat is dat? Paulus zei van zijn metgezellen en hemzelf dat zij in het 'boek van leven' stonden (Filippensen 4:3). In Openbaring 3:5 liet Jezus Johannes aan de gemeente in Sardis schrijven dat ze in het boek van leven zouden blijven staan, wanneer ze zich zouden bekeren en blijven volharden. Zij stonden dus ook in het boek. Jezus zei in Lukas 10:20 tegen zijn leerlingen dat zij zich moeten verheugen dat hun namen stonden opgetekend in de hemel. Ook zij stonden erin. En in Openbaring hoofdstuk 21 zien wij een beschrijving van het Nieuwe Jeruzalem, waarover staat geschreven:

En in haar zal niets onreins binnenkomen, en niemand, die gruwel en leugen doet, maar alleen zij die geschreven zijn in het boek van leven van het Lam.

Het boek van leven bevat de namen van hen die door Jezus gerechtvaardigd zijn en die daarnaar handelen. En er zouden velen uit het 'stof der aarde' ontwaken en eeuwig leven of eeuwig afgrijzen ontvangen. Ook daarover sprak Jezus, bijvoorbeeld in Johannes 5:25-29

Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt, en is nu, wanneer de doden de stem van de Zoon van God zullen horen , en wie er naar luisteren, zullen leven. Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelf, zo heeft Hij ook aan de Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelf; En heeft Hem macht gegeven, ook recht te spreken, omdat Hij de Mensenzoon is. Verwondert u daar niet over, want de ure komt waarin allen die in de graven zijn Zijn stem zullen horen; en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding tot leven, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding tot verdoemenis.

Exact wat in Daniël 12:1-3 staat. De oplettende lezer ziet misschien dat hier gesproken wordt over twee soorten opstanding. De opstanding tot leven en de opstanding tot 'verdoemenis' (dat is letterlijk 'oordeel', 'krisis' in het Grieks). In Openbaring 20:5-6 wordt gesproken over de 'eerste' opstanding. Het begrip 'eerste opstanding' kan ook gelezen worden als de belangrijkste opstanding, aangezien er verder nergens in Openbaring letterlijk gesproken wordt over een 'tweede opstanding'; wél over een eerste en tweede dood. Uit de woorden van Jezus kunnen we opmaken dat er twee soorten opstanding zijn, tot 'leven' of tot 'verdoemenis'. Deze twee vormen van opstanding kunnen gelijktijdig of vlak na elkaar plaatsvinden. Evenals de twee vormen van dood (de lichamelijke dood en de geestelijke dood). Daniël sprak over 'ontwaken', Jezus sprak over 'opstanding'. Het is overduidelijk dat Jezus naar de opstanding uit het boek Daniël verwijst, omdat Hij Zichzelf hier 'Mensenzoon' noemt. Daniël is de enige profeet die Hem zo aankondigt. Jezus zei dat er op dat moment al mensen zouden luisteren naar Zijn stem en tot leven zouden komen. Dat geeft aan dat dit 'opstaan' geen fysieke gebeurtenis is, waarbij mensen letterlijk uit graven komen. Met 'graven' wordt hier iets anders bedoeld.

Dan zien we in Daniël 12:3 tot slot nog dat de rechtvaardigen en de wijzen zullen stralen als de sterren. Dit wordt door Jezus ook weer bijna letterlijk aangehaald in Mattheüs 13:43, waar Hij de vernietiging van Jeruzalem bespreekt in een gelijkenis:

Dan zullen de rechtvaardigen blinken als de zon, in het Koninkrijk van hun Vader.

Dat Jezus met betrekking tot Zijn komst in heerschappij graag verzen uit het boek Daniël aanhaalde blijkt ook weer uit Daniël 7:13-14:

Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken van de hemel kwam iemand gelijk een mensenzoon; Hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap onvergankelijk.

Hier zien we dat iemand als een mensenzoon komt op de wolken van de hemel met macht en heerschappij om een eeuwigdurend en onvergankelijk koningschap te ontvangen, wat Jezus weer bijna letterlijk aanhaalt (zie Mattheüs 24:30):

...en [zij] zullen de Mensenzoon zien, komende op de wolken van de hemel, met grote kracht en heerlijkheid.

Het woordgebruik is hetzelfde. We zien hier dat het 'komen op wolken' iets is dat in de geestelijke wereld plaatsvindt, niet in het fysiek waarneembare. Ook in Daniël 7:14 waar we de woorden 'eeuwig' en 'onvergankelijk' lezen, dit ademt een sfeer van geestelijke realiteit uit, niet een tastbaar, aards gebeuren. Precies wat Jezus zei in Lukas 17:20-21:

De Farizeeën vroegen Hem wanneer het Koninkrijk van God zou komen. Hij antwoordde hen: “Het Koninkrijk van God komt niet zichtbaar. En men kan niet zeggen: Zie hier, of zie daar, want zie, het Koninkrijk van God is in uw midden.”

Het koninkrijk zou niet zichtbaar of tastbaar komen. Je zou niet kunnen zeggen dat het hier of daar was, maar het draait om het persoonlijk beleven van de aanwezigheid van God. Jezus zei dat God na Zijn hemelvaart in Zijn volgelingen zou gaan wonen door de Heilige Geest, die hen zou leiden in de volle waarheid (Johannes 16:13-16):

Nog vele dingen heb Ik u te zeggen, maar u kunt die nu niet dragen. Maar wanneer de Geest van de waarheid komt, zal Hij u in de volle waarheid leiden; want Hij zal niet van Zichzelf spreken, maar wat Hij hoort zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen. Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen. Alles wat de Vader heeft, is van Mij; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u zal verkondigen. Een korte tijd, en u zult Mij niet zien; en wederom een korte tijd, en u zult Mij zien, want Ik ga heen tot de Vader.

Wat wij missen in het Nederlands, is dat hier twee Griekse woorden gebruikt worden voor 'zien'. 'Theoreo' en 'horao'. De eerste zou in het Nederlands vertaald kunnen worden met 'aanschouwen', 'bekijken', 'bezien', 'observeren', en dergelijke. Het tweede woord wordt vaker gebruikt om te benadrukken dat iets 'gezien', 'begrepen' of 'doorgrond' wordt. Het heeft meer met inzicht te maken. Zo wordt het woord ook gebruikt om mensen aan te sporen eens echt goed te kijken, als in 'kijk dan!' of 'zie toe!'. Kortom, de zin zou ook als volgt vertaald kunnen worden: “Binnenkort zul je me niet meer met je ogen kunnen zien, maar dan ga je me pas écht zien - door de Geest.” Jezus maakte op vele manieren duidelijk dat Zijn Koninkrijk en Zijn heerschappij vanuit de onzichtbare wereld gestalte zou krijgen. Hij zou regeren door Zijn dienaren heen. Zijn leerlingen zouden de Geest van waarheid ontvangen en Die zou Hem vertegenwoordigen door hen heen. God, die persoonlijk onder zijn volk zou komen wonen (2 Korinthiërs 1:22 en 5:5, Efeziërs 1:13 en Openbaring 21:3).

Ook zien we in dit stukje van Johannes 16 weer dat begrip 'binnenkort' terugkomen. Meerdere malen zien we dat de komst van het Koninkrijk spoedig zou zijn, het was aanstaande.

In Daniël 7:17,18 - de profetie van de vier dieren - bevat dezelfde woorden van verwachting. Het zou direct na de dieren plaatsvinden, dat de heiligen het koningschap zouden ontvangen:

...die vier grote dieren zijn vier koningen die uit de aarde zullen opkomen; en [dan] zullen de heiligen van de Allerhoogste het koningschap ontvangen, en zij zullen het koningschap bezitten tot in eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden.

Ik noemde hierboven al de uitspraak van Jezus in Mattheüs 24:30 (...en [zij] zullen de Mensenzoon zien, komende op de wolken van de hemel, met grote kracht en heerlijkheid). In Mattheüs 16:27 en28 komt een vergelijkbare uitspraak over Zijn lippen, die ik al eerder genoemd heb:

Want de Mensenzoon zal spoedig komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met Zijn afgezanten, en dan zal Hij iedereen vergelden naar zijn daden. Waarlijk, Ik zeg u: Er zijn sommigen van hen die hier staan, die de dood niet zullen smaken, totdat zij de Mensenzoon zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.

Ik heb mensen horen zeggen dat deze uitspraak wordt vervuld in het volgende hoofdstuk (Mattheüs 17), waar beschreven staat hoe Jezus zes dagen na die uitspraak met Zijn leerlingen een hoge berg op ging en Zijn uiterlijk veranderde. Daar werd echter niet volledig vervuld wat Jezus daarvoor had gezegd. Ze zagen Hem in een vorm van heerlijkheid, maar er zijn meer elementen in wat Hij zei. Hij zou namelijk spoedig komen, met afgezanten, er zou vergelding plaatsvinden, maar er staat in hoofdstuk 17 niets over afgezanten en vergelding. En sommigen zouden dan nog in leven zijn! Er wordt geen melding gemaakt van een sterfgeval in de tussenliggende zes dagen. Dus die uitleg gaat niet op. Kortom, het moest nog gebeuren en dat terwijl sommigen van hen nog in leven waren. Dit is een belangrijke indicatie dat het Koninkrijk in die tijd zou komen. Maar nog niet direct na deze uitspraak. Sommigen zouden nog leven, dus de meesten zouden dood zijn. Het kon nog wel even duren, maar het zou plaatsvinden binnen één mensenleven. Bedenk dat Jezus een valse profeet zou zijn geweest als dit niet in hun tijd was uitgekomen! Zie enkele delen uit Deuteronomium 18:17-22:

Toen zei Jahweh tegen mij (Mozes): ... Ik zal een Profeet zoals u uit het midden van hun broeders verwekken; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven. En Hij zal tot hen alles spreken wat Ik Hem gebieden zal. En het zal geschieden dat de man die niet zal luisteren naar Mijn woorden die Hij in Mijn Naam zal spreken, van dien zal Ik het zoeken... en als u dan in uw hart zou zeggen: Hoe zullen wij herkennen dat Jahweh het woord niet gesproken heeft? Wanneer die profeet in de Naam van Jahweh zal hebben gesproken en dat woord geschiedt niet en komt niet; dat is het woord dat Jahweh niet gesproken heeft; uit overmoed heeft die profeet dat gesproken; u zult voor hem niet vrezen.

Dat is altijd de maatstaf geweest voor de betrouwbaarheid van een profeet. Maar de woorden van Jezus waren wél van Jahweh, want ze kwamen uit. Vergelijk Handelingen 3:22-23:

Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere uw God zal u een Profeet zoals ik uit uw broederen verwekken. Naar Hem zult u luisteren, in alles wat Hij tot u spreken zal. En het zal geschieden, dat elke ziel die niet naar deze Profeet luistert, uitgeroeid zal worden uit het volk.

In deze toespraak van Petrus zien we niet alleen de bevestiging dat Mozes het over Jezus had, maar ook die vergelding waar Jezus het over had.

Daniël plaatste Jezus, de opstanding van de doden en de komst van het Koninkrijk in de tijd van de tien koningen en van het vierde beest. Op veel plaatsen in het Nieuwe Testament wordt bevestigd dat het inderdaad in die tijd, spoedig stond te gebeuren. Laten we eens dieper ingaan op de exacte tijdsaanduiding in het boek Daniël.


Daniël en de zeventig zevens

Daniël 9 bevat misschien wel de meest bijzondere profetie die ooit opgeschreven is. Hij is zo specifiek, dat hij volgens sommigen precies op de dag uitkomt. Ik zal niet zo ver gaan om dat te beweren, omdat het heel moeilijk te bewijzen is, al zou het me niets verbazen. Ik geloof in ieder geval dat het jaartal van de komst van Jezus exact voorspeld werd. Daniël 9:24:

Zeventig zevens zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, om de zonden te verzegelen, om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven.

De term 'zevens' is een ander woord voor 'weken' in het oude Hebreeuws. Uit andere teksten begrijpen we dat het hier om zeventig weken van jaren gaat, dus 70x7=490 jaar, waarna er een einde kwam aan Gods geduld met het genoemde volk. (Jaarweken zijn geen vreemd begrip in deze oude geschriften; zie Genesis 29:27 en Leviticus 25:8, waar weken van jaren genoemd worden en ook deze verzen, waar dagen symbolisch worden gebruikt voor jaren: Numeri 14:34 en Ezechiël 4:4-6.)

De 490 jaar moesten gerekend worden vanaf het moment dat het bevel werd gegeven om Jeruzalem te herbouwen. Reken je dat na, dan komt het precies uit in de jaren dat Jezus op aarde was.

Aan het kruis werd iets volbracht, zoals Jezus zelf zei. Hij kwam om Zijn volk te verzoenen met God en om, zoals Daniël voorspelde, eeuwige gerechtigheid aan te brengen. Dat heeft direct te maken met het Koninkrijk, waarin Jezus rechtvaardig regeert. In die tijd zou 'het gezicht en de profeet' worden verzegeld en de 'heiligheid van de heiligheden' gezalfd worden, wat inhoudt dat elke profetie zou worden vervuld in de Heilige: Jezus. Zie Lukas 21, waar ik enkele zinnen uit aanhaal (Lukas 21:5-8):

En toen sommigen van de tempel zeiden dat hij met mooie stenen en toegewijde gaven versierd was, zei Hij: “Wat deze dingen aangaat die u hier ziet: er zullen dagen komen waarin geen steen op de anderen steen zal worden gelaten, die niet zal worden afgebroken.” En zij vroegen Hem: “Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en wat is het teken, wanneer deze dingen zullen geschieden?... En Hij zei: Zie toe, dat u niet verleid wordt; want velen zullen komen in Mijn Naam, en zeggen: Ik ben de Ingewijde; en de tijd is nabij gekomen, loop hen niet achterna.

Dus ze moesten geen mensen achterna lopen die zeiden dat het einde nabij gekomen was, totdat... (Lukas 21:20-22):

...wanneer u ziet dat Jeruzalem door legers omsingeld wordt, weet dan dat haar verwoesting nabij gekomen is. Laat dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen; en die in de stad zijn, daaruit trekken; en die op de velden zijn, dat zij in de stad niet in gaan. Want dit zijn dagen van wraak, waarin alles wat geschreven is, vervuld wordt.

Let op de sterke overeenkomst met Mattheüs 24. Lukas 21 loopt bijna helemaal parallel met dat hoofdstuk in Mattheüs, alleen de volgorde is anders. Hier vragen de leerlingen wanneer het zal gebeuren, dat er geen steen op de andere zal blijven staan. Jezus antwoordt: “wanneer Jeruzalem omsingeld wordt door legers, want dat zijn de dagen dat alles vervuld wordt wat geschreven is.”

Merk op dat Jezus zei dat ze in de tijd voorafgaand aan Zijn komst, geen mensen achterna moesten lopen die zeiden dat de tijd nabij was. Dat zouden valse 'ingewijden' zijn, mensen die zichzelf de messias noemden. Toch hebben de zendelingen stuk voor stuk in hun brieven gezegd dat de tijd nabij was, toen het écht dichterbij kwam. En zij waren géén valse profeten. Zij hadden de Geest en de gaven van God en hadden het recht om aan te geven dat de tijd nabij was, om Gods volk te waarschuwen. Jeruzalem is 40 jaar na de uitspraak van Jezus dan ook daadwerkelijk omsingeld en de tempel werd verwoest. Die omsingeling was het teken voor de naderende verwoesting. We mogen Jezus dan ook serieus nemen als Hij zegt dat dát het moment was waarop alles vervuld werd. Maar dat betekent dan ook dat aan het kruis nog niet álles volbracht was. Hij volbracht daar wel zijn missie om Zijn volk vrij te kopen en om verzoening te bewerkstelligen en de weg naar de Vader vrij te maken, maar er moest nog veel meer gebeuren:


- Hij moest nog opstaan uit de dood

- Hij moest nog met het bloed van Zijn offer naar de hemel terugkeren (Hebreeën 9) om Zijn Koninkrijk in ontvangst nemen, waardoor de hele wereld gezegend kon worden

- Gevolgd door een kort, maar krachtig oordeel over het oude religieuze systeem, zodat er geen enkele belemmering meer zou zijn voor de doorbraak van Zijn hemelse Koninkrijk op aarde

- Daarna zou er een tijd zijn waarin het Koninkrijk zou groeien en mensen uit vele volken, stammen natiën en talen tot Hem zouden komen.


Bedenkt dat tijdens Zijn sterven slechts het voorhangsel in de tempel scheurde, zodat symbolisch de weg naar het Heilige der Heiligen (het Allerheiligste) vrijgemaakt werd. Jezus verwierf het recht om de eeuwige geestelijke hogepriester te zijn, waardoor Zijn volk vanaf dat moment vrijmoedig toe kon treden tot de troon van genade (Hebreeën 4: 14-16). Ik heb ook wel horen zeggen dat God op deze manier symbolisch gezien niet meer achter het gordijn 'gevangen' zat, maar dat Hij eruit kon om onder de mensen te zijn.


Maar dat was nog niet alles. Uiteindelijk moest het hele oude systeem van menselijk streven en het brengen van offers met de grond gelijk gemaakt worden, zodat de aanklager geen grip meer had op het volk dat onder dat systeem gebukt ging.

Opmerkelijk is ook dat de 490 jaar voorbij waren, maar dat het oordeel nog eens 40 jaar werd uitgesteld. Alsof God wilde zeggen: oké, ik geef je nog ruim de tijd om deze boodschap van herstel en verzoening in Jezus aan te nemen. Het kwam wel vaker voor dat mensen een periode van 40 jaar de tijd kregen om tot inkeer te komen. Bijvoorbeeld: Mozes was 40 toen hij vluchtte uit Egypte en 80 toen hij het volk uit Egypte mocht leiden. Daarna moest het volk 40 jaar door de woestijn dwalen, omdat het in eerste instantie niet op God wilden vertrouwen. In die 40 jaar stierven alle mensen die zo opstandig en ongelovig waren geweest. De periode van Jezus tot aan de vernietiging van de tempel wordt, zoals eerder gezegd, dan ook wel de 'tweede exodus' genoemd. Hier ligt mogelijk een verband met de symbolische '1000 jaar' in het boek Openbaring. Een onverwacht lange tijd moest voorbijgaan voordat het uiteindelijke laatste oordeel werd uitgevoerd.

Dit principe van het geduld van God, zien we ook terug in de gelijkenissen. God is zeer geduldig, maar er komt wel een keer een einde aan. Petrus heeft het daar ook een keer over in één van zijn brieven.

2 Petrus 3:9-10:

De Heer is niet traag met het vervullen van de belofte (zoals sommigen dat zien), maar is geduldig met ons, niet willende dat er iemand verloren gaat, maar dat zij allen tot bekering komen. Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, waarin de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen zullen branden en vergaan, en de aarde en de dingen die daarop worden gedaan, zullen verbranden (versmelten).

God is wel heel geduldig, maar Petrus zegt dat er op een bepaald moment toch een einde komt aan 'hemel, aarde en elementen'. Wat bedoelt hij daarmee? Hoe begrepen zijn lezers dit? Eerst herhaalt hij Jezus' woorden dat Hij zou komen als een dief in de nacht. En dat mensen het zouden missen als ze niet zouden letten op de tekenen van de tijd. Dan zegt Petrus dat wanneer Jezus komt, de hemelen voorbijgaan en dat de elementen en de aarde (en wat daarop wordt gedaan) zullen verbranden. Een merkwaardige tekst, die veel mensen heeft doen geloven dat de hele aardbol in een vuurzee zal vergaan, die zo heet is, dat de scheikundige elementen erdoor uit elkaar vallen.

Eén aanwijzing om dit te doorgronden, vinden we in de betekenis van het woord 'elementen'. In het Grieks is dat 'stoicheia' (letters, beginselen, 'een rij van eerste dingen'). Dat woord vinden we zeven keer in het Nieuwe Testament; en het gaat beslist niet over de scheikundige elementen die wij nu kennen. Petrus gebruikt het twee keer in deze context (van vernietiging), maar we vinden het ook twee keer in Galaten (4:3-9):

...toen wij kinderen waren, dienstbaar gemaakt onder de beginselen van de wereld. Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God Zijn Zoon gezonden, geboren uit een vrouw, onder de wet; opdat Hij degenen, die onder de wet waren zou verlossen (vrijkopen) en de status van zoonschap zouden ontvangen. En omdat jullie zonen zijn, heeft God de Geest van Zijn Zoon gezonden in uw harten, Die roept: 'Abba', (Vader)! Nu zijn jullie geen dienstknechten meer, maar een zoon; en als je een zoon bent, ben je ook een erfgenaam van God door de Ingewijde. Maar hoewel jullie God kenden en door God gekend zijn, waarom keren jullie je nu weer tot zwakke en arme beginselen...?

We zien het twee keer in Kolossenzen (2:8 en 2:20):

Zie erop toe dat niemand jullie wegvoert door de filosofie en ijdele verleiding, naar de overlevering van mensen, naar de beginselen van de wereld, en niet naar de Ingewijde;... Als jullie dan met de Ingewijde voor de beginselen van de wereld gestorven zijn, waarom laten jullie je dan weer verleiden tot dogma's, alsof je nog in die wereld leeft?

En vervolgens nog één keer in Hebreeën 5:12. Hier wordt het woord in positieve zin gebruikt, als zijnde de eerste beginselen van het onderwijs van God.

In Galaten en Kolossenzen wordt het gebruikt in de betekenis van 'elementaire principes', de 'beginselen van de wereld' (stoicheia tou kosmou), menselijke verzinsels, regels en wetten die hen gevangen hielden, dingen waarvoor zij als Israëlieten gestorven waren (in hun Ingewijde), waar ze niet naar terug moesten keren. Het woord 'stoicheia' is op zich neutraal van betekenis, maar wordt door Paulus en zeker ook hier door Petrus, gebruikt om de verkeerde invloed van werelds denken aan te duiden. Het wereldse, aardse denken, waar de Israëlieten bij de berg Sinaï voor hadden gekozen en waar ze zich nooit helemaal aan zouden houden. Dat kon ook niet. Maar God had hen vrijgekocht. Niet om weer een slaaf te worden van wetten en principes in een aards systeem, maar om als vertegenwoordigers van God te leven. (Ter herinnering: Het woord voor wereld in deze tekstgedeelten is kosmos, wat de betekenis heeft van een bepaald samenhangend systeem van dingen. In dit geval dus in de context van het verouderde systeem van de Joodse wet.)

Er is in de oudheid wel een gebruik van dit woord dat op elementen van de schepping betrekking heeft. Plato gebruikt het woord namelijk om de basiselementen van de schepping: aarde, vuur, water en lucht aan te duiden. Als Petrus het echter op deze manier bedoelde, had hij moeten verklaren hoe vuur zelf in vuur (letterlijk: 'intense hitte') zou moeten vergaan. En een eigenschap van water is juist dat het vuur blust. Dat deze 'elementen' in vuur zouden vergaan klinkt voor mij verre van logisch. We kunnen bij 2 Petrus 3:10 het beste de betekenis gebruiken die Paulus aan het woord gaf (namelijk: de basisbeginselen van de wet), aangezien Petrus goed bekend was met de geschriften van Paulus. Hij noemt ze zelfs 'moeilijk te begrijpen' (2 Petr. 3:16).

Toch is het opmerkelijk dat de vier elementen van Plato wel op een symbolische manier terug te vinden zijn in de tempel. Josephus beschrijft in zijn 'Oude geschiedenis van de Joden' (boek 3, hoofdstuk 7, paragraaf 5) dat de vier elementen werden vertegenwoordigd in de tempel: namelijk, door de eigenschappen van de doeken. Zo vertegenwoordigde het linnen de aarde, vanwege de plantvezels waarvan het gemaakt was; purper was een beeld van de zee, vanwege de kleurstof die uit een schelpdier kwam; het blauw was uiteraard de kleur van de lucht en scharlaken vertegenwoordigde vuur, ook vanwege de kleur. De elementen werden volgens hem ook gezien in de gewaden van de priesters. Zo verwijst het begrip 'elementen' op verschillende manieren naar het oude systeem van wetten en de tempeldienst: zowel in de vorm van 'elementaire principes van de wet' als symbolische elementen van de tempel.

Verder hebben we in deze tekst nog het woord 'vergaan' (in het Grieks wordt het woord 'luo' gebruikt), wat de betekenis heeft van 'losmaken' en 'ontbinden'. Dit woord wordt door het hele Nieuwe Testament heen (42x) gebruikt om aan te duiden dat iets wat vast zit wordt 'losgemaakt' (een schoen van een voet, een ezel van een touw of een tong van een stomme die wordt losgemaakt). Het wordt gebruikt voor iets dat 'ontbonden', 'opgeheven', of 'ongedaan gemaakt' wordt (een huwelijk, een vergadering of de gevolgen van iemands daden). We zien het bij het 'vrijlaten', of 'loslaten' van gevangenen, het 'verbreken' van een zegel en voor het 'nietig maken' of 'ontbinden' van een wet. Maar de meest opmerkelijke tekst waar we ditzelfde woord terugvinden is wanneer Jezus tegen Petrus zelf zegt dat Hij hem de sleutels van het Koninkrijk geeft. Dan zegt hij (Mattheüs 16:19):

Wat je bindt op aarde zal gebonden zijn in de hemel en wat je ontbindt in de hemel zal ontbonden zijn op aarde

Het woord voor 'ontbinden' is hetzelfde woord dat in 2 Petrus 3:10 is vertaald met 'vergaan' en wordt daar ook nog eens in verband gebracht met de woorden 'hemel en aarde'. Is het mogelijk dat Petrus bewust verwijst naar wat Jezus tegen hem zelf zei? Hoe dan ook, nergens wordt dit woord in het Nieuwe Testament gebruikt om aan te geven dat er iets fysiek kapot gemaakt wordt. Er is slechts één tekst waar het de betekenis zou kunnen hebben van 'vernietigen' en dat is Johannes 2:19, waar de Joden denken dat Jezus het over de tempel in Jeruzalem heeft, maar waar hij over Zijn dood en opstanding spreekt:

Breek deze tempel af en ik zal hem in drie dagen weer oprichten.

Het lijkt erop dat Jezus bewust dit woord verkoos, in plaats van het gebruikelijke woord voor vernietigen, omdat het een dubbele betekenis had. De tempel werd door de Romeinen inderdaad letterlijk helemaal uit elkaar gehaald. Toen de tempel platgebrand werd, smolt het goud en lekte het tussen de stenen van het fundament. Om het goud er tussenuit te halen moest wat er nog stond steen voor steen worden afgebroken. Omdat Jezus het op deze manier zei, hadden Zijn luisteraars niet direct door dat Hij het over Zichzelf had. Later begrepen Zijn volgelingen pas dat Hij Zichzelf vergeleek met de tempel. Dit is ook weer een treffende parallel met de woorden van Petrus. Wat namelijk 'ontbonden' moest worden, waren de beginselen van de wet, die belichaamd werden door de aardse tempel.

Er was veel misgegaan tegen de tijd dat Jezus kwam. Maar Petrus liet zien dat het afgelopen was met 'hemel en aarde'; althans wat het Joodse volk betrof. Het hele systeem van de verworden, aardse, ongeestelijke, dode leer, vol van eigengerechtigheid, de 'beginselen van de wet', de 'boom van kennis van goed en kwaad', moest worden verbrand! Het oordeel kwam op de leiders met hun schijnheiligheid, verdorven religie en eigenmachtig en dwangmatig opgelegde principes, waar Jezus ook zo boos om kon worden. We hebben het zien gebeuren toen de tempel, die het ultieme symbool van de oude Joodse wetten en regels was geworden, verbrandde in het jaar 70. Jezus waarschuwde de Joodse leiders regelmatig voor dit komende oordeel. Hij hield ze nadrukkelijk verantwoordelijk voor het feit dat ze de mensen allemaal dingen oplegden die niets meer te maken hadden met wat God wilde. Het was werelds, duivels, doods en goddeloos geworden. De tempel, die de aanwezigheid van God moest vertegenwoordigen, was een aanstootgevend iets geworden. God wilde dat mensen ongedwongen en vrij bij Hem konden komen. Daarom scheurde Hij het voorhangsel, het dikke gordijn dat voor de Ark van het Verbond hing, van boven tot onder doormidden op het moment dat Jezus stierf. God wilde geen scheiding; Hij was klaar met dat 'hokje' in een gebouw. De tempel was een symbool van vervreemding en scheiding geworden, maar God stond op het punt om voorgoed daarmee af te rekenen. De plaats waar 'hemel en aarde' elkaar moesten ontmoeten was nog slechts een toonbeeld van verstikkende menselijke regels en wetten. God was er helemaal klaar mee. In plaats van een gebouw in een stad wilde Hij de mens als woning en een gemeenschap van geliefde, eigen kinderen als stad: Het Nieuwe Jeruzalem, waarin God Zelf Zijn eigen Tempel zou bouwen, waar altijd licht en vrede zou zijn; een 'nieuwe hemel en aarde'. Het einde van het oude lijkt zo bot en ruw, maar het was iets heerlijks in Gods ogen. Eindelijk zou de weg vrij zijn. Het oude zou definitief afdoen en het nieuwe zou helemaal tot zijn recht kunnen komen. Het begrip 'hemel en aarde' komt later aan bod.

Terug naar Daniël, die de aanloop tot dit geweldige moment voorspelde. Vanaf hoofdstuk 9, vers 25 geeft Daniël een meer gedetailleerde beschrijving van die 490 jaren, beginnend bij het bevel tot herbouw van Jeruzalem. Ze worden opgesplitst in 7x7, 62x7 en 1x7 jaren. Laten we die drie stukken eens apart bekijken, want het geeft exact weer wat er in die periode gebeurde:

25 Weet dan en begrijp: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een Ingewijde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden.

De eerste 7x7=49 jaren hebben betrekking op de periode vanaf het moment dat de opdracht gegeven werd om Jeruzalem te herbouwen, in het jaar 456 v. Chr., tot de voltooiing van de herbouw. Het was in het twintigste regeringsjaar van Artachsasta (zie Nehemia 2) dat deze Koning toestemming gaf om Jeruzalem te herbouwen.

(Over de precieze datum van dat twintigste regeringsjaar zijn niet alle geleerden het eens, omdat er in de loop der jaren zoveel veranderd is aan kalenders en het terugrekenen niet eenvoudig is. Sommigen komen op 457 of 458 v. Chr., maar voor deze bespreking maakt dit mijns inziens niet zoveel uit.)

Met de volgende 62 zevens komt het totaal op 483 jaar na de opdracht; het moment dat een Ingewijde, een vorst zou komen (mijns inziens kan dat niemand anders zijn dan Jezus). Rekenen we van 456 v. Chr. 483 jaar verder (Bedenk dat er geen jaar 0 is geweest, we springen gelijk van 1 v. Chr. naar het jaar 1), dan zitten we in het jaar 27. Dat is het jaar waarin Jezus begon met zijn bediening (als het jaar 456 v. Chr. voor het bevel tot herbouw juist is).

We kunnen lang en breed praten over de exacte datum van de opdracht tot herbouw, maar het is nagenoeg onmogelijk om het precies te weten te komen. De verschillen zijn niet groot, hooguit een paar jaar. Dat het uitkomt bij de bediening van Jezus is in ieder geval zeker. Dat we het niet met 100% zekerheid kunnen vaststellen, wil natuurlijk niet zeggen dat de profetie niet accuraat is. Ik geloof van wel. En als de berekening er 2 jaar naast zit, dan is de accuraatheid alsnog groter dan 99,5%! Ik hou het er daarom op dat die 483 jaar, de 69 zevens, precies uitkomen op het begin van Jezus' bediening. Vooral ook omdat de volgende details precies beschrijven wat er toen gebeurde:

26 En na de tweeënzestig weken zal een Ingewijde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is (of: niet voor hemzelf); en het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten, maar zijn einde zal zijn in de overstroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen, waartoe vast besloten is.

Dezelfde Ingewijde uit vers 25 wordt 'afgesneden' (letterlijke betekenis) en dat 'niet voor hemzelf', is een meer voor de hand liggende vertaling, het Hebreeuws heeft twee betekenissen. Het volk van de vorst die komen zal is óf het volk van één van die heersers waar Daniël eerder een visioen van had, óf het volk van de vorst Jezus, die Jeruzalem en de tempel zou vernietigen. Het waren tenslotte de Joden die in opstand kwamen en de Romeinen uitdaagden tot de confrontatie, wat ze uiteindelijk het leven en hun mooie stad en tempel zou kosten. Met deze beschrijving kunnen dus zowel Israël als de Romeinen bedoeld zijn. Dat de stad en het heiligdom te gronde werden gericht is in ieder geval een feit. En tot het einde toe was er strijd, zoals we ook gezien hebben in de geschiedenis. Dat einde was 40 jaar later toen Titus, de zoon van keizer Vaspasianus, met zijn Romeinse legioenen een einde maakte aan de opstand van de Joden. Vergeet niet dat deze profetie gericht is tot Israël, zoals we zagen in vers 24: “Zeventig zevens zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, om de zonden te verzegelen, om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven.”

Dan gaat Daniël die laatste 7 jaar van de 490 jaar in meer detail beschrijven. Het gebeurt wel vaker in profetieën in de Bijbel, dat er eerst een overzicht gegeven wordt en dat het daarna verder wordt uitgewerkt. Wat ook veel gebeurt, is dat een bepaalde gebeurtenis van verschillende kanten belicht wordt. Bijvoorbeeld van een religieuze of een politieke kant.

27 En Hij zal het verbond voor velen versterken, een week lang; in de helft van de week zal Hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.

Zoals Daniël hier zegt, werd het verbond met 'velen' versterkt. Hoogst waarschijnlijk een verwijzing naar Israël. Dit was gedurende een week van jaren. Na drie en een half jaar, de tijd die Jezus onder de Joden was en hen het goede nieuws van Zijn komende Koninkrijk bracht, werd Hij als een volmaakt offer geslacht en verving Hij alle slachtoffers en spijsoffers. Hierna benadrukt Daniël nog een keer dat de verwoester zal komen en dat die tot de voleinding zou blijven (de uiteindelijke verwoesting was 40 jaar later). De laatste drie en een half jaar worden niet uitgelegd, maar daarvan vinden we een sleutel in Handelingen 7, 8 en 9. De zendelingen verkondigden nog 3,5 jaar het evangelie onder de Joden en toen werd Stefanus door de hen gestenigd. Dit gebeurde onder toeziend oog en met goedkeuring van de hogepriester, nadat Stefanus hen nogmaals op het hart had gedrukt dat zij en hun voorouders verantwoordelijk waren voor het doden van de rechtvaardigen. Maar nog wilden zij zich niet bekeren en verwierpen de boodschap. In het volgende hoofdstuk lezen we dan ook hoe de zendeling Filippus een schatbewaarder uit 'morenland' (Ethiopië) mag dopen op zijn geloof in Jezus. Dat de Heilige Geest Filippus bij deze man bracht, is een mooi voorbeeld van de voorzienigheid van God. Hij wist wie er allemaal bij Zijn volk hoorden en had Zijn Geest aan de zendelingen gegeven om alle verloren schapen te vinden en weer bij hun Vader te brengen. Velen waren al zo lang onder de volken, dat ze door de Joden beschouwd werden als zijnde ván die volken. Deze Ethiopiër was in ieder geval nog wel met God bezig, want hij kwam net terug uit Jeruzalem, alwaar hij God had aanbeden. Het evangelie ging vanaf dat moment naar de Israëlieten verspreid onder de volken. Hoofdstuk 9 beschrijft de bekering van Saulus, een fanatieke vervolger van de christenen (Joodse volgelingen van Jezus). Deze Saulus kreeg later de naam Paulus en zou het evangelie van het Koninkrijk ook onder de volken gaan brengen. Daarna gaf God Petrus een visioen van zowel reine als onreine dieren, die Petrus moest slachten en eten. Hiermee maakte God duidelijk dat Hij ook de 'onreine' Israëlieten had geaccepteerd, die verspreid waren onder de volken. Vervolgens stuurde God hem naar het huis van Cornelius, een Romeinse centurion, om daar het goede nieuws te brengen (zie Handelingen 10 en met name Handelingen 10:35:)

Het woord dat God zond tot de zonen van Israël, het goede nieuws van vrede verkondigend door Jezus Christus die Heer van allen is.

In dit verband lijkt het zeer aannemelijk dat Cornelius één van die Israëlieten in de verstrooiing was. En de Romeinen hadden veel ingelijfde Israëlieten, ook in hoge posities.

Zie ook Handelingen 15:14-20:

God nam een volk, voor zijn naam vanuit de volken, naar de woorden van de profeten... de overblijfselen [van Israël]... waarover [de naam van de Heer] is uitgeroepen... die tot God terugkeren

Handelingen 15 beschrijft een onenigheid onder de apostelen in Jeruzalem, over het al dan niet besnijden van de bekeerlingen uit de volken. Zoals we al zagen in de boeken van de Makkabeeën, lieten een paar eeuwen voor Chr. veel joden zich inlijven bij omringende volken, met name het Griekssprekende gebied. Zij werden niet meer besneden en sommigen lieten de besnijdenis zelfs ongedaan maken. Zij werden de 'onbesnedenen' genoemd en ook wel 'de Griek' of 'de barbaar'. Dat ze het over Israëlieten hadden blijkt met name uit de verzen 15-17, die duidelijk verwijzen naar Amos 9:8-14, vanwege het weer oprichten van de tabernakel van David, waar het gaat over het verwerpen van Israël, maar niet héél Israël. Er blijft een restant over dat door God teruggebracht zal worden: "de volken waarover Mijn naam is uitgeroepen" (9:12) en het terugbrengen uit gevangenschap (9:14). Dus de mensen waarover werd gediscussieerd in Handelingen 15 waren de verloren schapen van Israël. God had ze niet allemaal verworpen; Hij stond nog steeds met open armen voor ze klaar. Elke Israëliet die zich bekeerde was van harte welkom. Dat was het einde van de 490 jaar van Daniël 9. De profetie voorspelt nog wel dat de strijd tot het einde zou doorgaan. Dat 'einde' was het definitieve einde van de aardse tempel en de aardse hoofdstad van het verbond: Jeruzalem.

Omdat de laatste 3,5 jaar niet in detail worden beschreven, maar in Openbaring wel weer sprake is van 3,5 jaar verdrukking, is het ook mogelijk dat deze 3,5 jaar na de 40 jaar genade en verkondiging vervuld werden. Dit is met name een goede optie omdat de belegering van Jeruzalem precies 3,5 jaar duurde.

Een interessant detail: Toen Petrus Jezus vroeg hoeveel keer hij zijn broeder moest vergeven, daarbij suggererend dat zeven keer wel genoeg zou zijn, antwoordde Jezus dat hij zeventig maal zeven maal, dat is 490 maal, moest vergeven (zie Mattheüs 18:21). Jezus verwees hier in mijn ogen waarschijnlijk naar de profetie van Daniël. Het getal zeven geeft symbolisch een volledigheid aan, dus vergeving moet tot het uiterste gaan. Petrus begreep pas veel later dat Jezus heel Israël op het oog had en niet alleen maar de gelovige Joden. Maar zoals ook God zijn volk 490 jaar de tijd gaf om zich te bekeren, kwam er wel een punt waarop voor bepaalde mensen vergeving niet meer mogelijk was. De maat was wel een keer vol.

Daniël en het einde

Na in hoofdstuk 10 en 11 nog eens uitgebreid in te zijn gegaan op dingen die plaatsvinden tijdens die 490 jaar, komt Daniël in hoofdstuk 12 weer bij 'het einde' terecht. Deze keer met de details die we ook kennen uit de boodschap van Jezus (hoofdstuk 12 vers 1):

En in die tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen van uw volk staat, het zal een tijd van benauwdheid zijn zoals er niet eerder geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot aan die tijd; en in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.

Klinkt dat bekend? Jezus had het over een 'grote verdrukking, zoals er nog nooit geweest is', in Mattheüs 24:21, nadat de leerlingen hem vroegen wanneer de tempel zou worden vernietigd. Jezus plaatste deze profetie in hun tijd.

Zo zie je dat Daniël 12:1 verbonden is met Mattheüs 24 en Openbaring 20. Dan 12:2:

En velen van hen die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot schande en tot eeuwige afkeuring.

Dat lijkt weer veel op wat Jezus zei in Johannes 5:25, dat de doden Zijn stem zouden horen en zouden leven. En vervolgens in Joh 5:28, dat allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen. Jezus sprak veel over het oordeel en de manier waarop Hij dat deed lijkt zeer veel op hoe Daniël het hier zegt.

Daniël wordt opdragen het boek van zijn profetieën te verzegelen, tot de 'tijd van het einde', met de belofte dat de kennis uiteindelijk zal toenemen en dat mensen het zullen gaan ontdekken. De tijd dat het boek openbaar gemaakt werd, moet nog voor dat 'einde' zijn geweest, anders had het geen zin om te profeteren. En dat klopt. Jezus onthulde in Mattheus 24 dat die tijd nabij gekomen was. Het einde van die 490 jaar komt overeen met de tijd dat Jezus begon met het verkondigen van het Koninkrijk en de aankondiging van 'de tijd van het einde'. Bedenk dat Johannes in Openbaring 22:10 wordt gezegd zijn boek niet te verzegelen, omdat de tijd nabij is. Zeshonderd jaar van Daniël naar Jezus is volgens de tekst een lange tijd. Lang genoeg om een boek te laten verzegelen tot het einde. Openbaring is bijna 2000 jaar geleden geschreven, dus als die woorden niet verzegeld moesten worden omdat de tijd nabij was, kan het niet zo zijn dat die woorden nog steeds moeten uitkomen.

Daniël krijgt nog een aanwijzing wanneer al deze dingen tot een einde zullen komen. In vers 7 lezen we dat het zou zijn na een periode van “drie en een half jaar, wanneer de macht van het heilige volk verstrooid is.” (Drie en een half werd toen ook wel geschreven als 'een tijd, tijden en een halve tijd' en zo is het ook in sommige vertalingen overgenomen.) Kennen wij een periode van 3.5 jaar waarin grote verdrukking was en waarin de macht van een heilig volk verstrooid werd? Ja, dat was tijdens de opstand van de Joden, waarover Flavius Josephus schreef. Keizer Nero gaf bevelhebber Vespasianus de opdracht om de Joodse opstand de kop in te drukken. Het beleg duurde 3.5 jaar (66-70) en het was een verschrikkelijke tijd.

Toen Daniël vroeg hoe het zou aflopen, werd hem het volgende gezegd (vers 10-12):

Velen zullen gereinigd, wit gemaakt en gelouterd worden; maar de goddelozen zullen goddeloos handelen en geen van de goddelozen zullen het begrijpen, maar de verstandigen zullen het begrijpen. En van die tijd af, tot het dagelijkse offer zal worden weggenomen, en de verwoestende gruwel opgesteld is, zullen duizend tweehonderd en negentig dagen zijn. Gelukkig is hij, die wacht en komt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen. Maar u, ga heen tot het einde, want u zult rusten en zult opstaan in uw beschikking, aan het einde van de dagen.

Daniël zou 'rusten', dat is een ander woord voor sterven, en weer opstaan aan het einde. Dat is de 'opstanding van de doden' waar ook Paulus in 1 Korinthiërs 15 over spreekt en uitlegt dat er een nieuw, geestelijk lichaam zal zijn, wanneer Jezus het Koninkrijk vestigt. Velen zullen gered worden, goddelozen zullen het niet begrijpen, maar verstandigen zullen het kunnen doorgronden, wordt Daniël toevertrouwd. En ten overvloede wordt nogmaals verteld dat het zal zijn wanneer het dagelijks offer stopt en de gruwel van verwoesting er is (ook wel genoemd: gruwel die tot verwoesting leidt), waar in hoofdstuk 9 over gesproken werd. Het is dezelfde gruwel waar Jezus over sprak toen Hij uitlegde op welke tekenen zijn leerlingen moesten letten, om te kunnen weten wanneer het einde van de tempel zou aanbreken (Mattheus 24:15, Marcus 13:14, Lukas 21:20). En een gruwelijke oorlog was het, met gruwelijke verwoestingen! Je kunt het allemaal lezen in 'De Joodse Oorlog' van Flavius Josephus. Hij schreef dat eind juli 66 na Chr. (3,5 jaar vóór de val van Jeruzalem, de halve jaarweek van Dan 9:27) de dagelijkse offers gestopt zijn (De Joodse Oorlog 2.17.2). Josephus hoort misschien niet bij de officieel erkende geïnspireerde schrijvers van de Bijbel, maar hij schetst wel een duidelijk beeld van de tijd en cultuur waarin de Bijbelse geschiedenis plaatsvond. Hij schreef verder dat het bloed van Joden en vreemdelingen op het altaar en tempelplein lag (De Joodse Oorlog 5.1.3). We kunnen daarin die gruwel zien, temeer omdat in Lukas 21:20 in dezelfde context niet letterlijk over een gruwel gesproken wordt, maar een omsingeling door legers. De heilige plaats van verzoening was een plaats van oordeel en gruweldaden geworden. Deze gruwelen leidden tot de verwoesting van Jeruzalem en de tempel. Daniël krijgt zelfs nog precies het aantal dagen door dat het beleg van Jeruzalem zou duren: 1290. Dat is iets meer dan 3.5 jaar. En dat mensen die het daarna nog anderhalve maand (1335-1290 dagen) uithouden, gelukkig zijn. Overigens wordt er in Daniël 11:31 óók over een gruwel gesproken, maar die leidde niet tot het einde. Die profetie gaat mogelijk over de tijd dat Antiochus Epiphanes in 168 v. Chr. een varken offerde op het altaar van de tempel in Jeruzalem. Ik zeg 'mogelijk' omdat Jezus Zelf maar over één gruwel spreekt.

Die 3.5 jaar komen we ook weer tegen in Openbaring, wat opnieuw een aanwijzing is dat het boek Openbaring (hoofdstuk 12) ook spreekt over die periode. In vers 1 van dat hoofdstuk zien we een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Kijken we in Genesis 37, dan zien we kenmerken hiervan in een droom van Jozef. Hij zag zijn vader Jacob en zijn moeder en twaalf broers als zon, maan en twaalf sterren, voor hem buigen. Jacob werd later Israël genoemd en is de stamvader van het volk. De vrouw in dit eerste vers moet mijns inziens Israël zijn. Vergelijk deze twee teksten eens:

En de vierde afgezant blies op een bazuin, en een derde deel van de zon werd geslagen, en een derde deel van de maan, en een derde deel van de sterren; (Openbaring 8:12)

En de vier afgezanten werden ontboden, die bestemd waren voor dat uur, die dag en maand en jaar, opdat zij het derde deel van de mensen zouden doden. (Openbaring 9,15)

Dan lijkt het voor de hand te liggen dat de zon, de maan en de sterren in dit geval een beeld zijn van Israël, waarvan een derde deel ten tijde van de Joodse oorlog tussen 66-70 omkwam.

Dat beeld wordt versterkt door de volgende verzen. De vrouw was namelijk zwanger en baarde een mannelijke zoon en werd achtervolgd door een draak met zeven koppen en tien horens. Dit is weer dat beeld van de heersers uit de tijd van het einde, waar Daniël over sprak: de Romeinen (anderen zien hierin de Joodse opstandelingen - de zeloten). De staart van de draak trok een derde van de sterren (de kinderen van Israël) met zich mee en wierp ze op aarde. Een beeld dat aangeeft dat een derde van Israël heulde met de Romeinen. Het is ook mogelijk om deze gebeurtenissen helemaal binnen de Joodse gemeenschap uit te leggen. Waarbij alles draait om de opstandige Joden (zeloten) met hun leiders. Hoe dan ook, de draak ging voor de vrouw staan, om het kind te verslinden, zodra het geboren werd. En zij baarde een zoon die “al de volken zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troon.” Dat is overduidelijk een beeld van Jezus; voortgekomen uit het Joodse volk en opgenomen in de hemel, naar God en Zijn troon. En de vrouw vluchtte de woestijn in, waar God een plaats voor haar bereid had. Denk aan Mattheüs 24:16, waar Jezus zijn volgelingen waarschuwt om te vluchten naar de bergen en zij vluchtten tijdens de oorlog inderdaad over de Jordaan de woestijn in, naar Pella.

Het was overigens helemaal niet logisch om bij een aanval weg te vluchten van een goed ommuurde stad. De eerste gedachte die de mensen in die tijd hadden als ze een leger zagen aankomen, is zichzelf terugtrekken in de sterk ommuurde vesting. Maar Jezus gebood hen precies het tegenovergestelde te doen. De mensen die deze opdracht gehoorzaamden werden gered en degenen die zich veilig waanden in de stad, kwamen om. Dat veel mensen toch in de stad bleven was de schuld van een zekere Jochanan ben Levi (ook wel Johannes van Giscala genoemd). Het zou onder normale omstandigheden een goede tactiek geweest zijn om je te verschansen in de stad en daar te teren op de voedselreserves die lagen opgeslagen voor noodgevallen, totdat het vijandige leger zou afdruipen. Echter, deze 'man van wetteloosheid' of 'man van zonde' zoals hij ook wel door Paulus genoemd werd (2 Thessalonicensen 2), verzamelde duizenden zeloten om zich heen, nam het tempelcomplex in en verbrandde de voedselreserves. Hij deed zich voor als een messias, maar gedroeg zich als een tiran. Paulus schreef in zijn brief aan de Thessalonicensen dat er iemand was die deze man nog in de weg stond. Dat was Ananus, de toenmalige hogepriester. Ananus kon vanwege zijn invloed nog enigszins de vrede met de Romeinen bewaren, maar toen Ananus uit de weg geruimd was, konden Ben Levi en de zeloten hun gang gaan. Vanaf dat moment was het hek van de dam. Vele historici geloven dat dit voor Jeruzalem het begin van het einde was. Ben Levi en zijn zeloten waren met hun opstand de belangrijkste aanstichters van de uiteindelijke vernietiging van Jeruzalem. We kunnen veel over deze gebeurtenissen lezen in 'De Joodse Oorlog' van Josephus, boek 4. Het beeld dat Openbaring voor ons schetst, van grote opschudding en 'een derde deel van de mensen' dat omkwam, is zeker niet overdreven. Zo bevestigt de geschiedenis de profetieën.

Veel volgelingen van Jezus gingen gelukkig wél de stad uit en Johannes voegt er nog aan toe dat God 'de vrouw' (de trouwe gelovigen) in de woestijn 1260 dagen zou voeden. Dat is dertig dagen korter dan de 1290 dagen in de profetie van Daniël, maar het hoeft natuurlijk niet zo te zijn dat de vluchtelingen tijdens het hele beleg in de bergen waren. Tevens noemt Johannes hier Michaël, die strijdt tegen de draak. Daniël heeft het ook over Michaël, wat de parallel met Daniël weer versterkt.

Het is opmerkelijk dat Johannes het vervolgens heeft over de grote draak, de oude slang, verstrooier (diabolos) en aanklager (satanas) genaamd, die de hele wereld (oikoumene - gemeenschap, samenleving) misleidt en samen met zijn afgezanten (angelos - engelen) op aarde geworpen werd. (Openbaring 12:9 - Hier ligt mogelijk een parallel met Lukas 10:18 waar Jezus zegt dat Hij de satan, dat is de 'tegenstander' de 'aanklager', als een bliksem uit de hemel zag vallen. Als het hier om dezelfde gebeurtenis gaat, kunnen we dit vers in Openbaring ook op grond daarvan synchroniseren met de tijd dat Jezus op aarde rondliep. Je zou kunnen zeggen dat er een geestelijke macht achter de kwaadaardige heersers van die tijd zat, die door hen heen achter de vrouw (Israël) en haar zoon (Jezus) aan zat: de eeuwenoude aanklager, de verstrooier, de vernietiger, die het altijd al gemunt had op het volk van God. Maar Michaël won! (Zowel in Openbaring als in Daniël zien we de 'vorst' , 'overste' of 'prins' Michaël verschijnen. Sommige commentatoren denken dat hiermee Jezus bedoeld wordt.) En de heerlijkheid, de kracht en het Koninkrijk kwam. Daar, in die tijd, was de overwinning in handen van de Ingewijde en de aanklager van Zijn broeders werd gevloerd (Openbaring 12:10). Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis. En zij hebben hun leven niet liefgehad tot in de dood (vers 11). In diezelfde tijd zou de verstrooier rondgaan in grote woede, 'wetende dat hij weinig tijd heeft' (vers 12). Opnieuw zegt Johannes dat de vrouw in veiligheid gebracht werd in de woestijn. Een 'tijd, tijden, en een halve tijd', drie en een half jaar dus.

Heel hoofdstuk 12 van Openbaring gaat duidelijk over diezelfde tijd van 3.5 jaar waar Daniël over sprak, waarin Gods volk veilig in de woestijn mocht verblijven. Dit zal voor sommigen een ware openbaring zijn. Dat was het voor mij in ieder geval wel.

Daniël heeft zeer gedetailleerde visioenen te zien gekregen en die zijn exact uitgekomen. Al kunnen we van mening verschillen over enkele details en de betrokken personen, de gebeurtenissen zijn overduidelijk met exacte tijdstippen en tijdsduur aangeduid. Al deze zaken hebben betrekking op de tumultueuze tijd van grote opschudding en ellende, maar ook van miraculeuze uitredding en voorzienigheid, in de laatste dagen van de Joodse tempel en de invloed van de wet.

Maar hoe zit het eigenlijk met dat mysterieuze wezen 'satan'? Wat was zijn rol in dit alles en wat zegt de Bijbel over de invloed van geestelijke wezens in de eindtijd?


Satan en engelen

Nergens zul je in de Bijbel het beeld vinden dat je krijgt wanneer je 'satan' intikt bij Google: een wezen met een rode kop, hoorns, enge ogen, een staart en bokkenpoten, tronend in de hel, met een drietand in zijn klauw. Het woord 'satan' komt met enige regelmaat in de Bijbel voor. Het is een Hebreeuws woord en betekent 'vijand', 'aanklager' of 'tegenstander'. Het woord komt in de Hebreeuwse teksten van het Oude Testament in de verschillende vormen 27 keer voor, waarvan 14 keer in Job, waar God hele gesprekken met 'de satan' heeft. In het Nieuwe Testament komt het woord 36 keer voor. Het wordt zowel in het algemeen voor 'tegenstander' gebruikt, alsook voor een personage met de naam Satan; die onder andere in Openbaring 12:9 en 20:2 zinnebeeldig wordt aangeduid met 'duivel', 'slang' en 'draak', waar wellicht het enge beeld vandaan komt. Het wezen is met name in het boek Openbaring de verpersoonlijking van het kwaad, de meedogenloze tegenstander, de wrede oppositiepartij. Maar in het Oude Testament was deze satan veel minder sinister.

De eerste keer dat 'satan' voorkomt in de Bijbel is in Nummeri 22:21,22:

Toen stond Bileam in de morgen op, zadelde zijn ezelin en hij trok heen met de vorsten van Moab. Doch de toorn van God werd ontstoken, omdat hij heentoog; en de Afgezant van Jahweh stelde Zich op in de weg, hem tot een tegenpartij; ...

Het woord 'tegenpartij' is het Hebreeuwse woord 'satan'. Dus de eerste keer dat dit woord in de Bijbel voorkomt is als beschrijving van de Afgezant van Jahweh (de 'Engel van de HEERE', zoals het in de Statenvertaling staat). Deze term wordt vaker gebruikt in de Bijbel, wanneer God rechtstreeks tot mensen spreekt. De Afgezant van Jahweh spreekt namens God.

In Nummeri 22:31 lezen we:

Toen zei de Afgezant van Jahweh tot hem: “Waarom hebt u uw ezelin nu driemaal geslagen? Kijk, Ik ben uitgegaan, u tot een tegenpartij, omdat deze weg van Mij afwijkt.

God zelf trad op als een 'satan'. Hij stond op tegen Bileam, omdat Hij het niet goed vond wat Bileam deed.

In 1 Koningen 11:14 lezen we:

Dus Jahweh wekte een tegenpartij op voor Salomo, Hadad, de Edomiet; hij was van het koninklijke geslacht in Edom.

Hier wordt in het Hebreeuws hetzelfde woord 'satan' gebruikt voor een man, genaamd Hadad, die door God wordt opgezet tegen Salomo (zie ook vers 25).

In Job zien we 'satan' 14 keer genoemd, maar altijd met het lidwoord 'de' ervoor (Hebreeuws: ha-satan), dus is het in dat boek geen eigennaam. Het moet daar dan ook vertaald worden met 'de tegenstander'. Hij vraagt God of hij Job moeilijkheden mag bezorgen, om hem te testen. Zolang alles goed gaat met Job is het makkelijk om God lief te hebben, maar als het moeilijker wordt, zal hij dan niet God vervloeken? En God staat toe dat deze tegenstander Job op de proef stelt, maar hij mag hem niet doden. Aan het einde van de beproeving, waarbij Job alles wat hem dierbaar is op aarde verliest, is Job echter niet van gedachten veranderd en hij prijst God nog steeds, ondanks alles. Hierna geeft God hem alles wat hij verloren had weer terug, zelfs het dubbele van wat hij daarvoor had. Het wonderlijke van dit verhaal is dat Job weliswaar God blijft eren, maar ook nergens de schuld aan 'de satan' geeft. Hij zegt zelfs “Jahweh heeft gegeven, Jahweh heeft genomen, gezegend zij de naam van Jahweh.” Wat velen zouden toeschrijven aan (de) satan, wordt door Job met eerbied aan God toegeschreven.

In het Bijbelboek Zacharia (3:1,2) zien we ook weer 'de satan' (met het lidwoord) die de hogepriester Jozua beschuldigt, maar God verdedigt Jozua. Hier heeft deze tegenstander iets in te brengen tegen een mens, maar zijn argumenten houden geen stand. God heeft een ander idee over deze man. Ook hier zien we weer dat deze 'tegenstander' nooit meer macht heeft dan God hem toestaat. Het lijkt erop dat het maar om één geestelijk wezen gaat, al krijgen we in het eerste boek van Henoch (hoofdstuk 69) een opsomming van 5 satans. Maar omdat velen dit boek niet officieel als onderdeel van de Bijbel accepteren, laten we dit even voor wat het is.

In het Nieuwe Testament wordt Satan wél vaker als één specifieke geest of entiteit gezien, vergelijkbaar met de 'antichrist', waarvan Johannes in zijn brieven zegt dat het een geest is die in mensen (de wereld) werkt. In het geval van 'de geest van de antichrist', zoals Johannes hem noemt, gaat het om mensen die geleid worden door een 'satanische' of 'duivelse' geest.

Johannes is overigens de enige Nieuwtestamentische schrijver die het woord 'antichristos' gebruikte. Het is een Grieks woord, dat 'tegen/tegenover de Ingewijde' of 'in plaats van de Ingewijde' betekent. Haast synoniem met de aard van 'satan'. Johannes gebruikt dit woord alleen in zijn brieven (1 Joh. 2:18, 2:22, 4:3 en 2 Joh. 1:7) en niet in het boek Openbaring, zoals soms wel gedacht wordt. Dat men dit denkt komt omdat deze 'antichrist' gelijk gesteld wordt met 'het beest' waarover Johannes wel spreekt in Openbaring. Johannes schreef dat zijn lezers gehoord hadden dat deze antichristos zou komen; dat er al vele antichristen waren opgestaan uit hun midden en dat ze daaraan konden zien dat zij leefden in het laatste uur. Hij zei dat deze mensen deel van hen hadden uitgemaakt maar dat ze er nooit echt bij hadden gehoord, anders zouden ze wel bij hen gebleven zijn. Hij maakte ook duidelijk dat deze antichristos een leugenachtige geest was, die ontkende dat Jezus “in het vlees gekomen” was en dat hij de Vader en de Zoon verloochende. Typische kenmerken van de zogenaamde 'gnostiek' in de eerste eeuw. Alles bij elkaar lijkt het mij duidelijk dat het om mensen uit die tijd ging en dat Johannes hun aanwezigheid zag als een aanwijzing dat het einde naderde. De veel verkondigde notie dat 'de antichrist' uit de brieven van Johannes een toekomstige dictatoriale wereldleider moet zijn, lijkt mij daarom niet juist.

Waar het woord 'satan' of 'duivel' staat hoeven we mijns inziens niet altijd aan één geestelijk wezen te denken. Het kan ook een rol zijn die iemand speelt in een situatie. Zo noemt Jezus Petrus 'satan' in Mattheüs 16:23, terwijl Hij hem even daarvoor had geprezen voor zijn inspirerende woorden. Het was niet Petrus die Satan in eigen persoon was, maar wat hij zei was een aanstoot voor Jezus. Een mens kan één moment geïnspireerd worden door goddelijke wijsheid en het volgende moment iets zeggen dat een ander tegenstaat, mogelijk geïnspireerd door een geestelijke macht. Petrus was dus niet ineens Satan, maar hooguit door hem beïnvloed, als er op dat moment al sprake was van een geestelijk personage dat Petrus iets influisterde.

In de context van Romeinen 16:17-20 spreekt Paulus over mensen die verdeeldheid zaaien en zegt hij direct daarop dat God binnenkort 'de satan' (met lidwoord) onder hun voeten zal verpletteren. Zou het kunnen zijn dat hier ook niet over een geestelijk wezen wordt gesproken, maar over mensen, al dan niet geïnspireerd door een (tijd)geest? Dan zouden we moeten lezen: 'de oppositie'.

In het Nieuwe Testament hebben vertalers veelal verkozen het woord 'satan' letterlijk over te nemen (al dan niet met hoofdletter) en niet het woord met 'tegenstander', 'oppositie' of 'aanklager' te vertalen. Mogelijk is deze keuze bepaald door het feit dat dit woord door de schrijvers zelf, vanuit het Hebreeuws, letterlijk is overgenomen in het Grieks. Dat is voor mij een reden om te geloven dat de Nieuwtestamentische schrijvers het woord als begrip gebruikten dat zij kenden uit hun geschriften en dat ze er zelf een bepaald beeld bij hadden.

Jezus noemt 'de satan' en 'Beëlzebul' in één adem in Mattheüs 12:26,27:

...indien de satan de satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan? En indien Ik door Beëlzebul de duivels uitwerp, door wie werpen uw zonen ze dan uit? Daarom zullen die uw rechters zijn.

Hier geeft Hij de overste van de demonische wereld specifiek de naam Beëlzebul (letterlijk: heer van de vliegen) en is 'satan' ook weer een algemene term. Het is niet zo dat ik hier de realiteit van een boosaardig geestelijk wezen ontken, maar dat we voorzichtig moeten zijn met termen als 'satan' en 'duivel'. Het zijn geen eigennamen, zoals Beëlzebul, maar vaak gaat het met name in het Nieuwe Testament wel degelijk om één of meer (geestelijke) tegenstanders.

Het woordgebruik is niet altijd zo ondubbelzinnig als het lijkt. In een aantal gevallen gaat het mogelijk om tegenstand van Joodse leiders, roddelaars, lasteraars, valse leraars, en dergelijke. Maar werden zij daarbij, net als door de geest van de 'antichrist', beïnvloed door iets geestelijks? Misschien door één of meerdere demonische wezens? Hoe maken we dat onderscheid? Alleen door goed naar de tekst te kijken, hun culturele context in de gaten te houden en niet te snel een conclusie te trekken. Het kan helpen om overal waar '(de) satan' staat, '(de) tegenstander' of 'tegenstanders' te lezen. En misschien is de ware aard van die tegenstander in sommige gevallen gewoon niet te achterhalen.

Zo is er ook het woord 'engel', dat van het Griekse woord 'angelos' komt en niets anders betekent dan 'boodschapper' of 'afgezant'. Het kan om een afgezant uit de geestelijke wereld gaan, maar het kan ook gewoon een mens zijn met een boodschap.

Het woord 'duivel' is in het Grieks het woord 'diabolos'. Dit komt van het Griekse woord 'ballo', 'gooien'. Het zou gezien kunnen worden als iemand die met woorden naar een ander gooit, lastert of kwaadspreekt. Dit woord komt in het Nieuwe Testament ongeveer net zo vaak voor als satan (38 keer) en wordt gebruikt als aanduiding voor hetzelfde geestelijke wezen of voor mensen die roddelen of lasteren. Ook daar waar 'duivel' staat, moeten we uit de context bepalen of het om een geestelijk persoon gaat of om een mens die kwaadspreekt. Over het algemeen kunnen we wel stellen dat de schrijvers van het Nieuwe Testament de overtuiging hadden dat roddelaars, lasteraars, kwaadsprekers, aanklagers en verleiders de geest van de satan, de duivel of de antichrist hadden. Uiteindelijk maakt het niet eens zoveel uit of het om mensen met een geestelijke gesteldheid ging, of dat het werkelijk een geestelijk wezen was dat hen inspireerde; we zien in Openbaring wat zijn (of hun) einddoel was. Maar daarover later meer.

Dan is er nog het Griekse woord 'poneros', dat is 'kwaadaardig' of 'slecht' en ook wel vertaald met 'de boze'. Dit woord en de afgeleiden ervan, zien we soms in verband met de woorden satan en duivel en bij boosaardige geesten, maar het is meer een algemeen woord om slechtheid of kwaadaardigheid uit te drukken.

Overigens heet de leider van boze geesten niet 'Lucifer', wat wel eens verondersteld wordt. Lucifer is een Latijns woord dat letterlijk 'lichtbrenger', 'lichtdrager' of 'morgenster' betekent. In de Bijbel wordt de duivel nergens Lucifer genoemd. We komen het tegen in de Latijnse vertaling van Jesaja 14:3-20, waar het gaat over de koning van Babylon. Hij had een hoge positie en veel aanzien als de 'morgenster', maar door zijn hoogmoed kwam hij ten val. Dit gedeelte wordt wel eens gezien als een beschrijving van Satan (de duivel). Dit is echter zeer discutabel en het Latijnse woord voor 'morgenster' gebruiken als naam voor de aanvoerder van boze geesten is dan ook zeer vergezocht. Daar komt nog bij dat in 2 Petrus 1:19 Jezus ook de 'Morgenster' genoemd wordt. Het zou tegenstrijdig zijn, zeker voor iemand als Petrus, die het boek Jesaja heel goed kende, om Jezus dezelfde bijnaam te geven als Satan.

Bij het lezen van alle teksten over (de) satan, duivel, slang, draak of 'boze' in het Nieuwe Testament krijg ik sterk de indruk dat er specifiek in die tijd en in die wereld een duivelse, demonische geest actief was die bij tijd en wijlen verschillende namen kreeg, zoals 'Beëlzebul' of 'Satan'. Zo geven wij mensen ook wel bijnamen die iets van hun karakter of uiterlijk weergeven, zoals 'Baas', 'Dolle', 'Kuifje', 'Lange Jan', enzovoort. Er was een specifieke tegenstander in de 'tijd van het einde', die overwonnen moest worden: Tegenstander, met een hoofdletter. Jezus noemde hem Beëlzebul, anderen noemden hem Duivel, de Boze, of Satan. Lees nu eens wat Paulus zegt in 2 Korinthiërs 4:4:

...in wie de god van deze eeuw het verstand verblind heeft, namelijk van de ongelovigen, opdat het licht van het Evangelie van de heerlijkheid van de Ingewijde, Die het Beeld van God is, hen niet zou beschijnen...

Blijkbaar was er specifiek in die eeuw (in dat tijdperk) een 'god' die mensen verblindde. We kunnen hier mijns inziens wel aannemen dat het om dezelfde 'tegenstander' gaat, de 'satan'. We kunnen hier ook Efeziërs 6:12 naast leggen:

Want wij hebben niet te strijden tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de autoriteiten, tegen de wereldheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.

Paulus zag in dat er heersers waren die specifiek bevochten moesten worden in die tijd, in hun duisternis. Vergelijk dit eens met Mattheüs 24:29:

En onmiddellijk na de verdrukking van die dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de machten van de hemelen zullen bewogen worden.

Zoals we eerder gezien hebben, zijn zon, maan en sterren beelden van heersende machten. Volgens Jezus zouden die vallen bij de vernietiging van Jeruzalem. Als dit dezelfde machten zijn waar Paulus over sprak (wat ik heel waarschijnlijk acht), dan waren die specifieke machten slechts in dat tijdperk actief en zouden ze vernietigd worden aan het einde van dat tijdperk.

Zie 1 Petrus 5:8:

Wees nuchter en waakzaam; want uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een briesende leeuw, zoekend wie hij kan verslinden;

Petrus bemoedigt zijn lezers hierna (in vers 10), dat de Ingewijde hen na een korte tijd van lijden zou versterken en bevestigen.

Openbaring 12:12:

... Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft.

De geestelijke macht waarmee zij van doen hadden, was nog maar een korte tijd toebedeeld. In vers 10 wordt hij de 'beschuldiger van de broeders' genoemd. Uit dergelijke teksten concludeer ik dat deze grimmige geest verbonden was met de wet en op basis daarvan de mensen voor het goddelijke gerecht kon dagen. Deze geest was het meest actief in de Joodse leiders, die heftig weerstand boden aan de verspreiding van het goede nieuws van de Ingewijde. De verkondigers van het nieuws werden door hen vaak ernstig vervolgd. En zoals we al eerder zagen, veroordeelde Jezus vooral deze mensen. Hij noemde ze adderengebroed (kinderen van slangen - Mattheüs 23:33) en in Johannes 8:44 beschuldigt hij hen er zelfs van de duivel als vader te hebben. Het waren juist deze mensen die er prat op gingen dat ze de wet zo goed kenden, maar ook fanatiek toezagen op de navolging ervan.

Satan zou tevens spoedig onder de voeten van de gelovigen komen, kijk maar eens naar Romeinen 16:20:

En de God van de vrede zal de satan binnenkort onder uw voeten verpletteren.

Openbaring 20:10:

En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.

Ik denk dat deze gebeurtenis plaatsvond tijdens de vernietiging van de tempel in Jeruzalem, het centrum van de vervolging van de ware gelovigen in die tijd. Toen 'hemel en aarde' verging en er een einde kwam aan de vernietigende macht van de wet. De enige reden dat deze satan de mensen kon aanklagen was de aanwezigheid van de wet. Maar toen de wet met alle attributen (in de tempel) voorbij ging, was er helemaal geen plaats meer voor de aanklager. Hij had al geen recht meer om mensen aan te klagen, omdat het bewijsstuk uitgewist was (Kolossenzen 2:14). Ik sluit niet uit dat er nog steeds demonische geesten zijn, maar de aanklager die verbonden was met de Joodse wet is niet meer.

Hoe zit dat eigenlijk met die 'poel van vuur en zwavel'? In de laatste verzen van Openbaring 20 zien we dat mensen werden geoordeeld op grond van wat er in de boeken stond; en dat zij die niet in het boek van leven stonden, in de 'poel van vuur' werden geworpen. Dus dat betekent dat de mensen die er wel in stonden, niet in dat vuur terecht kwamen. Wat betekent het om in die 'poel van vuur' terecht te komen?

Er zijn veel plaatsen in de Bijbel waar het woord 'vuur' voorkomt. Meestal is het in de zin van een oordeel, een beproeving of een loutering. We hebben gauw de neiging om het als iets negatiefs te zien, maar dat is denk ik niet nodig. God gebruikt vuur voornamelijk om iets verkeerds weg te branden, zodat het goede overblijft. Het is niet Gods bedoeling om domweg alles in dat vuur te laten vergaan. Het doel van vuur is loutering, heiliging, opruimen, ontdoen van dingen die geen stand houden. Als God en vuur in één zin voorkomen is het niet dat Hij er behagen in schept om mensen pijn te doen, al doet bijvoorbeeld het schoonmaken van een wond op zich wel even pijn, maar zoals het spreekwoord zegt: “zachte heelmeesters maken stinkende wonden”. Goed om dit in gedachten te houden wanneer je het woord 'vuur' in de Bijbel leest.

Vuur is een middel om te louteren; dat is een proces waarbij goud of zilver zuiver wordt gemaakt. Mensen worden gelouterd, gereinigd, en getest in vuur. Vuur vernietigt, maar in Bijbelse context alleen dat wat vernietigd móét worden. Dat wat door het vuur heen gaat, komt er aan de andere kant beter uit. Met uitzondering van dat wat door en door slecht is. Het woord 'vuur' komt 74 keer voor in het Nieuwe Testament, waarvan 26 keer in Openbaring. Het wordt gebruikt om een letterlijk vuur te beschrijven, zoals een kampvuur, of een stad die in brand staat, of die keer dat leerlingen van Jezus vuur uit de hemel wilden afroepen. Meestal wordt het echter in figuurlijke of geestelijke zin gebruikt, zoals 'het vuur van de Heilige Geest', een 'vuur dat loutert of beproeft' en in gelijkenissen waar vuur het nutteloze of slechte verbrandt. In Openbaring vinden we zowel vuur op aarde, in de vorm van brand waarin mensen omkomen, als vuur in figuurlijke zin of in de geestelijke wereld. Zo zien we een afgezant met voeten als vuurkolommen en een man op een wit paard met ogen als een vuurvlam. Het begrip 'poel van vuur', of letterlijk 'meer van vuur', komt 6 keer voor vanaf Openbaring 19, waar we het voor het eerst lezen. In Openbaring 19:20 worden 'het beest' en 'de valse profeet' in het meer geworpen dat brandt van vuur en zwavel.

De toevoeging 'zwavel' doet vermoeden dat het over een figuurlijk of geestelijk vuur gaat. Zwavel werd namelijk gebruikt door schrijvers in die tijd om zuivering en toetsing aan te duiden. In Openbaring 14:9-10 vinden we ook een verwijzing naar de combinatie 'vuur en zwavel', waarmee volgelingen van het beest 'gemarteld' of 'gepijnigd' worden. Dat is op zich een goede vertaling, maar volgens het woordenboek van Thayer geeft het woord dat daar gebruikt wordt in de eerste plaats 'testen' of 'beproeven' aan. Daarnaast kan het in figuurlijke zin ook gebruikt worden voor 'onder druk zetten' en 'martelen'. Dan zien we in Openbaring 20:10 dat de duivel (de aanklager) bij het beest en de valse profeet in het meer van vuur gegooid wordt, waar ze op dezelfde manier onder druk gezet worden. Daar wordt namelijk weer hetzelfde woord gebruikt als in hoofdstuk 14. De toevoeging is echter dat dit 'tot in tijden van tijden' of 'eeuwen van eeuwen' gebeurt, wat vertaald wordt met 'tot in eeuwigheid'. Daar hebben we mijns inziens van doen met iets geestelijks en het lijkt mij niet waarschijnlijk dat dit op mensen duidt die eeuwig branden in een letterlijk vuur, maar met het kwaad dat voor altijd en eeuwig vernietigd zal zijn.

In Openbaring 20:15 kwam ook iedereen die niet in het boek van leven stond, in het meer van vuur terecht. Zoals we gezien hebben, ging dat over mensen die niets van recht en gerechtigheid wilden weten. In dat boek staan was geen kwestie van willekeur of toeval. Alsof God kon zeggen: “Oeps, Ik ben er één vergeten in het boek te zetten”. Het boek van leven was een begrip voor de Joden. In Exodus 32:33 zien we al dat God zondaars (zij die zich niet aan de wet hielden) uit Zijn boek zou wissen. In Psalm 69:29 vraagt David aan God om zijn tegenstanders uit het boek van leven te halen. We kwamen het boek eerder ook al tegen in Daniël 12:1. En ook Maleachi 2:16 spreekt over een (gedenk)boek. Het bijhouden van een boek waar mensen in staan die goed hebben gedaan is dus een herkenbaar gegeven in de Bijbel. Tot slot wordt er in Openbaring 21:8 nog een rijtje wetteloze mensen genoemd. Hun plaats was ook in dat 'meer van vuur'. Het boek van leven was een bepalende factor voor deze eindbestemming en of men daar in stond was afhankelijk van het al of niet houden van de wet. Dit systeem is afgeschaft dus ik denk niet dat dit boek nog bestaat.

Er wordt wel de indruk gewekt dat het vuur er altijd zal zijn. Dit zegt mogelijk iets over de eeuwige noodzaak van een louterend vuur. Ik denk dat er in die zin wel iets te zeggen is voor het 'vagevuur', waar katholieken in geloven. Zonder de wet is er geen veroordeling meer en dat maakt het een vuur, waar mensen getoetst, gelouterd en beproefd worden, maar waar ze uiteindelijk volkomen gezuiverd uit zullen komen.

Dood en Hades (de plaats waar de doden zijn) werden ook in de poel van vuur geworpen. Dat is de tweede dood, lezen we in Openbaring 20:14. Daarmee komt er definitief een einde aan de dood, want wat in zijn geheel geen nut meer heeft (omdat Jezus de dood overwonnen heeft) zal volkomen vergaan in het vuur. Maar wat van eeuwigheidswaarde is, komt er ongeschonden en zelfs nog puurder uit dan het voorheen was (o.a. 1 Petrus 4:12 spreekt over die vuurproef waar je beter van wordt). Jezus zei tegen Zijn volgelingen dat wie op Hem vertrouwde zou leven, zelfs al zou hij lichamelijk sterven (Johannes 11:25). Het leven gaat door, omdat Hij een einde heeft gemaakt aan de dood. Ik zie ons lichaam als een tijdelijk vervoermiddel om ons te kunnen verplaatsen in deze wereld. Het lichaam leeft op zichzelf niet. Alle onderdelen bestaan uit dode materie, net als een auto, die 'leeft' pas als hij een berijder heeft.


Gelijkenissen en het Koninkrijk

De gelijkenissen (vergelijkingen) van Jezus hebben vaak iets met oordeel en de daaropvolgende komst van het Koninkrijk te maken. Het is niet de bedoeling om alle gelijkenissen hier helemaal te behandelen, maar ik wil wel enkelen ervan nader toelichten, die ons meer vertellen over de komst van het Koninkrijk. We kunnen veel leren van vergelijkingen, maar we moeten niet vergeten dat ze in eerste instantie door Jezus verteld werden aan de Joden van Zijn tijd. Ze hadden de sterke profetische lading vooral voor hen. Vanwege het sterk symbolische karakter van gelijkenissen worden ze vaak op van alles toegepast en wordt er waarschijnlijk veel meer in gelezen dan Jezus er ooit mee bedoeld heeft. Dus enige voorzichtigheid is geboden.

De leerlingen vroegen waarom Jezus sprak in gelijkenissen en in Mattheüs 13:11 vinden we Zijn antwoord: Hij zei dat de kennis (het begrijpen) van de geheimenissen van het Koninkrijk aan hen gegeven was. De gelijkenissen hadden te maken met het begrijpen en doorgronden van het Koninkrijk. De mensen die geen moeite deden om te doorgronden wat Jezus zei, zouden de betekenis missen, omdat ze het toch niet wilden begrijpen. Gelijkenissen vertellen iets in andere woorden. De woorden zijn beeldend bedoeld, spreekwoordelijk, figuurlijk of, met een mooi woord: allegorisch. En je moet enige moeite doen om ze te vatten. Vaak moet je ook iets weten over de tijd en context waarin ze verteld werden.

Jezus vertelde bijvoorbeeld een gelijkenis met een zaaier in de hoofdrol (Mattheüs 13:1-23). Het zaad is een beeld van de woorden die Jezus sprak, Hijzelf was de Zaaier en de akker waarop het zaad gezaaid werd, is een beeld van Israël. Israël werd door profeten op meerdere manieren voorgesteld, zoals een kudde schapen, een (ontrouwe) vrouw, een huis, dieren van het veld of een akker (Jeremia 12). Een akker en een zaaier waren een heel normaal 'straatbeeld' in die tijd. Tegenwoordig gebeurt in de landbouw alles met machines, en dat gaat allemaal heel precies en efficiënt, maar in die tijd ging er veel meer zaad verloren. In de gelijkenis viel er zaad op ondiepe, steenachtige bodem - een beeld van de mensen die Zijn woorden wel hoorden, maar het deed ze niets en ze lieten het wegpikken door 'vogels' (mensen die hen aan het twijfelen brachten). Er was ook zaad dat op rotsen viel - een beeld van mensen die keihard en onverschillig waren en de woorden gelijk weer vergaten. Het woord kon geen wortel schieten en ging verloren. Er viel zaad tussen het onkruid - een beeld van mensen die de woorden wel hoorden, maar zich lieten beïnvloeden door zorgen of rijkdommen. En dan was er zaad dat in goede bodem viel. Daar droeg het vrucht en kwam het tot zijn recht. Kortom, Jezus wist dat niet iedere toehoorder Zijn woorden ter harte zouden nemen.

In Mattheüs 13:24-30 vertelt Jezus dat het Koninkrijk lijkt op een man die goed zaad had ingezaaid, maar dat er een vijand kwam die onkruid tussen het goede zaad zaaide. De man die het goede zaad gezaaid had, besloot het samen met het onkruid te laten opgroeien en beide gewassen na de oogst te scheiden. Het onkruid zou worden verbrand en de tarwe zou worden bijeengebracht in zijn schuur. Dit thema van groeien en bijeenbrengen zien we vaker terugkomen. Het gaat over het einde van het tijdperk van de wet en het begin van het Koninkrijk van God, dat klein zou beginnen en heel groot zou worden totdat het alles zou vervullen, zoals we zien in de gelijkenissen van het mosterdzaadje dat uiteindelijk een grote boom werd en het zuurdesem dat het hele deeg verzuurde in de verzen 31-33.

We zien in veel vertalingen het begrip 'einde van de wereld' terugkomen. Zoals we reeds zagen is dit niet altijd de meest begrijpelijke of fortuinlijke vertaling. Dat zien we goed wanneer Jezus de gelijkenis van het goede zaad en het onkruid uitlegt in Mattheüs 13:37-43. De oogst noemt hij daar letterlijk uit het Grieks vertaald: “de voltooiing van het tijdperk” (het begrip 'sunteleias tou aiónos', waar ik al eerder over schreef). De slechte mensen zouden in een 'vurige oven' terecht komen. Dit wordt enkele verzen later herhaald in de gelijkenis van het net. In dat net kwamen allerlei vissen terecht, goede en slechte. De slechte vissen werden weggegooid en in vers 50 zien we dat Jezus dit weer vergelijkt met de vurige oven waarin de onrechtvaardigen worden verbrand. Echter, het mooie is dat de 'rechtvaardigen zullen stralen als de zon', waarmee Jezus de woorden van Daniël 12:3 aanhaalt. Zo is er een direct verband te leggen tussen deze 'oogst' bij de voltooiing van het tijdperk en de 'opstanding van de doden'. Het laatste oordeel, de 3.5 jaar verdrukking worden vergeleken met een 'vurige oven' waarin de tegenstanders worden verbrand. Maar de rechtvaardigen zullen stralen als de zon in het nooit eindigende Koninkrijk van God, want volgens Daniël 2:44 zal het Koninkrijk van God in 'de eeuwigheden' (of 'tijdperken') bestaan. In Lukas 1:33 zegt de afgezant ook tegen Maria dat het Koninkrijk van haar Zoon geen einde zal kennen. De profetische lading van de gelijkenissen wordt meteen duidelijk, wanneer we zien dat Jezus beelden gebruikte uit profetieën die zijn toehoorders goed kenden. Maar ze zouden het alleen begrijpen als ze goed wilden luisteren en de diepere betekenis wilden doorgronden. Een goede kennis van de context is dus belangrijk.

Een interessant gedeelte in dit verband is Lukas 20:27-38, waar we zien dat Joodse leiders bij Jezus komen. Het waren Sadduceeën. Zij geloofden niet in de opstanding en wilden zien of ze Jezus klem konden zetten door Hem te vragen wie er bij de opstanding met een zekere vrouw getrouwd zou zijn, als zij daarvoor achtereenvolgens met 7 broers getrouwd was geweest die één voor één overleden waren. Het was volgens de Joodse wet voor de mannen namelijk verplicht om met de vrouw van hun broer te trouwen, mocht hij overlijden. Zo werd ervoor gezorgd dat de vrouw niet kinderloos zou blijven en dat ze er niet alleen voor zou staan als ze al kinderen had. De broer van haar overleden man was daarvoor verantwoordelijk. Zo werd tevens het voortbestaan van de familienaam gewaarborgd en de erfenis van de kinderen veilig gesteld, maar vooral ook het voortbestaan van het volk, de kinderen van God. De Sadduceeën dachten Jezus beet te hebben, want ja, als iedereen uit de dood zou opstaan was die vrouw met 7 mannen getrouwd; en dat mocht natuurlijk niet.

In vers 34-38 geeft Jezus ze een treffend antwoord, waarbij Hij de kern van de zaak aanpakt:

...De kinderen van dit tijdperk trouwen, en worden ten huwelijk gegeven; maar zij die waardig zullen worden bevonden om het komende tijdperk te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden; want zij kunnen niet meer sterven, omdat zij aan de afgezanten gelijk zijn; en zij zijn kinderen van God, omdat zij kinderen van de opstanding zijn. En dat de doden opgewekt worden, gaf Mozes aan bij de doornstruik, toen hij de Heer de God van Abraham, Izaäk en Jakob noemde. God nu is niet een God van doden, maar van levenden; want voor Hem leven zij allen.

Wederom zien we Jezus bevestigen dat er een tijdperk zou komen waarin mensen niet dood zijn maar leven, zelfs al zijn ze lichamelijk gestorven. Ze zouden opstaan uit de doden en kinderen van God worden. Ze werden dus geen kinderen van God (en daarmee deel van het koninkrijk van God) door te trouwen met leden van het volk van God (of met de broer van een overleden man). Ze werden deel van het nieuwe tijdperk door de opstanding uit de dood. Ze waren net als de afgezanten (in dit geval engelen, dienende geesten), deel van de geestelijke wereld van het Koninkrijk van Jezus.

Sommigen denken bij het lezen van dit gedeelte uit Lukas, dat we volgens Jezus in de hemel niet meer getrouwd zullen zijn, maar daar gaat het niet over. Deze tekst geeft op zich geen aanleiding om te geloven dat er in de hemel geen huwelijken meer zijn. Jezus heeft het hier namelijk niet over de hemel, maar over het geestelijke Koninkrijk dat komen zou. De Sadduceeën werden hiermee op hun nummer gezet, want zij veronderstelden dat het Koninkrijk zichtbaar gevestigd zou worden op aarde, met fysiek uit de dood opgewekte mensen. Jezus gaf ze een heel ander beeld van Zijn Koninkrijk. Mensen zouden worden als geestelijke wezens. Zelfs al zijn ze nog in een lichaam, ze zijn in de geest al bij God. Het lichaam kan sterven, maar de geest leeft en blijft voortbestaan.

Je zou kunnen samenvatten waardoor het Koninkrijk van God in ieder geval niet wordt bepaald:

- Niet door wat mensen wel of niet (mogen) eten of drinken (Romeinen 14:17).

- Niet door het houden van voedselwetten, feesten, nieuwe maan en sabbat, want dat waren schaduwen van wat spoedig zou komen (Kolossenzen 2:16-17).

- Het Koninkrijk is niet zichtbaar of tastbaar, het is daar waar mensen samenzijn, in hun midden (Lukas 17:20-21).

- Het heeft ook geen koning die hier op aarde rondloopt. God was zelfs zeer ontstemd toen Zijn volk vroeg om een zichtbare, tastbare koning (1 Samuël 8:6-7); en ook Jezus wilde zichzelf geen koning laten maken, zolang Hij nog op aarde was (Johannes 6:15).

- Het Koninkrijk breidt niet uit door oorlogvoering of geweld (Zacharia 4:6), al hebben sommigen in de geschiedenis dit schijnbaar wel gedacht.

- En het wordt ook niet overgedragen via een bloedlijn, zoals we hierboven zagen, door met iemand te trouwen (Lukas 20:27-38).

De joden waren continu bezig met uiterlijkheden. Jezus wilde ze daar helemaal vanaf hebben. Het Koninkrijk heeft geen uiterlijke, maar innerlijke kenmerken zoals liefde, trouw, rechtvaardigheid, vrede en vreugde. Het is onzichtbaar en ontastbaar, maar kan wel ervaren worden waar mensen samenkomen. Het heeft God als Koning een hemelse stad en een geestelijke tempel. Er is geen geweld en geen rivaliteit. Niemand hoeft een plaats te verdienen, iedereen is welkom.

De aansprakelijkheid van de joodse leiders

Jezus sprak in Mattheüs 21:33-43 over een wijngaard die verhuurd werd aan pachters. Dat was een beeld van Zijn volk Israël. God had het volk in handen van leiders gegeven. Hij stuurde dienstknechten om de rente in ontvangst te nemen, maar die werden één voor één slecht behandeld en weggestuurd. Dat waren de profeten waarover Jezus sprak toen Hij Jeruzalem beklaagde. Uiteindelijk zond de landeigenaar zijn zoon (een beeld van Jezus zelf), maar die werd door hen gedood. De gelijkenis kon haast niet duidelijker. Maar toch leek het of de omstanders het niet door hadden, want toen hen gevraagd werd wat de landeigenaar met die pachters zou doen, zeiden ze dat hij deze afschuwelijke mensen tot een afschuwelijk einde zou brengen. Jezus gaf hen daarop te kennen dat het Koninkrijk van hen zou worden afgenomen en gegeven zou worden aan een volk dat wél de vruchten ervan zou dragen. Hij vergeleek zichzelf (in vers 42) met een steen die door de bouwlieden was afgewezen, maar een hoeksteen werd (verwijzend naar Psalm 118:22). Petrus en Johannes hielden dit de Joodse raad nog eens voor (zie Handelingen 4:11) en in 1 Petrus 2:6 zien we dat dit om een profetie gaat die we vinden in Jesaja 28. Het is hoofdzakelijk een profetie met oordeel , maar een interessante zin is vers 5, waar staat dat God een glorieuze kroon zou zijn voor het restant van Zijn volk. Dat er een restant van Israël puur blijft, zien we ook weer terug in Openbaring hoofdstukken 7 en 14, in de vorm van een symbolische 12.000 uit elke stam van Israël (totaal 144.000), die wel trouw zijn gebleven. Dus ondanks de afwijzing zou er een restant van het volk overblijven; Israëlieten die de Steen wél zouden accepteren. Hoe groot deze groep werkelijk was, kunnen we niet bepalen (Johannes noemt het een grote menigte, die niemand tellen kan). Het getal 144.000 is een vermenigvuldiging van 12x12x1000 en dat heeft duidelijk de symbolische betekenis van 'heel veel', maar wel beperkt tot de betekenis van de getallen (12 stammen, 12 zendelingen en 1000 als symbool van 'veel')

In Mattheüs 22:1-14 (vergelijkbaar met de gelijkenis in Lukas 14:15-24) vinden we een Koninkrijk-gelijkenis waarin een koning een bruiloftsfeest voor zijn zoon voorbereidde. Hij zond dienaren uit om de uitgenodigde mensen op te halen, maar ze wilden niet komen. Ze behandelden de dienaren slecht en sommigen van hen werden zelfs gedood. Het is duidelijk dat Jezus hiermee weer zijn volksgenoten bedoelde, die de profeten hadden mishandeld en gedood. Hij hield met name de leiders verantwoordelijk. En in vers 7 vinden we de opmerkelijke woorden:

Toen de koning dat hoorde, werd hij boos, zond zijn legers, vernietigde de moordenaars en stak hun stad in brand.

Is dat niet precies wat er gebeurde in het jaar 70?

Vervolgens werd de uitnodiging naar iedereen gestuurd, niet alleen de genodigden. Vanaf dat moment was iedereen welkom in het Koninkrijk. We kunnen hierdoor wederom met zekerheid vaststellen dat Jezus het Koninkrijk kwam vestigen in de tijd dat de stad van de moordenaars in brand gestoken werd, zoals Hij voorspelde. En Hij zou een nieuwe stad bouwen, met een nieuwe tempel, waarvan Hij de hoeksteen zou zijn.


Onverschilligheid

De gelijkenis van de dwaze en de wijze maagden lijkt te zeggen dat je maar een beetje vergeetachtig hoeft te zijn en je bent al niet meer welkom. Die gelijkenis vinden we in Mattheüs 25:1-13. Tien bruidsmeisjes gingen de bruidegom tegemoet. Dat was een van de Joodse huwelijksrituelen. Het werd donker en de bruidegom bleef langer weg dan verwacht. Vijf van hen hadden genoeg olie voor hun lampen om de nacht door te komen, maar de andere vijf hadden niet genoeg. Toen de bruidegom rond middernacht werd aangekondigd, gingen de lampen van de vijf dwaze meisjes uit. Ze moesten alsnog olie gaan halen en kwamen daardoor te laat op het bruiloftsfeest, alwaar ze door de bruidegom geweerd werden met de woorden: “Ik ken jullie niet”.

Dat lijkt wel heel bruut, maar waar we altijd goed op moeten letten is dat Jezus deze dingen niet tegen óns zei. Hij sprak tegen de Joden die om hem heen stonden. Ten tweede maakt deze gelijkenis deel uit van een serie verhalen die Jezus vertelde naar aanleiding van de vraag van Zijn leerlingen: wanneer komt dat einde en waar moeten we op letten? Dit was één van de belangrijkste dingen: waakzaamheid! Ze moesten olie in hun lampen hebben. Als ze niet zouden opletten, zou het moment van de komst van de bruidegom hen overvallen. De 'dwaze meisjes' (de niet-waakzame Joden) waren onverschillig en kenden de bruidegom niet, zo blijkt uit de laatste woorden van deze gelijkenis. Daardoor misten ze het cruciale moment. De oplettende en waakzame Joden konden wel naar binnen. Zij hadden wel goed opgelet en geluisterd naar de instructies. Verder proberen veel mensen details uit deze gelijkenis toe te passen op vandaag. Dat kun je proberen, maar Jezus gebruikte het voorbeeld om iets duidelijk te maken. Meestal was dat per gelijkenis maar één ding. Je moet niet proberen er allerlei lessen uit te halen die er niet in staan.

We zien hetzelfde thema van onverschilligheid weer terugkomen in de volgende gelijkenis, in Mattheüs 25:14-30. Drie werknemers kregen geld om iets mee te doen terwijl hun baas op reis was. Eén van de drie kreeg veel minder dan de andere twee en vond dat niet eerlijk. Afgunstig begroef hij het geld en deed er niets mee. Bij de terugkomst van zijn baas gaf hij het geld gewoon weer terug, met een paar schampere opmerkingen over het karakter van zijn baas. Dat was de houding van veel Joden die Jezus voor zich had en op deze manier wilde Hij ze laten nadenken. Degenen die het wilden horen, zouden het begrijpen. Natuurlijk kunnen wij er ook van leren en is de waarschuwing tegen onverschilligheid universeel. Dus we kunnen dit zeker ter harte nemen. Maar laten we niet vergeten dat Jezus in de eerste plaats het welzijn van zijn volksgenoten voor ogen had.

Als laatste in deze specifieke serie gebruikte Jezus het voorbeeld van het scheiden van de 'schapen en de bokken'. De zachtmoedige, gehoorzame, oplettende toehoorders en de bokkige, ongehoorzame, onverschillige mensen (Mattheüs 25:31-46). Het centrale thema was weer: onverschilligheid. Daar tegenover stonden zij die de woorden van Jezus wél serieus namen en Zijn komst en het Koninkrijk actief verwachtten. Die zouden de armen voeden en zieken en gevangenen bezoeken. Jezus zei dat alles wat ze voor 'de minsten' zouden doen, eigenlijk voor Hem deden. En als ze niet voor armen, asielzoekers, zieken en gevangenen zouden zorgen, Hij het zou zien alsof ze Hém negeerden.

Trouw en barmhartigheid, dat waren dingen die bij het Koninkrijk hoorden en uiteraard zijn dat dingen die er nog steeds bij horen. Ik krijg wanneer ik over deze dingen spreek namelijk wel eens de tegenwerping: “maar wat blijft er dan voor óns over, als alles al in de eerste eeuw gebeurd is?” Nou, wat er voor ons overblijft is geen overblijfsel, maar juist álles wat God altijd al wilde geven. En daarmee is Hij nog lang niet klaar. Dit zal ik later verder toelichten.

Nog een belangrijke gelijkenis die betrekking had op het komende Koninkrijk vinden we in Lukas 13:6-9. Het gaat om een vijgenboom die geen vrucht draagt. De vijgenboom was van oudsher een beeld van Israël, dus de toehoorders wisten waar het over ging. De boom had drie jaar geen vrucht gedragen en moest maar omgehakt worden, maar de tuinier vroeg om uitstel. Hij zou de boom nog een jaar goed verzorgen en als hij dan nog geen vrucht zou dragen zou de boom worden omgehakt. Hieruit blijkt dat God genadig is, maar we zien ook weer dat er een grens is. Het houdt een keer op. En het volk kreeg niet slechts één jaar, maar wel 40 jaar de tijd om zich te bekeren.


De terugkeer van de Koning

Naast het terugkerende thema van de onverschilligheid, zien we ook het thema van de heer, landeigenaar of koning die een poosje weggaat. Zo ook in Lukas 19:11-17. Hier zien we een man van hoge afkomst die naar een ver land trok om koninklijke waardigheid in ontvangst te nemen. Jezus vertelde deze gelijkenis, omdat de Joden verwachtten dat Hij op het punt stond Zijn Koninkrijk te vestigen. Maar om ze een teleurstelling te besparen, liet Hij regelmatig weten dat de komst van het Koninkrijk anders in vervulling zou gaan dan ze dachten. Een belangrijk aspect was dat ze waakzaam moesten zijn omdat Hij zou komen als 'een dief in de nacht' en 'plotseling'. Hij zei dat het in hun generatie zou zijn en dat sommigen die daar stonden niet zouden sterven voordat het zou gebeuren (dit heb ik al eerder behandeld). Maar ze moesten er ook rekening mee houden dat het wel eens langer zou kunnen duren dan ze dachten.

Het was in die tijd geen vreemde zaak dat een troonopvolger eerst naar Rome afreisde om de bevoegdheid te ontvangen van de keizer. Dat beeld gebruikte Jezus toen Hij sprak over het naar de hemel gaan en weer terugkomen als Koning in Zijn Koninkrijk. In de gelijkenis van de edelgeboren man (die erg veel lijkt op de gelijkenis in Mattheüs 25:14-30, waar drie werknemers het geld van hun meester mochten beheren) laat Hij tien dienaren achter die er vervolgens ook een potje van maken. Zij lieten zelfs duidelijk weten dat ze hun heer niet terug hoefden. Ze wilden niet dat hij koning over hen werd. De strekking van de gelijkenis is verder helemaal hetzelfde, maar de accenten liggen iets anders. Hier zien we de houding van de mensen die Jezus zou achterlaten. Sommigen zouden goed hun best doen en Hem oprecht terugverwachten, anderen zouden dat niet doen en zelfs openlijk te kennen geven dat ze Hem liever niet als Koning wilden zien terugkomen. Helaas liep het ook voor hen niet best af. Ze moesten het met de dood bekopen. Wederom een ernstige waarschuwing voor Zijn toehoorders. Jezus wist dat er velen zouden zijn die Hem niet zouden accepteren en een aantal verzen verderop (42-44) zien we dan ook dat Hij het volgende uitroept, wanneer Hij uitkijkt over Jeruzalem:

Ach, als u toch zou erkennen dat deze dag tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een barricade rondom u zullen opwerpen, ze zullen u omsingelen en u van alle zijden in het nauw drijven; ze zullen u met de grond gelijk maken, en uw kinderen in u; en zij zullen in u niet één steen op de anderen steen laten; omdat u de tijd van uw bezoeking niet erkend hebt.

Dat was een hoofdthema van veel gelijkenissen die Jezus vertelde. Ze erkenden Hem niet. Ze wilden Hem niet als Koning. Het gevolg zou zijn dat er vijanden zouden komen. Legers zouden Jeruzalem omsingelen en er zou niets overblijven van die glorieuze stad. Om Zijn woorden kracht bij te zetten, zo verhaalt Lukas verder, ging Hij de tempel in en begon de mensen die daar handel bedreven eruit te jagen, met een schreeuw uit het diepst van Zijn hart waarmee alle boosheid en teleurstelling in één emotionele uitbarsting naar boven kwam: “Dit is een huis van gebed! En jullie hebben er een rovershol van gemaakt!”

Een gelijkenis van eigenlijk maar 1 woord. De tempel was een 'rovershol' geworden. Maar daarmee was wel alles gezegd.

Jezus was zo gepassioneerd omdat Hij wist wat er zou gaan gebeuren. Hij moet hier ongetwijfeld gedacht hebben aan de tijd dat de tempel steen voor steen afgebroken zou worden en dat daarbij veel mensen zouden omkomen. (De gruwelijke details vinden we in de boeken van Flavius Josephus, De Joodse Oorlog, boek 5 en 6.)


De maat is een keer vol

Je zou kunnen zeggen dat Openbaring 16 een uitwerking is van de aangekondigde wraak op die slechte en onverschillige onderdanen waar Jezus over sprak in Zijn gelijkenissen. Het wordt ook wel “De schalen van Gods toorn” genoemd. Het Griekse woord 'thumou' betekent woede, withete, briesende boosheid. Een soort woede die alleen bestaat wanneer het uiterste punt bereikt is, wanneer de maat vol is en je jezelf niet meer kunt inhouden. Er moet actie ondernomen worden. Zoals Jezus meerdere keren in de gelijkenissen laat zien dat het doden van zendelingen, profeten en uiteindelijk de Zoon een keer gewroken moest worden.

Het woord voor 'schaal' (Grieks: fialé) komt alleen in Openbaring voor. Het wordt 12 keer gebruikt, waarvan 8 keer in hoofdstuk 16. De schalen worden voor het eerst geïntroduceerd in Openbaring 5:8

En toen Het [Lam] dat boek genomen had, vielen de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten voor het Lam neer. Ze hadden harpen en gouden schalen, vol reukwerk. Dat zijn de gebeden van de heiligen.

Deze gebeden worden nogmaals genoemd in Openbaring 8:1-5, samen met het beeld van reukwerk dat ook direct te maken heeft met gebeden van de heiligen:

En toen Het [Lam] het zevende zegel geopend had, werd het stil in de hemel, ongeveer een half uur. En ik zag de zeven afgezanten, die voor God stonden; en hun werden zeven bazuinen gegeven. En er kwam een andere afgezant, die bij het altaar ging staan. Hij had een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerk gegeven, opdat hij het met de gebeden van alle heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon staat. En de rook van het reukwerk, met de gebeden van de heiligen, ging op van de hand van de afgezant voor God. En de afgezant nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur van het altaar, en wierp het op de aarde; en er kwamen geluiden, donderslagen, bliksems en een aardbeving.

De rest van dat hoofdstuk belicht de verschillende vormen van oordeel die over het land zouden komen als gevolg van die gebeden. Die 'gebeden van de heiligen' in combinatie met dat altaar, noemde Johannes al eerder in Openbaring 6:9, waar duidelijk wordt wie deze gebeden voor de troon brachten:

En toen Het [Lam] het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen van hen, die gedood waren om het Woord van God, en om het getuigenis dat zij hadden. En zij riepen met luide stem: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet bij hen die op de aarde wonen? En aan een ieder werd lange witte klederen gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een korte tijd rusten zouden, totdat ook het getal van hun mededienstknechten en hun broeders vol zou zijn, die gedood zouden worden, zoals zij.

Zie je de sterke overeenkomst met de wraak die Jezus aankondigde over hen die het bloed van de profeten en zendelingen aan hun handen hadden? Wederom wordt gezegd dat het nog een korte tijd zou duren, totdat de maat helemaal vol zou zijn. De martelaren onder het altaar moesten nog een korte tijd wachten. We zien hier ook een overbekend spanningsveld. Wij denken vaak dat God maar snel moet reageren, want wij vinden het wel welletjes. Maar God is geduldig en genadig, totdat in Zijn ogen de slechte mensen genoeg gewaarschuwd zijn, ze genoeg de kans hebben gehad om zich te bekeren.

En dan, in Openbaring 16 is het zover: de gebeden worden verhoord. De schalen vol met reukwerk worden uitgegoten over het land. De slechte dienaren, de onverschillige, kwaadaardige en moordlustige landeigenaren worden gestraft. De Koning stuurt zijn legers en maakt een einde aan hun bewind.

Opmerkelijk is hier dat de schalen een sterke gelijkenis vertonen met de plagen die over Egypte kwamen! We lezen in Openbaring 11:8 over de grote stad, "die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook onze Heer gekruisigd is." Dat is Jeruzalem. Het is duidelijk dat Johannes hier schrijft over het oordeel over Jeruzalem, de stad die geestelijk gelijk is geworden aan Egypte en daarom ook de 'exodusplagen' van Egypte over zich heen krijgt.

Als we opmerkzaam lezen, zien we dat bij de voorafgaande bazuinen het oordeel slechts gedeeltelijk is. Bij de bazuinen wordt slechts een derde deel van het land getroffen, maar bij het uitgieten van de schalen is het oordeel volkomen. Het hele land wordt getroffen. Dat was het effect van het gebed van de heiligen onder het altaar.

Aan het einde van hoofdstuk 16 wordt nog eens door Jezus benadrukt dat Zijn mensen moeten opletten, want Hij komt 'als een dief in de nacht', waar Hij ook tijdens zijn bediening op aarde voor waarschuwde (o.a. Mattheüs 24:43). De legers worden genoemd, waarin we wederom de waarschuwing van Jezus terugzien dat ze moesten vluchten als ze de legers zouden zien aankomen (de gruwel die verwoesting brengt). En dan is het voorbij. We zien dat de grote stad, Jeruzalem, hier Babylon genoemd, in drie stukken uiteen viel en bekogeld werd met de eerder besproken hagelstenen van 1 talent; de stenen waarmee de Romeinen Jeruzalem bekogelden in het jaar 70. Kortom, in Openbaring 16 zien we de vervulling van de waarschuwing van Jezus: dat het moordlustige Jeruzalem op een gruwelijke wijze aan haar einde zou komen. En dat was in het jaar 70.

Maar, zul je zeggen, het lijkt in Openbaring 16 wel alsof de hele wereld eraan gaat. Laten we eens kijken naar het begrip 'hemel en aarde'.


Hemel en aarde, boven en beneden

In het begin schiep God de hemelen en de aarde.

Zo lezen we in Genesis 1:1. Al het zichtbare en (voor ons) onzichtbare werd door God gemaakt. Daar begint de Bijbel mee. Aan het einde van de Bijbel zien we hemel en aarde weer terugkomen, maar nu in een andere context. Kijk maar eens hoe het daar gebruikt wordt (Openbaring 21:1):

En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. En de zee is niet meer.

Eigenlijk een vreemde uitspraak. Er staat niet 'de zee was niet meer', maar 'de zee is niet meer' (dat zijn de letterlijke woorden in het Grieks). Dit wordt gevolgd door:

En ik zag de heilige stad, Jeruzalem, uit de hemel neerkomen, van God, als een bruid, voorbereid en versierd voor haar man.

Een stad uit de hemel, als een bruid. Dit komt over als een allegorie en doet denken aan de tekst uit Hebreeën 12:22:

Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden afgezanten;

In Openbaring komt deze stad naar de aarde toe. Waarom wordt in Openbaring zo specifiek gezegd dat er geen zee meer is? De zee is in in de Bijbel vaak een beeld van de volken. Als de zee zinnebeeldig bedoeld is, misschien worden 'hemel en aarde' hier dan ook wel in figuurlijke zin gebruikt. Het ligt wel in de lijn der verwachting omdat de meeste beschrijvingen in Openbaring allegorisch en zinnebeeldig zijn. Als 'hemel en aarde' in één adem genoemd worden met 'zee' (volken), dan is het contrast 'nieuwe hemel en aarde, zonder zee' wellicht een verwijzing naar het hemelse Koninkrijk met de hemelse stad. De geestelijke stad van God die op aarde is neergedaald onder de mensen van God, waar de 'volken' (die leven zonder God) niet zijn.

Hoe moeten we nu 'het voorbijgaan van hemel en aarde' zien? Laten we eens naar enkele teksten kijken:

Jesaja 13:13:

Daarom zal Ik de hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van haar plaats, vanwege de verbolgenheid van de Heer van hemelse legers, en vanwege de dag van Zijn verhitte boosheid.

Het van haar plaats bewegen van hemel en aarde had in die context te maken met de vernietiging van Babylon door de Meden. Hemel en aarde zelf bleven gewoon zoals ze waren. Vergelijkbaar met onze uitdrukking “hemel en aarde bewegen” om iets voor elkaar te krijgen.

Jesaja 34:4:

En alle sterren van de hemelen zullen vergaan, en de hemelen zullen opgerold worden, als een boek, en alle sterren zullen vallen, zoals een blad van de wijnstok afvalt, en zoals een vijg afvalt van de vijgenboom.

Dit is een aankondiging dat Edom zal worden vernietigd door een leger. Echter, de sterren bleven gewoon waar ze waren en er gebeurde niets met de nachtelijke hemelkoepel.

Nahum 1:5:

De bergen beven voor Hem, en de heuvels versmelten; en de aarde richt zich op voor Zijn aangezicht, en de wereld, en allen, die daarin wonen.

Dit gaat over de stad Ninevé die zou worden vernietigd door een leger. De heuvels bleven echter gewoon in hun vaste toestand bestaan. Bergen bleven stilstaan en de aarde ging niet rechtop staan.

Het was in die tijd heel normaal om beeldspraak te gebruiken. Het zou ons als Nederlanders niet moeten verbazen met al onze spreekwoorden en gezegden.

Zo zien we dat 'hemel en aarde' soms ook de mensen en hemelse wezens lijken te vertegenwoordigen die erin en erop leven. Zoals in Jesaja 44:23:

Zing vrolijk, hemel, want Jahweh heeft het gedaan! Juich, diepten van de aarde! Breek uit, bergen, in gejuich, bossen en elke boom daarin! Want Jahweh heeft Jakob verlost en Zich verheerlijkt in Israël

Ook dat woordgebruik komen we op vele plaatsen in de Bijbel tegen. Vergelijk Jeremia 51:48, waar 'al wat daarin is' wordt toegevoegd, wanneer zij juichen over de ondergang van hun vijand:

Hemel en aarde en al wat daarin is, zullen juichen over Babel, want vanuit het noorden zullen de verwoesters eropaf komen, spreekt Jahweh.

Ook in de psalmen komen we hemel en aarde regelmatig in poëtische vorm tegen. Bijvoorbeeld in Psalm 96:10-11:

Zeg onder de volken: Jahweh regeert; ja, vast staat de wereld, ze zal niet wankelen; Hij zal over de volken rechtspreken. Laat de hemel zich verblijden en de aarde zich verheugen, laat de zee bulderen met al wat ze bevat.

Het is duidelijk dat het voor de mensen uit die tijd niet vreemd was om de term 'hemel en aarde' in een metaforische of dichterlijke context te begrijpen en te gebruiken. Hemel en aarde werden in profetische taal ook vaak gebruikt als beelden van machten en autoriteiten, mensen die boven anderen staan en land bezitten. Zoals in Jesaja 51:16:

Ik heb mijn woorden in uw mond gelegd en met de schaduw van mijn hand heb ik u bedekt, Ik die de hemel plant en de aarde grondvest en tot Sion zegt: U bent mijn volk.

Hier kun je de begrippen hemel en aarde verbonden zien met 'Sion, u bent mijn volk', geplant en gegrondvest. Hemel en aarde hebben hier te maken met het verbond dat God tussen hemel en aarde sloot; Hij was in de hemel, zijn volk op aarde. Of anders gezegd: er werd een link gelegd tussen hemel en aarde, ze werden met elkaar verbonden. In feite ook de manier waarop het volk van God autoriteit kon uitoefenen op aarde. Zoals Adam de opdracht gekregen had om te heersen over de aarde.

Mozes spreekt het verbondsvolk op dezelfde manier toe, wanneer hij zegt (Deuteronomium 32:1):

Neig uw oor, hemelen, dan wil ik spreken, en de aarde hore naar de woorden van mijn mond.

Jesaja zegt nagenoeg hetzelfde (Jesaja 1:2):

Hoort hemelen en aarde, neig uw oor, want de Here spreekt:…

Hemel en aarde worden ook op andere manieren zinnebeeldig gebruikt, zoals in Deuteronomium 30:19:

Ik roep heden de hemel en de aarde op tot getuige tegen u

Mozes heeft het daar niet over de letterlijke hemel en de zichtbare aarde (hoe zouden die moeten getuigen?) maar over de mensen die in de hemel en op de aarde leven. En kijk eens naar Job 20:26-27:

Een vuur dat niet is aangeblazen, verteert hem; wie is overgebleven in zijn tent, vergaat het slecht. De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde staat tegen hem op

Alsof hemel en aarde personen zijn die iets kunnen doen. Dit poëtische gebruik van 'hemel en aarde' die iets te zeggen hebben, komen we veel tegen in het Oude Testament.

Een interessant gegeven is dat de Joden uit die tijd hun tempel zagen als hemel, zee en aarde! Flavius Josephus schreef erover in 'De oude geschiedenis van de Joden', boek 1, hoofdstuk 7 en in boek 3 hoofdstuk 6 en 7. De objecten in de tempel representeerden naar zijn zeggen verschillende elementen van de schepping. Het wasvat stelde de zee voor, de twaalf stieren onder het wasvat stonden in groepjes van drie, kijkend in de vier windrichtingen, de zeven lichten van de menora stelden hemellichamen voor. Het Heilige der heiligen was de plaats waar God woonde en waar hemel en aarde elkaar ontmoetten (echter, in de tijd van Jezus was de Ark van het Verbond er niet meer - die was verdwenen na de Babylonische ballingschap - Gods aanwezigheid was op die speciale vergulde kist, die gezien werd als Gods troon). Het Heilige der heiligen was rondom versierd met hemelse voorstellingen. In het hemel-gedeelte (het Heilige der heiligen) mocht alleen de hogepriester komen, het aarde-gedeelte was alleen toegankelijk voor de priesters en het zee-gebied, met het wasvat was voor het volk. Daar werden de offers gebracht en reinigingsrituelen uitgevoerd. Als in het nieuwe Jeruzalem van Openbaring 21 die zee er niet meer is en er alleen nog maar een nieuwe hemel en aarde is, dan zijn er alleen nog maar priesters en een hogepriester, geen rituele reiniging meer.

Zou het zo kunnen zijn dat het vernietigen van de tempel voor de Joden voelde als het vernietigen van hun 'hemel en aarde'? En als Openbaring toewerkt naar de vernietiging van het oude, zou dan de nieuwe hemel en aarde gezien kunnen worden als het Koninkrijk dat nu onder de mensen leeft? Een Koninkrijk waar God in mensen woont, waarin hun lichamen samengevoegd zijn als levende stenen in een geestelijke tempel? In de ware, geestelijke tempel van God is dan geen onderscheid tussen 'Jood en Griek', 'slaaf en vrij' of 'man en vrouw', want ze zijn allen één in Jezus de Ingewijde (Galaten 3:28). Zonder de 'zee' is iedereen een priester op de nieuwe aarde en is er maar één Hogepriester in de nieuwe hemel; dat is Jezus. Zouden deze 'nieuwe hemel en aarde' een de 'nieuwe schepping' kunnen zijn, van een nieuw volk in een nieuw verbond, bestaande uit nieuwe mensen met een nieuw leven? Wederom, de Bijbel geeft ons slechts het verhaal van Israël, maar de principes zijn universeel. God wil bij mensen zijn.

Vergelijk in dit verband 1 Korinthiërs 6:19:

Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is, Die u van God gekregen hebt, en dat u niet van uzelf bent?

Woorden kunnen op verschillende manieren gebruikt worden. We kunnen ze letterlijk gebruiken als in: “dit is een boek”, wijzend naar het object. We kunnen ze spreekwoordelijk gebruiken zoals: “hij is een open boek voor mij”. We kunnen een boek letterlijk laten spreken in een sprookje of allegorie. Een boek kan ook gebruikt worden als metafoor, zoals het boek dat Johannes moest opeten, net als de profeet Ezechiël. In dat geval kan het gezien worden als een letterlijk boek dat niet letterlijk opgegeten wordt, maar waarvan de informatie verwerkt wordt in het binnenste van de mens die het tot zich neemt. Wij zeggen ook wel: “Ik heb dat boek verslonden.” Zo kunnen we ook 'hemel en aarde' zien in de Bijbel. Soms worden ze letterlijk bedoeld, soms poëtisch of figuurlijk, soms worden ze gepersonifieerd en spreken ze. Tot slot worden ze gebruikt in de vorm van een allegorie of gelijkenis. Dan stellen ze iets voor, zoals de tempel.

De vraag of we de Bijbel letterlijk moeten lezen of figuurlijk is mijns inziens geen goede vraag. Het gaat er meer om wat een bepaald woord of een bepaalde zin in een bepaalde context betekent. Ik zeg altijd maar: ik neem de Bijbel serieus en hoe, dat is afhankelijk van de stijl van de tekst die ik lees. Als Paulus zegt dat 'het lichaam een tempel is van de Heilige Geest', dan is het duidelijk dat hij niet een gebouw bedoelt, maar dat het is áls de tempel, met een binnenste 'Heilige der heiligen' waar God woont. Zo is een 'stad die uit de hemel neerdaalt, getooid als een bruid' geen letterlijke stad met een sluier, maar een geestelijke woonplaats voor veel mensen, een gemeenschap van mensen die een relatie hebben met de Vader in de hemel.

Nog een voorbeeld uit het Oude Testament (Haggai 2:7-8)

Want zo zegt Jahweh ... Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven. Ja, Ik zal al de volken doen beven, en zij zullen komen tot de Wens van alle volken, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt Jahweh...

En vers 22 en 23:

Spreek tot Zerubbabel, de vorst van Juda, en zeg: Ik zal de hemelen en de aarde bewegen. En Ik zal de troon van de koninkrijken omkeren, en verdelgen de kracht van de koninkrijken van de volken; en Ik zal de wagen omkeren, en die daarop rijden; en de paarden, en die daarop rijden, zullen neerstorten, een ieder in het zwaard van de ander.

Profetische taal, waar hemelen en aarde worden bewogen, wanneer de vijandige volken worden overwonnen. Daarbij zouden in hetzelfde stuk de wagen, de paarden en het zwaard wel weer letterlijk gelezen kunnen worden. Vergelijk die profetie eens met een gedeelte uit Hebreeën 12:26-29:

Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook de hemel. En dit woord: Nog eenmaal, duidt op de verandering van de bewegelijke dingen, die gemaakt zijn, opdat blijven zouden de dingen, die niet bewegelijk zijn. Daarom, als wij dan een standvastig Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, waardoor wij welbehaaglijk God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid. Want onze God is een verterend vuur.

Het bewegen van hemel en aarde wordt door de schrijver van Hebreeën dus gezien als het afschudden van de 'bewegelijke', zichtbare, aardse dingen (machthebbers en politieke structuren), waarbij het 'onbeweeglijke', standvastige Koninkrijk van genade en liefde blijft staan. Ik denk dat hij daarmee het voorbijgaan van de offerdiensten, de tempel en de bijbehorende rituelen bedoelde. Omdat de schrijver van Hebreeën regelmatig teksten uit het Oude Testament aanhaalt en de overeenkomsten hier zo sterk zijn, is het zelfs aannemelijk dat hij in dit gedeelte bewust de tekst uit Haggai aanhaalt.

Zo zijn er tientallen teksten in het Oude Testament die gaan over het schudden, bewegen, verplaatsen en verslijten van hemel en aarde. Afhankelijk van de vertaling komen we vergelijkbare woorden tegen, maar de strekking lijkt me duidelijk. We zien dat het steeds verband houdt met een goddelijk ingrijpen. God stuurt legers, ziektes of rampen om een oordeel te brengen. Hemel en aarde worden bewogen. Vaak gaat dat gepaard met een beschrijving van sterren die uit de lucht vallen, de zon en de maan die worden verduisterd en dergelijke. Het is dan ook niet vreemd om te veronderstellen dat 'hemel en aarde' in een profetisch boek als Openbaring ook op die manier moeten worden geïnterpreteerd. De schrijver was goed bekend met de profetische geschriften waaruit ik hierboven gedeelten heb aangehaald. Het zichtbare, stoffelijke, aardse, ongeestelijke zou worden geschud, zodat en totdat het onzichtbare, hemelse, geestelijke zou overblijven. Het enige dat overblijft is het eeuwige en onvergankelijke Koninkrijk van God.

Wat we lezen in Openbaring lijkt vaak op wat we al in de oude profetieën lazen. Kijk eens naar Ezechiël 32:7-8:

En als Ik u zal uitblussen, zal Ik de hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. Alle schijnende lichten aan de hemel zal Ik vanwege u zwart maken; en Ik zal een duisternis over uw land laten komen, spreekt de Heer Jahweh.

En vergelijk dat met Openbaring 8:12:

En de vierde afgezant blies op zijn bazuin, en een derde deel van de zon werd getroffen, en een derde deel van de maan, en een derde deel van de sterren; opdat een derde deel van hen verduisterd zou worden en dat een derde deel van de dag niet zou lichten; en van de nacht evenzo.

In Openbaring wordt iets onthuld; dat is wat het eerste Griekse woord van het boek ('apokalupsis') betekent. Het is de onthulling, de openbaring van Jezus de Ingewijde. Zo begint het boek en dat is ook de verdere strekking ervan. Het openbaart hoe Jezus zou komen, in oordeel over dat wat goddeloos was en tot verheerlijking en ontluiken van alles wat godvruchtig was.

Kijk maar eens naar Jeremia 4:22-23. Hier wordt een verband gelegd tussen de staat van hemel en aarde en de staat waarin het volk verkeert. Als er geen licht in de mensen is, als zij niet meer verlangen naar inzicht en als zij onverstandig leven, noemt God dat dwaas en vergelijkt Hij hun houding met een woest, leeg land en een hemel zonder licht:

Zeker, Mijn volk is dwaas, zij kennen Mij niet; het zijn zotte kinderen, en zij zijn niet verstandig; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar goed te doen weten zij niet. Ik zag het land aan, en zie, het was woest en leeg; ook naar de hemel, en zijn licht was er niet.

Zo zijn er wederom vele verzen in het Oude Testament die een verband leggen tussen 'hemel en aarde' en de stand van zaken met betrekking tot het volk. Ik wil de lezer aanmoedigen eens al die teksten op te zoeken en zelf te zien hoe vaak deze zegswijze in profetieën voorkomt. Vergelijk bijvoorbeeld Joël 2 waarin ook 'hemel en aarde' gebruikt wordt met Handelingen 2 en zie hoe Petrus de Israëlieten toesprak en uitlegde dat die profetie op het punt stond uit te komen, omdat de Heilige Geest was uitgestort over hem en zijn mede-leerlingen. Diezelfde Petrus schreef later in één van zijn brieven het volgende (2 Petrus 3:1-2):

Deze tweede zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in beide [brieven] wek ik door vermaning uw oprecht gemoed op; Opdat u de woorden herinnert, die door de heilige profeten voorheen gesproken zijn, en het gebod van ons, die zendelingen van de Heer en Zaligmaker zijn

Wat we na die aanhef lezen, lijkt erg veel op wat Jesaja schreef in hoofdstuk 66 (ik pak er een paar stukjes uit, anders wordt het te lang):

Zo zegt Jahweh: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank van Mijn voeten; waar zou dat huis zijn, dat u voor Mij zou bouwen, en waar is de plaats van Mijn rust?

Dit gaat over de tempel na de Babylonische ballingschap, zoals we door het hele hoofdstuk heen zien. Steeds gaat het over 'de stad', 'Jeruzalem' en 'de tempel'. Lees het maar eens helemaal door. Ik ga nu naar vers 15 en 16:

Want zie, Jahweh zal met vuur komen, en Zijn wagens als een wervelwind; om met grimmigheid Zijn toorn hiertoe te wenden, en Zijn bestraffing met vuurvlammen. Want met vuur, en met Zijn zwaard zal Jahweh in het recht treden met alle vlees; en de verslagenen van Jahweh zullen vermenigvuldigd zijn.

God komt met vuur over Zijn vijanden. En dan vers 22 t/m 24:

Want zoals die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt Jahweh, zo zal ook uw zaad en uw naam staan. En het zal geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van de ene sabbat tot de andere, alle vlees komen zal om te aanbidden voor Mijn aangezicht, zegt Jahweh. En zij zullen heengaan, en zij zullen de dode lichamen van de lieden zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen voor alle vlees een afschuw wezen.

Wat hier zo mooi in dat oude Nederlands staat, is dat God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde maakt (binnen de context van Jeruzalem en de tempel, Zijn troon en Zijn voetbank) en dat elk mens zal komen om Hem te aanbidden. De Goddelozen zullen met een onblusbaar vuur worden verbrand. Petrus had het over het herinneren wat de profeten hadden gezegd. Als we zijn volgende woorden nu eens in het licht van de profetie van Jesaja lezen (2 Petrus 3:5-13), nadat Petrus gezegd had dat er mensen zouden komen die met de komst van de Heer zouden spotten, omdat het zo lang duurde:

Want ze doen net alsof het hun onbekend is, dat door het woord van God de hemelen van oudsher geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestond;dat de wereld die toen was, met het water van de zondvloed bedekt zijnde, vergaan is. Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden voor het vuur bewaard tot de dag van het oordeel, en van de vernietiging van de goddeloze mensen...

Tot nu toe lijkt het aardig op Jesaja 66

...Maar deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij de Heer is als duizend jaar, en duizend jaar als een dag. De Heer vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is geduldig met ons, niet willende dat er iemand verloren gaat, maar dat zij allen tot bekering komen...

Voor sommigen leek het wel duizend jaar te duren, maar voor God is het als één dag. Hij wilde niet dat er iemand verloren zou gaan.

...Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden...

Zie je de overeenkomst met wat Jezus zei over het komen als een dief, toen Hij het had over de vernietiging van de tempel? En bedenk wat ik eerder heb uitgelegd, dat met 'elementen' niet de scheikundige elementen worden bedoeld zoals wij ze nu kennen, maar de elementaire principes van de wet en de tempel. Dit werd dus gezegd in verband met de vernietiging van Jeruzalem en de tempel, waar mensen met regels en rituelen probeerden God te behagen. Maar God wilde relatie, geen religieus gedrag (Amos 5:21-24). Hij zou komen met een oordeel, om een einde te maken aan die uiterlijkheden (zie Mattheüs 24). Dus in die context moeten we dit ook lezen.

...Als dan deze dingen alle vergaan, hoe behoort u te zijn in heilige wandel en godzaligheid! Verwachtende en haastende tot de komst van de dag van God, waarin de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten. Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont.

Geheel in de lijn van wat Jesaja zei, zien we hier in de woorden van Petrus, een Jood die zijn geschriften goed kende, het oude vergaan en het nieuwe komen. Het vergaan van de aardse tempel en de goddelozen, gaat direct gepaard met een herscheppen van 'hemel en aarde'. De oude orde, de oude tempel, de oude 'hemel en aarde' vergaat, om plaats te maken voor nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont. Nieuw leven in een nieuw Koninkrijk. Het Koninkrijk van de hemel, met de hemelse stad, waarin mensen wonen die leven naar de 'Wet van de Geest' (Zie ook Romeinen 8).

Petrus spreekt hier, geheel in overeenstemming met de oudtestamentische profetieën, niet over een letterlijk vergaan van hemel en aarde en net zo min over een fysieke herschepping van hemel en aarde. Natuurlijk is het wel zo dat de principes van het Koninkrijk en de burgers van de nieuwe stad, het nieuwe, hemelse Jeruzalem, zichtbare en tastbare resultaten boeken op een fysieke aarde. In die zin worden hemel en aarde wel letterlijk vernieuwd, maar van binnenuit. Niet door eerst letterlijk met vuur verbrand te worden en dan opnieuw geschapen te worden door God. Ik zie dit als een misvatting die ik helaas nog regelmatig hoor en waar mensen soms heel bang, passief of juist hyperactief van worden, maar wat dus helemaal niet nodig is.

En waarom zou Petrus, met al zijn kennis van de Tenach, als rechtgeaarde Israëliet, in zijn brief ineens een andere betekenis geven aan deze woorden? Door tekst met tekst te vergelijken komen we tot de inzichten die nodig zijn om goed te begrijpen waar het over gaat. Denk als een Israëliet in de eerste eeuw, niet als een analytische Griek.

Vergelijk Jesaja 65:17:

Want zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Aan de vorige dingen zal niet meer gedacht worden, ze zullen niet meer opkomen in het hart.”

En Openbaring 21:1:

En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. En de zee is niet meer.

En dit ging over het herstel van het land en de tempeldienst, na de Babylonische ballingschap! Vergingen toen de hemel en aarde? Nee. Misschien kun je de teksten in de brief van Petrus en de beschrijving in Openbaring leren in dit licht te zien. Als er na het vernietigen van de tempel geen 'zee' meer is, dan wordt daar dus mee bedoeld dat er voor God geen volken meer zijn. In eerste instantie ging dat over de Israëlieten die onder de volken verspreid waren. Die zouden weer volledig geaccepteerd worden als volk van God. Niet alleen was het onderscheid tussen Joden en volken weggenomen, maar ook de veroordeling van de wet was verdwenen. Dit was al zo toen de Heilige Geest uitgestort was (zie Romeinen 8: geen veroordeling meer voor hen die in de Ingewijde zijn en de Heilige Geest in zich hebben), maar Jezus zei het ook heel duidelijk (in Mattheus 5:17-18):

Denk niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen. Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er punt noch komma van de wet voorbijgaan, totdat het alles heeft plaatsgevonden.

En toen Jezus sprak over de vernietiging van de tempel, gebruikte hij het begrip 'hemel en aarde' net zo (Mattheüs 24:35):

De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.

Telkens zien we 'hemel en aarde' in verband staan met het voorbijgaande oude systeem van tempel, offers en wetten. In feite het voorbijgaan van het oude verbond. Dat er in Jesaja 65:17 staat dat er niet meer aan gedacht zal worden, heeft te maken met het niet meer 'gedenken' van het oude. Niet dat het daadwerkelijk vergeten werd, maar dat ze geen rekening meer hoefden te houden met wetten en regels waar ze zich aan moesten houden.

Het concept 'hemel en aarde' heeft dus in de Bijbel duidelijk betrekking op het contact tussen God in de hemel (boven) en Israël op aarde (beneden). Echter, wat God aan en door Israël liet zien, geldt mijns inziens wel voor de hele mensheid. Hij wil geen straffen en offers op basis van wat mensen allemaal fout doen, maar een liefdevolle relatie met Hem als Vader, die ons geduldig opvoedt en onderwijst. In die zin kunnen wij uiteraard ook een 'hemel op aarde' ervaren. Geen scheiding tussen de twee, maar een vermenging. De mens die leeft in rechtstreeks contact met God, die Alles in allen is.

Als je er zelfs nu nog aan twijfelt of de tekst uit 2 Petrus 3 wel over de vernietiging van het oude tempelsysteem gaat, wil ik nog wijzen op het volgende. Het is namelijk zeer opmerkelijk dat Jezus in Mattheüs 24, wanneer Hij over de vernietiging van de tempel spreekt, exact dezelfde terminologie gebruikt als Petrus in zijn tweede brief. Er zijn zeker vier duidelijke overeenkomsten:


- Beiden spreken over de komst (Grieks: parousia) van Jezus

(2 Petrus 3:4 en Mattheüs 24:3).

- Zowel Jezus als Petrus vergelijken die komst met de zondvloed

(2 Petrus 3:6 en Mattheüs 24:37-38).

- Beiden zeggen dat Hij komt als een dief

(2 Petrus 3:10 en Mattheüs 24:43)

- En bovenal spreken beiden over het voorbijgaan van (de oude) hemel en aarde

(2 Petrus 3:10-12 en Mattheüs 24:35)

Het lijkt mij ondertussen duidelijk dat het voorbijgaan van hemel en aarde in 'Joodse/Bijbelse taal' op de vernietiging van de tempel en de macht van het oude wetssysteem slaat. Ik ben er in ieder geval van overtuigd dat Jezus in deze gedeelten daarover spreekt en dat samen met de tempel ook de wet (en met name de veroordelende functie van de wet) verloren is gegaan. Alleen wanneer je terug verlangt naar dat oude systeem van 'kennis van goed en kwaad', kom je weer onder de wet terecht. Maar dan houd je jezelf voor de gek. Voor God is deze religieuze manier van leven verleden tijd! Ik meen ook dat Paulus dit op vele plaatsen in zijn brieven duidelijk maakt. Met name in de brieven aan de Galaten en aan de Romeinen. Toen hij die brieven schreef was de tempel er nog, maar door de Heilige Geest had men al een voorproefje van wat er komen zou, zoals ik eerder heb laten zien. De vernietiging van de tempel was de genadeslag voor de wet en de veroordeling. Dat was het laatste oordeel over de macht van de wet, de dood en het dodenrijk. De Heilige Geest schreef Gods volmaakte wet op de harten van Zijn volk, niet meer op stenen plaquettes of zelfs in woorden en zinnen, maar op het hart. Zijn volmaakte wil kan alleen worden gedaan vanuit een diepe relatie met Hem. Het oude is voorbijgegaan, alles is nieuw geworden.

We zagen Petrus ook het beeld van de zondvloed gebruiken. Er ligt hier een interessante link naar Daniël 9:26:

En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem Zelf zijn; en het volk van de vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom vernietigen, en zijn einde zal zijn met een overstromende vloed, en tot het einde toe zal er oorlogvoering zijn, en vast besloten verwoestingen.

Daarmee hebben we nog een vijfde link met wat Jezus zei over de vernietiging van Jeruzalem en de tempel, toen hij de zondvloed gebruikte als metafoor (Matheüs 24:37-42):

En zoals de dagen van Noach waren, zo zal ook de komst van de Mensenzoon zijn (een beeld uit de profetieën van Daniël). Want zoals zij waren in de dagen voor de zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot de dag dat Noach de ark in ging; en erkenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; zo zal ook de komst van de Mensenzoon zijn. Dan zullen er twee op de akker zijn, de een zal weggenomen, en de ander zal achterlaten worden. Er zullen twee vrouwen malen in de molen, de ene zal weggenomen, en de andere zal achterlaten worden. Waakt dan; want u weet niet, in welk uur uw Heer komen zal.

Hij had het tegen de mensen die daar stonden, niet tegen ons in deze tijd. En in tegenstelling tot wat vaak gezegd wordt over dit stukje, denk ik dat het wegnemen zowel bij de zondvloed als bij de komst van de Mensenzoon géén verlossende 'opname' is, maar het wegvoeren van mensen ten tijde van de belegering en vernietiging van Jeruzalem, het onderwerp van dat hoofdstuk. Het was de ondergang van die oude, aardse tempel die weggevaagd werd in die 'overstromende vloed' waar Daniël over sprak. Het was altijd al Gods bedoeling om een nieuwe start te maken met een geestelijke, hemelse stad, op een hemelse berg met een hemelse tempel.

Een interessant gegeven is dat het Griekse woord dat hier met 'achtergelaten' is vertaald, op andere plaatsen ook met 'vergeven' wordt vertaald. Goede vertalingen zouden hier kunnen zijn dat zij werden 'afgelaten' of 'met rust gelaten'. Zij kwamen dus juist niet om en zij die weggenomen werden waren degenen die wel omkwamen of weggevoerd werden. Je kon dus maar beter achtergelaten worden. Zo zie je dat een juist begrip van de woorden een groot verschil kan maken in het vinden van de juiste vertaling.

Een ander aspect van de vergelijking met de zondvloed is dat veel mensen bij de 'wederkomst' of het 'einde der tijden' denken aan een totale vernietiging van de wereld. Teksten waar aarde, zon, maan en sterren lijken te vergaan worden daarbij letterlijk genomen; zoals 2 Petrus 3:5-7, waar het vergaan van de 'wereld' in de zondvloed wordt vergeleken met de 'dag van de Heer', waar Jezus over sprak. Maar na de zondvloed waren aarde, zon, maan en sterren helemaal niet verdwenen. Petrus gebruikte het Griekse woord 'kosmos' voor 'wereld', wat toen meer de betekenis had van 'orde', 'formatie', 'georganiseerd geheel' of 'samenstel van dingen'. Het moet zeker niet gelezen worden in de betekenis die wij vandaag aan 'de kosmos' geven. Jezus en Petrus hadden met deze bewoording veel meer de ineenstorting van het Joodse politieke en vooral de religieuze orde voor ogen.

Dit alles wil niet zeggen dat de nieuwe orde niets voor óns betekent. Ja, in de Bijbel gaat het voornamelijk over Israël, maar Israël zou een zegen zijn voor alle volken. Dat was de belofte die hun vader Abraham kreeg.


Alles wordt nieuw (het vrederijk voor Israël)

Wie kent nog dat versje met het refrein: 'Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde'? Als ik mij niet vergis in het begrijpen van de Bijbel, hoeven we misschien helemaal niet 'stil te wachten', maar is dat Koninkrijk allang gekomen. Het Koninkrijk dat als een klein steentje zou beginnen en zou groeien, tot het de hele aarde zou vervullen en alle andere koninkrijken zou verdringen, zoals we lazen in het tweede hoofdstuk van Daniël. Een gebeurtenis die zou beginnen wanneer er tien koningen waren die voortkwamen uit het vierde aardse koninkrijk (het Romeinse rijk). Het zou een Koninkrijk zijn, dat nooit zou eindigen. Het zou altijd maar door blijven groeien. In de laatste hoofdstukken van de Bijbel vinden we veel informatie over dit eeuwigdurende Koninkrijk. Ik wil het hier laten zien in het licht van het voorgaande.

Jesaja zegt prachtige dingen over het Koninkrijk dat hij verwachtte na de Babylonische ballingschap; bijvoorbeeld in Jesaja 65:18-19:

Maar wees vrolijk en verheug u tot in de eeuwigheid in hetgeen Ik schep; want zie, Ik schep Jeruzalem een verheuging, en haar volk een vrolijkheid. En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk; en in haar zal niet meer gehoord worden een stem van geween, noch een stem van geschreeuw.

Het lijkt erop dat Johannes geïnspireerd was door een dergelijke tekst, als we lezen in Openbaring 21:2-4:

En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een luide stem uit de hemel zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen; zij zullen Zijn volk zijn en God Zelf zal bij hen zijn en hun God zijn. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen. En de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gejammer, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn voorbijgegaan.

Dat hemelse Jeruzalem was al een realiteit in de levens van de eerste volgelingen van Jezus, zoals in Hebreeën staat. Daar heeft de afwezigheid van dood, rouw en moeite een diepere, geestelijke betekenis. De dood als gevolg van de veroordeling door de wet was al overwonnen toen Jezus gestorven was, zoals Paulus zegt in Galaten 2:20:

Ik ben met de Ingewijde gekruisigd; en toch leef ik, doch niet meer ik, maar de Ingewijde leeft in mij; en voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft.

Veel mensen denken bij het lezen van Jesaja 65 en Openbaring 21 aan een soort hemelse situatie op deze aarde, waarbij er niets meer is dat mensen ongelukkig maakt. Maar in de Heilige Geest waren deze dingen in de eerste eeuw al beschikbaar. De schrijvers van het Nieuwe Testament schreven over vrede met God, levend zijn in Hem en niet meer dood zijn in zonde en ongehoorzaamheid. Zo was de Geest gegeven als zegel en onderpand (zie 2 Korinthiërs 1:22 en Efeziërs 1:13-14). Zij die de Geest hadden ontvangen, hadden een voorproef, een eerste deel van de oogst ontvangen (zie Romeinen 8:23). Want 'de schepping' wachtte met smart op het openbaar worden van 'de zonen van God' (Romeinen 8:19). Zodat zij een verschil konden uitmaken in de wereld. Zoals Paulus zegt in Romeinen 14:17-19:

Want het Koninkrijk van God bestaat ... in ... rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest. Want wie de Ingewijde in deze dingen dient, is voor God welbehaaglijk en aangenaam voor mensen. Dus laat ons najagen hetgeen tot de vrede en hetgeen tot opbouw van elkaar dient.

Het Koninkrijk bestaat in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap. Dat zijn dus de eigenschappen van het Koninkrijk, de kenmerken die het draagt. Dat zijn dingen die van binnen gebeuren, zoals we eerder in dit boek hebben gezien. Jezus corrigeerde mensen toen ze te kennen gaven dat ze een fysieke manifestatie van het Koninkrijk verwachtten. Hij zei tegen zijn volgelingen dat Zijn Koninkrijk niet van deze wereld was (Johannes 18:36) en dat ze het niet konden zien, maar dat het in hun midden was (Lukas 17:20-21). Het zou geen fysiek, aards koninkrijk zijn, maar iets dat zij samen zouden beleven en uitleven.

Jesaja had enkele interessante dingen te zeggen over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, voortbordurend op vers 18-19 hierboven (Jesaja 65:20-22):

Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen, noch een oud man, die zijn dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden. En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten, en de vrucht ervan eten. Zij zullen niet bouwen, dat het een ander bewone; zij zullen niet planten, dat het een ander ete, want de dagen van Mijn volk zullen zijn als de dagen van een boom, en Mijn uitverkorenen zullen het werk van hun handen verslijten. Zij zullen niet tevergeefs arbeiden, noch baren ter verstoring; want zij zijn het zaad van de gezegenden van Jahweh, en hun nakomelingen met hen. En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen. De wolf en het lam zullen tezamen weiden, en de leeuw zal stro eten als een rund, en stof zal de spijze der slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderf aanrichten op heel Mijn heilige berg, zegt Jahweh.

Vergeet niet dat Jesaja sprak vanuit de hun ballingschap in Babylonië, uitziend naar een nieuwe tijd, een betere toekomst. In het Nieuwe Testament vinden we een ander soort 'heilige berg' van God (Hebreeën 12:18-22 - de niet tastbare berg Sion, de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem), in die nieuwe hemelen en op die nieuwe aarde. Het volk is het volk van het nieuwe Koninkrijk, dat onzichtbaar is. Ik weet niet of de dingen die Jesaja noemde uiteindelijk ook uitgekomen zijn, maar we mogen de conclusie trekken dat men in de eerste eeuw dit soort profetieën in een geestelijk licht zag, of als een soort typebeelden gebruikte. Noem het maar principes.

Merk op dat niet alles helemaal perfect was in die nieuwe wereld van Jesaja, die ook wel 'het vrederijk' genoemd wordt. Er zou nog een 'zondaar' zijn. Mensen zouden heel oud worden, maar ze zouden nog wel sterven, er was nog arbeid nodig, maar alles was onder controle. Er was meer voorspoed, meer vrede, meer vreugde en minder pijn. Zo kunnen in de nieuwtestamentische passages deze dingen in het innerlijke leven van de mensen worden gezien. Het leven onder de wet bracht zorgen, vloek en dood met zich mee, maar het leven in de Geest brengt leven, vrede, gerechtigheid en onbezorgdheid (lees Romeinen, de hoofdstukken 7 en 8 maar eens na elkaar).

De wolf en het lam zullen tezamen weiden? Jesaja gebruikte profetische taal. Ik denk niet dat dit soort taferelen letterlijk verwacht werden, maar dat ze een allegorie waren voor een beter leven in een nieuwe tijd. Geen vijandschap meer, maar vrede en rust in het land. Een leeuw die stro eet als een os? Het zijn niet zomaar twee dieren die hier genoemd worden. Beiden zijn de voornaamsten van hun rijk. De os was de voornaamste van het vee en de leeuw was de koning van de wilde dieren. Hierin zou je heersers kunnen zien, die vrede sluiten met elkaar, terwijl ze daarvoor totaal niet met elkaar overweg konden. Jezus had het bijvoorbeeld ook over wolven en schapen (Matt 7:15; 10:16; Luk 10:3 en Joh 10:12). Hij gebruikte wolven en schapen als typebeelden van goddeloze en godvrezende mensen. De context is niet geheel hetzelfde, maar het is wel duidelijk dat ook Jezus als profeet gebruik maakte van allegorie, door mensen met bepaalde dieren te vergelijken. De bokken en schapen zouden gescheiden worden en Hij zou Zijn Schapen een veilige woonplaats geven, zonder bedreigingen. Waar het om gaat is dat er vrede zou zijn op Gods heilige berg. Onder het nieuwe verbond was dat het hemelse Jeruzalem, het volk van God, vrij van regels en wetten. Een voorbeeld voor ieder mens.

De Bijbel geeft ons een symbolische weergave van het leven in het Koninkrijk, de 'nieuwe hemelen en de nieuwe aarde', die God zou scheppen. Een 'plaats', een 'berg' waar mensen in vrede met elkaar zouden leven in afhankelijkheid van God, niet vanuit de wet. Niet vanuit een reeks (al dan niet zelf opgelegde) regels en wetten, maar vanuit een liefdevolle relatie met God als Vader en kinderen.

En de slang die stof eet? Dat is volgens mij overduidelijk een verwijzing naar de 'slang', de listige verleider van het paradijs, die de rest van zijn leven stof moest eten, omdat hij Adam en Eva had verleid tot het eten van de boom van kennis van goed en kwaad (een beeld van het leven onder de wet), zodat ze zélf onder controle hadden hoe ze zouden leven, volgens een lijst van regels en wetten en niet in dagelijkse afhankelijkheid van hun Schepper. In Genesis 3 zien we het verhaal van die verleiding, maar we zien ook de oplossing al voorbij komen. Het zaad (de nakomelingen) van de slang zou het zaad van de vrouw in de hiel bijten en dat zaad zou zijn kop vermorzelen. Dit is volgens velen een profetie over Jezus, die uiteindelijk de verleider, de aanklager, de kop in zou drukken. Jezus noemde de mensen die hem zouden laten kruisigen ook 'adderengebroed' (kinderen van de slang) en rechtstreeks 'slangen' (Mattheüs 23:33). Maar uiteindelijk zouden zij hun verdiende loon krijgen (vers 34-38).

Jezus zou afrekenen met de aanklacht van de wet (de kennis van goed en kwaad), om plaats te maken voor een nieuw verbond van vrede, relatie en liefde. Daarom zien we in Openbaring 22 ook alleen nog maar de boom van leven, die genezing brengt. Er is in het koninkrijk van God geen plaats meer voor de boom van kennis van goed en kwaad. De wet is vernietigd. Het volk van God mocht leven in vrijheid en een innige relatie met God. Mag ik bij deze voorstellen dat wij van de geschiedenis van dit volk kunnen leren? En dat de liefdevolle God van de Bijbel ook voor ons een beeld van God kan zijn? Onafhankelijk van enig religieus systeem, dogma's, regels of wetten?

Als er regels en wetten zijn, wordt ook bijgehouden wat je fout gedaan hebt, zodat er een gepaste straf kan volgen. De volmaakte liefde van God houdt echter geen lijst bij van dingen die we fout doen, zoals Paulus in 1 Korinthiërs 13 duidelijk onder woorden brengt. En hij benadrukt ook nog eens dat het komen van het volmaakte gelijk het einde betekent van specifieke bedieningen. God houdt er geen 'lievelingetjes' op na die Hij in vertrouwen neemt. Iedereen mag (zeker na de openbaring van Jezus de Ingewijde) een persoonlijke relatie met God hebben, zonder afhankelijk te zijn van bijzondere zendelingen of profeten.

1 Korinthiërs 13:8-9:

De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden. Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; Doch wanneer het volmaakte gekomen zal zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.

Er zou volgens Paulus een einde komen aan profetieën, talen en kennis, wanneer het volmaakte gekomen was. Ik denk dat hij het daar over de vestiging van het Koninkrijk heeft, waarin iedereen rechtstreeks contact heeft met God, omdat Hij bij de mens woont en wij niet afhankelijk zijn van het 'ten dele' profeteren. Zijn liefde en waarheid zou bij het komen van het volmaakte volledig geopenbaard zijn.

Merk op dat hij in dit stukje niet zegt dat er een einde komt aan genezingen, wonderen, geloof, onderscheiding van geesten, waar hij in het hoofdstuk daarvoor over spreekt. Maar als het volmaakte gekomen is en Jezus nu inderdaad in ons midden woont, kan Hij ieder van ons individueel en direct dingen laten zien, zonder tussenkomst van 'erkende profeten' en mensen met 'speciale kennis'. Hij noemt drie dingen die voorbij zouden gaan en dat zijn dingen die te maken hadden met de voorbereiding op de komst van Jezus. Nu Jezus gekomen is voor Israël en hun verhaal voltooid is, kan er volgens mij nog steeds wel geprofeteerd worden (kan een mens over bovennatuurlijke kennis beschikken), maar het gaat niet meer over 'de komst' van de Messias van Israël. Dat is een op zichzelf staand verhaal. Er kan nog steeds op bovennatuurlijke wijze informatie verkregen worden, maar niet meer met betrekking tot het Koninkrijk dat nog moet komen, omdat 'het volmaakte', het Koninkrijk er al is. En er kan nog steeds in talen gesproken worden, omdat het onszelf en de gemeenschap kan opbouwen, maar niet meer om mensen klaar te maken of te waarschuwen voor het komende oordeel over Jeruzalem. Dat was namelijk waar al die profetieën, kennis en talen voor dienden in de context van Israël.

Zoals ik het begrijp kan iedereen persoonlijk een ambassadeur van het Koninkrijk van God zijn en gebruik maken van elke gave die God geeft. Vanwege het simpele feit dat het Koninkrijk de hele wereld over zou gaan en (het ware) Israël een licht zou zijn voor alle volken. Wat zegt dit eigenlijk over de structuur van veel hedendaagse kerken? Kan het zijn dat er soms te veel aandacht wordt besteed aan de bediening van één persoon? Kun je het met mij eens zijn dat we ons allemaal, stuk voor stuk kunnen uitstrekken naar God, om de gemeenschap en de wereld waarin wij leven te dienen? Iets om over na te denken.


Afschaffing van offers en rituelen van Israël

Openbaring 21 spreekt over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Wanneer het oude vernietigd was, kon het nieuwe volledig tot zijn recht komen. God wilde onder de mensen wonen en in hun midden zijn, maar zolang mensen nog vasthielden aan een aards systeem van offers en rituelen, was daar geen ruimte voor. Het is niet voor niets dat God in frustratie uitroept (Amos 5:21-24):

Zal dan niet de dag van Jahweh duisternis zijn, en geen licht? En donkerheid, zodat er geen glans aan is? Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik wil uw samenkomsten niet ruiken. Want ofschoon u Mij brandoffers en spijsoffers offert, heb Ik er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten kan Ik niet aanzien. Doe het getier van uw liederen van Mij weg; ook wil Ik uw harpspel niet horen. Maar laat recht zich daarheen wenden als water, en gerechtigheid als een sterk stromende beek.

Zie ook Hebreeën 10:5, 6, 10 en 14, waar Psalm 40 wordt aangehaald, met ongeveer dezelfde strekking:

Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt U niet gewild (...Brandoffers en offer voor de zonde hebben U niet behaagd...), maar U hebt Mij het lichaam toebereid; In welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande van het lichaam van Jezus de Ingewijde, eenmaal geschied. Want met één offer heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.

Israël kon alleen recht en gerechtigheid vinden in dat éne offer van Jezus de Ingewijde. In Hem en door Hem werd het oude afgebroken en is het nieuwe gekomen. Na het brengen van het offer, kwam Hij ook nog eens terug om de oude offerplaats letterlijk en definitief af te breken, door middel van een buitenlands leger. In Jezus is het oude voorbijgegaan en het nieuwe gekomen (2 Korinthiërs 5:17):

Zo is dan iemand die in de Ingewijde is een nieuw schepsel geworden; het oude is voorbijgegaan, kijk, alles is nieuw geworden.

Jezus maakte ook heel duidelijk dat er voor Hem geen tijd zou zijn voor vreugde en feest, totdat Hij Zijn Koninkrijk zou vestigen en het grote bruiloftsfeest gevierd kon worden. Het vooruitzicht van het oordeel over Jeruzalem woog zwaar op Zijn hart. Tijdens het laatste avondmaal dat Hij met Zijn leerlingen had, zei Hij het volgende (Mattheüs 26:29):

Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van mijn Vader.

Marcus zegt het ongeveer op dezelfde manier, maar Lukas verwoordt het iets anders (22:16-18):

Want Ik zeg u, dat Ik het voorzeker niet meer eten zal, voordat het vervuld is in het Koninkrijk van God. En Hij nam een beker op, sprak de dankzegging uit en zei: Neem deze en laat hem bij u rondgaan. Want Ik zeg u, Ik zal van nu aan zeker niet van de vrucht van de wijnstok drinken, voordat het Koninkrijk van God gekomen is.

We hebben gezien dat het Koninkrijk gekomen is in de tijd van de Romeinse overheersing en na het vernietigen van de tempel. Het avondmaal vond plaats tijdens het paasfeest en was een herinnering aan de uittocht uit Egypte. Dat Jezus niet meer zou drinken tot de komst van het Koninkrijk, lijkt aan te geven dat er een periode van rouw zou zijn. Pas na alle ellende zou er weer echte vreugde zijn. Het oude moest voorbij gaan. Maar toen het voorbij was, begon het feest.

De bruid en de hoer, het blijft binnen de kaders van Israël

De laatste hoofdstukken van de Bijbel zijn veelzeggend. In Openbaring 19 wordt de bruiloft van het Lam wordt genoemd en Jezus vergelijkt de komst van het Koninkrijk met een koning die voor zijn zoon een bruiloft aanrichtte (Mattheüs 22). Daarin zie ik een aantal overeenkomsten. De mensen in de gelijkenis wilden niet naar de bruiloft komen, tot grote ontsteltenis van de koning. Maar er was een uitnodiging uitgegaan door het hele land om mensen te verzamelen die wel wilden komen, want de bruiloft moest doorgaan. We zien een ongehoorzaam en ernstig afgedwaald volk dat liever afgoden diende en niet inging op Gods uitnodiging voor de bruiloft van Zijn Zoon.

In Mattheüs 21 zien we dat Jezus in een verhaal over onrechtvaardige landeigenaren een vergelijking trekt met de Joodse leiders, die uiteindelijk zelfs de zoon van de koning doodden. Daarmee was de maat vol. God liet hen doden en stak hun stad in brand, wat ook daadwerkelijk gebeurde toen de Romeinen in het jaar 70 Jeruzalem vernietigden. Een zeer betreurenswaardige gebeurtenis.

In Openbaring 17, 18 en 19 zien we vergelijkbare taferelen, waarvan ik hier een globaal overzicht geef, om het totaalplaatje goed in beeld te krijgen en niet te verdwalen in de details:

Er wordt een vrouw beschreven. Ze wordt 'de grote hoer' genoemd (hoer betekent een ontrouwe vrouw, zoals ik eerder liet zien) ; bekleed met purper en scharlaken, versierd met goud, edelstenen en parels. Is het overigens niet opmerkelijk dat deze sieraden ook gezien worden bij het nieuwe Jeruzalem? Maar déze vrouw is alleen maar van buiten mooi; het is schijn. Van binnen zit ze vol ongerechtigheid. Ze is dronken van het bloed van de heiligen en de getuigen van Jezus. Ze wordt ook 'het grote Babylon' en 'de grote stad' genoemd. De 'grote stad' die eerder, in Openbaring 11:8, geestelijk 'Sodom' en 'Egypte' wordt genoemd, waar ook de Heer (Jezus) gekruisigd is. Het oude, overspelige Jeruzalem. Er wordt een klaagzang over haar aangeheven. Maar de zendelingen en profeten mogen blij zijn. Waarom? Omdat hun bloed gewroken wordt. Hun bloed dat vloeide in die stad, die zo vaak gehoereerd had met de koningen van de volken. God wordt geprezen, omdat Hij een rechtvaardig oordeel over deze stad brengt en omdat Hij het bloed van Zijn dienaren van haar geëist heeft.


Duizend symbolisch jaren?

Daarop volgt Openbaring 20... Dit is een lastig hoofdstuk, omdat we het begrip '1000 jaar heersen' nergens anders terugvinden en het daarom dus ook nergens mee kunnen vergelijken. Sommigen willen het vergelijken met het vrederijk van Jesaja en maken er 'duizendjarig vrederijk van de Ingewijde', of 'duizendjarig rijk' van, maar dat staat er niet en ik zie daarvoor ook geen aanleiding in Openbaring. Ook in de profetieën van Jesaja zie ik geen reden om de vervulling ervan later te plaatsen dan de periode na de terugkeer van Israël uit de Babylonische ballingschap. Ik denk dat Johannes in dit hoofdstuk het hele tafereel van het oordeel over Jeruzalem nog eens vanuit het perspectief van de tegenstander te zien krijgt. De tegenstander, die een periode gebonden wordt en daarna weer losgelaten wordt, waarna er definitief met hem wordt afgerekend.

In Openbaring 12 zien we deze tegenstander ook een korte tijd in woede rondgaan, wetend dat hij weinig tijd heeft. Dat komt mogelijk overeen met de korte tijd dat de tegenstander losgelaten wordt, aan het einde van die '1000 jaar'. In de periode dat de tegenstander gebonden is mogen de mensen die vanwege hun getuigenis van Jezus onthoofd zijn, met de Ingewijde heersen. Het gaat dus heel specifiek over bepaalde mensen die zouden heersen. Dat is ook wat Paulus schrijft in 2 Timotheüs 2:12: dat zij zouden heersen met de Ingewijde als ze zouden volharden. Na die periode zien we de opstanding van de doden en het oordeel (het scheiden van de goede en slechte mensen), wat we op andere plaatsen zagen gebeuren bij het tot stand komen van het Koninkrijk en wat samenviel met het oordeel over het oude Jeruzalem. Hierin zie ik meer een parallel dan een aparte gebeurtenis.

Omdat Johannes het heeft over 1000 jaar, denken sommigen dat het over letterlijk 1000 jaar gaat. Anderen zien het symbolisch en laten die duizend jaar beginnen bij de bediening van Jezus, of in het jaar 70 en laten ze doorlopen tot in onze toekomst, weer anderen plaatsen het begin van 'het millennium' (een ander woord voor 1000 jaar) in een al dan niet nabije toekomst met een al dan niet letterlijke 1000 jaar. Sommigen tellen de leeftijden van Adam en Jezus bij elkaar op en zien daar die 1000 jaar in. Weer anderen laten de 1000 jaar beginnen bij Koning David, omdat God Jezus de troon van zijn voorvader David zou geven. Er zijn zelfs mensen die van 2 Petrus 3:8 (mijns inziens onterecht) een formule maken: 1 dag = 1000 jaar en 1000 jaar = 1 dag. Zij passen dat toe op Hosea 6:2, waar de profeet zegt:

Hij zal ons na twee dagen levend maken en op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.

Dit zou dan betrekking hebben op de afgelopen 2000 jaar (2 dagen) die nu spoedig gevolgd gaan worden door een derde dag (het millennium). Er is duidelijk veel verschil in interpretatie. Maar de tekst zegt duidelijk 'ons' en dat is Israël in die context.

Dat die 1000 jaar een lange periode beslaat waarvan het einde nog in onze toekomst ligt, vind ik minder waarschijnlijk. Het zou namelijk betekenen dat er nog een moment komt dat de bewuste 'satan', de aanklager van de broeders (Openbaring 12), degene die Israël voor hun Rechter daagde, nog éénmaal wordt losgelaten om de kinderen van Israël te verleiden tot het leven onder de wet en het oude tempelsysteem. Dit zal dan zeer snel gevolgd worden door het definitieve einde van dit akelige wezen en al zijn leugens. Om dit aannemelijk te maken, moeten we wel heel creatief omgaan met de tekst. Dus of er nog zo'n laatste slag komt weet ik niet, maar als die komt weet ik wel wie er wint!

Mijn vermoeden is dat de periode niet als letterlijk 1000 jaar gezien moet worden en dat hij eindigde bij het oordeel over Jeruzalem, omdat de beschrijvingen daarmee samen lijken te vallen en daarmee klopt het totaalplaatje beter. Tevens valt ook Openbaring 20 tussen de tijdsindicaties van het begin en het einde van het boek, dat alles 'spoedig', 'weldra' zou plaatsvinden. Goochelen met getallen heeft al tot zoveel verkeerde 'voorspellingen' van 'het einde' geleid, dat dit nauwelijks meer serieus genomen kan worden. Daarbij lijkt het mij duidelijk dat Petrus met zijn opmerking over '1 dag als 1000 jaar' meer iets over Gods geduld probeerde te zeggen dan dat hij een rekenformule met 3 x 1000 jaar voor Hosea 6:2 in gedachte had.

Het getal 1000 wordt in profetische en poëtische teksten vaker symbolisch gebruikt . Het is een zeer krachtig en vol getal (10x10x10).

Psalm 50:10:

Want al het gedierte van het woud is van Mij, de beesten op duizend bergen.

Psalm 84:11:

Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik verkies liever op de drempel van het huis van mijn God te wezen, dan lang te wonen in de tenten van goddeloosheid.

Jesaja 7:23:

Ook zal het in diezelfde dagen geschieden, dat iedere plaats, waar duizend wijnstokken geweest zijn, van duizend zilverlingen, tot doornen en distels zal zijn;

Het getal wordt op veel plaatsen gebruikt om een uiting kracht bij te zetten. Het is in Openbaring 20 omgeven door andere symbolische voorstellingen. zoals 'de slang', die met 'een ketting' wordt vastgebonden en wordt opgesloten in 'de afgrond' met een 'sleutel'. hiermee staan die 1000 jaar volledig in een symbolische, allegorische context (zie vers 1 en 2).

Door het vernietigen van het oude systeem van de tempeldienst en door de komst van het Koninkrijk heeft de aanklager geen poot meer om op te staan. Hij was al gebonden en overwonnen door Jezus' autoriteit en Zijn volmaakte offer. Nu is ook nog eens het hele religieuze centrum, waar de macht van Satan (de tegenstander) op gebaseerd was, vernietigd. God heeft definitief afgerekend met het oude, overspelige Jeruzalem en de aardse tempel. Daarmee heeft Hij ook korte metten gemaakt met de geestelijke tegenstander en zijn aardse afgezanten.

Als er niet zo'n mooi exact getal (1000) had gestaan was dit hoofdstuk waarschijnlijk niet zo lastig voor velen. Het getal 1000 geeft volgens mij in dit verband slechts een volheid van tijd aan, geen exacte periode van 1000 jaar. Lezen we het als een symbolische lange periode, dan is het te zien als de periode tussen de tijd dat Jezus op aarde de duivel vast bond en Zijn komst in oordeel en de vestiging van Zijn Koninkrijk. Het zou dan gaan over de lange periode van ongeveer 40 jaar tussen de hemelvaart van Jezus en het laatste oordeel over Jeruzalem. Veertig jaar voelt heel erg lang als je ergens op moet wachten. Na die tijd werd de tegenstander (de satan) een korte tijd losgelaten om 'zijn ding' te doen en daarna voorgoed vernietigd te worden. Geheel in overeenstemming met de rest van Openbaring. “Wat? Maar...”, zullen velen hardop denken, “...betekent dat dan dat er geen Satan meer is?!”

Ik geloof dat specifiek die satan (de tegenstander en aanklager van de kinderen van God, die hen steeds weer de wet voorhield om te laten zien hoe slecht ze wel waren,) gebonden, verslagen en vernietigd is. Daarmee wil ik niet zeggen dat er vandaag geen kwade geesten, demonen of andere soorten geestelijke (of menselijke) aanklagers meer kunnen zijn. Echter, met dé Satan van de Bijbel, de slechterik uit de tijd van het oude verbond, die mensen kon aanklagen op basis van de wet en de zonde, is voorgoed afgerekend. Dat lijkt mij geweldig goed nieuws voor velen die nu nog bang zijn voor dit wezen. Er is geen enkele geestelijke macht die stand kan houden tegen de autoriteit van Jezus.

Kortom: er zijn nog duistere machten, maar die opereren dan in de duisternis en zijn eenvoudig te overwinnen als je in het licht blijft. Leef liever in een 'hemelse stad', in relatie met God, waar geen duisternis heerst.


De afronding van het oude systeem van Israël

Openbaring 21 toont ons vervolgens het prachtige beeld van een nieuwe hemel, een nieuwe aarde en een nieuwe stad, het hemelse Jeruzalem, getooid als een bruid. Een beeld van God die vanaf dat moment bij de mensen woont, in een liefdevolle relatie; en elke traan van hun ogen wist. Ja, er zijn nog tranen, maar Hij is er in elk verdriet en Hij is altijd dichtbij. De dood heeft geen heerschappij meer; iets waar Paulus het ook veel over had.

En Hij die op de troon zit zegt: “Ik maak alle dingen nieuw” (vers 5). Vanaf vers 9 krijgen we een prachtige poëtische en symbolische beschrijving van de bruid. Het is de stad van God, het hemelse, geestelijke Jeruzalem. Schitterend licht, vol goud en edelstenen, poorten als parels, met daarop de namen van de twaalf kinderen van Israël en twaalf fundamenten met de namen van de zendelingen van Jezus. Een perfecte samensmelting van oud en nieuw. Een lichtende stad, een volmaakte woonplaats, waarvan de poorten altijd open staan. Een uitnodiging om in het licht te leven.

Is het trouwens niet opmerkelijk dat in Openbaring 7 eerst gesproken wordt over 12000 getrouwe Israëlieten uit elk van de 12 stammen van Israël? (In totaal 144.000, 12x12x1000 symbolisch, zoals ik al eerder zei). Het geeft een volledigheid aan. In Openbaring 14 worden zij de 'eerstelingen' genoemd. Volgens Joodse begrippen was dat het deel van de oogst dat aan God toebehoorde. Hier zien we dat er een volheid uit alle 12 stammen aan God toegewijd was: Joden (de twee stammen in het land) en verstrooide Israëlieten uit alle windstreken (tien stammen - samen twaalf), omdat God door Jezus Zijn armen uitstrekte naar Zijn verbondsvolk. Wonderlijk is wel dat de stam Dan ontbreekt uit het lijstje van stammen. Dan betekent 'rechter', wat zou kunnen duiden op Gods verlangen om niet meer als rechter op te hoeven treden, maar als Man, Vriend en Vader van Zijn volk. Dit volle aantal is het volledige trouwe restant van Israël dat uit alle volken zou worden binnengehaald (zie ook Rom. 11:25-27):

Want ik wil niet, broeders, dat jullie deze verborgenheid onbekend zal zijn (opdat jullie niet wijs zijn in eigen ogen), dat er voor een deel verharding over Israël gekomen is, totdat de volheid van de heidenen ingegaan zal zijn. En zo zal geheel Israël gered worden, zoals geschreven is:

De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden van Jakob (Israël) afwenden.”

Hierna ziet Johannes in Openbaring 7:9 een grote menigte uit alle volken, stammen en talen (de verstrooide Israëlieten). Het lijkt erop dat het om dezelfde groep gaat, omdat zij vanuit de grote verdrukking kwamen (7:14) en dat was dezelfde periode waar dit hele boek over gaat. De verdrukking werd ervaren door de ware Israëlieten, die vervolgd werden door de duivelse, haatdragende Joden die Jezus niet wilden accepteren. Johannes hoorde eerst het (symbolische) getal van degenen die verzegeld waren (144.000 - symbolische weergave van de twaalf stammen van Israël, waar twaalf zendelingen naar toe gestuurd waren om velen te verzegelen - 7:4) en daarna zag hij die grote menigte aankomen vanuit alle volken. Een menigte die 'niemand tellen kon' (7:9). Daarbij gaan mijn gedachten direct naar teksten als Genesis 15:5 en 22:17, waar God Abraham een nageslacht belooft dat zal zijn als de sterren aan de hemel en als het zand aan de zee; ontelbaar. In 1 Koningen 4:20 wordt over Israël en Juda gezegd dat ze met velen waren, als zand aan de zee, etende en drinkende en vreugdevol. Over Efraïm, één van Abrahams nakomelingen, een zoon van Jozef, werd gezegd dat zijn nakroost een menigte van volken zou worden (Genesis 48:19). Later zouden de noordelijke 10 stammen, ook wel geïdentificeerd met Efraïm, zo ver onder de volken verspreid worden, dat ze bijna niet meer te onderscheiden zouden zijn van die volken. Ten tijde van Jezus waren ze zo talrijk en zo wijd verspreid, dat ze daadwerkelijk een ontelbare menigte waren geworden. De zendelingen hadden dan ook de Heilige Geest nodig om de uitverkorenen er tussenuit te vissen. Aan het einde van Openbaring 7 (vers 14) en in Openbaring 21:4, zien we dat God elke traan van hun ogen zal afwissen. Een uitspraak die doet denken aan Jesaja 25:8, waar we (in de Griekse vertaling van de Tenach) exact dezelfde bewoording zien. God wist elke traan van het gezicht van het volk af en neemt hun schande weg, opdat ze een zegen zouden zijn voor alle volken, zoals in de verzen ervoor vermeld staat. Verlossing voor het volk, verlost van de vloek van hun wet, om een licht te zijn voor de volken. Vrij van oordeel en schaamte.

Het begrip 'eerstelingen' betekent niet dat er nog 'tweedelingen' of 'derdelingen' komen; de 'eerstelingen' waren zij die God toebehoorden (andere mensen behoorden Hem niet toe en die kwamen ook niet in Gods koninkrijk), zij vormden het nieuwe, hemelse Jeruzalem. Het volledige Israël is dan ook vertegenwoordigd in de symboliek van de 12 poorten (alle stammen) en de 12 fundamenten (de zendelingen die het volk uit alle windstreken weer bij elkaar hadden gebracht) in Openbaring 21. De afmetingen hadden ook dezelfde symboliek, want daarin zien we weer de getallen 144 (ellen) in de dikte van de muren en 12000 (stadiën) in de lengte, breedte en hoogte van de stad. Het woord 'eersteling' komt ook voor in 1 Korinthiërs 15:23, waar Jezus de Eersteling genoemd wordt. Ik weet niet zeker of je de manier waarop Paulus het woord gebruikt zomaar kunt toepassen op Openbaring 7, maar als dat wel kan, dan moeten we de 144.000 misschien zien als de eerste lichting en de grote menigte als de rest van het volk (inclusief de verstrooide Israëlieten onder de volken). Alles wijst in ieder geval op de totale hereniging van Israël, met als doel om (eindelijk) dat grote licht te zijn.

God heeft Zijn volk nooit in haar geheel verworpen. Er was altijd een restant van de mensen die wel trouw bleven, die een zegen zouden zijn voor de volken om hen heen. Johannes noemt in dit gedeelte het nieuwe Jeruzalem de bruid van het Lam (het volmaakte offerlam van Israël, dat al hun zonden wegnam en daarmee de hele wet vervulde), waarmee de eenheid en de voltooiing van het hernieuwde verbond met Israël in de vorm van een huwelijk wordt uitgebeeld. Een huwelijk is heel iets anders dan het verdrag dat ze daarvoor hadden, waarbij ze zich botweg aan een stel regels moesten houden. En in een huwelijk hoef je niet elke fout met een offer te herstellen, of anders: scheiding, of erger, de dood! Nee een huwelijk gaat over liefde en trouw.

Zo zien we dat in Jezus de oude dingen zijn afgebroken en alles nieuw werd gemaakt. Hij maakt nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. Een nieuwe manier van aanbidden voor Israël. Hij gaf Zijn volk een nieuw, geestelijk leven en een nieuw Jeruzalem. De les die zij geleerd hebben is een lichtend voorbeeld voor alle mensen. God wil wonen in mensen met geestelijke, onvergankelijke lichamen die Hem aanbidden op Zijn heilige berg. Zij hoeven niet te leven op de berg van de wet (Sinaï) wat leidt tot dood en ellende, maar ze leven op de berg van de levende God (Sion) wat leidt tot eeuwig geluk en vrede. Zijn Koninkrijk is gekomen in de harten van toegewijde mensen en wij mogen dat als voorbeeld zien.

Hij maakt werkelijk alles in de geestelijke wereld nieuw, wat een uitwerking heeft op aarde, waardoor uiteindelijk ook hier een vrederijk zal ontstaan. We hebben gezien dat de Bijbel focust op het hart, op geestelijk leven. Israël zou een zegen zijn voor de hele wereld en dat is uiteindelijk verwezenlijkt door Jezus, in Wie het 'ware Israël' gestalte kreeg. Wij kunnen wereldwijd in één verenigd Koninkrijk de handen ineenslaan en de dingen die Hij ons in de levensgeest gegeven heeft, zichtbaar maken op aarde. Zo zal uiteindelijk de hele aarde vol zijn van Zijn heerlijkheid. Hoe lang dat nog gaat duren weet ik niet, maar samen mogen we er aan werken.

Bid je nog wel eens: “...uw Koninkrijk kome”? Ik zeg niet dat je er verkeerd aan doet, maar ik geloof wel dat het Koninkrijk al gekomen is en dat wij mogen leven in dat Koninkrijk. Want van Hem ís het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid. Nu en tot in eeuwigheid. Wat ik nu bid, is dat het Koninkrijk meer en meer zal 'komen', waarmee ik bedoel dat het steeds meer zichtbaar wordt in de wereld om ons heen, met alle tekenen en wonderen die ermee gepaard gaan. En wanneer wij, na onze taak op aarde volbracht te hebben, ons aardse lichaam verlaten en in Zijn aanwezigheid verschijnen, zijn daar de liefdevolle armen van de hemelse Vader. Zonder aanzien van persoon of religieuze achtergrond. Het is open voor iedereen die rechtvaardigheid liefheeft.


De feesten van Israël

God gaf de Israëlieten feesten om te vieren. Als momenten van bezinning en herdenking en tevens als voorafschaduwing van het Grote Plan. Er wordt namelijk in het Nieuwe Testament door Jezus en de zendelingen duidelijk gezegd dat de feesten ook een profetische functie hadden. Als we ze begrijpen in het licht van de vervulling die Jezus eraan gaf, kunnen wij ook wandelen in dat licht.

Hier zal ik in het kort laten zien hoe Jezus deze feesten vervuld heeft en dat het leven dat Jezus verkondigde één groot feest is. Hier een korte beschrijving van deze feesten.

Er waren voor de Joden drie belangrijke feestperioden:

  1. Een serie van 3 feesten rondom de uittocht uit Egypte.

  2. Een feest rondom de wetgeving.

  3. Een serie van 3 feesten rondom de intocht in het beloofde land.

Deze drie feestperioden zijn door Jezus volledig vervuld. Ze worden ook wel onderverdeeld in drie voorjaarsfeesten, het oogstfeest en drie najaarsfeesten.

De voorjaarsfeesten:

De vervulling van deze feesten vinden we in de eerste vijf boeken van het Nieuwe Testament: de kruisiging, begrafenis en opstanding van Jezus de Ingewijde. Dat is dus in de tijd dat Jezus lichamelijk op aarde aanwezig was.

Het Paasfeest (Pesach, Pascha):

Dit feest herinnerde Israël eraan dat God hun huizen 'oversloeg' (de betekenis van het woord pesach) en hun eerstgeborenen spaarde tijdens de uittocht uit Egypte en de bevrijding van de slavernij. Een foutloos lam werd geslacht en het bloed werd langs de deurposten gesmeerd, zodat de dood aan hen voorbij zou gaan (Exodus 12:1-14; Deuteronomium 16:1-8). Het lam werd goed onderzocht, opdat ze zeker wisten dat er geen mankementen aan zaten. Er mocht van het lam geen bot gebroken worden.

Dit is vervuld in het afsluitende, volmaakte offer van Jezus de Ingewijde. Jezus werd ondervraagd door de Joodse leiders, maar ze konden Hem nergens op pakken. Hij werd onderzocht door Pilatus, maar ook hij kon geen fout vinden.

In het verslag van de kruisiging kunnen we lezen dat de benen van de misdadigers die naast Jezus waren gekruisigd werden gebroken. Dit werd gedaan zodat ze sneller zouden overlijden en ze nog voor de sabbat konden worden begraven. De benen van Jezus hoefden niet gebroken te worden, omdat Hij al overleden was.

Door Jezus' offer kreeg Israël verlossing van de dood die door de zonde in de wereld was gekomen. In Hem kwam de ultieme verzoening (Johannes 1:29):

De volgende dag zag Johannes Jezus aankomen en zei: “Zie het Lam van God Dat de zonde van de wereld wegneemt!”

1 Korinthiërs 5:7:

... want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk de Ingewijde. Laten we dan feest vieren...

Er hoefden geen lammetjes meer geslacht te worden. Hij was het volmaakte Lam van God.

Het feest van de ongezuurde broden (Matses, brood zonder zuurdeeg):

Dit feest herinnert aan de haastige vlucht van de Israëlieten uit Egypte tijdens de uittocht. Zuurdeeg was een stukje oud bedorven deeg dat door nieuw deeg gekneed werd om het te laten gisten en rijzen. Zonder zuurdeeg (beeld van de zonde) hoefde het brood niet te rijzen (Exodus 12:15-20; 13:3-10; Leviticus 23:6-8; Numeri 28:17-25; Deuteronomium 16:3-8).

Het ongezuurde brood is een typebeeld van Jezus - er was geen zonde in Hem en door Zijn offer nam Hij de zonde weg (Johannes 6:30-59):

1 Korinthiërs 5:7,8:

Gooi het oude zuurdeeg weg opdat jullie nieuw, ongezuurd deeg zijn. Want ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk de Ingewijde. Laten we dan feest vieren, niet met het oude zuurdeeg van kwaadaardigheid en slechtheid, maar met de ongezuurde broden van oprechtheid en waarheid.

In 1 Korinthiërs 11:24 benadrukt Paulus nog eens dat Jezus het ongezuurde paasbrood nam en dit betrok op Hemzelf.

...Neem, eet, dit is Mijn Lichaam dat voor jullie gebroken wordt...

Jezus vertelde waar de leerlingen het zuurdeeg moesten zoeken: bij de Farizeeën en bij Herodes (Mattheüs 16:6-12; Marcus 8:15; Lukas 12:1); mensen die anderen uitbuitten, manipuleerden en vervolgden. De Farizeeën waren alleen maar gefocust op de wet en de naleving ervan. Ze maakten het onmogelijk om die wet te houden door er van alles bij te verzinnen. Net als zuurdeeg een brood laat gisten en rijzen, maakt eigengerechtigheid mensen opgeblazen. Jezus maakte duidelijk dat er niets in Hem was wat zijn volgelingen in de Farizeeën zagen. Hij maakte hen vrij van de dwangmatige naleving van de wet. God had hen vrijgemaakt van dat zuurdeeg. Ze mochten leven in Zijn genade en liefde. Door Jezus mochten ze leven zonder in een godsdienstige kramp te komen. Alles wat goed was aan de wet zou God persoonlijk in hun binnenste openbaren, wat in het oogstfeest tot uitdrukking komt.

Het feest van de eerste vruchten (Bikkurim, Eerstelingen) :

Dit feest was ingesteld om de eerste vruchten van de gerstoogst op te dragen (Leviticus 23:9-14). Deze eerste vruchten vertegenwoordigden de hele oogst. Ze werden voor God heen en weer bewogen.

Het is vervuld in de opstanding van Jezus, samen met de eerste 'vruchten'. Hij was de eerste die opstond uit de dood en samen met Hem werden nog andere gestorvenen opgewekt die zich vertoonden in Jeruzalem (Mattheüs 27:52,53):

Na Zijn opstanding werden de graven geopend en vele lichamen van heiligen die gestorven waren werden opgewekt, waarop zij in de heilige stad aan velen verschenen.

1 Korinthiërs 15:20-23:

Maar nu is de Ingewijde opgewekt uit de dood en is Hij de Eersteling geworden van hen die gestorven zijn. Want zoals de dood door een mens is gekomen, zo is ook de opstanding van de doden door een Mens gekomen. Want zoals zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in de Ingewijde allen levend gemaakt worden. Maar in de juiste volgorde: de eersteling is de Ingewijde, daarna zij die van de Ingewijde zijn bij Zijn verschijning.

Bovenstaande is in dit boek al uitvoerig aan bod gekomen, maar nu in het licht van dit feest: Na de opstanding ging Jezus naar de hemel om voor God te verschijnen, wat een vervulling is van het presenteren van de eerste vruchten (Daniël 7:13, Marcus 16:19, Handelingen 1:9).

Het oogstfeest:

Het Wekenfeest (Sjavoeot, Pinksterfeest)

Dit feest was ingesteld om de eerste vruchten van de tarweoogst op te dragen. Het werd 50 dagen na de eerstelingen gevierd. Het herinnerde aan de Thora die na de uittocht uit Egypte aan Mozes werd gegeven op de berg Sinaï (Exodus 23:16; Leviticus 23:15-22; Numeri 28:26-31; Deuteronomium 16:9-12).

Het feest is door Jezus vervuld in de uitstorting van de Heilige Geest (Handelingen 2:1-4):

En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. En plotseling kwam er uit de hemel een geluid als een geweldige windvlaag die het hele huis waar zij zaten vervulde. En zij zagen vuurvlammen die zich over een ieder van hen verdeelden. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen in andere talen te spreken zoals de Geest het hun ingaf.

De vuurvlammen die zich verdeelden over de hoofden van de zendelingen waren een teken dat de aanwezigheid van God die hen in de vuurkolom voorging tijdens de woestijnreis, nu op ieder individu rustte die zich aan Hem overgaf. In Romeinen 8:1-17 beschrijft Paulus welk effect de Heilige Geest op hun leven had, namelijk dat de oude wet van 'het vlees' vervangen werd door de wet van de Geest. En in Hebreeën 10:15-17 lezen we dit:

En de Heilige Geest betuigt in ons wat Hij van te voren gezegd had: “Dit is het verbond, dat Ik met hen maken zal na die dagen, zegt Jahweh: Ik zal Mijn wetten geven in hun harten, en Ik zal die inschrijven in hun gedachten. En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik geenszins meer gedenken.”

Jezus gaf Zijn Geest als vervanging van de wet die hen tot dan toe in een ijzeren greep had gehouden. De wet werd op het hart van de mensen geschreven. Door de Heilige Geest werden ze bevrijd van het uitvoeren van religieuze handelingen. Ze hoefden niet meer te proberen God te behagen. Hij had een behagen in hen, ondanks hun fouten. De Heilige Geest zou hen vanaf dat moment persoonlijk leiden, onderwijzen en corrigeren. Maar er waren nog veel verdwaalde schapen die gered en bevrijd moesten worden. Daarom kregen ze ook de kracht van de Geest om dit goede nieuws aan alle Israëlieten die in de wereld verstrooid waren te verkondigen (Handelingen 1:8):

Maar Jullie zullen kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over jullie zal komen; en jullie zullen Mijn getuigen zijn in Jeruzalem, in geheel Judea en Samaria en tot aan de uiteinden van de aarde.

Dit ging gepaard met wonderbaarlijke tekenen en wonderen die Jezus door hen heen deed. Net als in de tijd van 40 jaar die de Israëlieten in de woestijn doorbrachten na de uittocht uit Egypte. Zo gingen ze een periode van 40 jaar tegemoet waarin ze opnieuw een uittocht meemaakten. Ditmaal vanuit hun slavernij van de wet, naar de volledige vrijheid van de 'zonen van God' (Romeinen 8:19). Dit moest doorgaan totdat alle Israëlieten die het wilden horen ingegaan waren. Zo werd heel Israël gered: het getrouwe overblijfsel van de twee zuidelijke stammen en de verloren tien noordelijke stammen die verspreid waren onder de volken. God heeft elke ware Israëliet die afgehouwen was weer geënt op de goede Olijfboom door het geloof in hun Messias (Romeinen 10:18-19 en 11:23-29).

Het Pinksterfeest wordt ook wel het oogstfeest genoemd. Dit is de grote oogst waar Jezus over sprak (o.a. In Mattheüs 13:37-43 en in een aantal gelijkenissen), zoals we eerder in dit boek zagen. Deze oogst werd binnengehaald door de afgezanten die over de hele aarde uitgingen. In Johannes 12:24 zegt Jezus dat Hij als een graankorrel in de aarde zou vallen en sterven, maar daarna veel vrucht zou voortbrengen. Toen Hij de dood overwonnen had en naar de Vader gegaan was kon Hij de Heilige Geest aan iedereen geven, omdat Hij toen niet meer beperkt werd door ruimte en tijd (Johannes 16:7):

Doch Ik zeg u de waarheid: Het is goed voor u dat Ik wegga; want als Ik niet wegga kan de Trooster niet tot u komen; maar als Ik heenga kan Ik Hem tot u zenden.

De najaarsfeesten:

Na een periode van vier maanden werden de najaarsfeesten gevierd. Deze periode is vergelijkbaar met de veertig jaar tussen de hemelvaart van Jezus en Zijn verschijning in heerlijkheid, zoals uitgebreid in dit boek beschreven is.

Feest van de Bazuinen (Rosj Hasjana, het Joodse Nieuwjaar):

Tot inleiding en inwijding van de zevende maand als sabbatmaand, een maand van rust. (Leviticus 23:23-25; Numeri 10:10; 29:1-6). Dit feest was een oogstfeest en stond ook bekend als het feest van de inzameling; de hele oogst was binnengehaald. Daarnaast werd ook de intocht in het beloofde land herdacht. Het blazen van de bazuinen kan vergeleken worden met de eerste overwinning die het volk na 40 jaar in de woestijn behaalde bij het binnenvallen van Jericho. Toen de priesters op de bazuinen bliezen, vielen de muren en konden zij hun eerste overwinning boeken in het beloofde land.

Het vallen van een stad vol ongerechtigheid en goddeloosheid zien we weer aan het einde van de 40 jaar van herstel voor het volk van God (in de jaren 30-70 na Christus), waarna Jeruzalem viel. De stad die vernietigd zou worden omdat zij 'de profeten doodde en stenigde wie tot haar gezonden waren' (Mattheüs 23:37). Het blazen van de bazuinen vinden we ook weer in Openbaring 8-11, waar het een volledige vernietiging van het oude aankondigt en verlossing, vrede en rust voor de rechtvaardigen. Het was de afsluiting van het oude en het ingaan in de rust.

Als vervulling van de 'hele oogst' zien we de verzameling van het 'hele Israël' voor de bruiloft van het Lam (Mattheüs 24:29-31; Openbaring 19). Bij de laatste bazuin stonden ook de doden op uit het dodenrijk (zie 1 Korinthiërs 15:52 en 1 Thessalonicensen 4:16-18, verzen die ondertussen uitgebreid behandeld zijn). De dag van vergelding was geweest; er brak een nieuwe tijd aan, een jaar van welbehagen voor het Joodse volk. Allen die waren neergedaald in het dodenrijk, stonden op en gingen naar het eeuwige paradijs, waar Jezus een woning voor ze had klaargemaakt.

Daarna hoefden ze niet meer naar het dodenrijk wanneer ze stierven, want Jezus had de dood overwonnen en het dodenrijk vernietigd. Als het al voor alle mensen op aarde gold, dan nu in ieder geval niet meer. Ieder die de kenmerken van Zijn Koninkrijk (zoals gerechtigheid, vrede en liefde) zoekt, zal direct bij Hem zijn wanneer de 'aardse tent' (het lichaam) afgelegd wordt. (Lees 2 Korinthiërs 4:7-5:8, waar Paulus beschrijft dat het uiteindelijk beter is om dit lichaam te verlaten en bij God te zijn.)

De grote Verzoendag (Jom Kippoer) :

Dit was de jaarlijkse verzoening voor de zonden van de Israëlieten; de priester kwam uit het Heilige der Heiligen na het bloed op het verzoendeksel te hebben gesprenkeld (Leviticus 16:1-34; 23:26-32; Numeri 29:7-11). Op de grote Verzoendag moest het hele volk vasten. De dag werd ook wel gezien als een dag van oordeel (beslissing). Op die dag werd ook de 'zondebok' de woestijn in gestuurd. Deze droeg symbolisch de zonden van het volk weg. Een andere bok werd geslacht en geofferd voor hun zonden.

Jezus zei dat Zijn volgelingen zouden vasten wanneer Hij weg was (Lukas 5:35). Jezus ging als ultieme Hogepriester het hemelse Heilige der heiligen binnen om Zijn bloed op het geestelijke verzoendeksel te sprenkelen en kwam weer uit de hemel om definitief af te rekenen met de wet en totale verzoening in te luiden voor het hele, ware Israël. De zondebok ging de woestijn in en het volk was voor eeuwig vrij van de zonde. Zie Hebreeën 9 en 10, waar in vers 37 de verwachting wordt uitgesproken dat het toen heel spoedig zou gebeuren:

Want: Nog een zeer korte tijd en Hij, Die komen zal, zal komen en niet uitstellen.

Toen het oude Jeruzalem vernietigd en de aardse tempel afgebroken was, kon het Nieuwe Jeruzalem afdalen naar de aarde en kon Jezus Zijn werk eindelijk helemaal voltooien (Openbaring 21 en 22). Het nieuwe, hemelse Koninkrijk kon de aarde gaan vervullen. Bedenk dat de verzoening voor Israël was en dat het enige wat nu nog overblijft van deze hele geschiedenis de open Stad van God is, waar we gewoon naar binnen kunnen gaan.

Loofhuttenfeest (Soekot of “Feest van de Inzameling”):

Het zevende feest, gevierd in de zevende maand, duurde zeven dagen. Zeven was een beeld van volledigheid en hier komt dan ook alles tot voltooiing. De oogst is ten einde, het volk kan rusten en feest vieren. Dit feest is een herinnering aan de tijd dat de Israëlieten in de woestijn in hutten en tenten leefden onder Gods bescherming, geleid door een wolkkolom overdag en een vuurkolom in de nacht; ze kregen brood en vlees uit de hemel en dronken water uit 'de rots' (Exodus 23:16; Leviticus 23:33-43; Numeri 29:12-38; Deuteronomium 16:13-17; Nehemia 8:14-19; Zacharia 14:16-19). Het zou een altijd doorgaand feest zijn, een eeuwigdurende instelling.

Water was ook een belangrijk onderdeel van dit feest. Op de laatste dag van het loofhuttenfeest putte de priester met een gouden emmer water uit de put van Siloam en goot dit na een feestelijke optocht uit aan de voet van het brandoffer-altaar. Een duidelijk symbolisch gebaar, omdat er zonder water geen groei is en dus ook geen oogst.

De pelgrims die naar Jeruzalem trokken namen ook fakkels mee, die het hele tempelplein verlichtten, zodat het 's avonds tot in de wijde omtrek te zien was. De fakkels symboliseerden het zonlicht dat nodig is voor de groei van de gewassen.

De vervulling van 'het water' werd door Jezus Zelf uitgeroepen. Op de laatste dag van het feest stond Jezus op en verkondigde dat ze het levend water vanaf dat moment bij Hem konden halen en dat stromen van levend (geestelijk) water uit hun binnenste zouden vloeien (Johannes 7:37-39):

En op de laatste dag, de grote dag van het feest, stond Jezus en riep: “Als iemand dorst heeft, kom dan bij Mij om te drinken. Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. (En dit zei Hij van de Geest die zij ontvangen zouden die in Hem geloofden...

Geloof = vertrouwen op alles wat Hij zei. Dat had in eerste instantie een betekenis voor Israël, want Jezus verwees naar 'de Schrift', dat waren hún geschriften. Zij moesten echter in Hém geloven, niet de geestelijke leiders van die tijd, die hen allemaal dingen oplegden die ze nooit konden volbrengen. Hij liet zijn volk zien dat ze rechtstreeks naar God konden gaan, zonder tussenkomst van religieuze handelingen, rituelen met attributen, regels, wetten en tempels, maar vooral zonder veroordeling. En Jezus zei, waarschijnlijk wijzend op het licht van de fakkels (Johannes 8:12):

Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt zal niet in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.

De vermelding dat dit een eeuwigdurende instelling was, moeten we niet op dezelfde manier lezen als wij het woordje 'eeuwig' zien. Het woord 'olam' in het Hebreeuws heeft meer iet van een onbepaalde tijd. Volgens de Joodse geschriften is het altijd Gods bedoeling geweest om de hele aarde te zegenen door het nageslacht van Abraham. En uiteindelijk zou de hele aarde vol worden van de kennis van Jahweh, zoals het water de zeebodem bedekt (Jesaja 11:9). Ik zie hierin zeker een hoopvolle boodschap. De Joodse geschriften bevatten veel diepe wijsheden. Het zal de lezer ondertussen echter wel duidelijk zijn dat niet alle aspecten van de geschiedenis van Israël op de rest van de mensheid van toepassing zijn. Toch kunnen wij er waardevolle lessen uit leren. Er zijn principes die elke afkomst en religie overstijgen.

Laat Levend Water stromen, leef in het Licht en wees dat licht!